Ds. M. Karens - Lukas 23 : 8 - 12

Koning Jezus voor koning Heródes

Lukas 23
De blijdschap om Jezus bij Heródes
Het zwijgen van Jezus voor Heródes
De bespotting van Jezus door Heródes

Lukas 23 : 8 - 12

Lukas 23
8
En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.
9
En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.
10
En de overpriesters en de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.
11
En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.
12
En op denzelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen den anderen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 4
Lezen : Lukas 22: 63 - 23: 12
Zingen : Psalm 22: 6, 10
Zingen : Psalm 69: 2
Zingen : Psalm 45: 1

Gemeente, het gedeelte uit het Woord van God dat we in deze dienst samen willen overdenken, kunt u vinden in Lukas 23 vers 8 tot en met 12, waar Gods Woord aldus luidt:

 

En als Heródes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.

En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.

En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.

En Heródes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.

En op dezelfde dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap de een tegen de ander.

 

Dit gedeelte bepaalt ons bij: Koning Jezus voor koning Heródes.

 

We staan stil bij drie gedachten:

1. De blijdschap om Jezus bij Heródes

2. Het zwijgen van Jezus voor Heródes

3. De bespotting van Jezus door Heródes

 

1. De blijdschap om Jezus bij Heródes

 

Gemeente, de Heere Jezus staat oog in oog met koning Heródes. Hoe is Hij daar gekomen? We hebben gehoord uit het lijdensevangelie dat de schare Hem gevangen genomen heeft en Hem heeft geleid naar het Sanhedrin, waar de overpriesters en de schriftgeleerden waren. Daarna is Hij geleid naar de rechter Pontius Pilatus. Pontius Pilatus had gesproken: Ik vind geen schuld in deze Mens. Toen heeft de grote schare voor het rechthuis geroepen: Hij beroert het volk. ‘Hij hitst de mensen op tegen de keizer. Hij zet hen aan om geen schatting te betalen.’

Toen had Pilatus gehoord dat deze geboeide Man, met bloed aan Zijn gezicht, uit Galiléa kwam, uit het land helemaal in het noorden van Israël. En toen Pilatus hoorde dat Hij een Galileeër was, heeft hij Hem gezonden naar koning Heródes, want koning Heródes regeerde over Galiléa.

Er zijn een heleboel Heródessen, maar deze koning heeft de naam Heródes Antipas. Hij was een zoon van koning Heródes de Grote, die we kennen als de kindermoordenaar. Van die kindermoordenaar was deze koning een zoon. Het was een wrede, een sluwe koning. De Heere Jezus had hem vanwege zijn sluwheid genoemd: die vos. Naar die koning Heródes wordt Jezus gezonden door Pilatus.

Koning Heródes leefde in vijandschap met Pilatus. Want koning Heródes had gehoopt dat hij het hele land Israël zou mogen regeren. Maar de keizer in Rome had maar een klein stukje aan koning Heródes gegeven, alleen Galiléa. Over het hele verdere land Israël regeerde Pontius Pilatus. Daarom lag de verhouding niet goed. Er was vijandschap, zo hebben we gelezen uit het Woord.

 

Wat een zwaar lijden is het voor de Heere Jezus Christus! Hij wordt van de één naar de ander gestuurd. Geboeid wordt Hij weggevoerd naar het paleis van koning Heródes. Hij wordt van de één naar de ander gebracht. Nergens is plaats voor Hem. Iedereen wil Hem kwijt. Van het Sanhedrin naar Pilatus, van Pilatus naar Heródes. Nergens is plaats voor Jezus van Nazareth.

Wat ligt daar een lijden in voor de Zoon van God. Hij, de Eeuwige, God uit God, Licht uit Licht, wordt hier op aarde gebracht van de één naar de ander.

 

Mag ik eens vragen: Pilatus weet niet wat hij met Jezus doen moet. Hoe ligt dat bij u? Hoe is dat in jouw hart? Van nature is er geen plaats voor deze Jezus. Wat moet ik met Jezus doen? Wat moet ik met een Zaligmaker doen? Net als het Sanhedrin, net als Pilatus: ‘Weg met Deze!’ Of is er iemand die heilig begerig is naar deze lijdende Zaligmaker? Veel mensen zijn verlegen met Jezus. Maar zijn er ook die verlegen zijn om Jezus?

 

De lijdende Christus wordt weggeleid van de ene naar de andere plaats. Pilatus dacht er heel goed aan te doen, want dan was hij van die lastige zaak af. En zo kon hij koning Heródes een beetje in eer houden. Koning Heródes zou het op prijs stellen dat hij erin gekend werd. Dat zou hun verhouding ten goede komen. Daarom slaat Pilatus hier twee vliegen in één klap. En het komt goed uit, want koning Heródes is in de stad Jeruzalem. Ter ere van het Paasfeest is koning Heródes in de stad, om samen met het volk van de Joden het Paasfeest te vieren.

Koning Heródes was een nakomeling van Ezau. Hij was een Edomiet, of een Idumeeër, maar hij wilde leven naar de Joodse wetten. Hij was ook besneden, hij onderzocht de Schriften en hij hield ook de Joodse feesten. Hij wilde te midden van het Joodse volk meeleven.

 

We lezen in onze tekst dat op die vroege vrijdagmorgen koning Heródes verblijd is. Want hij hoort dat daar voor de deur van het paleis Jezus van Nazareth staat. Er staat een geboeide Man en dat is Jezus. Dan is Heródes zeer verblijd. Blijdschap om Jezus.

Waarom is koning Heródes zo verblijd? Er staat geschreven: Want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien. Hij wilde al een hele tijd Jezus ontmoeten en Jezus spreken. Hij had heel veel over Jezus gehoord, maar hij had Hem nog nooit gezien. Al twee jaar lang begeerde hij deze Jezus te zien.

Wat was dat voor een begeerte? Was dat een begeerte om van de Heere Jezus woorden van zaligheid te horen? Nee, de begeerte van koning Heródes was een andere begeerte. Je moet weten: koning Heródes had Johannes de Doper gedood. Deze koning was de moordenaar van Johannes de Doper en sinds dat onthoofden van Johannes de Doper was er in het hart van koning Heródes onrust. Bij dagen en bij nachten achtervolgde hem de moord, die hij op zijn geweten had. Hij had innerlijke onrust en angst.

Nu had koning Heródes gehoord dat er iemand door het land ging, die dezelfde dingen deed als Johannes de Doper. En de mensen zeiden: ‘Johannes de Doper is opgestaan uit de dood!’

Daarom begeerde koning Heródes Jezus te zien. Het was dus geen heilbegeerte, het was geen heilbegerig hart, maar het was angst, het was wroeging, het was innerlijke onrust. Want Heródes dacht aan die vreselijke dag van zijn verjaardag. Hij dacht terug aan die schotel met dat bebloede hoofd. En dan kwam de angst: ‘Als het nu eens Johannes was? Als Johannes nu eens opgestaan was uit de doden? Wat zou er dan zijn?’ Gedreven door angst begeerde hij Jezus te zien.

Hij was ook nieuwsgierig, want hij had gehoord dat Jezus wonderen deed. Nu begeerde hij zo’n wonder te zien.

 

Leg uw en jouw hart vandaag eens naast deze geschiedenis. Begeren om de Heere te zien uit angst of uit nieuwsgierigheid, zijn wij dat? Koning Heródes zocht een wonderdoener, een tovenaar; díe wilde hij zien. Koning Heródes was heel anders dan Pilatus. Pilatus was een Romein, die niet wist van de Heilige Schrift, die niet wist van de Messias Die komen zou. Maar koning Heródes is een kerkmens. Hij is besneden, hij heeft de Schriften gelezen en de kerkelijke feesten gehouden.

En toch heeft hij alleen maar angst, onrust en nieuwsgierigheid. Hij heeft geen ware begeerte naar de Heere en naar Zijn Woord. Hij heeft geen ware begeerte met zijn hart om de Heere te zien, om Jezus te kennen. Niet: Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen van mijn leven mocht wonen in het huis des Heeren (Ps.27:4). Hij heeft geen ware begeerte: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’

Hij is alleen maar verblijd, omdat zijn nieuwsgierigheid bevredigd zal worden. Hij is alleen maar verblijd, omdat hij mag zien dat Hij Johannes de Doper niet is.

Deze geboeide Man, daar hoeft hij niet bang voor te zijn. Deze geboeide Man kan hem geen kwaad doen.

 

Koning Heródes en Koning Jezus. Zie je ze staan tegenover elkaar? ‘Heródes, kijk eens naar die Koning! Dat is de Man van Wie Johannes de Doper heeft gepreekt: Die na mij komt, is sterker is dan ik (Matth.3:11). Dat is de Man, Die kan dopen met de Heilige Geest en met vuur. Dat is de Man Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren. Koning Heródes, zie op die Man van smarten. Val Hem te voet! Voor moordenaars is er genade aan Zijn gezegende voeten. Koning Heródes, buig aan de voeten van deze Jezus. Smeek Hem toch om genade, want nóg is het genadetijd!’

Daar staat koning Heródes tegenover het Lam Gods Dat de zonde der wereld wegneemt. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat (Ps.2:12).

We zouden het hem en jou en u willen toeroepen: Daar staat de Koning der koningen! Buig aan Zijn voeten! Smeek om Zijn genade!

 

Heródes was over lang begerig om Jezus te zien. Hij had fantasiebeelden van Jezus: een tovenaar, een wonderdoener. Maar, gemeente, Jezus is geen tovenaar, Jezus is niet alleen een wonderdoener, maar Jezus is een Middelaar, Hij is de Verlosser, Hij is de Zaligmaker. Hij kwam op deze vervloekte wereld, niet voor nieuwsgierige mensen, maar Hij kwam op deze vervloekte wereld om zondaren te redden. Hij kwam om te verlossen van de schuld van de zonde, van de straf op de zonde en van de smet van de zonde. Deze geboeide Koning kwam om verloren zondaren te redden, om Zijn ziel te geven tot een rantsoen, tot een losprijs voor schuldige zondaren.

Daarom, nog één keer de vraag: Heb jij de begeerte in je hart: Och, dat ik Hem kenne? Want er zijn mensen op deze aarde, alle tijden door, die begerig worden om Jezus te zien, die begerig worden om Hem te ontmoeten. Die zouden verblijd zijn als ze van Hem mochten horen uit het evangelie. Die zouden opspringen van vreugde als ze Zijn stem mochten horen, als ze door het geloof de lijdende Jezus mochten zien. Hem zien, in de trappen van Zijn vernedering, als een Schuldige aan het recht van Zijn Vader. Hem zien, dat is de vreugde van hun hart. Het is de blijdschap van hun leven om die Zaligmaker door het geloof te mogen zien, want: ‘Hij is blank en Hij is rood en Hij draagt de banier boven tienduizend. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk Eén is mijn Liefste, zulk Eén is mijn Zielevriend!’

 

Mag u dat door Gods genade nazeggen? Is er plaats gemaakt, door de zaligmakende overtuiging van de Heilige Geest, voor deze lijdende Christus? Gaat uw verlangen, uw begeerte naar Hem uit? Dan zál God op Zijn tijd die noodruftigen gaan bevrijden, aan armen uit genâ Zijn hulpe ter verlossing tonen. Hij slaat hun zielen gâ.

Koning Heródes was verblijd om Jezus, maar ook in de tweede plaats:

 

2. Het zwijgen van Jezus voor Heródes

 

Want we lezen in het negende vers: En hij vraagde Hem met vele woorden. Doch Hij antwoordde hem niets. Vele woorden - niets. Telkens opnieuw gaat koning Heródes vragen stellen aan Koning Jezus. In het Grieks van het Nieuwe Testament staat dat hij voortdurend vragen stelde. Steeds doorgaand stelde hij vragen om de Heere Jezus aan het spreken te krijgen.

Hij heeft ook gevraagd: ‘Doe eens een teken, doe eens een wonder!’ Wat een verzoeking… Want Koning Jezus kan een wonderteken doen. Hij kan Zijn Vader vragen en twaalf legioenen engelen zullen komen. Hij kan een wonderteken doen, zodat Heródes en al zijn soldaten ter aarde zullen vallen. Hij kan een wonderteken doen, zodat Hij zal worden bevrijd. Wat een verzoeking, want Jezus is Mens, net als jij, net als u en ik.

Wat een verzoeking, en toch… Hij doet het niet. Hij doet geen wonder, want Hij wil lijden, Hij wil geboeid blijven, Hij wil van ganser harte de weg naar het kruis gaan. Hij wil lijden en sterven. Daarom geeft Hij geen teken van Zijn almacht, van Zijn majesteit en heerlijkheid, maar Hij zwijgt. Wat koning Heródes ook vraagt, Hij zwijgt. Geen enkele vraag beantwoordt Hij.

Hij kijkt koning Heródes aan. Twee koningen tegenover elkaar: een zoon van Ezau en een Zoon van Jakob. Het slangenzaad en het vrouwenzaad. Twee koningen tegenover elkaar: de Eén geboeid en machteloos, en de ander op de troon, in Zijn macht.

Maar wie regeert er nu? Wie is de machtigste van die twee koningen? Koning Jezus, want Hij bepaalt de weg. Hij bepaalt wat er gebeurt. Hij heeft de Zijnen liefgehad met een eeuwige liefde, tot het einde toe. Hij gaat de weg van het welbehagen des Vaders en dat zal door Zijn handen gelukkiglijk voortgaan. Het ligt allemaal in de handen van Koning Jezus. Hij regeert. En daarom keurt Hij Heródes niet één woord waardig. Hij zwijgt. Niet één woord spreekt Hij. Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen (Matth.7:6). Doch Hij antwoordde hem niets.

 

Weet u wat zo’n wonder is? Híer antwoordt Jezus niet, maar als er een arme en ellendige zondaar aan Zijn voeten valt, die gaat smeken: ‘Zone Davids, ontferm U mijner!’, dan zal Hij antwoorden. Hier antwoordt Hij niets, maar als je in het verborgen voor Zijn aangezicht smeekt - het kan wel eens lang duren, het kan wel eens lijken alsof Hij niet antwoordt - maar dan zál Hij antwoorden. Want wie Hem smeekt om genade, die zal Hij antwoorden. Dan zal Hij een teken doen, een teken van Zijn genade, van Zijn ontferming en van Zijn barmhartigheid. Daarom:

 

Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft;

Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft.

 

Koning Heródes kreeg geen antwoord, Jezus zweeg stil. Voor Pilatus en voor Kajafas de hogepriester heeft Hij nog woorden gesproken, maar voor koning Heródes antwoordde Hij niets. Niet één woord.

Het is een oordeel, als Jezus niet meer spreekt tegen een persoon, in een land of in een gemeente. Als Jezus gaat zwijgen is dat het oordeel. Dan gaat Hij overgeven tot het verderf. Hij zweeg waar Hij heel veel gesproken heeft. Waar Jezus als de mond van de waarheid gesproken heeft van zonde en van genade, daar komt een tijd dat Jezus gaat zwijgen. Als ik mij blijf verzetten en blijf verharden tegen die woorden van het eeuwige leven die Hij spreekt, dan zal Hij straks zwijgen.

 

Doch Jezus zweeg. Hij antwoordde hem niet. Weet u, dat zwijgen was eigenlijk een spreken. Vanuit dat zwijgen ging een sprake uit van Zijn hoogheid, Zijn majesteit en Zijn heerlijkheid. Wij zouden denken: ‘Jezus, spreek toch, zeg het toch!’ Als in deze wereld de macht van God wordt gelasterd, denken wij: ‘Heere, spreek toch!’ Maar de Heere zwijgt in Zijn majesteit en in Zijn heerlijkheid. De Heere zwijgt ook als de wereld Hem bespot en Hem tart. In Zijn majesteit zwijgt Hij ook hier. De Heere Jezus staat in Zijn diepe vernedering zwijgend voor Heródes. Hij zoekt Heródes tot inkeer te brengen. Hij zwijgt, opdat Zijn zwijgen Heródes zal uitdrijven.

Voor een kind van God is het zwijgen van de Heere beangstigend. Het allerergste in het leven der genade is als de Heere zwijgt. Dan gaan ze bedelen: ‘Heere, spreek slechts één woord in Uw liefde en in Uw ontferming.’ Dan ben je verlegen om een woord van Zijn lippen, waarin genade is uitgestort. Is het voor jou en voor u het bangste in uw leven als de Heere gaat zwijgen?

Ik lees van de Kananese vrouw die de Heere Jezus achterna liep. Ze riep: ‘Ontferm U! Heere, help!’ Doch Hij antwoordde haar niet een woord (Matth.15:23). Ging ze toen naar huis? Nee, ze bleef smeken en aanhouden, nederig en ootmoedig. Toen kwam er een tijd dat Hij Zich omkeerde en tot haar ging spreken. Je krijgt antwoord! Houd dan maar aan en grijp maar moed, want die zwijgende Jezus zal spreken, zal wonderen doen.

 

Hij zweeg plaatsvervangend. Ziet u Hem staan? De plaatsvervangende Borg van Zijn kerk. Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes.53:7).

Hij zweeg, omdat Hij al de schuld en al de zonden van Zijn volk op Zich geladen had.

Hij zweeg in het gericht, opdat Hij Zijn kinderen zou vrijmaken van het gericht.

Hij zweeg onder al de beschuldigingen en bespottingen.

Hij heeft ontelbare smaadheden geleden, opdat Zijn kinderen vrijgemaakt zouden worden uit het verderf, opdat zij in het gericht nimmermeer zouden komen.

 

O zie dan, kinderen van God, in deze geboeide Koning, in deze zwijgende Koning: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’

Dan wordt die zwijgende Jezus een wonder, een teken: Hij heeft gezwegen om uw schuldige spreken, om uw schuldige vragen, om uw hardnekkige waaroms te gaan verzoenen in het gericht Gods.

De zwijgende Borg betaalt voor een liegende Jakob, voor een beschuldigende Adam, voor een verloochenende Petrus. Hij betaalt met Zijn zwijgen. O, wat een wonder zien we in die zwijgende Jezus!

 

Hij heeft ook een voorbeeld gegeven, opdat Zijn kinderen zouden zwijgen als ze worden beschuldigd, dat zij zouden zwijgen als ze worden gesmaad, en zo Zijn voetstappen zouden drukken.

Eén in de gelijkmaking van Zijn lijden. Eén zijn met deze zwijgende Christus, als de vijanden je benauwen, als de wereld je bespot, als alles je aanklaagt. We mogen zwijgen als vrucht van deze Jezus, Die zweeg voor koning Heródes.

 

We zingen nu eerst Psalm 69 vers 2:

 

Men telt veeleer de haren van mijn hoofd,
Dan hen, die mij, doch zonder oorzaak, haten;
Men zoekt mijn dood; geen onschuld kan mij baten;
Hen zie ik sterk, maar mij van kracht beroofd.
Men eist van mij, daar ik m’ onschuldig ken,
‘t Geroofde weer; ‘k moet voor voldoening zorgen.
Gij weet, o God, hoever ik strafbaar ben;
U is mijn schuld, mijn dwaasheid, niet verborgen.

 

We gaan nu naar de derde gedachte:

3. De bespotting van Jezus door Heródes

 

Koning Jezus voor koning Heródes. We hebben de blijdschap om Jezus gezien, met de vraag: Waar zul jij blij om zijn vandaag? Is het over lang uw verlangen om deze Jezus te zien, omdat in Hem de zaligheid en de verlossing ligt?

Vervolgens stonden we stil bij het zwijgen van Jezus voor Heródes. In dat plaatsvervangende, borgtochtelijke zwijgen ligt zo’n verborgen geheim. Want door het geloof, uit Jezus bediend, mogen Gods kinderen wel eens zeggen: ‘Doch gij, mijn ziel, het ga zo ’t wil. Stel u gerust, zwijg Gode stil.’

Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petr.2:23).

‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.’ Om nu ook hier Zijn voetstappen te drukken.

 

Tegenover die zwijgende Jezus staat daar voor het paleis van koning Heródes een schreeuwende menigte. Want de schare, de overpriesters en de schriftgeleerden, beschuldigden Hem heftig. Een zwijgende Jezus en een schreeuwende, beschuldigende schare. Daar staan de wereld en de godsdienst tegenover Jezus.

Dan wordt Christus bespot. Heródes begeerde een teken, een wonder. Hij begeerde zich te vermaken om Jezus. Als Hij het dan niet wil en niet doet, dan zal koning Heródes het zelf wel doen. Zijn soldaten, zijn lijfwachten in het paleis, komen en gaan zich vermaken om Jezus.

Er staat: En Heródes met zijn krijgsknechten Hem veracht en bespot hebbende. Verachten, versmaden, niet achten en bespotten. Ze werpen Hem een blinkend kleed om. Een wit en blinkend kleed, dat was een koningskleed. Een koning of iemand die tot een hoog ambt was aangesteld kreeg zo’n kleed, een blinkend kleed. Dat hangen ze Hem om. En dan gaan ze Hem bespotten: ‘Bent U nou een Koning? Dit is een Koning in Zijn blinkende koningskleed!’

 

Jezus wordt bespot in Zijn koninklijk ambt. Hij, Die de eeuwige Koning is, Die zal regeren van zee tot zee, tot aan de einden der aarde, Hij wordt bespot. De geboeide Jezus, een karikatuurkoning…

Dat blinkende spotkleed draagt Hij nu om klederen des heils te gaan verwerven, om de mantel der gerechtigheid voor een naakte zondaar te gaan verdienen. Hij wordt bespot als Koning, opdat Hij ontkroonde koningen zou gaan herstellen naar dat goddelijk beeld.

Wij waren koning, eenmaal in het paradijs, wij stonden als koningen in de staat der rechtheid, maar wij hebben ons koninklijk ambt weggegooid. Wij hebben ons van al die gaven beroofd.

Maar zie nu Jezus! Hij wordt bespot in Zijn blinkende koningskleed, opdat slaven van de zonden, gebonden door de vorst der duisternis, kunnen worden bevrijd en weer hersteld als profeten, priesters en koningen; opdat een volk uit de duisternis zou worden getrokken.

Een koninklijk priesterdom, een verkregen volk zal deze Jezus verwerven in dit blinkende witte kleed, dat wijst op Zijn onschuld, op Zijn heiligheid. Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren (Hebr.7:26). In dat smetteloos witte kleed staat daar Sions Koning, het volmaakte Offerlam. Zie uw Koning!

 

Zo wordt Hij teruggestuurd naar Pilatus. Koning Heródes gaat Hem terugzenden naar Pilatus. Daar gaat Hij door de nauwe straatjes van Jeruzalem, waar in de vroege morgen steeds meer mensen zijn gekomen. Daar gaat Hij in dat spotkleed door Jeruzalem. O, dat heilige Godslam, Hij wordt bespot, gesmaad en veracht. Wij hebben Hem niet geacht.

Maar vrijwillig ondergaat Jezus deze spot. Hij draagt de schuld, de straf en de spot, die Zijn kinderen moeten dragen. De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen, door Zijn bespotting, is er vrede en genade.

 

Hij wordt teruggestuurd naar Pilatus. Lukas schrijft, door de Heilige Geest geïnspireerd: En op die dag werden Heródes en Pilatus vrienden, want ze waren voor die tijd vijanden. Op die dag werden ze vrienden tegen Jezus. De hele wereld is samengebonden tegen Jezus.

Dat zie je ook vandaag in deze wereld. Allerlei machten bundelen zich tegen God, tegen Zijn Gezalfde en tegen de levende kerk. Alles maakt zich op. Eigenlijk zijn het vijanden; ze zijn het niet eens met elkaar. Maar als het gaat om God, om Zijn Woord, om Zijn Zoon, dan worden ze vrienden, dan bundelen ze zich samen. We zien het ook vandaag in deze wereld gebeuren. Wereldse vrienden samen tegen Jezus, tegen God.

 

Nog één ding: Jezus doet wonderen! Weet je welk wonder? Hij maakt van vijanden vrienden. Dat doet Hij ook nog vandaag. Deze Jezus, Die ik u en jullie mag prediken, kan van een vijand van God, van Christus en van Zijn Woord, door Zijn goddelijke genade, door het werk van Zijn Heilige Geest, door Zijn liefde die Hij uitstort in het hart van een vijand, een vriend maken!

Zul je smeken om dat wonder? Zul je vragen om dat teken? Hij wil het werken in het hart van goddeloze vijanden, die van Hem niets willen weten, gevallen adamskinderen, haters van God en van hun naaste. Maar op diezelfde dag maakt Hij ze tot vrienden, vrienden van God, vrienden van Christus. Dan gaan we naar Hem vragen, dan gaan we naar Hem zoeken. Dan worden we verenigd met al degenen die door een waar geloof Christus zijn ingelijfd. ‘Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Uw naam ootmoedig vrezen.’

Hij maakt van vijanden vrienden. Dan zullen ze Hem liefhebben. En dan wordt de gemeenschap der heiligen geboren:

 

Zoete banden die mij binden

Aan des Heeren lieve volk.

Wis, zij zijn mijn hartevrinden,

Hunne taal mijn hartetolk.

 

Ben je een vriend? Of ben je nog een vijand? Val hem te voet om een wonder, vraag Hem om een teken, want dan zal Hij betonen, deze lijdende en bespotte Borg: Ik heb alle macht in de hemel en op aarde, maar ook alle macht over uw en jouw hart. Van vijanden maakt Hij vrienden.

Straks zijn de rollen omgekeerd. Dan gebeurt dit nog een keer. Dan zal koning Heródes staan voor Koning Jezus, maar dan is het andersom. Koning Jezus zal staan in Zijn blinkend kleed van Zijn goddelijke heerlijkheid, op de wolken des hemels, in Zijn majesteit en macht. Dan zal koning Heródes worden opgeroepen voor de rechterstoel van de Overste van de koningen der aarde. Dan zal Koning Jezus spotten met die angstige Heródes. Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt … Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt (Spr.1:24-26). Dan zal Koning Jezus heersen tot in aller eeuwen eeuwigheid.

 

Vandaag is Hij u nog gepredikt als het Lam, als de Redder van verlorenen. Maar straks komt Hij als de Koning der koningen. Daarom: Kust de Zoon opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat (Ps.2:12).

Kinderen van God, zoek het aan de voeten van deze zwijgende Jezus! Zoek het aan Zijn voeten en zie op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God, vanwaar Hij alle dingen regeert, ook over uw en jouw hart.

 

Wat bent u, wat ben jij: een vijand of een vriend?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 45:1

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal ‘t schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;
Is z’ als de pen van een, die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Genâ is op Uw lippen uitgestort,
Dies G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.