Ds. C. Harinck - Zondag 41

Het huwelijk

Het huwelijk als een relatie die onder druk staat
Het huwelijk als een relatie van vriendschap
Het huwelijk als een relatie van liefde en seksualiteit
Het huwelijk als een relatie die God beschermt

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 133: 1
Lezen : Genesis 2: 18-25
Lezen : Efeze 5: 15-33
Zingen : Psalm 128: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 19: 6
Zingen : Psalm 45: 7

Gemeente, we staan in deze dienst stil bij Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 108: Wat leert ons het zevende gebod?

Antwoord: Dat alle onkuisheid van God vervloekt is, en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuis en ingetogen leven moeten, hetzij in de heilige huwelijke staat of daarbuiten.

 

Vraag 109: Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schandelijkheden?

Antwoord: Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten, en wat de mens daartoe trekken kan.

 

Het gaat in Zondag 41 over het zevende gebod. We willen aan de hand van vier gedachten in het bijzonder stilstaan bij: Het huwelijk.

 

1. Het huwelijk als een relatie die onder druk staat

2. Het huwelijk als een relatie van vriendschap

3. Het huwelijk als een relatie van liefde en seksualiteit

4. Het huwelijk als een relatie die God beschermt

 

1. Het huwelijk als een relatie die onder druk staat

 

Het huwelijk is, op de zaligheid na, het belangrijkste aspect van ons leven. Jonge mensen, daarom is het ontzettend belangrijk wie je huwelijkspartner is. Die zal voor een groot deel bepalen of je leven gezegend of ellendig verloopt. Daarom moeten we onze levenspartner met voorzichtigheid kiezen en vooral God er in betrekken. We lezen dat Izak, terwijl Eliëzer een vrouw voor hem zocht, het veld inging en de eenzaamheid zocht om tot God te bidden. 

Onze levenspartner hoeft niet altijd rijk of knap te zijn, maar moet wel iemand zijn met wie wij samen de Heere kunnen dienen.

In kranten en allerlei andere bladen die over het huwelijk schrijven, lezen we over huwelijksproblemen, echtscheiding, overspel, huiselijk geweld, incest en nog zoveel meer zedelijke ontsporingen binnen het huwelijk.

Het huwelijk schijnt een hachelijke onderneming te zijn. Het schijnt vernedering, ruzie, geweld, ontrouw, incest en andere ontluisterende zaken met zich mee te brengen. In veel huwelijken verbijt en vereet men elkaar, is men ontrouw en eindigt het met echtscheiding en ruzie om de kinderen.

 

Sommigen zien deze ontsporingen van heel dichtbij. Zij zien ze in het leven van hun eigen vader en moeder. Het maakt dat hun gedachten over het huwelijk niet al te positief zijn. Het maakt sommige jonge mensen zelfs beducht voor het huwelijk.

Toch zou ik wensen dat we het huwelijk zien als een grote schat, die God aan ons, mensen, heeft gegeven. We zeggen van het huwelijk dat het een bloem is, die afkomstig is uit het paradijs. Een goed en christelijk huwelijk is dan ook een rijke zegen.

 

Vooral de puriteinen hebben zich met het huwelijk bezig gehouden. Enkele Hollandse theologen ook wel; maar dat zijn er niet zo veel.

De puriteinen hebben dikwijls over het huwelijk gesproken. Eén van hen zegt: ‘Wanneer we op aarde iets zoeken dat het dichtst bij de hemel komt, moeten we denken aan het christelijk huwelijk en het christelijk gezin. Waar man en vrouw elkaar liefhebben en met hun kinderen in vrede en in liefde leven en hun leven inrichten naar Gods gebod.’

Maar diezelfde puritein zegt: ‘Wanneer we op aarde iets zoeken wat het dichtst bij de hel komt, dan moeten we denken aan een slecht en goddeloos huwelijk en aan een losbandig gezin, waar de ouders ruziën en elkander ontrouw zijn en de kinderen opgroeien voor misdaad en ongerechtigheid.’

 

De statistieken tonen een verontrustende toename van echtscheidingen aan. Veertig jaar geleden sneuvelde één op de twintig huwelijken. Nu eindigt één op de vier huwelijken in echtscheiding.

Maar de statistieken vertellen ons nog niet eens de gehele waarheid. Duizenden mensen leven weliswaar als man en vrouw samen, ze zijn nog wel gehuwd, maar hun huwelijk is in werkelijkheid slechts vorm. Het is niet overdreven om te zeggen dat de meeste mensen zich niet gelukkig voelen in hun huwelijk.

Hoewel het scheidingspercentage onder kerkmensen geringer is dan onder niet-kerkgangers en zij dikwijls in een slecht huwelijk toch bij elkaar blijven, is er ook onder kerkmensen sprake van slechte huwelijken waarin geen samenleven in liefde en vrede mogelijk is.

Het feit dat men binnen de muren van hetzelfde huis woont en hetzelfde bed deelt, wil dan nog niet zeggen dat men geluk gevonden heeft in het huwelijk.

 

Het huwelijk staat dus onder druk. Dat is niet nieuw. Het staat reeds onder druk vanaf het paradijs. Door de zonde is de relatie tussen man en vrouw onder druk komen te staan.

De profeet Jesaja doet een algemene belijdenis van zonde en zegt: Wij dwaalden allen als schapen. Hij zegt er echter nog iets bij: Wij keerden ons een iegelijk naar zijn eigen weg (Jes.53:6).

De zonde heeft ons niet alleen van God vervreemd, maar de zonde heeft ons ook van elkaar vervreemd. Wij gaan onze eigen weg; de weg van het ‘ik’.

Egoïsme drijft vele mensen. Zij denken dat trouwen némen is terwijl trouwen géven is. Nergens zijn de verwoestende gevolgen van de val in de zonde zo zichtbaar geworden als in de relatie tussen man en vrouw.

Het huwelijk als het schoonste van de schepping is door de zonde het lelijkste en het slechtste geworden. Dat bleek al direct na de zondeval. Adam had eerst zo verrukt gesproken over zijn Manninne, maar dan zegt hij: ‘De vrouw, die Gij mij gegeven hebt (Gen.3:12), zij is de schuld, zij heeft mij bewogen van de boom te eten waarvan U gezegd had: Ten dage als u daarvan eet zult u de dood sterven (Gen.3:5).’

 

Ondanks dit alles blijft God, in Zijn algemene goedheid, het huwelijk in stand houden.

Op het hoogtepunt van het communisme wilde men in Rusland het huwelijk uitbannen. Dat is echter niet gelukt en het zal nooit lukken. Zelfs niet in onze decadente maatschappij. God heeft het als een wet voor het mensdom afgekondigd: Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn (Gen.2:24). Dit is door geen communisme, geen socialisme, of welk ‘isme’ ook, uit te roeien.

 

Maar we zien niet alleen dat God in Zijn algemene goedheid het huwelijk in stand houdt, we zien vooral dat God van het huwelijk gebruik maakt. Uit de huwelijken van de patriarchen, uit de huwelijken van de vromen, en uit de christelijke gezinnen, bouwt de Heere Zijn gemeente.

Daarom heeft de Heere Jezus ook Zijn eerste wonder verricht op een bruiloft. Niet op een synode. Niet tijdens een grote samenkomst in een stadion. Jezus is met Zijn werk begonnen op een bruiloft, om daarmee te zeggen dat het huwelijk belangrijk is, dat huwelijk en gezin instrumenten in Gods hand zijn om Zijn rijk op te bouwen. Het christelijk huwelijk en het christelijk gezin vormen dan ook de kern van het koninkrijk Gods. Zij zijn eigenlijk een klein kerkje in de grote kerk.

 

Gemeente, we zien dat wat door de zonde is verwoest, door de genade van God hersteld wordt. Wat is er nu meer verwoest door de zonde dan het huwelijk en de relatie tussen man en vrouw? Maar Gods genade brengt ook dáár genezing en herstel.

De bekering tot God brengt ook de bekering van het huwelijk met zich mee. De bekering tot God en het geloof in Jezus Christus toont zich in alle levensverbanden, maar vooral in het huwelijk.

Wanneer iemand zegt dat hij tot God bekeerd is en in Christus gelooft, zal de huwelijkspartner daar iets van merken. Er klopt iets niet wanneer men niet merkt dat de partner lankmoediger en geduldiger is geworden in het verdragen van de gebreken, de ander niet met meer liefde omringt en zijn of haar heil niet zoekt.

God herstelt dus het huwelijk als hij de mens bekeert. Via de vernieuwing van het persoonlijke hart, zien we die vernieuwing doorwerken in alle levensverbanden: in het huwelijk, in het gezin, op het werk en waar dan ook. Want als de genade doorwerkt, moet ons huwelijk gaan lijken op de verhouding tussen Christus en Zijn gemeente. Zo wil God dat het onder christenen zal zijn.

 

Maar wat is het huwelijk eigenlijk?

Wat zijn nu de Bijbelse voorwaarden voor een goed huwelijk?

We letten in onze tweede gedachte op:

 

2. Het huwelijk als een relatie van vriendschap

 

Hoe heeft God het huwelijk eigenlijk bedoeld?

We lezen dit in Genesis 1 en 2. Die hoofdstukken blijven voor het spreken over het huwelijk hoogst belangrijk. We vinden daarin Gods oorspronkelijk ontwerp voor de relatie tussen man en vrouw. Hier zien we hoe de verhouding was toen die nog niet door de zonde was verstoord. Daarom blijven de gegevens uit Genesis 1 en 2 uitgangspunt voor het spreken over het huwelijk.

Het zal u opvallen dat in de brieven van de apostelen, maar ook door Jezus Zelf, steeds naar die eerste gegevens over de relatie tussen man en vrouw wordt verwezen.

Eén van de gegevens is: de mens wordt geschapen in twee seksen; namelijk mannelijk en vrouwelijk. Beiden zijn naar Gods beeld gemaakt, maar de één is mannelijk en de ander vrouwelijk. De Schrift zegt immers: Man en vrouw schiep Hij hen (Gen.1:27). Lichamelijk zijn ze verschillend, maar ook in aanleg, eigenschappen, gaven en gevoelswereld.

 

Het gelijkheidsdenken dat de verschillen tussen man en vrouw wil uitwissen, en dat zich de laatste honderd jaar zo sterk maakt, is dan ook tegen de aard en de natuur waarmee God een mannelijke en een vrouwelijke mens heeft geschapen.

God schiep man en vrouw; ieder met zijn eigen aard, aanleg en talenten. Juist in dat verschil ligt een bron van geluk. Het aanvullen van elkaar vermeerdert het geluk van zowel man als vrouw.

Dit geluk zou er niet zijn als ze precies aan elkaar gelijk zouden zijn. Het toont ons hoe prachtig en rijk Gods bedoeling met het huwelijk is geweest. In onze tijd verliest men dat helemaal uit het oog. Men wil de gelijkheid bevorderen en denkt dat dit vooral het geluk van de vrouw zal verhogen. De mens wil het in zijn zondige opstandigheid eigenlijk beter weten dan God. Maar zoals God het huwelijk instelde en bedoelde, zó was het alleen maar goed.

 

Wat wilde God? Wat is nu kenmerkend voor de oorspronkelijke relatie tussen man en vrouw?

Er vallen twee zaken op.

Het was allereerst een relatie van vriendschap, van kameraadschap, van hulp en van metgezel zijn. En ten tweede was het een relatie van liefde en seksualiteit, van één-vlees-zijn, en van kinderen voortbrengen.

Het was dus allereerst een relatie van vriendschap en van kameraadschap. U kijkt daar misschien wat vreemd van op. Maar denk eens aan de bruid uit het Hooglied. Wat zegt zij tegen haar bruidegom? Ze zegt: Zulk één is mijn liefste, ja, zulk één is mijn vriend (Hoogl.5:16). Zij noemt haar bruidegom haar vriend, kameraad en metgezel.

 

Genesis 2 toont ons dat Adam eerst alleen was. De lusthof, het paradijs, was wel bevolkt met allerlei dieren, maar hoewel Adam in vrede leefde met die dieren, kon hij toch niet echt contact met hen leggen en een wederzijdse relatie onderhouden.

Hij kon niet met hen spreken over wat er in zijn hart leefde. Zij konden hem ook niet helpen om zijn taak te vervullen: de hof te bewaren tegen vijanden, te bebouwen en te ontwikkelen.

Hij vond, zegt de Bijbel, onder die dieren niemand als een ‘tegenover’ hem; niemand van zijn eigen niveau. De dieren leidden immers een eigensoortig leven, verschillend van het leven van Adam.

 

Zo stond de mens dus in het begin alleen. De dieren waren mannetje en vrouwtje, maar Adam was alleen. Adam merkte dat vooral toen de dieren allen langs hem kwamen en hij hun een naam moest geven. 

Hij begon naar een metgezel te verlangen. God heeft Adam toen een metgezel gegeven. We kunnen zeggen dat God dit verlangen eerst opgewekt heeft en daarna in Zijn goedheid heeft vervuld.

De Bijbel vertelt ons hoe de Heere dat gedaan heeft. Hij deed een diepe slaap op Adam komen. Hij opende zijn zijde, nam één van zijn ribben en bouwde daaruit een vrouw. Hij bracht haar daarna Zelf tot Adam.

Adam heeft toen zijn eerste lied gezongen: Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees. Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is (Gen.2:23). Het zijn de eerste woorden die van Adam opgetekend staan.

Zij klinken als een loflied. Hij jubelt van verrukking: Manninne, een vrouwelijke mens! Vlees van mijn vlees en been van mijn benen!

 

Adam was verrukt over zijn Manninne. Eva zal natuurlijk vrouwelijke schoonheid hebben uitgestraald, want ze was in alle opzichten een volmaakte vrouw. Maar hij was vooral verwonderd dat hij nu iemand had die hem gelijk was.

Hij had zich verdiept in de aard en het karakter van de dieren, maar bij geen enkel schepsel had hij iemand gevonden die zijn gelijke was. En nu vond hij zo iemand: vlees van zijn vlees, been van zijn been. Dus een deel van hem en tegelijkertijd zo anders. Zijn andere helft, zijn wederhelft.

 

De Heere schiep de vrouw om een hulp te zijn ‘tegenover’ Adam. Bij dat woord ‘hulp’ denken wij aan ondergeschiktheid, dienstbaarheid en minderwaardigheid. Maar in de Schrift is ‘iemand helpen’ echt niet iets minderwaardigs. ‘Want wie is meer’, vroeg Jezus, ‘wie is er nu meer? Die aanzit of die dient?’

De Heere noemt Zich ook Helper. ‘Eben-Haëzer’, zei Samuël, ‘Steen der hulp’.

De Heere noemt Zich vele malen in de Bijbel de Helper van Zijn volk. Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden (Ps.46:2). Een hulp zijn is dus niet iets minderwaardigs. Iemand helpen in de vervulling van zijn taak kan een rijke taak zijn.

 

Er ligt nog een les. God oordeelde: Het is niet goed dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die als tegen hem over zij (Gen.2:18). De vrouw is dus nodig, en geen overbodige luxe. Zij is noodzakelijk en onmisbaar. Adam was zonder Eva niet compleet. Hij had de hulp van zijn vrouw nodig om zijn roeping te vervullen. Zo heeft de man de vrouw nodig om zijn roeping in de wereld te kunnen vervullen.

Het woord ‘tegenover’ doet ons niet alleen denken aan een klankbord, maar vooral aan een ‘spiegelbeeld’.

Dat was Eva. Je kijkt in de spiegel en dan is het net of er iemand tegenover je staat, die precies eender is als jij bent. Dat was Eva: een hulp ‘als tegenover hem’. Zij moet hem helpen. Zij moet Adam helpen in de taak die God op zijn schouders heeft gelegd, om Gods onderkoning te zijn in deze wereld, de hof te bewaren tegen gevaar, de hof te bebouwen, en de aarde tot ontwikkeling te brengen.

 

Uit deze woorden van God over de relatie tussen Adam en Eva maken we op dat hun  huwelijk te maken heeft met helpen, met vriendschap, met samenwerken, met metgezel zijn. Zoals twee handen en twee ogen een paar vormen, zo moeten zij een paar vormen. Dit is het eerste aspect van het huwelijk.

Het huwelijk is geen dualisme waarin ieder zijn eigen weg gaat. Dat is de moderne opvatting. De één gaat die weg, en de ander deze weg. Dat geeft allemaal niets.

De Bijbelse notie van ‘hulp zijn’ en een ‘tegenover zijn’, wijst echter op verbondenheid en samen gaan. Man en vrouw reizen als metgezellen door het leven, delen lief en leed, spreken samen, werken samen, slapen samen, en vormen samen een gezin.

Het huwelijk is op de aarde de hoogste vorm van gemeenschappelijkheid, vriendschap en kameraadschap. Het is een vriendschapsband die alle andere vriendschappen overstijgt. Je kunt nauw met iemand samenwerken en vanaf je jeugd met iemand bevriend zijn, maar je bent met niemand nauwer verbonden dan met je man of met je vrouw. Het stijgt boven alle relaties uit.

 

Het huwelijk brengt dus verbondenheid, kameraadschap en vriendschap met zich mee. De puriteinen spreken daar dikwijls over. Richard Baxter wijst op de zegen van vriendschap in het huwelijk en zegt daarvan: ‘Het is een genade om in je man of vrouw een goede vriend te hebben, die je volkomen liefheeft en je trouw is om wat je bent, voor wie je je hart kunt openen, die bereid is je te sterken en de zorgen te delen, je helpt om de lasten te dragen, je troost in je verdriet en een dagelijkse metgezel is in je leven, een deelgenoot van je vreugden en van je verdriet.’

De puritein Thomas Gataker zegt: ‘Er is geen relatie die hechter, warmer, vreugdevoller en meer noodzakelijk is dan de band van vriendschap in het huwelijk.’

 

Gemeente, weet je wat het ergste is van het moderne huwelijk? De eenzaamheid in het huwelijk. Vele mensen zijn in hun huwelijk diep eenzaam. Daarom is vriendschap en  kameraadschap, het metgezel zijn en het delen in een huwelijk zo belangrijk.

Je begrijpt wel dat dit natuurlijk tijd en groei nodig heeft. Als je trouwt, brengt ieder zijn eigen individualiteit en persoonlijkheid met zich mee. In een goed huwelijk groei je echter naar elkaar toe, niet in het minst door kruis, zorgen en tegenspoed.

De liefde bewerkt dat je steeds nauwer aan elkaar wordt verbonden.

En tenslotte, zeiden sommige oude mensen wel eens, pas je net zo bij elkaar als een paar oude schoenen…

 

We moeten deze verbondenheid in ons huwelijk proberen te ontwikkelen en te bevorderen. Jonggehuwden, daar moet je aan werken. Dat kost iets, dat gaat niet zonder moeite en strijd.

Ik wil enkele raadgevingen doorgeven uit oude puriteinse geschriften. Uit die geschriften blijkt dat samengroeien een offer vraagt.

Het kost tijd. Je moet tijd met elkaar doorbrengen. Wanneer je zo druk bent met je werk en met het huishouden dat je nauwelijks met elkaar kunt spreken, groeit de band van vriendschap niet. Je moet met elkaar spreken, dingen samen doen en er voor elkaar zijn.

Het vraagt belangstelling. De beste vriendschappen verschralen als je elkaar niet meer ontmoet en nooit meer spreekt. Je moet je voor elkaar openstellen, belangstelling hebben voor elkaar en naar elkaar luisteren. Vooral luisteren. Een goede luisteraar zijn; weten wat de ander bezighoudt.

Het vraagt trouw. Je moet elkaar kunnen vertrouwen. Het schenden van elkaars vertrouwen, ondermijnt de vriendschapsband in het huwelijk. Als je huwelijkspartner jouw geheimen niet bewaart maar aan anderen vertelt, zal dit de vriendschapsband  schaden.

Als één van de partners makkelijk met andere mannen of vrouwen flirt, of wat nog veel erger is: vreemdgaat, is dat verwoestend voor de band van vriendschap.

 

Naar elkaar toegroeien kost ook privacy. In een goede vriendschap heb je geen geheimen voor elkaar. Zo moet je je voor elkaar openstellen: je kwetsbaarheid aan elkaar laten zien, de ander laten meedelen in je zorgen en ook in de vreugde van je hart.

Het betekent vooral ook van elkaar weten hoe je tegenover God staat. Het belangrijkste deel van je leven is immers je verhouding tot God! Het mag niet zó zijn in het huwelijk dat je huwelijkspartner met wie je eet en slaapt, niet weet hoe je tegenover God staat.

Ik ben het helaas teveel tegengekomen dat wanneer je na het sterven van één van de huwelijkspartners aan de andere vroeg: ‘Wat voor iemand was je man of vrouw, hoe was zijn of haar verhouding tot God?’, men dan zei: ‘Wij spraken daar nooit over.’ Wat is dat erg! Daar móet je juist over spreken. Wat kan dat samen spreken over de dingen van Gods koninkrijk samenbinden!

 

Dus: het huwelijk is een band van vriendschap, maar – dat is onze derde gedachte – ook:

 

 

3. Het huwelijk als een relatie van liefde en seksualiteit

 

De relatie tussen Adam en Eva was ook een relatie van liefde, lichamelijke eenheid en seksualiteit. Dat leren we ook uit Genesis 2. Nadat de Heere de vrouw tot Adam had gebracht, zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees. Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is (Gen.2:23).

Adam zag dat zij een vrouwelijke mens was. Wat zal Adam ontdekt hebben? Zonder onreine, lage of zedeloze gedachten ontdekte hij de vrouwelijkheid van Eva. Hij riep daarom uit: ‘Manninne!’

Hij hoorde ook dat het Gods bedoeling was dat Eva in dit opzicht zo verschillend zou zijn  van hem. God zei: ‘Je zult tot één vlees zijn.’ Hierin ligt een duidelijke verwijzing naar lichamelijke eenheid. Jezus zegt zelfs: Alzo, dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees (Matth.19:6).

Het ‘één-vlees-zijn’ wijst op seksuele intimiteit. Vanaf het begin heeft God gewild dat het huwelijk een persoonlijke en seksuele vereniging zou zijn tussen man en vrouw. Eén zijn, dat was Gods opdracht. Geestelijk, maar ook lichamelijk.

Wat is eigenlijk eenheid? Eenheid is een zodanige vereniging tussen twee personen dat er niets anders tussen kan komen. Dat is eenheid. Zo’n eenheid bedoelde God toen Hij zei: En zij zullen tot één vlees zijn. Daar mag niemand anders tussen komen.

 

Seksualiteit is een gave; een geschenk van God. Het is een deel van de scheppingsorde. Toen God de mens maakte, maakte Hij de mens mannelijk en vrouwelijk. Volgens de Schrift is de seksualiteit een belangrijk deel van het huwelijk. Hoe vreselijk de zonde de seksualiteit ook heeft misvormd, het is en blijft een gave van God. Het is en blijft de hoogste beleving van eenheid, de kroon op de liefdesrelatie.

Het hóórt bij het huwelijk. Daar spreekt ook de apostel Paulus over als hij het heeft over het zich niet aan elkaar onttrekken: Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden (1 Kor.7:5).

 

Paulus ontmaskert ook de verkeerde vroomheid van mensen die verbieden om te huwen en gebieden om zich van allerlei spijzen te onthouden: Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft tot nuttiging met dankzegging (1 Tim.4:3).

Reeds in Paulus’ dagen waren er mensen die, evenals we later in de Roomse kerk zien, de ongehuwde staat een hogere geestelijke staat vonden. Het huwelijk en vooral de seksualiteit in het huwelijk achtten zij maar vleselijk. Het zou een verbintenis zijn die aftrok van het dienen van de Heere.

Maar zo hoeft dit niet te zijn. Wie wandelde er inniger met God dan Henoch? En toch lezen we in één adem: En Henoch wandelde met God en hij gewon zonen en dochteren (Gen.5:22). De seksualiteit hoort er dus bij.

 

Gemeente, dan is er nog iets. Ik ga dat toch maar gewoon zeggen. Er mag binnen het huwelijk van de seksualiteit genóten worden. Dat zegt de Bijbel ook. De Bijbel verbiedt de seksualiteit niet en beschouwt het niet als vleselijk en zondig. Binnen het huwelijk mag ervan genoten worden. Seksualiteit is dus niet alleen op het krijgen van kinderen gericht. Het is erop gericht om de innigste liefde te beleven.

In Spreuken 5 kun je dat heel duidelijk lezen. Daar waarschuwt Salomo zijn zoon voor de vreemde vrouw. Hij waarschuwt hem helaas uit eigen ervaring. Salomo bezingt daarna prozaïsch de vreugde die de getrouwden in elkaar mogen vinden.

Hij zegt in Spreuken 5 tegen zijn zoon: Drink water uit uw eigen bak en vloeden uit het midden van uw bornput. Laat ze de uwe alleen zijn en van geen vreemde met u (Spr.5:15,17). Salomo wijst er met nadruk op dat de man en de vrouw elkaar met niemand anders mogen delen.

Hij zegt vervolgens: Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; een zeer liefelijke hinde en een aangenaam steengeitje. Laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde (Spr.5:18-19).

Wat is er veel kwaad gesticht door te zeggen dat de seksualiteit in het huwelijk zonde is. De Roomse leer stelt dat het ongehuwd zijn een hogere geestelijke staat is dan het gehuwd zijn. Maar dan verachten wij Gods gave. Paulus zegt terecht dat dit een verkeerde vroomheid is.

 

Het christelijk huwelijk bestaat dus uit twee belangrijke aspecten. Het bestaat uit liefde en kameraadschap, die zich uit in een seksuele beleving en in het delen van lief en leed. Zó heeft God het bedoeld. En zó wil de Heere nadrukkelijk dat het bij allen zijn zal, die zich naar de naam van Christus noemen.

Maar satan zoekt vanaf de val van de mens het werk van God te vernietigen en te verstoren. Hij richt zijn pijlen vooral op de seksualiteit, want hij weet dat dit een invalspoort is tot het hart van de gevallen mens. Hij bezit daarmee een machtig wapen om mensen van God en van elkaar te vervreemden.

Maar God heeft een beschermende muur rondom het huwelijk opgetrokken. Die muur is Zijn gebod. Daaraan besteedt onze catechismus de meeste aandacht.

 

Voor wij onze laatste gedachte uitwerken zingen wij Psalm 19 vers 6:

 

               Dus krijg ik van mijn plicht,

               O God, een klaar bericht.

               Wat is ‘t vooruitzicht schoon!

               Hij, die op U vertrouwt,

               Uw wetten onderhoudt,

               Vindt daarin grote loon.

               Maar, Heer’, wie is de man,

               Die op ‘t nauwkeurigst kan

               Zijn dwalingen doorgronden?

               O bron van ‘t hoogste goed,

               Was, reinig mijn gemoed

               Van mijn verborgen zonden.

 

Gemeente, we staan ten slotte stil bij:

 

4. Het huwelijk als een relatie die God beschermt

 

De catechismus vraagt: ‘Wat leert ons het zevende gebod?’ Het antwoordt luidt: ‘Dat alle onkuisheid van God vervloekt is en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuis en ingetogen leven moeten, hetzij in de heilige huwelijke staat of daarbuiten.’

In een wereld die zich steeds meer verwijdert van de christelijke visie op de relatie tussen man en vrouw, in een wereld van samenwonen, van latrelaties, wisselende contacten en vrije seks, in zo’n wereld laat God Zijn gebod klinken: Gij zult niet echtbreken (Ex.20:14). God beschermt met Zijn gebod de unieke relatie tussen man en vrouw in het huwelijk.

 

In de catechismus zien we dat God het huwelijk beschermt met het uitspreken van een vloek. We lezen: ‘Dat alle onkuisheid van God vervloekt is.’

Onkuisheid is een oudhollands woord. Een vrouw werd een kuise vrouw genoemd als haar woning netjes en op orde was. Onkuisheid daarentegen wijst op onreinheid, vuilheid en smerigheid.

Wat is er heden ten dage een vuilheid en smerigheid op seksueel gebied. God vervloekt al die onreinheid en al die smerigheid. Dat deed de Heere ook al in de tijd van het Oude Testament. Leviticus 18 tot en met 20 spreekt over allerlei seksuele ontsporingen: mannen die met mannen omgaan, vrouwen met vrouwen, mensen met dieren, vaders met kinderen, broers met zussen. Vreselijke dingen komen er in die hoofdstukken aan de orde.

In verband daarmee spreekt de Heere: ‘Om al die zonden heb ik de Kanaänitische volkeren uitgeroeid, en ook jullie zullen vervloekt zijn als je je aan dergelijke zonden overgeeft.’

 

In het Nieuwe Testament is het eigenlijk niet anders. Ook daar wordt het huwelijk beschermd met een bedreiging. De jonge christengemeenten leefden ook middenin een wereld vol uitwassen op seksueel gebied. De apostel roept hun toe: Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het koninkrijk Gods beërven (1 Kor.6:10). De apostel zegt dat dergelijke mensen buiten het koninkrijk gehouden zullen worden. Zij zullen geen deel hebben aan het eeuwige rijk van God.

 

Zo wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament het huwelijk beschermd met een vloek en een bedreiging.

Je zou zeggen: ‘Dat is toch niet zo’n goede bescherming.’ Maar we moeten ervan doordrongen zijn dat de God van de Bijbel een God is Die het kwaad haat en vervloekt. Hij wil ons dat laten weten. Daarom zegt de catechismus ons hier dat alle onkuisheid van God vervloekt is.

 

We komen nu toe aan vraag 109: ‘Maar verbiedt God ons in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schandelijkheden?’ Het antwoord is dan: ‘Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren en daarom verbiedt Hij alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten en wat een mens daartoe trekken kan.’

Dit is een volgend argument om het huwelijk rein en goed te houden. Het is een  drangreden om je niet over te geven aan allerlei uitspattingen en onreinheid.

Gemeente, het is een sterke drangreden.

Voor wie? Voor de christen!

In het stuk van de dankbaarheid hebben we immers met een christen te maken; met een verloste zondaar. Een zondaar die zijn ellende leerde kennen, door Christus van zijn ellende is verlost en nu dankbaar voor God zoekt te leven. De catechismus wijst deze verloste mens op het feit dat zijn lichaam en zijn ziel ‘tempelen van de Heilige Geest’ zijn.

 

Een tempel van de Heilige Geest. Dit brengt ons bij het verbazende leerstuk van de inwoning van de Heilige Geest. Ik noem het met nadruk een verbazend leerstuk. De inwoning van de Heilige Geest: Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in u woont? (1 Kor.3:16). Dat wil Paulus dat de christenen zullen weten. Het is een verbazend leerstuk.

Volk des Heeren, sta hier verbaasd dat de Heilige Geest in zo’n hart als het uwe woont. Dat Hij daarin wilde komen om een tempel voor God op te richten. Hij vond er alleen maar onreinheid en verkeerdheid, terwijl Hij de Heilige, de reine Geest is. Maar Hij nam Zijn intrek in uw hart.

Onder theologen is getwist over wanneer dat gebeurt. Maar de beste theologen zeggen: bij de eerste ritseling van dat nieuwe leven, bij de eerste schreeuw vanuit uw ziel tot de levende God, bij dat eerste roepen: O God, wees mij, zondaar, genadig (Luk.18:13).

Dat is het bewijs dat de Geest Zijn intrek in uw hart heeft genomen. Hij woont in de harten van de gelovigen en wil het omvormen tot een tempel waarin God wordt gediend, geliefd en aanbeden. Hij wil het maken tot een tempel waarin de Heere offers van dankbaarheid, verwondering en toewijding worden gebracht. Op deze onbevattelijke genade wijst nu de catechismus.

 

In Korinthe werd hoererij niet zozeer als zonde beschouwd. Het hoorde bijna bij het leven van een man. De inwoners van Korinthe maakten een groot verschil tussen lichaam en geest. Hoererij betrof alleen het lichaam. De geest stond daarbuiten.

Paulus doorbreekt deze verkeerde Griekse gedachte. Hij wil de christenen laten zien hoe belangrijk ook het lichaam is. Hij noemt het daarom een tempel van de Heilige Geest. Hij zegt tegen de christenen in Korinthe: ‘Mag je die tempel ontheiligen door gemeenschap te hebben met een hoer of met een andere vrouw?’

Het is een drangreden om het lichaam rein te bewaren. Het is een argument van het stuk van de dankbaarheid. De Heere wil dat Zijn kinderen er aan zullen denken dat ze duur zijn gekocht en de Heilige Geest in hen woont. De catechismus gebruikt dit evenals Paulus als een opwekking voor de christen om zichzelf heilig en rein bewaren.

 

Nu zegt u misschien: ‘Maar ik ben onbekeerd en ik mag dus met mijn lichaam doen wat ik wil.’ Maar zo liggen de zaken echt niet. Als je bij toeval hier op aarde was en niemand jou had geschapen, zou dat wel zo kunnen zijn. Maar God heeft ons allen geschapen en ons het leven gegeven. Hij is de Eigenaar van ons lichaam. Ons lichaam behoort aan God. Ons lichaam moet daarom een tempel zijn waarin en waarmee wij Hem dienen. Ons lichaam is maar niet iets bijkomstigs. Het is Gods geschenk. God wil ons helemaal bezitten, naar ziel én lichaam.

Jonge mensen, je lichaam is een tempel. Wees er zuinig op. Knoei niet met je lichaam. En geef je lichaam niet zomaar weg aan iemand. Ga niet met iedereen naar bed. Ontheilig Gods tempel niet.

 

De catechismus zegt: ‘Daarom verbiedt God alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten en wat de mens daartoe trekken kan.’

Gemeente, als we dat tot ons laten doordringen, stelt dit zevende gebod ons allen schuldig. Natuurlijk, we zijn schuldig aan al de geboden. Maar vooral dit zevende gebod stelt ons schuldig. Vooral ook als we bedenken dat het hier ook gaat over gedachten en lusten.

Misschien zijn er hier die door dat zevende gebod stukgeslagen zijn, die gebukt gaan onder de overtreding van dit gebod. Misschien zijn er dingen in je leven gebeurd, in je jonge leven, die je schuldig stellen aan dit gebod van God.

De duivel zal dan tegen je zeggen: ‘Voor zulke mensen is er geen heil bij God.’

Maar hoor het evangelie van onze Heere Jezus Christus! Voor Hem ben je niet te slecht of te onrein. Hij heeft ze opgezocht: hoeren en tollenaren.

Hij reisde opzettelijk door Samaria om met een overspelige vrouw te praten en haar tot bekering te brengen. Het is een scheldnaam van Jezus geworden: ‘Vriend van de tollenaren en de zondaren.’ En dat is Hij!

 

Indien de begane zonde u van harte leed is en u begeert uw leven te beteren, mag ik u verkondigen dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde. Ik ben geen Roomse priester; ik kondig geen absolutie af. Maar ik ben wel geroepen een sleuteldrager te zijn van het koninkrijk van God, om het toe te sluiten voor alle onboetvaardigen, maar dat koninkrijk ook te openen voor allen die hartelijk leed dragen over hun zonden, zich tot God wensen te bekeren en hun zaligheid in Christus zoeken. Bekeer u van de kwade weg en geloof dit evangelie: Christus Jezus is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken (1 Tim.1:15).

 

Ten slotte, jonge mensen, doe als Izak: zoek biddend naar een levenspartner.

Doe ook wat Rebekka deed. Want toen ze haar vroegen: Zult gij met deze man trekken?, zei ze: Ik zal trekken (Gen.28:54).

Denk dan vooral aan de allerbeste Man, aan Jezus Christus, Die zondaren in het evangelie een huwelijksaanzoek doet en roept: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 45:7

 

Straks leidt men haar in statie, uit haar woning,
In kleding, rijk gestikt, tot hare Koning;
Zo treedt zij voort met al de maagdenstoet,
Die haar verzelt, U vrolijk tegemoet.
Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,
De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen,
Tot zij, daar elk gewaagt van hare lof,
Ter bruiloft treên in ‘t koninklijke hof.