Ds. J. IJsselstein - Exodus 14 : 10 - 15

Gods wegen hoger dan onze wegen

Exodus 14
Een doodlopende weg
Een gebaande weg

Exodus 14 : 10 - 15

Exodus 14
10
Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israels hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE.
11
En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt?
12
Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.
13
Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.
14
De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
15
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Exodus 14: 1-22
Psalmen : vrij in te vullen

Gemeente, de tekstwoorden waarvoor ik in deze dienst uw aandacht wil vragen, vindt u in Exodus 14, in het bijzonder in het 10e tot en met het 15e vers. Daar lezen we het Woord van God als volgt:

 

Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israëls hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israëls tot de Heere.

En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt?

Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.

De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

Toen zeide de Heere tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg de kinderen Israëls, dat zij voorttrekken.

 

Het thema van de preek is: Gods wegen hoger dan onze wegen.

 

Er zijn twee aandachtspunten:

1. Een doodlopende weg

2. Een gebaande weg

 

Gemeente, het leven van Gods kinderen wordt vaak gekenmerkt door tegenspoed, door benauwdheid, door zorg. Tegenspoed wat betreft lichaam en gezondheid, benauwdheid in de ziel, en ook zorgen als het gaat om de weg die de Heere in ons leven gaat volgens het plan van Zijn voorzienigheid.

Maar wat geeft het een rijke vrucht als we met al die tegenspoed, benauwdheid en zorg aan de voeten van de Heere terecht mogen komen. Dat kunnen we zelf niet, dat willen we in zulke omstandigheden vaak ook helemaal niet, daar is een daad van God voor nodig. En hoe vaak moeten Gods kinderen achteraf niet erkennen en belijden: ik heb mijn vertrouwen op mensen gesteld. Op prinsen mijn betrouwen gesteld, zoals de psalmdichter zegt. En wat heb ik weinig het oog omhoog geslagen.

En toch, als de Heere die wegen van tegenspoed, benauwdheid en zorg heiligt, dan gaat ons oog niet meer naar al die omstandigheden of naar mensen. Dan zou het Gods volk niet verwonderen als de hemel gesloten zou blijven, en ze geen antwoord van de Heere zouden krijgen. En toch, al die tegenspoed, benauwdheid en zorg drijft hen niet van de Heere af, maar juist steeds meer naar de Heere toe.

We kunnen wel denken dat we zullen verdrinken, maar het water zal nooit over onze lippen gaan. En achteraf zingen we: Het is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest. Wat was het nuttig. Want juist in die armoede van mezelf, en in die afhankelijkheid van de Heere, juist in die weg heeft Christus voor mij zo’n waarde, zo’n betekenis gekregen.

 

We kunnen immers zo leven van de dingen van het verleden. Maar de Heere leidt Zijn kinderen in wegen van druk en moeite, in doodlopende wegen, opdat… opdat er van de mensen niets zou worden, en er alleen eer voor God zou overblijven.

Vandaar ons eerste aandachtspunt:

 

1. Een doodlopende weg

 

De woestijnreis van het volk Israël is een beeld van het leven van Gods kinderen. Een beeld van de lessen die zij leren moeten tussen Egypte en Kanaän.

Door een hoge hand zijn zij uit Egypte gegaan. Ontrukt aan de macht van Farao.

Door wedergeboorte levend gemaakt, ontrukt uit de macht van satan.

Want van nature is ons hart dood. We zitten wel in de kerk, maar diep in ons hart zijn we net als Farao en zeggen we: ‘Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou?’

We zijn van nature vijanden van God! Totdat God ingrijpt. Vrij, eenzijdig! Totdat God, naar Zijn Goddelijk welbehagen, in het uur van de bekering ons rukt uit de macht van de dood, uit de greep van de satan.

We zouden nooit zelf Egypte verlaten hebben, maar dat ingrijpen van God is vrij en niet tegen te staan.

 

En nu is de reis van Egypte naar Kanaän niet anders dan een beeld van de leerschool van God de Heilige Geest, de school waar mensen nooit uitgeleerd raken. We willen wel graag leermeester worden, maar we blijven leerling.

Op die leerschool gaat de Heilige Geest in hen, die afgesneden zijn uit Adam en die ingelijfd zijn in Christus, Christus en al Zijn weldaden deelachtig maken.

Het is een leerschool, een school in het bijzonder van gebed. Het is de school van de Geest der genade en der gebeden.

Wat kunnen de gebeden van Gods kinderen op een laag pitje staan. Niet zozeer de gewone, dagelijkse gebeden, aan tafel, in ons gezin. Maar dat verborgen gebed, dat piepen als een zwaluw, dat smeken en roepen als een zondaar voor God. Ik wil mijn misdaân die U tergen, niet verbergen, daar Gij alles ziet en weet. Doorgrond en ken mijn hart, o Heer’.

Maar de Heere Zelf leert Zijn kinderen die afhankelijkheid, en wekt hen dagelijks op tot gebed.

En de weg waarin Hij hen leert bidden, waarin Hij hen leert zien op Hem (Die in zware strijd zijnde, te ernstiger bad), die weg zien we hier in onze tekst.

God had na de uittocht uit Egypte de leiding van het volk Israël in handen genomen. De wolk- en vuurkolom wees hen de weg. Mozes had een reisplan uitgestippeld: kort en snel naar Kanaän.

Nog een dag of tien, en dan zijn we thuis!

Maar God… (staat er in hoofdstuk 13 vers 18) leidde het volk om, langs de weg van de woestijn der Schelfzee. God haalt een streep door het reisplan.

Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn der Schelfzee en zij reisden uit Sukkoth en zij legerden zich, dat wil zeggen: zij sloegen hun tenten op, in Etham. Niet de kortste weg, maar de langste weg.

Zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn. Etham, het einde van de woestijn, dat wil zeggen: daar houdt het vruchtbare land op. Voor hen ligt de woestijn, de wildernis van de woestijn Sinai.

Mozes had de leiding, maar nu neemt de Heere Zelf de leiding. Hij Zelf gaat voorop, overdag met de wolkkolom, in de nacht met een vuurkolom.

 

En dan volgt hoofdstuk 14 vers 2:

Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-Hachirôth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-Zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee. Zeg tegen het volk dat zij wederkeren… Niet de kortste weg, niet alleen een omweg, maar terug!

Jongens en meisjes, wie vlucht, wil weg! Zo snel mogelijk! Weg van de vijand! Hoe eerder in Kanaän, hoe beter! Want stel je voor dat Farao hen achtervolgen gaat!

En nu…? Niet de kortste weg, niet alleen een omweg, maar de weg terug. En dan ook nog op een schijnbaar doodlopende weg!

 

Wat is de Heere wijs.

Wat zou er gebeurd zijn met u, als u die ziekte niet gekregen had?

Wat zou er met u gebeurd zijn, als die ander u niet zo vreselijk benadeeld had?

Wat zou er van u geworden zijn, als u de eerste keer direct als ambtsdrager gekozen was?

Wat was er van je terechtgekomen als die verkering van toen was aangebleven?

Als uw plannen, als jouw plannen waren doorgegaan…?

Wat was er van jou, van u terechtgekomen zonder al die moeilijke wegen, die omwegen, die doodlopende wegen?

Wat zou er van Israël terechtgekomen zijn als hun reisplan doorgegaan was? Ze zouden de Filistijnen ontmoet hebben…! Ze zouden regelrecht en onbewapend in de handen van de vijand gevallen zijn.

Maar nu, nu worden ze omgeleid. Ze worden eerst geoefend in doodlopende wegen. Ze worden eerst geoefend in het woestijnleven. Straks moeten ze eerst de lessen leren van de Sinaï, van de tabernakel, van de offers, de lessen van het bloed, van het bloed der verzoening.

 

De Heere weet wat Hij doet! Dat is geen vrijbrief voor mensen om maar te doen en te laten met anderen wat zij willen. Immers, de Heere ziet en weet alles

Maar het is wel de troostrijke wetenschap van de Zijnen. Hun weg wordt in wijsheid geleid. En God weet veel beter dan ik en u, wat goed voor ons is.

En weet u wat het wonder is? De Heere zegt ook waarom Hij het doet. Leest u maar mee in vers 4: En Ik zal Farao’s hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten dat Ik de Heere ben.

De Egyptenaars zullen weten, zegt God, dat Ik de Heere ben.

Die omweg zal bekend worden. De mensen zullen het horen, ze zullen het zien. Waarom? Opdat God verheerlijkt zal worden, en de Egyptenaars zullen weten dat Hij de getrouwe Verbondsgod is van Zijn volk Israël.

 

Moet dat ons, kinderen van God, niet mild stemmen in een weg van beproeving? Zullen we dan maar niet buigen?

Want dit is het doel van de Heere: Ik zal verheerlijkt worden, en de mensen zullen weten dat Ik de Heere ben!

We kunnen zo worstelen onder ons lot, we kunnen zo vechten tegen ons deel. Maar dit is geschreven, ons tot voorbeeld, wat staat in vers 4:

En zij deden alzo…

Alles lijkt in het slop gekomen. God heeft weliswaar Zijn wijze bedoelingen, maar voor het volk Israël is het een groot geheim!

 

Ziet u ze gaan? Heel langzaam trekt de stoet naar het zuiden, in de richting van het land van Egypte. Bijna twee miljoen mensen, in vijf grote groepen.

Totdat de weg nauwer wordt….

Rechts (kijk eens, jongens en meisjes), rechts bergen…

Links, de zee…

En kijk eens, daar... in de verte. Die bergen neigen langzaam naar de zee… De weg loopt dood.

Tussen Migdol en de zee, staat er in vers 2.

Rechts (kijk!), een burcht, een kasteel met heel veel Egyptische soldaten.

En links (kijk!) de zee.

Tegenover Baäl-Zefon. Tegenover die afgod, die erop toeziet dat iedere slaaf die vlucht in de zee zal verdrinken… Iedere slaaf die vlucht… Vluchtende slaven, dat zijn zij…

Hun lot schijnt bezegeld. Een doodlopende weg!

Voor (kijk eens…), voor de zee! Woeste golven!

En achter… achter Farao. Farao, een beeld van satan, die geen middel onbeproefd laat om Gods kinderen, juist dan, te benauwen. Leest u maar mee vanaf vers 5:

Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?

En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich.

En hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen.

Want de Heere verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls najaagde; doch de kinderen Israëls waren door een hoge hand uitgegaan.

En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachirôth, voor Baäl-Zefon.

Gods kinderen weten de bedoelingen van de Heere vaak niet, als Hij hen in engten brengt. Als alles vastloopt.

Dan kan het lijken dat alles uitloopt op een eeuwige mislukking.

En de satan slaat ons en zegt: ‘Jij? Je hebt geen heil bij God!’

En ons hart klaagt: Zou er wel wetenschap zijn bij de Allerhoogste? Zal Hij van mijn bittere rampen wel kennis dragen?

Wie is nu God?

Is het de God van Israël, die ons geroepen heeft uit Egypte? Of is Baäl-Zefon God?

Wie is God?

Zijn dat de hindoegoden en boeddha’s van Indonesië? Of is het de God van Israël?

 

En dan volgt vers 9:

En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baäl-Zefon.

Farao, weet wat je doet! De Heere heeft gesproken. Je hebt het gehoord. Je weet ervan! Ga je willens en wetens dan toch op pad…? Misschien heeft zijn vrouw nog gezegd: ‘Joh, het heeft ons onze zoon gekost, straks kom jij ook niet meer thuis… Zou je niet hier blijven?’ Maar nee, hij gaat!

 

Kijk, daar gaan ze. In vliegende vaart! Farao en al zijn wagens!

Niemand blijft thuis.

Kijk…! Wat is dat? Kijk, dat stof daar! Die wolk stof…!

Farao! O, nee…! Farao…!

Daar is Farao! En daar de bergen… en daar de zee…!

En…. waar is God…?

 

Zong u niet, toen alles nog voor de wind ging: Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht…?

En kijk nu eens eerlijk in uw hart…

En hoor eens hoe de Israëlieten schreeuwen tot God. Zonder geloof en vol verwijt. Kijk maar in vers 11 en 12:

En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt?

Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

Hebben we het niet gezegd, Mozes? Had ons daar gelaten! We hadden het goed. Dit wordt onze dood! Deze Farao zal ons niet sparen.

 

Ze schreeuwen, ze gaan tekeer.

Hoeveel wonderen hadden ze niet gezien in de afgelopen tijd? Ondenkbare daden van de Heere, hun God. Al de plagen in Egypte, kort geleden het pascha gegeten, de uittocht uit Egypte, geleid door een machtige hand, de weg gewezen door een wolkkolom en vuurkolom… En nu? Wat is er van over…? Niets!

U zegt: ‘Het zijn vast alleen de onbekeerden geweest, die zo geschreeuwd hebben…’

Maar kijk eens in vers 11: En zij zeiden tot Mozes. Zij, allemaal. Ook Gods kinderen. Ook wij moeten ons hierbij scharen. Is dat ook niet een les? Een les op de leerschool van het gebed? Dat we zoveel kwalijk bidden, zonder geloof, en vol verwijt? Heere, waarom doet U dat zo?

 

En… hoe is het ondertussen met Mozes? Hij zegt het wel in vers 13 en 14:

Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.

De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

En hij weet waarom de Heere dit alles doet… Maar toch, ook in zijn hart is bange vrees.

Immers, in vers 15 staat:

Toen zeide de Heere tot Mozes: Wat roept gij tot Mij?

Bange vrees, en toch… tegelijkertijd (zo staat in de Hebreeënbrief) hield Hij zich vast als ziende de Onzienlijke. Hij werd niet gezien door Farao, niet gezien door zijn broeders. Maar hij hield zich door genade vast als ziende de onzienlijke God!

 

Wat is de boodschap des Heeren, op deze dag? Alles is anders gelopen dan gedacht. Alles is vastgelopen! U ziet geen uitweg…

Dit is de boodschap des Heeren op zulk een dag:

Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.

De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

 

Gij zult stil zijn. Afwachten? Armen over elkaar? We zullen wel zien… Hoe geneigd zijn we om dat te zeggen…

Maar dat is niet dit ‘stil zijn’. Dit stil zijn is ook een les die de Heere Zijn kinderen leert. Stil zijn, dat wil zeggen: steunen op Gods eigen Woord.

U hebt het toch gezegd, Heere? O, doe dan toch wat U gezegd hebt?

Stil zijn, in moeilijke omstandigheden, in bange zielenood… Daar is geen mens toe in staat! Wij springen op. Fel zijn we. Tegen Mozes. We zouden die man wel bij zijn keel willen grijpen!

Maar deze gestalte van het hart is werkelijk een Godsgeschenk: stil zijn en wachten en zien wat de Heere zal doen. Aan Zijn volk, aan de Egyptenaren, en dat vanwege de eer van Zijn Naam.

 

Gods kinderen, ook de hoogst beweldadigden, die kort tevoren pilaren leken, rotsen in de branding, blijken in beproeving slechts leerlingen te zijn op Christus’ school.

Het kan dat een dominee zijn gemeente bemoedigt, net als Mozes dat deed, maar dat het ondertussen in zijn hart stormt. Het kan zijn dat hij ambtelijk bemoedigt, maar dat het in zijn hart van binnen roept: Zou God Zijn genâ vergeten, nooit meer van ontferming weten…?

Waarom? Opdat we allemaal in de onmogelijkheid terecht zouden komen…!

In de onmogelijkheid. Voor een kolkende zee.

Een zee van tijdelijke nood. Van ziekte, van ruzie, van werkeloosheid, van tegenslag. Een zee van verdachtmaking en geweld.

Voor een kolkende zee.

Een zee van zonde en schuld. Heere, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. Gedenk toch niet aan de zonde van mijn jeugd.

 

We lopen vast. Uitgeleid uit Egypte, een beginsel van genade door God gelegd in ons hart, geleid door een wolk- en vuurkolom, maar dan… gebracht in de engte. Voor de zee...

De zee… Een beeld van Gods oneindige toorn. Van de toorn waarin wij rechtvaardig moeten verdrinken. Als we zien dat we zo, zoals we zijn, niet geschapen zijn. We zijn moedwillig gevallen. We hebben het verbond verbroken. We hebben de dood verdiend.

Oog in oog met de zee van het recht van God. In alles tekort en verloren.

Daar wordt het in het leven van Gods kinderen een verloren zaak, opdat zij overal buiten zouden vallen.

Mozes vreest. Mozes roept.

Tegenspoed wordt in ons leven geheiligd, als de Heere erin meekomt. Als het ons brengt aan Zijn voeten!

En, als het zover komt, dan mogen Gods kinderen hopen, en mogen alle vijanden vrezen!

 

Want wat is het antwoord van de Heere? Het staat in vers 15:

Toen zeide de Heere tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken.

Denkt u, Mozes, dat het verloren is? Denk je dat Ik er niet van af weet? Denk je, Mozes, dat Ik me vergist heb?

Mozes, en ook Gods kinderen onder dit volk van Israël, ze worden geleid in engten, opdat… opdat ze roepen zouden! Dat gebed, dat roepen, wordt door God Zelf in het hart gewerkt. Hoe? Als we oog in oog komen te staan met de zee: God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede.

Door welke weg wordt dat bidden, dat roepen gewerkt in het hart? Door een weg van verlies. In die weg wil God Zijn Christus verheerlijken. Niet om ons gebed, maar wel door de weg van dat gebed!

 

En de Heere hoort zo graag dat roepen! Dat geroep uit het hart van Zijn kinderen. Dat roepen uit hun nood om verlossing!

Opdat Hij eer zou ontvangen. Opdat Hij de eer zou ontvangen, als Hij een pad gaat banen! Als Hij Zelf licht laat vallen op Hem, Die dwars door de diepste zee van Gods toorn een pad wilde banen.

God baande door de woeste baren en brede stromen ons een pad.

 

Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

 

2. Een gebaande weg

 

Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken!

Maar… ze kunnen niet voortrekken! Niet naar links, niet naar rechts, niet vooruit, niet… Het is stilstaan of vallen in de handen van de Egyptenaren.

Juichend zijn ze uit Egypte gegaan. Over een dag of tien zijn we thuis, in Kanaän! Beladen met goud en zilver! Voorwaarts!

Maar nu…? Voorttrekken…? Maar… er is toch geen weg vooruit?

Moeten we niet teruggaan? Er zijn er vast die het gefluisterd hebben: laten we teruggaan, laten we ons overgeven aan Farao!

Maar nee!

Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken!

Rechts bergen. Links de zee. Achter Farao, de vriendschap van de wereld, de dood. En voor: geen weg! Althans… geen weg die wij met ons verduisterde verstand zouden kunnen bedenken of banen.

 

Gelukkig als de Heere ons geen rust gunt, met alles wat wij met ons meedragen. Met alles buiten Christus.

Hij neemt het ons af. We verliezen het allemaal. Zo wil God vanuit de diepten van onze nood onze ogen omhoog richten! In die weg wil Hij ons onze armoede en ellende grondig leren kennen. En terwijl Hij in gunst het oog van Zijn benauwde kinderen omhoog richt, leert Hij hen roepen: Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp!

 

Waarom toch zo’n zware weg? Waarom zoveel moeite en strijd?

Er is maar één doel: Ik, zegt God, Ik zal verheerlijkt worden!

Laat ons, Heere, in die weg dan maar bukken voor U. Als U maar aan Uw eer komt!

 

En dan volgt vers 19:

En de Engel Gods, Die voor het heir van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.

De Engel des Heeren vertrekt! Wat een schrik! Deze Engel des Heeren, de Christus Gods, de vlam van de braambos, de Zone Gods vertrekt! Alsof Hij hen verlaat! Wat een schrik!

Maar kijk! O, wat een wonder, wat een troost. Hij gaat achter hen staan! En van achter hen laat Hij licht Zijn vallen op dat nooit ontdekte spoor. Op dat pad dat de Heere Zelf baant op de bodem van de zee!

Donker wordt het, stikdonker in het leven van de Egyptenaren. Zij hadden de heerlijkheid van God niet op het oog, alleen de heerlijkheid van hun eigen koninkrijk.

Maar voor de Israëlieten schijnt licht. Licht op het pad dat de Heere Zelf gaat banen!

En terwijl het buiten aardedonker is in de wildernis van de woestijn, ligt voor hen een helder pad! God baande door de woeste baren en brede stromen hen een pad. En het vriendelijk licht van Gods aanschijn schijnt op hun pad…

 

Wat een wonder, als de Heere in het leven van Zijn kinderen voor het eerst licht laat vallen op dit pad… Een weg door de zee… Gebaand door Hem, Die daar ook Zelf Zijn licht op laat schijnen.

In de onmogelijkheid, valt licht op een geopende weg! Op de weg die Christus gebaand heeft, op de weg die Hij gebaand heeft door Zijn bloed.

Christus is ondergegaan in de diepste zee van Gods toorn, om voor een wederhorig kroost een pad te banen!

‘Heere, het zou terecht zijn, als ik zou verdrinken. Als ik vallen zou in de handen van Farao. Maar… wat zult U dan doen met Uw grote Naam?’

Een pad geopend, daar waar geen pad was. Toen alle hoop mij gans ontviel, en niemand zorgde voor mijn ziel, toen hebt U, o God, een pad gebaand.

 

Kinderen van God, moeten we niet vaak door eigen schuld de oefeningen in het geloof missen? De vorderingen op de levensweg? Omdat we de Heere zo aan Zijn plaats laten, en steunen op gebroken bakken die geen water houden? De Heere heeft het toch niet verdiend om vergeten te worden? Hij Die in het verleden een pad baande, wil ook nu een weg banen waar geen weg is!

In tegenspoed en zorg heft Hij uw oog omhoog.

In de schuld die wij dagelijks meerder maken, wil Hij ons oog richten op de meerdere Mozes!

Op Hem, Die inging in de diepste zee van Gods toorn. Hij is ondergegaan onder de vloed van Gods toorn, maar Hij bleef staande, en heeft een weg gebaand, voor mensen die geen weg meer zien!

Konden we maar meer op de Heere vertrouwen. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, alzo ontfermt Zich de Heere over degenen die Hem vrezen. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, door rivieren, zij zullen u niet overstromen.

 

Mozes strekt zijn hand uit over de zee, en er wordt een pad gebaand.

En dan… dan komt langzaam die hele stoet in beweging. Sommigen in geloof, anderen in ongeloof. Links en rechts rijzen muren van water omhoog. Zo gaan ze op pad, helder verlicht door het licht dat God Zelf laat schijnen op Zijn pad.

 

En dan… dan nog een laatste beproeving… Als de dag begint te lichten ziet Farao wat er gebeurd is!

De paarden krijgen bevelen! De wagens schieten vooruit!

Zouden sommigen niet bang achterom gekeken hebben, ondanks de grote daden van de Heere? Wat zou u gedacht hebben…?

Wat is het geloof van Gods kinderen vaak klein, als hun weg door diepten gaat. Maar de Heere bekroont het geloof, dat beoefend wordt in de weg van stille gehoorzaamheid, als het wandelt tussen muren van water. En niet één van Gods kinderen zal omkomen. Hoe zwaar de bestrijding ook is, hoe zwaar de mokerslagen van satan, hoe veel ongeloof en twijfel er ook is in hun hart. God staat in voor de zielen van Zijn kinderen.

Want… Zijn eer is er mee gemoeid!

Daarom komt geen kind of knecht van God ooit bedrogen met Hem uit!

Grijp daarom moed, bestreden zielen, daar is een overkant. En op Gods tijd zult u vaste grond onder de voeten verkrijgen!

Hoe verwonderd zullen we dan zijn, om zoveel goede zorg en wonderlijke leiding van de Heere.

Hoe beschaamd zullen we dan zijn, om zoveel angst en paniek, om zoveel schelden op Mozes.

Hoe verblijd zullen we dan zingen: wat zal ik de Heere toch vergelden, voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?

 

Bedenk ondertussen, gemeente, dat velen door de Rode Zee gegaan zijn, die in hun hart toch vreemd waren aan het werk van Gods Geest. Ze waren alleen meelopers. Maar ze zijn niet door het geloof door de Rode Zee gegaan.

Het gaat erom of u in Christus geborgen bent.

Of u alles hebt leren verliezen, op een doodlopende weg.

Of de Heere Zelf Zijn licht heeft laten schijnen op dit pad, dat door Christus is gebaand, dwars door de woeste golven van Gods toorn heen.

Is het ooit vastgelopen in uw leven?

Zoals in het leven van Manasse, toen het benauwd werd in zijn ziel?

Zoals in het leven van Saulus, die uitriep: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?

Zoals in het leven van de stokbewaarder, die riep: Wat moet ik doen?

Zoals in het leven van de tollenaar, die riep: O God, wees mij, zondaar, genadig!

 

Of… of hoort u bij Farao?

U benauwt het volk van God. U luistert niet naar al die roepstemmen.

En ondertussen denkt u een goed excuus gevonden te hebben. Het viel u op, ja, ik zag het ook, er staat van Farao: De Heere verstokte zijn hart... Zie je wel, dacht u, hij kon er ook niets aan doen. Kan ik er iets aan doen?

Beste vrienden, denkt u dat Farao, terwijl zijn strijdwagen zinkt, en de golven over hem heenspoelen, terwijl het verstikkende water in zijn keel gutst en hem de laatste adem uit de longen perst… denkt u dat Farao toen, na alle roepstemmen, na alle ernstige waarschuwingen, nog de moed heeft gehad om te zeggen: Heere, waarom? Nee… Hij verstomde.

En zo zult u ook verstommen in het Goddelijke gericht, als u doorgaat met te denken en te zeggen: Kan ik er iets aan doen?

Wees gewaarschuwd, lieve vrienden! Laat u met God verzoenen eer het te laat is, en u met Farao gestort zult worden in de zee van Gods ondraaglijke toorn!

Val de Heere toch heden te voet!

 

Of staat u voor de zee? Werkelijk. Niet als die talloze meelopers, maar als een arme zondaar, die niet in de eerste plaats zegt: ‘Hoe kom ik hierdoor?’, maar: ‘Hoe komt God aan Zijn eer?’

Geen weg, en een zee van schuld.

Hoor, er klinkt een stem: Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken! Wat voor ons onmogelijk is, is mogelijk bij God. De meerdere Mozes baande een weg!

Ging Hij niet, volk van God, voor u door de zee?

Baande Hij niet een pad voor u, door het bittere lijden van Zijn ziel?

Hij heft Zijn staf omhoog, Hij baant een weg waar geen weg is. Hij leidt door diepten, ja dat wel, door diepten, maar tot de eeuwige verlossing. Opdat een ieder zal weten dat Hij Heere is, een Koning over de hele aarde.

Hij blijft Dezelfde. Al woeden hevige stormen, al kruist straks de dood ons levenspad. Als Hij Zijn staf opheft, zal Hij Zijn kinderen leiden door de zee, naar het land waarvan geldt: de zee was niet meer!

Dan is de leerschool doorlopen, de weg van lijden, van tranen, van onmogelijkheid, de weg van schande. Loopt die weg dan maar gewillig, ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Die om de vreugde Hem voorgesteld, het kruis heeft verdragen, en de schande veracht.

 

Straks is alles voorbij: Dan zijn er geen tranen, geen slagen meer. Dan is er geen schuld, geen zonde meer. Dan zijn we voor altijd verlost van dit lichaam der zonde en des doods, waaronder wij nu nog zuchten: Ik, ellendig mens. Dan is het pad gelopen, het pad waarop Hij, in de benauwdste ogenblikken, Zijn licht liet schijnen en ons vriendelijk en vaderlijk bij de hand nam. Dan zetten we onze voetstap op de vaste grond van de overkant, Dan zijn we thuis.

Dan zullen we eeuwig zingen. We zullen staan naast de zangers, die staan aan de glazen zee. Helder als kristal. Dan zullen we, vol verwondering, verbazing, vreugde en verrukking blikken in die zee. In die peilloos diepe zee.

We zullen blikken in de diepste zee van Gods onbegrijpelijke liefde, van de liefde van Zijn eeuwig welbehagen.

Ons gezang, aan de oever van die zee, zal nooit meer verstommen. Dit zullen we zingen, voor altijd:

Het was door U, ja door U alleen, om het eeuwig welbehagen!

 

Zo dan, geliefden, vertroost elkander met deze woorden.

 

Amen.