Ds. J. IJsselstein - Genesis 19 : 26

Gedenkt aan de vrouw van Lot

Genesis 19
Gevlucht uit Sodom
Gekomen tot aan Zoar

Genesis 19 : 26

Genesis 19
26
En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Genesis 19: 1-26
Psalmen : vrij in te vullen

Gemeente, het Woord van de levende God komt in deze dienst tot u vanuit het Schriftgedeelte dat u voorgelezen is. Het is mijn hartelijke wens en ernstige bede of God dit Woord wil gebruiken om alarm te slaan in het leven van onbekeerden en om ontwaakte zondaars heen te drijven tot Christus.

 

De tekst kunt u vinden in Genesis 19 vers 26:

 

En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.

 

Het thema voor deze dienst luidt: Gedenkt aan de vrouw van Lot.

Of: Een ernstige waarschuwing aan het adres van onbekeerden.

 

Er zijn twee aandachtspunten:

1. Gevlucht uit Sodom

2. Gekomen tot aan Zoar

 

1. Gevlucht uit Sodom

 

Langzaam wordt het licht. De sterren die aan de donkere hemel twinkelen verbleken. Langzaam begint de ochtend te gloren.

Ziet u ze daar staan? Het begint net iets te lichten. We kunnen hun gestalten nog nauwelijks ontwaren: drie mannen, Lot, zijn twee dochters en zijn vrouw. De vrouw van Lot…

Huiveringwekkend was de nacht waaraan ze terugdenkt. Ze herinnert het zich nog levendig. Twee van de drie mannen die Abraham bezochten, bracht Lot mee naar huis om te overnachten. En toen kwam die wilde en woeste menigte, van jong tot oud, die met geweld die mannen eisten. Geef hier die mannen, we willen ze onteren!

Seksuele losbandigheid en homoseksualiteit, het waren de zonden waaraan de mannen van Sodom zich overgaven.

Lot had het geprobeerd te voorkomen. Bijna had hij zijn dochters overgeleverd aan die beluste meute die zich rond het huis verzameld had. Maar plots waren daar de handen van die twee mannen, die hem naar binnen trokken.

De mannen rond het huis werden geslagen met verblindheid. Ze konden de deur niet meer vinden van het huis, en zijn langzaam afgedropen.

Zo in een moment gaan alle herinneringen van de afgelopen nacht weer aan haar gezicht voorbij.

Toen dat gesprek in huis met die mannen, die zeiden dat ze de stad zouden gaan verderven. Want, zeiden ze: haar geroep is groot geworden voor het aangezicht des Heeren.

Nog even was Lot van huis gegaan om zijn aanstaande schoonzoons te waarschuwen, maar ze hadden hem uitgelachen!

Hoe snel was die nacht voorbijgegaan. Die mannen hadden haast. Maar hoe kon ze alles achterlaten? Hier? Haar mooie huis, de weelde, alles wat de stad te bieden had? Hoe blij was ze geweest toen ze haar tent verruilen kon voor dit prachtige huis, en nu vertrekken? Zo hals over de kop!?

Maar nog voelt ze de siddering die door haar heen ging, toen ze de krachtige hand voelde van een van die mannen, die ongetwijfeld boodschappers moesten zijn van God.

Zijn hand had haar meegetrokken. Haar en haar man Lot en achter hen de andere man met hun twee dochters.

 

En nu staan ze daar, bij de poort van de stad. Langzaam wordt het licht...

Ze ruikt de frisse ochtendlucht… De nog wat kille ochtendnevel trekt langzaam op...

Wat een schitterend landschap. Als de hof des Heeren, staat er in Genesis 13, als de hof van Eden. Prachtig! Een lust voor het oog.

Daar de stad, nog in alle vroegte, iedereen slaapt nog.

En kijk eens, die vallei daaromheen: als het paradijs, als het prachtige landschap van Egypte.

De vrouw van Lot, ze staat klaar, om te vluchten.

Uit Sodom. Sodom, die goddeloze stad, die een beeld is van het leven in de zonde.

Daar staat ze. Alles wat ze gisteren heeft gehoord heeft haar zeer verontrust.

De stad, die prachtige stad, zal omgekeerd worden!

Wie zou niet beven bij zo’n bericht?

Wie zou, ondanks dat er zoveel moois in deze stad te vinden en te beleven is, niet vluchten bij zo’n boodschap?

 

De vrouw van Lot. Ziet u haar staan? Ze trilt nog, van de hand van de engel, die haar zojuist heeft losgelaten.

Ze is toch anders dan de anderen.

Ze is niet zoals de mensen van Sodom. Verschrikkelijk vond ze het, wat er gisteren gebeurde. Zo onbeschaamd waren die mensen van Sodom in het uitspreken en uitleven van de zonde.

Nu slapen ze. Luister maar… Boven die stad hangt nog steeds de ademloze stilte van de vroege ochtend…

Het is gisteren laat geworden, misschien slapen ze wel uit...

Ze slapen in dodelijk gevaar, want hun stad zal omgekeerd worden.

Maar toch is alles in diepe rust.

 

Is dit niet het beeld van u of van jou, die vanmorgen zo’n moeite had om uit bed te komen, omdat het gisteren zo laat geworden is? Het werd zo laat omdat u wilde genieten van de dingen van deze tijd, die voorbijgaan.

Eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen… sterven wij.

Ja, dat eerste hebt u gedaan (misschien wel veel te veel gedronken), maar aan dat tweede hebt u niet gedacht. Want u bent gaan slapen.

Terwijl de vrouw van Lot met de anderen staat in de poort van de stad om te vluchten,

slaapt u! U slaapt uit in een stad die over een uur prijsgegeven zal worden aan vuur en zwavel dat uit de hemel regenen zal.

O, zie toch uw levensgevaar. U die nu wel hier zit, in een net pak en met een eerlijk gezicht, maar die verborgen voor het oog van mensen leeft in de zonde, net als de inwoners van Sodom: in de zonden van overspel, vloeken, drinken, liegen, stelen. In de zonde van het ontheiligen van de zondag. In het dienen van de afgoden van deze wereld.

U slaapt, terwijl de donkere wolken van Gods oordelen zich samenpakken boven uw hoofd. Maar u ziet het niet. U merkt het niet. Uw rust is een dodelijke rust.

O, word toch wakker uit uw dodelijke slaap, voordat het te laat is!

Vlucht uit Sodom, behoud u om uws levens wil!

 

De vrouw van Lot. Ze is niet als de mensen in Sodom. Ze is ook niet zoals haar aanstaande schoonzoons. Toen Lot hen gisteren nog wilde waarschuwen, werd hij uitgelachen.

Ze hebben hem bespottelijk gemaakt! Hij was in hun ogen als jokkende. Ze geloofden er niets van en hebben hem belachelijk gemaakt.

Misschien is dat wel uw beeld. Hij was in hun ogen als jokkende.

Het Woord van God heeft u aangespoord om uw zonden te laten en te belijden: Erken uw ongerechtigheid, dat u tegen de Heere uw God hebt overtreden.

U is vergeving voorgehouden door het bloed van Christus:

Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Het is u dringend aangeraden de toekomende toorn te ontvluchten: Vliedt de toekomende toorn! Maar… u haalt uw schouders op. U lacht erom. ’t Zal zo’n vaart niet lopen, toch?

Nog tijd genoeg. Mijn tijd komt wel.

Het is wel eerlijk van u, dat u zegt waar het op staat, maar uw eerlijkheid veroordeelt u tegelijkertijd. O, waarom veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij u toorn als een schat, in de dag des toorns, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, Welke een ieder vergelden zal naar zijn werken.

U die openlijk de boodschap van God veracht, zie toch uw dodelijke gevaar! O, ontwaak toch uit uw dodelijke rust!

Vlucht uit Sodom, behoud u om uws levens wil!

 

Misschien is het anders bij u, zoals met de meesten die in de kerk zitten. Of de voorganger nu vriendelijk nodigt of scherp veroordeelt, of hij nu spreekt over genade en vergeving of over recht en oordeel, u zult hem niet afwijzen. U spreekt hem niet tegen, u weet wel beter.

Maar ondertussen… zit u onbewogen in de kerk. De wind waait over, of het een zachte oostenwind is, of een stormachtige noordenwind, en… u laat het maar waaien. Maar in uw hart blijft het bladstil…

U stemt wel in met het Woord, natuurlijk. Het is de waarheid, u wilt die nog wel verdedigen ook, en wee als iemand een verkeerd accent legt, dan weet u beter dan wie ook hoe de waarheid vertolkt moet worden. Dan bent u de eerste die aan de bel trekt. U kent het Woord van God wel, maar… het raakt u niet.

U hoort woorden van genade, maar uw hart raakt niet aangedaan.

U hoort woorden van dreiging en veroordeling, maar u beeft niet.

Omdat… omdat uw hart dood is.

U voelt het niet, omdat… u dood bent in zonden en misdaden.

Ook dat weet u, en u stemt het in. Alsof u slachtoffer bent!

Ik ben dood, ik kan er allemaal niets aan doen. Daarom gaan al die woorden over me heen, ze raken me niet.

 

Vergis u niet, u die uw dood ziet als een goed excuus om het woord der zaligheid te verachten. Want uw dood, uw blindheid, uw doofheid, uw vijandschap, ze zijn allemaal het gevolg van uw eigen zonde.

U bent geen slachtoffer, u bent een misdadiger.

U bent van nature een opstandeling tegen God, en daarom schudt u al die woorden van God van u af. God is ook in uw ogen als jokkende. U gelooft Hem niet. Nee, u lacht Hem niet zichtbaar uit, maar diep in uw hart wel.

 

- Komen als een zondaar? Ja, maar ik ben toch dood, hoe kunt U het van me vragen!?

- Misschien wel vandaag moeten verschijnen voor de rechterstoel? Ach, ja dat kan wel, maar het zal toch wel loslopen, die kans is wel erg klein!

- Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan u, dan u die de weg geweten hebt, en niet hebt willen bewandelen? Ach, maar de Heere zal er toch wel rekening mee houden dat we er niets aan konden doen, dat we ons best hebben gedaan? Waren we niet een stuk beter dan de mensen die niet naar de kerk gingen?

- Ik zeg u dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in de dag des oordeels dan u. Maar de Heere ziet toch dat wij zo slecht niet zijn als de inwoners van Sodom? Dat zal onze straf toch wel verzachten?

 

Hij is in uw oren, nette kerkgangers, als jokkende.

O vergis u toch niet. U die de woorden van God met een onverschillige glimlach weglacht, of met een vroom excuus naast u neerlegt en van u afschudt, zoals u het stof van uw pak afschudt. U bent als de aanstaande schoonzoons van Lot.

Van nature behoren we allemaal tot de inwoners van Sodom, tot de stamgasten van de stad Verderf.

Als we nooit in ons leven, deze stad in grote onrust zijn ontvlucht, dan is dat ons thuis!

Zie toch uw gevaar. De schoonzoons van Lot, ongetwijfeld nette jongens, ze zijn voor eeuwig omgekomen. O ontwaak toch uit uw dodelijke rust!

Vlucht uit Sodom, behoud u om uws levens wil!

 

U, die nooit in grote onrust de stad Sodom bent ontvlucht, u bent zonder twijfel erger dan de vrouw van Lot. Want ondanks al haar aarzeling heeft ze zich mee laten nemen om de stad te ontvluchten, maar u bent achtergebleven, slapend in dodelijke rust.

In de rust van uw excuses, in de slaap van uw ijver en liefde voor de waarheid. Of in de slaap van uw kerkelijke activisme, maar… in slaap.

U slaapt zonder te geloven dat uw leven op het punt staat omgekeerd te worden.

U denkt dat God u zal sparen om uw goede inzet, om uw netheid en omdat u denkt beter te zijn dan al die andere inwoners van Sodom, maar het is een illusie! Het is een droom!

Goed doet geen nut in de dag der verbolgenheid. Alleen gerechtigheid redt van de dood.

Uw bekendheid met de wet en uw leven onder het evangelie zal uw straf vele malen verzwaren en uw duisternis maken tot een buitenste duisternis.

O ontwaak toch uit uw dodelijke rust!

Vlucht uit Sodom, behoud u om uws levens wil!

 

Wie is eigenlijk die vrouw die daar in de vroege ochtend buiten de stadsdeuren van Sodom staat? We weten maar weinig van haar. Als Lot met Abraham meegaat uit Ur der Chaldeeën wordt ze nog niet genoemd. Ook niet als hij uit Haran vertrekt in de richting van Kanaän.

Als Abraham en Lot het land verdelen en Lot kiest voor de vlakte van Sodom, wordt zijn vrouw niet genoemd.

Als de steden Sodom en Gomorra overvallen worden door de vier koningen en ook Lot wordt meegenomen, dán lezen we voor het eerst iets dat doet denken aan ‘een vrouw van Lot’. Abraham jaagt hen na en brengt terug: Lot zijn broeder, en deszelfs have, alsook de vrouwen en het volk. Misschien wordt hier ook gedoeld op de vrouw van Lot, we weten het niet.

Wat ons wel opvalt is dat andere vrouwen, Sara, Rebekka, Rachel en Lea, in het boek Genesis met respect en met name worden genoemd, maar over de vrouw van Lot ligt een sluier. We lezen ook niet dat Lot een vrouw gezocht heeft, zoals Izak en Jakob deden in het land waar zij vandaan kwamen.

Waarschijnlijk heeft Lot een heidense vrouw getrouwd uit het land Kanaän, misschien uit de omgeving van Sodom, of uit de stad zelf.

Hij was in ieder geval lang met haar getrouwd, want hun dochters staan op het punt te gaan trouwen.

Maar toch was deze heidense vrouw een vrouw die, ondanks haar afkomst, grote voorrechten genoot.

Ze was de vrouw van een rechtvaardige man.

Misschien bent u ook wel de echtgenoot van een bekeerde man of vrouw.

Misschien is je vader of moeder ook, misschien zijn een of meerdere van uw kinderen ook wel bekeerd…

Ze heeft gewoond in de tenten van oom Abraham, de vader van alle gelovigen.

Ze deed ongetwijfeld mee in de dienst van de enige, ware God.

Ze heeft geweten van het verbond der genade.

Misschien hebt u ook wel lange tijd opgetrokken met iemand die de Heere innig diende en vreesde.

U hebt uw plaats in de kerk nooit leeg laten staan.

U bidt, u leest, u bent ook bevriend met Gods kinderen, u gaat misschien ook wel aan het Avondmaal.

De vrouw van Lot, ze heeft engelen op bezoek gehad in haar huis.

Ze hebben haar meegetrokken, de stad uit.

Misschien heeft het Woord van God u ook verontrust.

U hebt ook gevoeld dat uw staat een verloren staat is, dat uw leven een vijandig leven is.

 

Ze is vroeg opgestaan, heeft de stad verlaten, en kijk, kijk!

Ze vlucht!

Ze rent met Lot mee!!

Zij ontvlucht Sodom.

Deze heidense vrouw vluchtte uit Sodom.

Waarom blijft u in Sodom?

Vlucht uit Sodom, behoud u om uws levens wil!

 

2. Gekomen tot aan Zoar

 

Ziet u ze gaan in gedachten gaan?

Langzaam begint het lichter te worden. De gestalten zijn steeds meer te onderscheiden.

Kijk, daar vooraan gaat Lot, vlak daarachter zijn dochters en zijn vrouw.

Gelukkig is het nog niet al te warm. De ochtend is wat klam. Fris als iedere ochtend. Het is een ochtend als altijd.

Terwijl hun harten bonzen en ze diep ademhalen vanwege de haast, echoën de woorden van de derde Engel nog na in hun oren:

Behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte!

 

Herkent u de haast die u ziet? Herkent u de onrust van deze mensen?

Het is een beeld van de onrust in het hart van een ontwaakte zondaar, van iemand die wakker geworden is uit zijn of haar dodelijke rust. De mannen van Sodom zijn een beeld van slapende zondaren, van mensen die openlijk in de zonde leven.

De schoonzoons van Lot zijn gewaarschuwd, maar gaan willens en wetens door.

De vrouw van Lot is wakker geschud! Ze heeft het gevaar gezien. Het kostte moeite om afscheid te nemen van alles wat ze achter moest laten, maar ze heeft het gedaan!

Het woord van de engelen heeft haar verontrust, en het woord van de Engel des Heeren, die buiten de stad op hen wachtte heeft haar benen in beweging gezet om te vluchten.

Weg, weg uit deze prachtige omgeving, die er uitziet als altijd, maar waarvan men zegt dat hij omgekeerd zal worden!

De vrouw van Lot is het beeld van een ontwaakte zondaar. De rust is weg.

Ik zie mijn gevaar. Ik kan zo niet voor God verschijnen.

Het kost me moeite, maar ik stop met de dingen waarvan ik denk dat ze niet goed zijn.

Ik leef anders, maar er is nog steeds onrust in mijn hart. Ik moet bekeerd worden.

Ik lees veel in de Bijbel, ik bid veel. Nee, ik ben niet zoals al die mensen die zomaar onbewogen in de kerk zitten. Nee, het Woord raakt me.

Soms zo sterk, dat het wel lijkt op de hand van de engel die de vrouw van Lot beetgreep en meetrok. Dan voel ik het met kracht: zo kan ik niet doorgaan!

 

Misschien zegt iemand anders: Ja, dat ken ik wel. Vroeger, toen ik jong was, heb ik wel eens zo’n tijd gehad. Ik las veel, ik bad veel, maar toch is dat langzaam weer overgegaan.

En het is ook nooit meer teruggekomen.

Ik ben netter, ik ben volgzamer geworden, meer dan ooit overtuigd van mijn keuze voor deze kerk, waar ik voorheen nog wel eens aan twijfelde, maar die onrust, die… is nooit meer teruggekomen.

Ik vond het een moeilijke tijd. Ik bad veel, maar er gebeurde niets.

Ik werd er een beetje ongeduldig, een beetje kriegel van. Waarom luisterde God nu niet naar me?

Na verloop van tijd ging dat oude leven toch ook weer trekken, dat plezier dat ik vroeger had. Ik moet zeggen, dat ik ondertussen ook wel wat tevreden begon te worden. Ik ben echt niet meer zoals al die anderen. Er is iets veranderd in mijn leven en dat geeft me toch wel een zekere rust. Om nu te zeggen, ik ben er, nee, zo zou ik het niet zeggen, maar toch: ik ben wel veranderd...

 

Kijk, dat is precies wat zij ook doet! Zie je die vrouw van Lot lopen? In het begin rende ze achter Lot aan, samen met haar dochters. Maar kijk…

Gaandeweg, je ziet het gebeuren. Ze blijft langzamerhand steeds meer achter.

Het lijkt weer datzelfde getreuzel als toen ze nog in de stad was.

Ze lijkt wel moe.. Ze lijkt wat te aarzelen…

We zouden wel willen roepen: doorrennen! Het is levensgevaarlijk om te treuzelen…!

Maar kijk! O nee, ze geeft het op!

Zou het allemaal wel waar zijn, wat die mannen hebben gezegd…?

Kijk eens naar de lucht, net zo helder als altijd

Geen wolkje aan de hemel...

Kijk eens daar voor me, dat land, net zo vredig als altijd...

Zou ik…? Nee, dat niet, dat is te gevaarlijk. Of toch wel… Zou ik het een keertje proberen? Misschien valt het wel mee?

Kijk, ze staat stil...

Misschien hebben de anderen nog wel geroepen: doorlopen!

Maar kijk, ze staat stil...

Zie je haar aarzeling?

 

Langzaam draait ze zich om… en dan (huiveringwekkend) een ogenblik later is ze veranderd in… een pilaar van zout.

Ze versteent… tot een levenloos beeld van zout.

Ontwaakt, wakker geschud, gevreesd, gebeefd, meegetrokken door de engel, gevlucht.

Gevlucht… maar niet behouden.

Gevlucht… maar dat hart…, dat bleef gehecht aan Sodom.

Want… mijn huis dan, mijn carrière dan, mijn familie dan…?

Is zo uw vroegere overtuiging ook geëindigd?

Verontrust, gevlucht, omgezien, en een dode pilaar geworden...

Misschien wel een pilaar van rechtzinnigheid, maar harder dan dat u tevoren ooit bent geweest?

 

Jongelui, wees toch beducht voor dit grote gevaar.

Je jeugd is de tijd waarin de Heere vaak wil kloppen aan de deur van je hart.

Het Woord maakt je onrustig, engelenhanden grijpen je vast, ze trekken je mee, ze wijzen je de weg.

Maar pas toch op voor dat grote gevaar. Het gevaar dat je overtuiging overgaat, dat alles weer wordt als voorheen. Misschien wat netter… maar even onbewogen, nee meer onbewogen en harder dan ooit tevoren.

Als je voelt dat het Woord je aanraakt, vraag dan of de Heere Zelf de vlam van die overtuiging wil aanblazen en gaande wil houden.

En buk en buig toch in het verborgen voor God. Belijd Hem je schuld en zonde.

Zoek het niet in allerlei uiterlijke veranderingen en verbeteringen, maar leg je schuldige hart voor de Heere neer, en zoek… zoek zonder ophouden, zonder aarzelen, verzoening in het bloed van Christus. Want alleen in Hem is behoud.

 

U vindt geen behoud als u doorgaat in de zonde.

U vindt geen behoud als u wegvlucht van de zonde, maar niet tot Christus komt.

U vindt geen behoud als u aarzelt… stilstaat… en omziet...

Er is alleen behoud te vinden in Zoar.

En Zoar is een beeld van Christus.

Wakker worden is niet hetzelfde als behouden worden.

U kunt bekommerd zijn, maar u moet behouden worden!

U kunt aangedaan zijn, maar uw ziel moet gered worden.

U kunt wel vluchten, maar u moet vluchten tot Christus.

 

Hoor toch, terwijl de donkere wolken van Gods toorn  plotseling samenpakken boven het hoofd van de vluchtenden, hoor toch de nodiging van het evangelie!

Lot en zijn dochters vluchten naar Zoar. Een kleine, goddeloze stad, waar niemand op hen wacht, hoewel zij daar veilig zullen zijn.

Maar voor u, die wakker geschud bent uit uw zondeslaap, ja zelfs voor u die rustig slaapt in groot gevaar, geldt dat u niet alleen gedrongen wordt te vluchten: weg van daar! Vlucht uit Sodom!

Maar u wordt tegelijkertijd genodigd: Kom! Kom in Zoar! Vlucht uit Sodom!

Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groene boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de Heere.

Maar ook: Komt tot Mij!

Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.

Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen.

Wie slecht is, hij kere zich herwaarts en kome tot Mij!

 

Ik wil, gemeente, graag afsluiten met een boodschap aan het adres van u, die leeft (die slaapt) in de stad Verderf.

Aan het adres van u, die Sodom ontvlucht bent, van u, die op weg bent naar Zoar.

Aan het adres van u, die aangekomen bent in de stad van behoud.

U die leeft in de zonde, die slaapt in de stad Verderf!

Vlucht uit Sodom, vlucht naar Zoar.

Verlaat de zonde, en vlucht met uw verloren leven tot Christus. Hij zal u om uw zonden niet afwijzen. Want Hij ontvangt de zondaars en eet met hen. Hij is een Vriend van tollenaren en zondaren.

Alleen, dit is de weg, waarin u komen mag. Dit is de weg van Sodom naar Zoar: erken uw ongerechtigheid.

Kom... Kom… met gebogen hoofd, met schaamte, met smeking en geween.

Hij die gezegd heeft: Al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen, heeft ook gezegd: En die tot Mij komt (wie u ook bent) zal Ik geenszins uitwerpen.

 

Zoar is de enige stad van behoud, Christus is de enige Zaligmaker.

En dit is de weg waarin een verloren zondaar komen mag. U mag komen met smeking en geween. Als u zo niet komen wilt, zult u nooit komen.

Maar stel uw komst tot Christus niet uit. Want de dag waarin u omgekeerd zult worden is zeer nabij.

Kom, laat niets en niemand u hinderen! Alle dingen zijn gereed, dat is de nodiging die tot u komt. Kom tot de bruiloft.

U hoeft niets mee te nemen, u kunt niets meenemen, u mag alles achterlaten, en komen als een arme zondaar!

Maar ik bid u, omwille van uw leven: kom! Want als u niet komt, zult u zeker verloren gaan. Als u komt, als een arme zondaar, al bent u de grootste van de zondaren, dan zult u het ervaren:

Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik (zegt Paulus) de voornaamste ben.

 

U die buiten Sodom bent. Staande aan de deur van de stad, rennend voor uw leven, aarzelend… bijna uw hoofd omdraaiend… O, vlucht toch om uws levens wil naar Zoar.

Om uws levens wil, kom toch tot Christus!

Ga niet rusten op uw keuze, op uw verstandelijke keuze voor Christus, want het gaat er niet om of u gekozen hebt, het gaat er om of u gekomen bent. Gekomen als een arme zondaar tot de Zaligmaker Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken, - niet datgene dat bereid was voor Hem te kiezen - , maar dat verloren was.

Uw verstandelijke keuze voor Jezus is zelfbedrog.

Ga niet rusten op uw verandering van levensstijl. U was misschien werelds en los, u bent misschien netjes en ijverig geworden, maar de levensvraag is: bent u ooit zondaar voor God geworden? Bent u ooit als een rechteloze tollenaar gevallen aan de voeten des Heeren, met de bede op de lippen: O God, wees mij zondaar om Christus’ wil genadig?

Laat uw haast onderweg niet verslappen.

Ga onderweg niet rusten op ervaringen, op tranen, op bevindingen. Rust niet op de krachten die in u geschied zijn.

Maar vlucht! Vlucht! Rusteloos, totdat uw ziel rust vindt in Christus.

 

Misschien zegt u: de weg valt me zwaar...

De weg van Sodom naar Zoar is ook een zware en moeilijke weg. Niet omdat de weg geblokkeerd is. De weg is open, de weg is gebaand.

De weg is zwaar omdat… we onszelf meegenomen hebben uit Sodom. We zitten onszelf in de weg. Alles in ons verzet zich om te vluchten naar Zoar, om te komen aan de voeten van Christus.

 

Als we in gedachten even dat beeld loslaten van die vroege ochtend op de vlakte van Sodom en denken aan een pelgrim, die zich te voet moet haasten om voor het donker een stad te bereiken.

Wat zit hem dan allemaal niet in de weg?

Het pak van… de zonde. Wat kan de zonde drukken... Zal ik wel welkom zijn, met zoveel schuld? Zonden tegen de wet, zonden tegen het evangelie.

 

Wat zit die pelgrim allemaal niet in de weg?

De last van goede werken. Wat is het onmogelijk aan onze kant om die weg te werpen als schade en drek. We hechten er zo aan. Wat kost het ons moeite ons hoofd te buigen, beschaamd, als een zondaar. Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u.

O, zonder het krachtige, vernederende, kleinmakende werk van de Geest zullen we nooit buigen!

 

Wat hindert die pelgrim nog meer?

Wat denkt u van vermoeidheid, wolken van twijfel en moedeloosheid…

Zal ik ooit het einddoel halen? Zal ik niet omkomen in de handen van de duivel die me aanvalt met de ergste ingevingen in mijn gedachten? Die me verlokt en me verleidt tot de zonde die leeft in mijn hart?

 

En wat is de verleiding niet groot, om te gaan rusten. Op onze levensverandering, op onze tranen, op onze indrukken, op onze gebeden. En ondertussen verslapt het gebed, vermindert de nood. Onze voetstappen vertragen

 

Kom, vermoeide pelgrims, vluchtend vanuit Sodom.

Kijk niet achterom. Ga niet terug naar de dienst van de wereld. Kijk niet naar opzij.

Maar kijk eens vooruit! En laat de schaduw die de stad vooruit werpt u moed geven. Als u door de dichte wolken van twijfel een glimp opvangt van de stad Zoar, als u door het Woord van God een lichtstraal tegemoet straalt, die u als in een glimp weer eens iets laat zien van Zoar… van Christus…, van de Schoonste van de mensenkinderen...

Is het dan niet zo, dat uw hart naar Hem uitgaat?

O, ga dan voort. Ga dan toch rusteloos voort…!

Rust niet bij de gedachte dat u staat aan de grens van Zoar. Dat u in de verte de stad hebt gezien.

De wetenschap dat er in Christus behoud en redding is, is niet genoeg.

De wetenschap dat Hij gekomen is om zondaren zalig te maken, is niet genoeg.

U mag werkelijk rusten, als u door Gods genade gebracht brengt tot de werkelijkheid van de rust in Zijn verzoenende bloed.

Er is pas werkelijk rust in Hem, in Hem Die ondergegaan is onder de vloed van Gods toorn.

In Hem is de hitte van Gods gramschap geblust.

 

Lots vrouw kwam tot bij Zoar, Lot ging de stad binnen. Lag dat aan Lot?

Kent u hem een beetje? De man die achter Abraham aanhobbelde uit Ur, uit Haran? Rechtvaardig en oprecht, dat zeker, maar toch zo zwak in zijn karakter, zo egoïstisch, zo zelfgericht...

Hoewel hij weet heeft van de zonden van Sodom, toch zet hij zijn tenten vlakbij de stad.

Heeft hij zich mee laten voeren door zijn heidense vrouw, of was het zijn eigen wens?

Later woont hij in de stad. Hij kwelt zijn ziel wel als hij het leven van de mensen in ogenschouw neemt, maar hij blijft er gewoon wonen.

Hij wordt ernstig gewaarschuwd als de vier koningen hem wegvoeren, samen met de inwoners van Sodom, maar blijft er toch wonen.

Er is niet zoveel te vinden dat pleit voor Lot, en toch… hij komt in Zoar aan.

Ik moet het anders zeggen: God brengt hem in Zoar.

En Zoar is wat betreft de redding die daar gevonden wordt een heenwijzing naar de redding en veiligheid die in Christus is.

 

God Zelf is het die Lot door een sterke hand daar brengt. Ondanks al zijn zonde en zwakheid. Het is onwederstandelijke, eenzijdige genade die Lot in Zoar brengt.

Ondanks al hun verzet, hun blijvend verzet, hun ongeloof, hun dwalen, brengt God de Zijnen voor het eerst en steeds weer opnieuw als arme zondaren aan de voeten van Christus.

Dat is Zijn werk. Dat is Gods werk.

Toen God de steden verdierf, dacht hij aan… Lot…?

Nee, Hij gedacht aan Abraham. God dacht aan het Woord van Zijn belofte, aan de tussentreding van Abraham. Er ligt geen enkele grond in Lot, God doet het omwille van Zijn Woord en trouw, omwille van de tussengetreden Middelaar.

Hij ging onder in de vloed van Gods toorn, opdat een wederhorig kroost altijd bij Hem zou wonen.

 

Wat Lot betreft ligt er wel een ernstige waarschuwing in deze geschiedenis aan het adres van al Gods kinderen. Abraham woonde in tenten. Hij woonde alleen. Lot kwam tot aan Sodom, ging in Sodom wonen, zijn kinderen groeiden er op, zochten vriendschap met wereldse vrienden, en bijna was die godvrezende Lot omgekomen. Eerst met de wegvoering door de vier koningen, toen met de ondergang van de stad.

Johannes schrijft :

Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

 

Als de zon opgaat, komt Lot met zijn dochters in Zoar aan.

Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van de Heere, uit de hemel.

Mensenwoorden kunnen hier niets aan toevoegen.

Kijk eens in stilte mee, vanaf de muur van de stad Zoar:

Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van de Heere, uit de hemel.

 

U die buiten Christus voorleeft, ziet hier een geringe afbeelding van wat uw toekomst wezen zal.

Uw verwoesting zal groter zijn dan wat u in gedachten ziet, omdat u geleefd hebt onder het evangelie der genade.

Christus is u voorgesteld als de Weg tot behoud, Zijn bloed is u voorgesteld als het middel om zalig te worden. U bent genodigd om te komen, maar hoe hebt u de Zaligmaker veracht: u wilde tot Hem niet komen!

O, behoud u toch om uws levens wil. Voordat het voor eeuwig te laat is.

Zie toch, hoe onverwacht u deze dag van omkering overvallen kan.

De ochtendschemering was als die van alle andere dagen.

De ochtendnevel even verfrissend als anders.

Als een dief zal die dag u overvallen. En uw verwoesting zal groot zijn.

 

Waarom bent u Sodom ontvlucht, maar weigert u Zoar binnen te gaan?

Behoud u om uws levens wil. Vlucht als een arme zondaar tot Christus!

 

God moge u, door Zijn krachtige en onwederstandelijke genade, allen brengen, niet alleen uit Sodom, maar ook in Zoar, voor eeuwig veilig en geborgen in het bloed van Christus.

Gedenkt aan de vrouw van Lot.

 

Amen.