Ds. G.J. Baan - Kolossenzen 1 : 21 - 22

Vijanden met God verzoend

Uit de diepste ellende
Door het rijkste offer
Tot de hoogste heerlijkheid

Kolossenzen 1 : 21 - 22

Kolossenzen 1
21
En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend,
22
In het lichaam Zijns vleses, door den dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 56: 5, 6
Lezen : Kolossenzen 1
Zingen : Psalm 103: 2, 5, 6
Zingen : Psalm 85: 1
Zingen : Psalm 85: 4

Gemeente, wat zijn er veel psalmen over de grootheid van Gods genade voor ellendige en verloren zondaren! In de onberijmde Psalm 68 staat dit: Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook – we zouden kunnen zeggen ‘zelfs’ – de wederhorigen, om bij U te wonen, o Heere God! (Ps.68:19). De dichter, David, zingt hier over Gods genade; de Heere nam gaven, of geschenken, en heeft ze uitgedeeld onder de mensen.

Als Paulus in het Nieuwe Testament in één van zijn brieven deze tekst citeert, wordt ons duidelijk wat met die gaven wordt bedoeld. Het zijn de dienaren van het Woord en de ambtsdragers die de Heere in de gemeente laat dienen. Het zijn de verkondigers van het heilig evangelie.

 

Die gaven heeft de Heere gegeven, ‘uitgedeeld’ staat er, met als doel dat wederhorigen altijd bij Hem zouden wonen.

Wat wederhorigen zijn kunnen we ons wel voorstellen. Dat zijn mensen die niet willen horen. Het zijn volgens het Woord van God mensen die weerbarstig en hardnekkig zijn, die de woorden van de Heere naast zich neerleggen en bij wie het Woord afketst op hun hart. Die te hard van hart en te stijf van nek zijn, zegt de Heere, om voor Mij te buigen. Wederhorigen; het zijn zondige en goddeloze mensen.

 

De Heere schenkt dus de dienst van het Woord en dienaren van het evangelie. Deze dienaren zijn in brede zin allen die het Woord mogen verkondigen en uitdragen, opdat zulke wederhorige mensen altijd bij Hem zouden wonen, en opdat Hij in hun hart wonen zou. ‘Opdat zelfs ‘t wederhorig kroost, altijd bij U zou wonen..’

Zingt u dat met uw hart? Verlangend naar dat ogenblik dat we eeuwig bij die Koning zullen wonen? Alle wederhorigheid en ellende, alle zonde en smart, zal dan zijn afgewassen door het bloed van het Lam. De Heere leert dat Zijn kinderen als ze als vijanden en zondaren met God worden verzoend.

 

We willen op deze lijdenszondag met u stilstaan bij een tekstwoord uit de brief van Paulus aan de Kolossenzen, het eerste hoofdstuk, daarvan de verzen 21 en 22.

 

Daar luidt Gods Woord en onze tekst als volgt:

En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend, in het lichaam Zijns vleses, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen.

 

Gemeente, ik wil naar aanleiding van deze woorden met u nadenken over het thema:  Vijanden met God verzoend.

 

We letten op drie gedachten:

1. Uit de diepste ellende: U, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand   in de boze werken,

2. Door het rijkste offer: En Hij heeft u ook verzoend, in het lichaam Zijns vleses, door de dood.

3. Tot de hoogste heerlijkheid: Opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen.

 

Je zou deze drie punten ook kunnen samenvatten met: ellende, verlossing en dankbaarheid.

 

1. Uit de diepste ellende

 

Gemeente, de brief die voor ons ligt en onze aandacht vraagt, is geschreven door de apostel Paulus. We weten dit met grote zekerheid omdat vers 1 begint met de woorden: Paulus, een apostel van Jezus Christus.

Je zou zeggen: ‘Zo begin je een brief, een preek, een verhandeling of wat dan ook, toch niet?’ Het lijkt wel of Paulus zichzelf op de voorgrond plaatst: ‘Hier ben ik, Paulus, hier is mijn brief, en dit zijn mijn woorden.’

Ogenschijnlijk is het zo, maar toch, wanneer we verder lezen blijkt het tegenovergestelde. Direct nadat hij zijn naam genoemd heeft en gezegd dat hij het apostelambt bekleedt, schrijft hij erachter: Van Jezus Christus, door de wil van God. Paulus presenteert zich hiermee als een dienaar van God.

 

Paulus wijst ook op zijn broeder Timotheüs en op degenen aan wie de brief gericht is. Hij spreekt ze aan met: De heilige en gelovige broederen in Christus die te Kolosse zijn. Paulus wil ermee zeggen: ‘Wat is het een grote zegen om het Woord van de levende God uit de mond van twee dienaren van het Woord, twee mensen, Paulus en Timotheüs, te mogen horen!’

Wat is het toch een rijke brief als hij eraan toevoegt: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en onze Heere Jezus Christus, en als hij dankt voor hun geloof, hun hoop en hun liefde! U leest over dat geloof en die liefde in vers 4: Alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde die gij hebt tot alle heiligen. In vers 5 gaat het dan om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen.

Deze grote genadegaven – geloof, hoop en liefde – waren hun geschonken. Wat waren deze mensen uitermate gelukkig. Zij bezaten het geloof in Christus, hoop op het eeuwige leven, en liefde in hun harten tot de anderen.

 

Gemeente, jongeren, het is misschien een wat moeilijk hoofdstuk dat we met elkaar gelezen hebben. De tekst die voor ons ligt is niet minder moeilijk.

Maar dit begrijp je toch in elk geval wel: als je geloof, hoop en liefde hebt in je hart, als je de Heere lief hebt, als je op de Heere Jezus mag steunen als je Zaligmaker, alleen dán heb je toekomst. Dan alleen ben je gelukkig; vol geluk, boordevol geluk!

Dat wil niet zeggen dat we geen zonde hebben; daar kunnen we juist flink last van hebben. Ze kunnen op je drukken, ze kunnen knellen en ze kunnen je zo benauwen. Maar als je de Heere dient, dan kun je de zonde niet meer liefhebben.

De zware last van de zonde, de last van allerhande plagen als het gevolg van mijn val in Adam, kunnen nog zo op je drukken, maar je hebt in elk geval toekomst. Er is een God in de hemel Die voor je zorgt, een Zaligmaker, over Wie Paulus hier spreekt, en Die hij aanwijst en aanprijst en Die hij liefheeft. We zullen dan als we sterven eeuwig bij God mogen wonen.

 

In de afgelopen week kunnen zich allerlei dingen in jouw en mijn leven hebben afgespeeld. Maar hier in de kerk stel ik die ene vraag: Hebben wij toekomst? Mag u met de Kolossenzen weten dat geloof, die hoop en die liefde te hebben ontvangen? Bent u een kind van God of bent u, ben jij, nog een dienaar, een volgeling van satan?

Heel scherp trekt Paulus de lijnen als hij aangeeft aan wie hij deze brief richt. De geadresseerden zijn de ‘heiligen en gelovige broederen in Christus Jezus’.

Heiligen en gelovigen… Voor hoe velen zou dat hier in de kerk gelden?  

De Heere alleen weet precies het aantal; we hoeven daarover met elkaar niet te discussiëren, er iets bij te voegen of er wat van af te doen. God kent immers zowel in Kolosse als hier in kerk ‘degenen die de Zijnen zijn’.

Kom, laten we de Heere dan maar dienen, liefhebben, vrezen en volgen. Een iegelijk die de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid (2 Tim.2:10). Het gaat om onze Koning en Zaligmaker en onze God in de hemel.

 

In onze tekst spreekt Paulus over verzoening. Dat is het kernwoord van de tekst. Ik lees hem nog eens met u door:

 

En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend in het lichaam Zijns vleses, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen.

 

Het is een tamelijk lange zin en taalkundig gezien eigenlijk wel lastig om te verstaan. Je zou als het ware bijna struikelen over al de woorden en begrippen die Paulus hier noemt. Maar het wordt wel wat makkelijker wanneer we de hoofdzin er uithalen. Dat zijn maar een paar woorden.

Eigenlijk kun je de bedoeling terugbrengen tot drie of vier woorden. Jongens en meisjes, kijk maar mee: als je vier woorden eruit haalt, en achter elkaar plaatst in dezelfde volgorde als ze in die tekst staan, dan heb je de hele betekenis, de hoofdzin van onze tekst te pakken: ‘Hij heeft u verzoend.’

 

We weten inmiddels wie die ‘u’ zijn. Dat zijn de heiligen en gelovigen in Kolosse.

Daarin ligt een geweldig wonder. ‘Hij heeft u verzoend.’ Dat is het allergrootste wonder in iemands leven. Laten we daar niet te gemakkelijk en oppervlakkig over denken. Als dat gebeurd is in uw leven, is er een wonder gebeurd.

In verwondering heeft Paulus deze woorden neergeschreven en met verwondering en aanbidding hebben de heiligen en gelovigen in Kolosse die woorden mogen lezen. Want wat staat er precies? ‘Want hij heeft óók u verzoend.’

Het woordje ‘ook’ heeft betrekking op vers 20, waarin de apostel spreekt over de verzoening van ‘alle dingen’.

De kanttekening zegt dat hiermee waarschijnlijk mensen én engelen bedoeld worden. Niet dat engelen ook verzoend moeten worden, maar het wijst op het herstel van alles dat door de zonden geschonden is. Andere uitleggers gaan nog een stap verder en spreken over de verzoening van de kosmos. We denken dan aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Hoe het ook zij, Paulus zegt: ‘Hij heeft u nu ook verzoend!’ In het nu en het heden der genade mogen u en ik, dat bedoelt de apostel, door de verzoening weten een kind van God te zijn.

 

Gemeente, er ligt dus een heel groot onderscheid.

Er valt een beslissende scheiding in de kerk tussen degenen die God dienen en die Hem niet dienen.

Aan welke zijde van de lijn die Paulus hier trekt zit u, zit jij?

Ben ik ook verzoend? Mag ik uit wat hier staat weten een kind van God te zijn?

 

‘Hij heeft u verzoend…’ Dat wijst op een daad van God.

Paulus wil hier zeggen: ‘God begon.’

In het leven van wie? Dat staat in ons tekstgedeelte: ‘Van hen, die eertijds – letterlijk staat er: in het verleden – vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken.

 

Gemeente, onze tekst zit vol van contrasten:  

‘We zijn nu verzoend’, zegt Paulus, ‘maar laten we eerst nog even nadenken over dat eertijds.’

Het is een gevleugelde uitdrukking, dat als je bekeerd bent, je kennis moet hebben van je ‘eertijds’. We bedoelen daarmee dat er een tijd in je leven was waarin het zo anders was dan nu. Of weet u daar niet van? Is het allemaal van een leien dakje gegaan en zo oppervlakkig? Trekken we misschien te gemakkelijk de conclusie: ‘Het zal ook wel bij mij zo zijn’?

Ik zeg niet dat u precies moet weten wanneer de Heere met u begonnen is, op welk moment, of hoe. Maar er moet toch wel een wonder gebeurd zijn. Er is een tijd in je leven geweest dat het anders was. Er is toch wel een ‘eertijds’, een verleden geweest?

 

‘Nee’, zegt Paulus, ‘in het verleden waren we niet verzoend.’

Ons eertijds is een periode; de tijd vanaf onze ontvangenis en geboorte, totdat God in ons leven kwam.

Dat eertijds kenmerkt zich door twee woorden: ‘vervreemd’ en ‘vijanden’.

‘Vervreemd’ wil ongeveer zeggen: buitengesloten zijn, verbannen. Je doet de deur dicht en er mag niemand binnen en de ander blijft buiten staan.

Begrijpt u het beeld? De deur van het paradijs hebben wij achter ons dichtgeworpen. We zijn vreemdelingen van God, we leven zonder de Heere. Paulus schrijft in de Romeinenbrief: Als die de waarheid van God veranderd hebben in een leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper (Rom.1:25). En ergens anders zegt hij dat wij van nature zijn: Onverstandigen, verbondsbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen (Rom.1:31).

 

De Bijbel staat vol met teksten die over ons eertijds gaan. Wij leefden destijds een leven zonder God, zonder de Heere. Wij waren vreemdelingen. We stonden er buiten, we waren als het ware ‘uitlandig’, zo wordt het woord ‘vervreemd’ ook wel eens vertaald.

Maar het is nog erger. Het is geen passiviteit.

Iets missen hoeft op zich niet verkeerd te zijn. ‘Maar’, zegt Paulus, ‘van nature zijn dit mensen die niet alleen iets missen – ze zijn zonder God – maar die zich tegelijk door iets anders kenmerken; zij zijn vijanden van God.’

In onze doodstaat voor God zijn wij dus actief!

Gemeente, wanneer u dus de Heere niet dient, moet ik tegen u zeggen dat u een vijand van de Heere bent.

 

Laten we het woord ‘vijand’ nog even wat scherper benoemen. Een vijand is een hater van God. Zo iemand maakt zich niet alleen schuldig aan allerlei uitwendige zonden tegen Gods heilige geboden, maar volgens Paulus is er een boze gezindheid in het hart. U bent een vijand van de Heere en haat Hem met een dodelijke haat. Zalig worden wilt u uiteindelijk niet.

Of wel? Dan is er een wonder in uw leven gebeurd. De Heere heeft dan naar u omgezien. U heeft God en Zijn geboden lief gekregen. U bent dan geen vijand meer, maar een vriend van God. Denk aan Abraham, die een vriend van God werd genoemd.

  

Vijanden van de Heere – het woord ‘vijand’ betekent ‘hater’ – hebben een hart dat briest van vijandschap.

Kijk, daar staan ze bij het rechthuis van Pilatus. Als verdwaasden kiezen ze in plaats van het leven voor de dood. ‘Laat ons Bar-abbas los! Bar-abbas!’, schreeuwen zij.  Zie ze ook bij het paleis van Herodes staan, waar ze zich om Jezus vermaken.

Daarna ontmoeten we ze bij het kruis en horen we hen roepen: Verlos Uzelven; indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis (Matth.27:40). Daar omringen ze Hem als honden, als leeuwen, als bloeddorstige beesten, zegt David in Psalm 22. Dan wordt Zijn bloed vergoten en Zijn lichaam verbroken.

Zo zijn vijanden van God!

Later op de Pinksterdag komt Petrus er op terug en zegt hij tegen zijn hoorders: ‘Gij hebt Christus gekruist, door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis genageld en gedood.’ Het zijn dus vijanden van de prediking over de Heere Jezus en het lijdensevangelie.

Zij en wij redden het liever zelf en zouden de Heere nog wel wat willen helpen. We zouden graag een boodschap horen die ons handreikingen gaf om het zelf te kunnen doen. Maar nu zegt de Heere opnieuw: ‘Je wilt het niet, je kunt het niet en je bent een vijand van God en vervreemd van God.’ Als dat niet verandert komt u in een afgrond en een donkere nacht terecht. Kies daar dan toch niet voor!

 

Gemeente, wat in onze tekst staat, wordt ook ervaren. Het is niet alleen een verstandsconclusie of een dogmatisch inzicht. We spreken niet over ellende omdat dan de prediking wat evenwichtiger zou zijn. Nee, mijn vijandschap tegen God wordt diep doorleefd.

Nadat de Heere in ons leven gekomen is, en de verzoening en de dood van Christus in mijn leven wordt uitgewerkt, ga ik dat gevoelen en krijg ik hiervan een besef. Dan is er een droefheid naar de Heere, die zijn weerga niet kent. Deze droefheid kan ik met woorden niet verklaren, maar er ligt een verlangen en hunkering naar de levende God in. Een heimwee naar God, Die wij door de zonde hebben verlaten.

 

Paulus schrijft: En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend. Hij zegt eigenlijk: ‘Kijk dan toch nog een ogenblik terug vanuit die heerlijke staat van een verzoend zondaar, van een kind van God te zijn, naar de tijd toen het nog niet zo was. Toen u nog als een vijand van God leefde en vervreemd van de Heere was.’

O, wat een eeuwig wonder! Verwondering vervult dan uw hart.

‘Heere, waarom hebt U naar mij willen omzien, naar een dode hond als ik ben?’, zo sprak Mefiboseth, toen David hem aan zijn tafel bracht. Naar zo’n dode, ellendige zondaar…

 

Ons tweede punt is:

 

2. Door het rijkste offer

 

Gemeente, Paulus zegt: ‘Hij heeft u nu ook verzoend.’ We moeten daarbij denken aan het goddelijk plan, het goddelijk bestuur, de goddelijke raad. We kunnen ook zeggen: het goddelijk welbehagen waardoor Hij naar zondaren omziet.

Ook hier moet je er het juiste woord bij zoeken.

Dat woord, weliswaar met een andere bedoeling en betekenis, staat twee verzen terug: ‘Want het is des Vaders welbehagen…’ – dit betekent: goede wil of raadsplan – dat in Hem, de Heere Jezus Christus, al de volheid des Vaders zou wonen.’ De woorden ‘des Vaders’ staan schuin gedrukt in vers 19. Je mag ze dus weglaten, maar om de duidelijkheid zijn ze ingevoegd.  

 

Wanneer we ook vers 18 erbij betrekken, wordt het duidelijk dat het over Christus gaat:  Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk der gemeente, Hij Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. Het gaat dus over de Heere Jezus.

U komt dat ‘welbehagen’ ook tegen in het eerste hoofdstuk van de Openbaring van Johannes. Daar wordt het woord ‘welbehagen’ ook betrokken op Christus. Vandaar dat we met zekerheid kunnen zeggen dat Paulus hier spreekt over de Heere Jezus Christus.

 

Het was het welbehagen – het raadsplan – van de Vader dat in de Heere Jezus ‘de volheid’ zou wonen.

Om de Bijbel te begrijpen – dat geldt zeker ook voor het Nieuwe Testament – moeten we altijd tekst met tekst vergelijken. Je komt dan het woord ‘volheid’ ook tegen in Johannes 1 vers 16, waar staat: Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.

 

‘Volheid’ is een woord dat hier gebruikt wordt voor iets dat helemaal vol is. Het gaat dan niet over een mens die vol is, maar over Christus, Die ergens van vervuld is.

Waarvan is Hij dan vervuld?

Hij is vol van brandende liefde om Zijn lichaam te laten hechten aan het hout van het kruis en om Zijn bloed daarvan te laten afdruppen. Vol van liefde om het welbehagen van de Vader te doen. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands (Ps.40:9).

In de berijmde psalm staat dat Hij in Zijn dragen van de heilige wet van liefde brandt. Hij is vol van liefde tot diegenen voor wie Hij Zijn bloed zou gaan vergieten. Hij is van brandende liefde vervuld voor degenen voor wie Hij Zijn kruis zou gaan dragen.

 

Is dat geen wonder? Voor u en voor mij? Voor vijanden en haters van God, die eertijds vervreemd waren van Hem en vreemdelingen waren door het verstand in de boze werken?

Dat ‘verstand in de boze werken’ wijst op de gezindheid, de wil en het verlangen om het kwade te doen. Dus een vijand van binnen en van buiten. ‘Verstand in de boze werken’, wil zeggen: de wil om boze werken te doen. We denken er voortdurend aan, we haten de Heere, en we voeden die gezindheid in ons hart. We hebben verstand van boze werken.

Is het dan geen wonder dat Jezus, Die alleen maar verstand van het goede had, en Die Zijn Vader lief had, voor zulke zondaren de dood inging? Dat Hij van liefde brandde, dat Hij vol was van liefde? Dit alles komt tot uitdrukking in de tekst: God heeft u verzoend, in het lichaam van Zijn vlees door de dood. Het gaat hier dus over het rijkste, en het meest kostbare offer.

 

Er zijn voorbeelden uit de geschiedenis dat één mens voor anderen de dood ingegaan is.

In Barneveld heb je zo’n mooie, oude hervormde kerk met een toren. Deze toren herinnert aan Jan van Schaffelaar. Het verhaal gaat dat hij zich met zijn soldaten in die toren had verschanst. Toen de toren belegerd werd konden zijn soldaten vrijuit gaan als hij van de toren naar beneden zou springen. Hij viel natuurlijk dood. Maar zo stierf één mens om zijn vrienden te bevrijden.  

We kunnen ook denken aan de mensen in Japan die na de tsunami in 2011 de kerncentrale van Fukushima ingingen. Zij waren bereid voor anderen hun leven te geven. Zij hebben hun leven gewaagd en we kunnen hen gerust helden noemen.

Hier gaat het echter over de grote Godsheld. Hij bracht als de Zoon van God zo’n allerduurst offer, omdat Hij alles gaf voor vijanden. Hij is in Zijn vlees getroffen, Hij is de dood gestorven, en heeft ons daardoor met God verzoend.

 

Verzoening met God ziet op drie dingen:

In de eerste plaats wijst het ons op een teruggebracht worden naar een vorige staat van harmonie.

Het was goed in het paradijs, er was vrede tussen God en de mens. Maar wat is die verhouding door onze dodelijke en diepe zondeval in het paradijs verstoord! En wat voegt onze dagelijkse zonde niet aan die scheiding toe!

Als de Heere u verzoend heeft, dan heeft Hij u teruggebracht naar de oorspronkelijke  staat van volmaakte en onberispelijke harmonie. Door verzoening bent u weer opgenomen in de gemeenschap met God. We kunnen denken aan de tekst uit Jesaja: Alzo heb Ik gezworen dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal (Jes.54:9).

Denk ook maar veel aan Mefiboseth die aan de tafel van David zitten mocht. Alles wat hen scheidde is weggedaan. Dan is het:

 

G’ omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,

Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.

 

Het tweede aspect dat in het woord ‘verzoening’ ligt is: helemaal hersteld zijn.

Dus niet alleen is er weer harmonie, maar de oorspronkelijke verhouding is ook hersteld. Alle smetten van de zonde zijn door het bloed van het Lam afgewassen, zodat de Bruidegom tegen Zijn bruid kan zeggen: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom (Hoogl.2:13).

Hoe kan dat?  

De bruid ervaart zichzelf toch als ‘zwart door de dienstbaarheid’ te zijn? Zwart als de gordijnen, als de tenten van Kedar. En toch: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom. En ergens anders in het Hooglied zegt de Bruidegom: Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte (Hoogl.6:9).

Dan mag u ziende op het bloed van het Lam uitroepen: Ik ben zwart, doch lieflijk (gij dochteren van Jeruzalem), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Sálomo (Hoogl.1:5).

De bruid is volmaakt en hersteld in de gemeenschap met de Bruidegom.

 

Het derde aspect van de verzoening is heel wonderlijk en kenmerkend. Het wijst op verzoening door een ruil; iets wat voor iets anders in de plaats komt.

Dan zien ze op de Borg en Middelaar, Die vrijwillig in hun plaats aan het kruis heeft gehangen. Met het oog op Hem zegt Paulus: Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:21). Verzoening is een staat van volmaakte harmonie, een volkomen hersteld zijn door het offer van een Ander.

U begrijpt dan dat de Heere zegt: Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer (Jes.54:9-10).

 

Wij zingen nu samen Psalm 85 vers 1:

Gij hebt Uw land, o Heer’, die gunst betoond,

Dat Jakobs zaad opnieuw in vrijheid woont;

De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

O heilrijk God, weer verder ons verdriet,

Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn te niet.

 

3. Tot de hoogste heerlijkheid

 

We letten er in ons derde punt nog kort op dat vijanden met God verzoend worden ‘tot de hoogste heerlijkheid’.

Paulus eindigt daarmee. Alles loopt uit op het grote doel: Opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen. Er liggen hierin drie woorden die iets zeggen over het grote doel van de genade.

Het eerste doel van genade is dat de Heere wordt verheerlijkt. De zin waarin staat dat wij heilig, onberispelijk en onschuldig voor God worden gesteld, gaat verder in vers 23 en loopt door tot het einde van dit hoofdstuk. Elke keer weer staat er een puntkomma aan het einde van het vers. Eigenlijk is het een hele lange zin van negen verzen. Steeds weer wijst de Heere aan wat het grote doel van de genade is.  

Met allerlei woorden gaat Paulus dat doel uitwerken. Ik noem u er enkele:

Blijven in het geloof;

De prediking van het Woord;

Een dienaar te zijn van het evangelie;

De rijkdom en de heerlijkheid van de genade in Christus.

Alles moet leiden tot het grote doel van de verheerlijking van Gods naam.

 

De Heere wordt niet alleen verheerlijkt in Zichzelf en door Zichzelf. Ook niet alleen door de heilige engelen die in de hemel onophoudelijk ‘heilig, heilig, heilig’ roepen. Maar Hij wordt juist ook verheerlijkt door het zalig worden van vuile, verloren, vieze, ellendige en doemwaardige zondaars.

 

Paulus gebruikt woorden die je nauwelijks kunt bevatten.

Ik? Heilig en onberispelijk?

Onbeschuldiglijk, onschuldig? Geldt dat voor mij? 

Ja, inderdaad! Dat zijn nu de vruchten van het lijden en sterven van de Heere Jezus.

De psalmdichter roept dan uit: ‘Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan.’

 

De Heere ‘stelt u voor Hem’, staat er ook.

‘Voorstellen…’ Dat kun je op verschillende manieren opvatten.

De één stelt zich voor aan de ander, of hij stelt een ander voor aan iemand.  

Maar dat wordt hier niet bedoeld.

We kunnen ons ook in gedachten iets voorstellen. Ook dat wordt hier niet bedoeld.

Vóórstellen betekent hier: iets of iemand ergens plaatsen. Het oude Nederlandse woord voor voorstellen is ‘ervoor plaatsen’. De Heere plaatst Zijn kinderen voor Zich.

Als Hij dat doet, ‘dan ziet Hij geen van hunne zonden aan’. Dan zijn ze heilig,  onberispelijk en onschuldig.

 

‘Heilig’ zegt iets over mijzelf. Ik ben heilig, niet door mijzelf, maar ik ben het wel. Het is een ‘afgezonderd-zijn’ bedoelt onze tekst te zeggen; apart gezet van de wereld. Zonder smet en zonder blaam. Petrus zegt ervan: Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk (1 Petr.2:9).

 

‘Onberispelijk zijn’ zegt ook iets over mij, maar dan vanuit een ander gezien. Die ander kan mij niet meer berispen, hoeveel zonden ik ook gedaan heb, en hoezeer ik ook een zondaar blijf. Onberispelijk betekent letterlijk: zonder smet en zonder blaam. Want al mijn zonden zijn weggedragen door dat onbestraffelijke en onbevlekte Lam van God.

Ik ben heilig en onberispelijk door het onbestraffelijke Lam van God, Dat al mijn zonden gedragen heeft. Als wie dan ook mij beschuldigt, klinkt vanuit Romeinen 8: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? (Rom.8:33)

 

‘Onbeschuldiglijk’ wil zeggen: niemand kan hen beschuldigen.

In zichzelf nemen ze zich als schuldig waar, maar hier staat: God de Vader plaatst de gelovigen, die heilige broederen en zusters, vóór Zich.

Dan kijkt de Heere hen aan, maar Iemand staat er dan tussen Hem en de gelovigen. Het is de Heere Jezus Christus. En de Vader ziet door het offer van het Lam Zijn kinderen aan als heilig, onberispelijk, en onschuldig.

 

Gemeente, we hebben vandaag vooral de vrucht van Christus’ lijden voor Gods kinderen overdacht. Maar dat wil niet zeggen dat het evangelie in al Zijn heerlijkheid en rijkdom niet tot u of jou komt, die nog onbekeerd bent.

De prediking van het evangelie wijst die ruimte aan voor de grootste van de zondaren.

We mogen u toeroepen: Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: Laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20).

Als we de verzoening hebben leren kennen, laten we dan als kinderen van die God en Koning deze woorden uit de eerste brief van Petrus ter harte nemen: Maar gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelf heilig in al uw wandel. Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petr.1:15-16).

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 85:4

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;

De vrede met een kus van ‘t recht gegroet;

Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;

Gerechtigheid ziet neer van ‘s hemels boog;

Dan zal de Heer’ ons ‘t goede weer doen zien;

Dan zal ons ‘t land zijn volle garven biên;

Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,

Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.