Ds. J. IJsselstein - Haggaï 1 : 7

De biddagpreek van Haggaï

De hoorders van de preek van Haggaï
De inhoud van de preek van Haggaï
De uitwerking van de preek van Haggaï

Haggaï 1 : 7

Haggaï 1
7
Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Haggaï 1 - 2:1 (zie kantt. Haggaï 2:1)
Psalmen : vrij in te vullen

Gemeente, op deze biddag komt het Woord van de Heere tot ons vanuit de profetie van Haggaï, hoofdstuk 1, het zevende vers. We lezen daar het Woord van God als volgt:

 

Alzo zegt de Heere der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.

 

Het thema voor de preek luidt eenvoudigweg: De biddagpreek van Haggaï.

 

Er zijn een drietal aandachtspunten:

1. De hoorders van de preek van Haggaï

2. De inhoud van de preek van Haggaï

3. De uitwerking van de preek van Haggaï

 

1. De hoorders van de preek van Haggaï

 

Biddag, een bijzondere dag.

Een dag van terugzien... een dag van vooruitkijken...

Een dag van verootmoediging... een dag van verwachting...

Biddag, een bijzondere dag.

 

Zo’n bijzondere dag was het ook op 29 augustus van het jaar 520 voor Christus. Ziet u hem staan, die man daar, midden op het tempelplein?

Links en rechts om hem heen liggen de ruïnes van de verwoeste tempel. Het is waar, het fundament voor de nieuwe tempel is gelegd. Kijk... en daar staat ook het brandofferaltaar. Dat staat er inmiddels al zeventien jaar, sinds men teruggekomen is uit Babel.

Maar verder is het een grote puinhoop.

Niet iedereen is trouwens teruggegaan. Er zijn er ook heel veel gebleven in Babel. Ze hadden het naar hun zin, ze hadden het goed. Waarom zou je teruggaan naar Jeruzalem, als je het in Babel naar je zin hebt?

 

Maar vandaag is het in Jeruzalem een bijzondere dag. Het is de nieuwe maan. Een feestelijke dag, een dag van offer en gebed.

En midden op die bijzondere dag staat daar ineens de profeet Haggaï. We weten niet hoe oud hij is, we weten niet waar hij vandaan komt, we kennen zijn familie niet, maar ineens staat hij daar, midden op het tempelplein. Hij preekt maar kort: drie dagen, vier toespraken... en dan is hij weer aan het oog onttrokken.

Met recht een kleine profeet. Hoewel… die schijnbaar kleine profeet heeft in het leven van het volk Israël een enorm grote rol gespeeld.

Wat was het eigenlijk voor een tijd, dat jaar 520 voor Christus?

Ik zei u al, de tempel was nog steeds een grote puinhoop. De eerste steen voor de nieuwe tempel was weliswaar gelegd, het brandofferaltaar was weliswaar opgericht, en de offerdienst was hersteld, maar daarna had men de herbouw van de tempel moedeloos laten rusten.

Er zat zoveel tegen. De Samaritanen maakten hen het leven zuur, er was politieke onrust gekomen na de dood van koning Kores, oogsten waren mislukt... Kortom: een moeilijke, een donkere tijd.

Biddag, een bijzondere dag in een moeilijke tijd. Een tijd van economische instabiliteit, een tijd van financiële crisis, en wereldwijd een tijd vol revolutie, oorlog en geweld.

 

Weet u trouwens waarom het vooral zo donker was? De Heere sprak niet meer! Hier in Jeruzalem was Jeremia de laatste geweest die gezegd had: Zo zegt de Heere... En daarna was het stil geworden... Het Woord van de Heere had gezwegen, vele jaren lang...

Misschien weet u voor uzelf wel wat dat betekent: de hemel gesloten. Dan kan het hart uitroepen: Och, dat Gij de hemelen scheurde, dat Gij nederkwam, dat de bergen voor Uw aangezicht zouden versmelten. Dan kan het hart uitroepen: Hoor, Heere, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid!

Maar van dat roepen, van dat roepen is hier helemaal niets te merken! Men komt wel naar het tempelplein, maar van roepen, van verlangen is geen sprake.

Men is vol van alles, maar leeg van God!

 

Misschien zit u vandaag op deze biddag zo ook wel in de kerk. U hebt een flinke duit in ’t zakje gedaan, het offer is gebracht...

Maar de vraag op deze biddag is: Hoort u Woord van de Heere wel? Hoort u de stem van God wel in uw leven? Of is het stil...? Doodstil...?

 

Maar dan, midden in die doodse stilte, klinkt onverwacht, na zeventien jaren, de stem Haggaï. Leest u maar mee in vers 1:

In het tweede jaar van de koning Daríus, in de zesde maand, op de eerste dag der maand, geschiedde het woord des Heeren door de dienst van Haggaï, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Jozua, de zoon van Józadak, de hogepriester, zeggende…

Zerubbabel en Jozua, beide godvrezende mannen. Zerubbabel de landvoogd, de vorst, en Jozua de hogepriester. Zij worden het eerst aangesproken! En dat is nog zo. Het Woord maakt geen onderscheid. Het richt zich tot overheid en burger, tot ambtsdrager en gemeentelid, tot mensen die God vrezen en tot hen die Hem niet kennen. Maar allereerst tot hen die leiding geven. Tot ambtdragers, tot de overheid.

Maar gelukkig, na al die jaren, is daar toch weer het woord van de Heere.

Maar... het snijdt direct tot in het diepst van het hart!

Leest u maar mee in vers 2:

Alzo spreekt de Heere der heirscharen, zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd dat des Heeren huis gebouwd worde.

Hebt u het ook gezien? Dit volk. De Heere zegt niet: Mijn volk, maar... dit volk.

Daar klinkt verdriet en teleurstelling in door: Dit volk, dat was Mijn volk. Maar het is ontrouw geworden en het is ontrouw gebleven!

Daar klinkt toorn in door. Toen ze terugkwamen uit Babel, toen hebben ze wel gezongen:

Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan. De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.

Ja, wel teruggekeerd uit Babel, maar niet teruggekeerd tot de Heere!

En, ondertussen leeft u in uw gewelfde huizen. U woont prima, hebt een eigen huis, een koophuis! Maar Mijn huis, zegt God, deze tempel, die is woest. Letterlijk staat er: het is een ruïne, het is een grote puinhoop!

U hebt het allemaal goed geregeld voor uzelf, maar aan Mij hebt u niet gedacht! Voor Mij... is geen plaats in uw leven!

 

Kijkt u maar, leest u maar mee in vers 2, 3 en 4:

Alzo spreekt de Heere der heirscharen, zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des Heeren huis gebouwd worde.

En het woord des Heeren geschiedde door de dienst van de profeet Haggaï, zeggende: Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?

Eerst ons eigen huis, en de rest komt wel! Dat komt later...!

Het ontbrak niet aan goede voornemens, maar van uitstel kwam afstel.

 

Dat herkent u ongetwijfeld. We nemen ons voor om iets te doen. We doen het echt… Natuurlijk. Maar nu even niet. Later...

Gevaarlijk uitstel!

Mag ik u eens wat voorbeelden noemen van dat gevaarlijke uitstel?

U hoort een preek. Het raakt u.

U treft tegenspoed. Het verontrust u. Uw hart slaat alarm!

U bent niet onverschillig, nee, dat zeker niet. U neemt u voor te zullen bidden, te zullen roepen, te zullen breken met de zonde.

Maar de tegenspoed gaat voorbij... Gelukkig. De kerk gaat uit... Gelukkig.

En u bent weer druk. Even dit, even dat...

En de rest?

Dat komt later wel... Het komt echt, hoor...! Maar nu nog niet!

 

Jongeren, je kent het ongetwijfeld. Dat gevoel van binnen: ik kan, ik mag zo niet doorleven. Maar ja... ik heb het zo druk, ik heb zoveel te doen: m’n studie, m’n vrienden, m’n contacten…

Nee, je bent niet onverschillig, anders had je op deze biddag geen vrij genomen van je school of van je werk. Anders zat je hier niet.

En... je neemt het je stellig voor: als ik tijd heb, dan zal ik God zoeken...

Maar nu... heb je even nog geen tijd!

 

Zakenmannen onder ons, druk met de business… De zaak moet vooruit! Het is crisistijd. Werk aan de winkel. Nee, u bent niet onverschillig, U neemt u stellig voor: straks, als het wat rustiger is, als de crisis voorbij is, dan zal ik tijd nemen om Bijbel te lezen, tijd om te bidden. Maar nu... nee, nu even geen tijd!

Thuis of buitenshuis werkende moeders… Druk, druk, druk. De kinderen moeten naar school, naar de catechisatie, naar de club, naar de vereniging, naar de muziekles... Vader mag trouwens ook wel wat doen...

Maar nee, u bent niet onverschillig. U neemt u voor om ’s avonds rustig wat te lezen, u neemt u voor dan te zullen bidden, als eindelijk alle kinderen op bed liggen. Maar dan...?

U bent zo moe...

Later dan, als de kinderen groot zijn... Alsof ze dan geen tijd meer kosten!

Maar nu: moe, geen tijd...

 

Totdat... onverwacht... het uur van sterven komt.

Geen tijd meer! Te laat!

O, zie toch het gevaarlijke van dat uitstel!

Het heil van uw ziel kan geen dag uitstel lijden. Heden, niet morgen! Wees bereid, want in de ure in welke u het niet verwacht, zal de Zoon des mensen komen!

Nu is er een geopende deur.

Nu nog staat de deur van de ark wagenwijd open. Maar er komt een tijd, dan zal de deur gesloten worden,

Nu is er een fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid. Maar de tijd komt, dat gezegd zal worden: die vuil is, dat hij nog vuil worde.

Nu is er een Zaligmaker beschikbaar, Die Zijn genade aanbiedt, om niet.

Maar de aanbieding is.... tijdelijk.

 

Gemeente, ik waarschuw u indringend, aan het begin van dit nieuwe seizoen.

Na het zaaien komt de oogst.

Maar hoe zal het zijn met u, als u uiteindelijk zeggen moet: de oogst is binnengehaald, maar mijn ziel... is niet gered?

 

Ons tweede aandachtspunt:

 

2. De inhoud van de preek van Haggaï

 

Leest u maar mee in vers 7:

Alzo zegt de Heere der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.

Uw hart. Enkelvoud.

Uw hart. Jouw hart. Niet het hart van uw buurman of van uw buurvrouw, maar: uw hart!

Eigenlijk zegt Haggaï: Neem het ter harte!

Stel uw hart op uw wegen! Op uw vroegere wegen. Op uw wegen nu!

Met andere woorden: Kijk nu eens goed naar wat het leven u echt brengt!

Haggaï zegt het in vers 6:

Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorde buidel.

Wat bent u bezig! U zaait… Het klinkt, zeker in het Hebreeuws, haast als een eentonige cadans: inbrengen, eten, drinken, kleden... Alsmaar bezig zijn. Druk, druk, druk... Maar het resultaat is maar mager!

U eet wel, maar niet tot verzadiging.

U drinkt wel, maar niet tot vrolijkheid.

U kleedt u wel, maar u wordt niet warm.

Al dat werken, dat levert wel iets op, maar geen echte vreugde, geen echte tevredenheid.

U hebt wel geld in uw buidel, in uw portemonnee. Maar die scherpe zilverstukjes slijten door dat geldzakje heen. Het geld valt er ongemerkt uit. En voordat u het weet bent u uw geld kwijt…

Je geld staat veilig op de bank. Althans, dat denk je. Totdat de bank omvalt, en het is weg.

Je huis, dat is pas een waardevaste investering. Ja, totdat de huizenmarkt inzakt, en uw kapitaal smelt weg.

Je hebt geld, jongelui, en voor je het weet ben je het weer kwijt...

Maar de vraag is: ben je dan echt verzadigd? Ben je echt tevreden? Ben je echt voldaan? Of kruip je om drie uur ‘s nachts in je bed met toch van binnen dat ontevreden gevoel: En nu? Was dit alles?

 

Haggaï gaat verder in vers 9:

Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de Heere der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.

U verwacht veel, maar (zo staat er letterlijk) zie, hoe weinig!

U hebt iets, God blaast erin, en het is weg!

Je slooft je uit, je werkt, dag in dag uit, je werkt hard, je bent van plan er dit jaar heel hard tegenaan te gaan, maar...

Ja, kom er eens even bij... Denk nu eens even na... Wees nu eens even eerlijk...

Brengt dit leven nu echt tevredenheid? Echte vrede? Echt geluk? Echte rust?

Of... is het een rusteloos jagen naar geld, naar meer geld, naar voorspoed, naar meer voorspoed, met diep in het hart toch dat lege gevoel?

Dat gevoel van: is dit nu alles? Dat katergevoel, de roes voorbij. Was dit nu alles, was dit nu echt geluk, echte vrede?

 

Jongens, meisjes, ben je niet aan het jagen naar iets dat je zo nooit bereikt? Je jaagt naar meer, naar nog meer, maar diep in je hart blijft dat gevoel van rusteloosheid en onvrede.

Jesaja wijst precies met zijn vinger naar de zere plek, als hij zegt: De goddelozen, de mensen zonder God, hebben geen vrede.

Zonder God zit er een gat in je portemonnee. Je verdient geld, maar het ontglipt je. En van al het geluk dat je kreeg, is zonder twijfel de houdbaarheidsdatum beperkt.

Vers 9 zegt: Om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.

Daar zit het probleem! Om Mijns huizes wil. Daarom hebt u geen vrede! Daarom onthouden zich de hemelen over u! Daarom is er geen regen, daarom is er geen dauw.

U kunt voor de economische malaise naar alles en iedereen wijzen, maar God zegt tegen u: Het gaat fout omdat u loopt voor uzelf, en niet voor Mij, en niet voor Mijn huis en Mijn dienst!

Mijn huis. Dat is de plaats waar Ik wil wonen. Ik wil staan, Ik wil wonen in het middelpunt van uw leven, maar... die plaats die heb Ik niet! Want die plaats is woest!

Die plaats krijg Ik niet, want u vindt alle dingen van het leven nu veel belangrijker dan Mij!

En zolang dat zo is, hebt u geen leven.

Zolang dat zo is, kunt u niet leven.

Zolang dat zo is, kunt u ook niet sterven!

U hebt Mij verlaten. Dat begon al in het paradijs. Daar hebt u Mij, de Springader van het levende water, verlaten. Ik bood u een huis. Ik stond in het middelpunt van uw leven.

U zou me van harte dienen en gehoorzamen, en u was in staat om dat te doen.

Maar u weigerde! U verbrak het verbond. U koos voor de duivel!

En nu is het huis verwoest, het paradijs verloren...

Nu... bent u verloren!

 

Hebt u dat al leren zien, voor God? We kunnen klagen over de nood van de tijd, maar... hebt u al leren klagen over de nood van uw ziel, voor God?

O God, mijn ziel is verloren! Want ik heb tegen U gezondigd. Ik heb U verlaten. Ik heb U vol verachting de rug en de nek toegekeerd! Ik ben vrijwillig tegen U opgestaan en gevallen. Het is recht, o God, als U nooit meer naar me omziet.

Kent u dat klagen in uw binnenste, in het verborgen, voor God?

 

Want luister goed, de Heere windt er vandaag geen doekjes om: We hebben alles, ons geld, onze bankrekening, onze kledingkast, onze auto, ons huis, we hebben alles liever dan God!

Kijk maar naar uw leven! Wie staat er in het middelpunt?

Is God alles voor u? Of gaat u voor uw carrière, uw geld, uw geluk?

Voor wie buigt u? Voor God, of voor de afgoden binnen de kerk of buiten de kerk? Voor de afgoden van de wereld? Voor uw geld, voor uw huis? Voor wat dan ook?

De levensvraag is: Wie staat er centraal in uw leven?

Wie staat er in het middelpunt van uw leven?

Want ook als het gaat, juist als het gaat, zoals het er staat, met ons hart ten opzichte van de Heere, geldt dit woord van Haggaï: Stelt uw hart op uw wegen! Met andere woorden: Kijk eens terug naar uw vorige wegen!

 

Hebt u met al uw zonden al leren buigen voor God? Als een schuldenaar? Hebt u uw schuldbrief wel eens thuisgestuurd gekregen? Hebt u al met God te doen gekregen in uw leven?

Als dat zo is, dan zijn we zo geneigd om te denken: ik zal mijn leven beteren, ik zal mijn leven reformeren. Want de Heere heeft gelijk. Hij moet in het middelpunt van mijn leven komen te staan. De zonde moet weg!’

En... wat gaan we aan het werk!

Wat een wonder is het, dat de Heere niet alleen zegt: Stel uw hart op uw wegen! Stelt u uw hart op uw wegen! Maar dat het nu ook juist Zijn werk is om ons hart op onze wegen te stellen. Als Hij ons laat zien: onze zonden van vandaag, onze zonden van vroeger, de zonden van onze jeugd, onze zonde in Adam…

Onze zonden van buiten... Die zichtbare zonde van die nog steeds niet herbouwde tempel. Maar ook de zonden van binnen... De zonden van mijn hart...! Onbekwaam tot enig goed geestelijk goed, en geneigd tot alle kwaad…

‘Wees mij, zondaar, genadig, Heere! U kon met recht zeggen: Mijn volk. Maar ik heb gezondigd. En daarom kan het niet anders dan dat U zegt, overeenkomstig Uw goddelijk recht: dit volk. Uw doen, Heere, is rein, Uw vonnis is rechtvaardig.’

 

Haggaï wijst in vers 10 en 11 nog even op de omstandigheden, op de gevolgen van het feit dat de tempel van God niet in het middelpunt staat. Leest u nog maar even mee in vers 10 en 11:

Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten. Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over alle arbeid der handen.

De hemelen onthouden hun dauw! God heeft een droogte geroepen! Over het land, over de beesten, over de mensen, over de arbeid der handen.

Wij rekenen wel met de wetten van de natuur en van de economie, maar Haggaï zegt: Wacht even! Kijk eens naar boven! Daar woont God. En Hij stuurt al die wetten. Hij heeft al die dingen in Zijn hand!

U kunt het weer, en de inflatie, en de beurs, en de economie wel proberen te voorspellen, maar dat is geen garantie voor een goede oogst. Dat is geen garantie voor voorspoed!

Weet u wat garantie is voor de toekomst?

De tempel!

God in het middelpunt van uw leven.

God in het hart van uw bestaan.

 

We gaan over naar ons derde aandachtspunt:

 

3. De uitwerking van de preek van Haggaï

 

De oproep van Haggaï is ten diepste een dringende oproep tot bekering! God moet weer in het middelpunt van het leven van het volk Israël komen. En het zichtbare bewijs zou de herbouw van de tempel zijn.

Zo komt op deze biddag ook tot u een dringende oproep tot bekering!

Jongens en meisjes, misschien ben je wel een beetje nieuwsgierig. Wat gebeurt er, als God echt bekering gaat werken? Als God de harten van deze mensen (en laten we bidden: ook onze harten) gaat veranderen? Als het Woord van God kracht gaat doen?

Haggaï schrijft daarover in vers 12, 13 en 14. We zullen het zien als we deze verzen samen nog een keer heel goed lezen. Leest u mee? Vers 12, 13 en 14:

Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Józadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van de Heere, hun God, en naar de woorden van de profeet Haggaï, gelijk als hem de Heere, hun God, gezonden had.

Dat is dus het eerste: de leiders en het volk hoorden naar de stem van de Heere God en naar de woorden van de profeet. Horen. Dat is het eerste.

En, zo gaat Haggaï verder in vers 12:

En het volk vreesde voor het aangezicht des Heeren.

Dat is dus het tweede. Het volk hoort... en vreest.

En dan komt vers 13:

Toen sprak Haggaï, de bode des Heeren, in de boodschap des Heeren tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de Heere.

Dat is het derde dat gebeurt: de Heere gaat spreken!

En dan gaat Haggaï nog verder in vers 14:

En de Heere verwekte de geest van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en de geest van Jozua, de zoon van Józadak, de hogepriester, en de geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van de Heere der heirscharen, hun God.

Dat is het vierde, het laatste dat gebeurt: het volk gaat werk maken van de herbouw van de tempel.

 

Vier dingen gebeuren er dus als vrucht op de preek van Haggaï:

Het volk hoort.

Het volk vreest.

De Heere spreekt.

En de Heere maakt dat ze werk gaan maken van het bouwen van de nieuwe tempel.

 

Nu even terug, jongens en meisjes. Het volk hoort.

Het begint in de kerk met luisteren. Niet met praten, niet met spelen, niet met vervelen, niet met slapen, maar met luisteren.

Meer nog, ‘horen’ betekent hier eigenlijk: ter harte nemen, ge-hoor-zamen. Het betekent ‘ja zeggen’, het betekent ‘amen zeggen’.

En let ondertussen goed op Wie er spreekt. De Heere spreekt, en... het volk hoort, en... zwijgt!

Als God spreekt in ons leven, als God ons Zijn wet laat horen, dan gaan we... (nee, buigen doen we niet zomaar!), dan zijn we zo geneigd om te spreken. Ik zal doen wat U vraagt, Heere. Ik zal mijn leven beteren. U in het middelpunt, en de zonde eruit!

Maar wat een onmogelijke weg! Want de zonde zit niet alleen aan de buitenkant, maar vooral aan de binnenkant van ons hart!

En van al die levensverbetering komt uiteindelijk helemaal niets terecht.

Spreken wordt... zuchten: Heere, het lukt niet. Bekeert U me toch!

Spreken wordt... zuchten. En zuchten wordt... zwijgen.

Zwijgen, dat wil zeggen: horen, maar niets terug zeggen…

Amen, Heere. Het is waar. Alles wat U tegen me zegt is waar.

Horen, overtuigd zijn: Wat U zegt, Heere, is waar!

En van harte overtuigd worden, dat is het werk van Gods Geest. Die overtuigt een zondaar, zodat we gaan zeggen: Het is waar wat U, o Heere, zegt. Ik kan en wil er niets tegenin brengen!

Horen, dat wil zeggen: oren open, mond dicht.

De hand op de mond. Zoals staat in Romeinen 3:

Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt (dichtgestopt!) worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.

 

Als God in ons leven komt, dan gaan we horen, dan gaan we zwijgen, dan gaan we… vrezen. Dat is het tweede. Eerst horen, dan vrezen.

Jongens en meisjes, als je een lieve vader hebt, en die is boos om wat je gedaan hebt (dat zal vast wel eens gebeuren), en hij praat met je, dan hoef je niet bang te zijn dat hij je weg zal sturen. Je hoeft niet bang te zijn dat papa zal zeggen: ‘Wegwezen jij, het huis uit, ik wil je nooit meer zien!’ Nee, gelukkig niet.

Maar… als papa het weer goed maakt met je, en tegen je praat, en je naar papa luistert, ja, dan voel je van binnen: het is waar wat papa zegt. Eigenlijk denk je: ja, papa, u hebt gelijk. Weet je nog, dat was ‘horen’. Maar nu ook vrezen.

Want als je zo bij papa op de bank zit, wat gebeurt er dan van binnen? Ja, precies, je voelt je klein worden, je schaamt je. Je zegt misschien wel: ik snap het, papa, ik was verkeerd, het is mijn schuld. Je voelt je klein, je schaamt je. Je zou het liefst… in een hoekje kruipen?

Nee, toch? Je zou het liefst tegen papa aankruipen! Dicht tegen hem aankruipen, wegkruipen. Je hebt heel veel respect en eerbied voor papa, en tegelijk voel je het: deze papa, mijn papa, houdt van me!

Als papa of mama eerlijk met je praat, dan ren je niet weg naar de zolder. Dan blijf je in de kamer, bij papa of mama, maar toch ook een beetje stil.

Dat is wat de Bijbel bedoelt met vrezen, kinderlijke vrees. Vrezen zoals een kind.

Niet bang voor klappen, zoals vroeger een slaaf bang was voor klappen. Maar: klein, vol eerbied, vol schaamte, en toch... naar God toegetrokken.

 

Misschien zegt u: ja, ik begrijp dat dat kind op de bank blijft zitten, die hoeft niet weg te vluchten, maar een zondaar...? Zal die niet wegvluchten van God?

Waarom vlucht zo’n kind niet naar zolder? Omdat vader of moeder heel fijntjes laat voelen (misschien maar met een enkel woord): M’n kind (hoort u het goed, dat ontgaat kinderoren niet!), mijn kind, ik ben boos, maar je bent bij mij wel aan het goede adres. Je moet wel bij mij zijn!

En weet u wat nu het wonderlijke is? Dat doet de Heere nu ook in het hart van roepende zondaren.

Want lees nog eens mee in vers 12. Weet u nog dat in vers 2 stond: dit volk. Niet ‘Mijn volk’, maar ‘dit volk’? En nu in vers 12:

Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Józadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van de Heere, hun... God, en naar de woorden van de profeet Haggaï, gelijk als hem de Heere, hun... God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des Heeren.

Een zondaar die in waarheid, in droefheid over de zonde, in verslagenheid buigt voor de rechtvaardige God, die voelt het van binnen: ik kan voor God niet bestaan. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan?

Maar zo iemand kan zonder God ook niet meer verder. Zo iemand vlucht niet van God af, maar die vlucht naar God toe.

Enerzijds met een diep besef van Gods rechtvaardigheid. En dat doet horen... en zwijgen.

Maar tegelijkertijd is daar ook enig besef van Gods barmhartigheid. En dat doet vrezen, met een kinderlijke vrees.

 

Dit, wat Haggaï, dit wat God zegt: God is hun God, dat zal niemand begrepen hebben, maar dat doet de hoop in hun hart opvlammen!

Het is de hoop die in het benauwde zondaarshart opvlamt, als er in ons leven voor het eerst licht valt op de mogelijkheid van zalig worden bij God vandaan. God heeft een weg gebaand door het zenden van Zijn Zoon!

Als spreken zuchten wordt, als zuchten zwijgen wordt, en als we staan met lege handen voor God. En als God dan Zelf Zijn licht laat schijnen op Hem, om Wie het nog kan!

Er is een God die ‘dit volk’, dat door eigen schuld is afgevallen, in genade wil aannemen om hun God te zijn!

En daar is niets van ons bij. O, wat is ons leven verzondigd. Wat een puinhoop!

Dit is een eenzijdig wonder van goddelijke genade! Er is genade bij God. Omdat Hij in Zijn eenzijdige welbehagen een zondaarsvolk heeft liefgehad met een eeuwige liefde!

 

Als we zo voor God staan, dan leidt deze eenzijdige genade, dan leidt dit goddelijke welbehagen niet tot wanhoop. Het is een deur der hoop. Er is genade, bij God vandaan, voor de grootste van de zondaren.

Wat geeft dat toch een hoop in het hart!

Als God Zelf licht laat vallen op dit ene woordje: Hij wil, ondanks alles, hun God zijn!

Als God Zelf Licht laat vallen op het Woord, op het enige Woord, op Christus!

 

Maar misschien zegt u: Hoe wordt Hij toch de mijne?

Wel, die lichtstraal geeft verwachting, maar geen rust. Die doet een zondaar nog veel harder roepen! Die doet de schreeuw naar boven gaan: O God, als het dan zo is, dat U mijn God wilt zijn, wees me dan zondaar toch genadig!!

En weet u wat nu het wonder is?

De Heere kan als het ware niet wachten als een zondaar zo tot Hem roept. Dan breekt Zijn liefdeshart in de hemel. O, hoor toch, roepende zondaren, wat Hij zegt!

Leest u maar mee in vers 13. Het volk hoort, het volk vreest, en… de Heere spreekt.

Toen sprak Haggaï, de bode des Heeren, in de boodschap des Heeren, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de Heere.

Wat zegt de Heere? Wij zouden verwachten dat de Heere zou zeggen: Nu eerst allemaal aan de slag, en als alles klaar is, dan zal Ik bij u komen wonen…

Maar zo gaat het niet! Daar zou ook helemaal niets van terechtkomen!

Het komt van de andere kant. Het komt van Gods kant.

Zo zegt de Heere: Ik ben met ulieden.

Ik met u!

Daarin hoort u de naam van de eniggeboren Zoon: Immanuël, God met ons.

Het is onverdiend, alle recht is verspeeld, maar het komt bij God vandaan. God met ons! Zijn wil, Zijn welbehagen.

 

O, wat gaat genade dan schitteren! In mij is geen weg. Er is licht gevallen op Hem. Ik heb geworsteld: Hoe wordt Hij toch ooit de mijne? Want ik kan Hem mezelf niet zomaar toe-eigenen.

Maar nu gaat de Heere spreken. Op Zijn tijd. En dat is nog steeds zo.

Hij spreekt, op Zijn tijd, tot een ieder die Hem zoekt, die tot Hem roept!

Nooit heeft Hij een roepende zondaar met lege handen laten staan!

 

Zo buigt de Heere (in eenzijdige genade) harten van beschaamde, van vrezende mensen naar Hem toe.

Zijn hier van die mensen? Die de beschuldigende woorden van God hebben gehoord? Die daar amen op hebben gezegd? En die nu vol schaamte, vol vrees, met een geopende schuld staan voor aangezicht van de heilige God? Heere, ik kan voor U niet bestaan. Maar stuurt U me toch niet weg, want zonder U kan ik niet leven! U voelt het, u hebt een Borg nodig, want er moet betaald worden voor uw schuld. Is er nog een middel, is er nog een weg?

 

Kent u, gemeente, die vragen van het hart? Deze vraag: Geef me Jezus... of ik sterf!

Hoor toch, roepende zondaren, op deze biddag het antwoord, dat u toegeroepen wordt vanuit de hemel der hemelen. Het is de getrouwe Verbondsgod, Die in eenzijdige genade en goddelijk welbehagen dit antwoord uit de hemel roept.

Het is maar één woord... Het is maar één naam... De naam van Zijn Zoon... Immanuël. Ik ben met ulieden. God, om Jezus’ wil, met doemwaardige zondaren!

Hij had geen zonde, maar werd vrijwillig zonde gemaakt

Hij was het heilige Godslam, maar Hij droeg de vloek voor godslasteraars.

Hij was volkomen onschuldig, maar boog onder de schuld van Zijn bruid.

O, verloren zondaren, die staan met lege handen, met een gesloten mond…

U, die met uw schuldige leven buigt aan de voeten van de Heere, hoor toch Zijn naam!

Er is geen andere naam onder de hemel gegeven waardoor u zalig kunt worden, dan alleen deze naam.

Dit is zijn naam: God met ons, Vriend van tollenaren en zondaren.

En Hij zoekt het verlorene. Kom toch tot Hem, allen die vermoeid en belast bent, en Hij zal u rust geven.

Ik ben met ulieden, spreekt de Heere. Niet eerst werken en bouwen, maar andersom.

Dit geldt ook in het persoonlijke leven, in het kerkelijke leven, in het zendingswerk: Ik ben met ulieden al de dagen!

En als God dat zegt, dan gaan we vanzelf aan het werk. Dat is de vrucht. Die mag niet ontbreken! Dit keer wachten ze ook geen zeventien jaar. Binnen een maand gaan ze aan de slag; dat lezen we in het eerste vers van hoofdstuk 2.

Het werk van God blijkt uit de vruchten: uit ontdekking, uit zoeken, uit gevonden worden, uit vinden, en... uit de vrucht van een leven tot Gods eer. Dan krijgt de Heere weer de eerste plaats in ons leven. God in het middelpunt.

 

Dan zeggen we niet op deze biddag: ik geef dit keer niet zoveel, want we hebben zelf ook niet zoveel, het zat allemaal een beetje tegen...

Nee, dan zeggen we: Heere, hier ben ik. U bent alles voor me. U deed alles voor me. U gaf Uw Zoon in mijn plaats. Hier ben ik. Alles is voor u: mijn geld, mijn carrière, mijn hart, mijn leven. Ik ben bereid om zelfs naar het einde van de aarde te gaan voor U en Uw dienst.

Als dat zo is, schrijft u straks maar direct uw brief naar het zendingsdeputaatschap.

 

Gemeente, stel op deze biddag uw hart op uw wegen.

Kijk, voordat u vooruit kijkt naar het komende seizoen, eens terug. Hebt u ooit echte rust, echte vrede gevonden?

Zo niet, hoor dan, zwijg dan, vrees dan, buig dan, en zoek Hem Die het middelpunt van uw leven wil zijn.

Hij wil bij u wonen!

Hij zegt: Geef Mij toch uw hart!

Als u tot Hem roept, zal Hij u niet laten staan.

Als u Hem zoekt, dan zult u Hem vinden.

Als u klopt, zal Hij voor u opendoen!

 

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven.

Want zo zegt de Heere, tot een vrezend en tot een biddend volk: Ik ben met ulieden.

En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.

Om… Immanuël.

Om Jezus’ wil!

 

Amen.