Ds. D. Rietdijk - Zondag 19

De heerlijkheid van het Hoofd Christus

Zijn regering van alle dingen
De waarde van Zijn heerlijkheid voor ons
Zijn wederkomst ten oordeel
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 2: 1, 2
Lezen : Psalm 110
Zingen : Psalm 110: 1, 2, 4, 6
Zingen : Psalm 50: 3
Zingen : Psalm 98: 2, 4

Gemeente, in deze dienst willen wij met u overdenken de negentiende zondagsafdeling van onze Heidelbergse Catechismus. Daar lezen wij:

 

Vraag 50: Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?

Antwoord: Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelf daar bewijze als het Hoofd Zijner christelijke kerk, door Wie de Vader alle dingen regeert.

 

Vraag 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?

Antwoord: Eerstelijk, dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

 

Vraag 52: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?

Antwoord: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Dezelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwachte, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

 

Het gaat hier om: De heerlijkheid van het Hoofd Christus.

 

Die heerlijkheid komt in drie dingen uit:

1. Zijn regering van alle dingen

2. De waarde van Zijn heerlijkheid voor ons

3. Zijn wederkomst ten oordeel

 

1. Zijn regering van alle dingen

 

Gemeente, onze catechismus vraagt:

‘Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?’

Dat is een vraag die welomschreven is en die zeer ter zake doet. Bij de belijdenis over de hemelvaart van de Heere Jezus, waarover wij de vorige keer gesproken hebben, wordt toegevoegd: ‘Zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders’. Waarom is dat erbij gezet? U weet, de Twaalf Artikelen zijn gegroeid. Die zijn gegroeid bij de doop van catechumenen in de oude christelijke kerk. Die zijn gegroeid rondom de doopsformule: ‘Ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes’. Door de eerste christenen zijn er telkens dingen aan toegevoegd. Die mensen hebben inzicht in het Woord gehad en hebben de oudchristelijke belijdenis beleden die we vandaag aan de dag als vanzelfsprekend voor ons hebben liggen.

 

‘Ten hemel gevaren, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders.’

Waarom hebben de eerste christenen dat daarbij gezet, bij die hemelvaart? Wel, die mensen waren onder de indruk van Psalm 110, die u is voorgelezen. Want Psalm 110 is, zoals de meeste psalmen, een Messiaanse psalm. Dat is de belofte van de Messias Die komt als de Priester-Koning over het volk van God.

In Psalm 110 vers 1 wordt aan de Messias beloofd:

De Heere heeft tot Mijn Heere gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.

En in het vierde vers wordt aan dezelfde Messias beloofd:

De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.

Een Priester-Koning dus, net als Melchizédek. Hij zal dus zitten aan de rechterhand van God, totdat God al Zijn vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Zijn voeten.

Stelt u zich dat voor. Al de vijanden van Christus worden als het ware bij elkaar vergaderd, bij elkaar geveegd. Dan zet Christus straks als de almachtige Koning Zijn voet op al die vijanden die voor Hem liggen.

Zo zie je dat in de oude voorstellingen in Rome. Zo zie je dat ook in oude afbeeldingen uit Babylon en Egypte: koningen die hun voet zetten op vijanden die voor hen neergebogen liggen. Wel, dat is aan Christus beloofd. Hij moet zitten aan de rechterhand van God, totdat al Zijn vijanden onder Zijn voeten zullen liggen. Triomfantelijk zal Hij Zijn voet op de vijanden zetten.

 

Telkens spreekt onze catechismus, onze geloofsbelijdenis, maar ook de Schrift van de rechterhand. Dat doet niet alleen Psalm 110, dat deed ook Stefanus. Hij zag de hemelen geopend en hij zag Christus, staande aan de rechterhand van God. Daar hebt u weer die rechterhand.

Verder komt u dat tegen in de brieven van de apostel Paulus, die dan spreekt, bijvoorbeeld in Efeze 1 vers 20, dat Hij Christus heeft opgewekt en Hem gezet heeft tot Zijn rechterhand in de hemel, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende.

Dus die rechterhand komt nogal eens voor in de Bijbel. Maar telkens als dat voorkomt, moet u maar bedenken dat God geen rechterhand heeft. God is een Geest en een geest heeft geen rechter- en geen linkerhand. Het is dus beeldspraak, beeldspraak van de Bijbel over de plaats die de Heere Jezus in de hemel heeft gekregen.

 

Wat omvat die beeldspraak dan? Wel, dat omvat dit, dat de rechterhand van iemand een hand van eer is. Als Salomo zijn moeder Bathséba tot zich roept en zij komt, omdat zij met hem wil spreken over Adonia, zijn broer, dan zet Salomo een stoel klaar. En dan staat er geschreven dat zij zich zet aan Salomo’s rechterhand. Dat is dus een plaats van eer.

Zo is de Heere Jezus in de hemel verheerlijkt aan de rechterhand van God. Dat wil zeggen: Hij heeft de hoogste eer in de hemel gekregen. Want tot niemand van de engelen heeft God ooit gezegd: ‘Zit aan mijn rechterhand’, zegt de Hebreeënschrijver. Dat valt een engel niet ten deel, maar dat valt Christus wel ten deel, Hij mag zitten aan de rechterhand van God.

Paulus zegt in de brief aan de Filippenzen: Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is; opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn (Fil.2:9-10).

Dus die rechterhand is in de allereerste plaats een hand van eer.

 

Bovendien voegen onze Twaalf Artikelen daar aan toe: ‘De rechterhand des almachtigen Vaders’. Dat wil dus zeggen dat Hij aan de rechterhand van de almachtige Vader zit, van Wie we beleden hebben dat die almachtige Vader hemel en aarde geschapen heeft.

‘Ik geloof in God’, zeiden de Twaalf Artikelen, ‘Schepper des hemels en der aarde.’ Dat wil zeggen dat het ook een hand van macht is. God heeft Christus niet alleen gezet op de plaats van eer, maar heeft Hem ook gezet op de plaats van macht. Van die plaats van macht spreekt Christus: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth.28:18). Dat is de volmacht die Hij van de Vader gekregen heeft.

De Heere Jezus Christus, Die met onze menselijke natuur ten hemel is opgevaren, zit aan de rechterhand van de almachtige Vader.

 

Daar zit Hij.

Dat zitten heeft nadruk. Stefanus zag Hem staande. Dat wil zeggen: tot hulp gereed voor een ieder van Zijn kinderen die in nood verkeert. Stefanus werd gestenigd en moest aanstonds sterven. En dan ziet hij Jezus, staande aan de rechterhand van God. Jezus stond gereed om Stefanus te helpen.

Maar in onze belijdenis staat niet ‘staan’, maar ‘zitten’. Hij zit aan de rechterhand Gods. Dat staat ook in Psalm 110. Dat spreekt over de rust, de overwinnaarsrust van de Heere Jezus. Hij heeft de strijd gestreden. Hij heeft de overwinning behaald over de satan en over alle machten die er zijn. Hij heeft de overheden en de machten in het openbaar ten toon gesteld. Hij zit nu in Zijn overwinnaarsrust in de hemel, aan de rechterhand van Zijn Vader; een plaats van eer en een plaats van macht. Daar zit Hij, als de Koning Die overwonnen heeft. Zo mag u de Zaligmaker zien, in de hemel gezeten.

 

Christus is ten hemel gevaren. Hij is in de troonzaal van de Vader gekomen om daar nu te mogen zitten. Dat is wat voor Hem geweest! Als u dat even bedenkt, dat Hij daar aan die rechterhand, op die plaats van eer en macht zit, dat Hij daar in overwinnaarsrust zitten mag…

Hij is in onze menselijke natuur op de aarde gekomen en daar had Hij niets. Want: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge (Matth.8:20). De Zoon des mensen, dat was de Vernederde, voor Wie tenslotte alleen nog maar een kruis overbleef. Die met Zijn doorwonde voeten en met Zijn doorwonde handen aan het kruis heeft gehangen, Zijn hoofd doorploegd van een doornenkroon.

Deze Jezus vaart op ten hemel en komt in de troonzaal van Zijn Vader. De Vernederde, Die hier niets had als de Zoon des mensen, mag daar met Zijn doorwonde voeten de trappen betreden van de troon van Zijn Vader en Zich zetten aan de rechterhand van Zijn Vader, in Zijn heerlijke overwinnaarsrust.

Dat is wat geweest voor die menselijke natuur! Want de Zoon van God is nooit bij de Vader vandaan geweest, want Hij is één met de Vader. Maar als mens is Hij uit Maria geboren. Hij heeft onze menselijke natuur uit de maagd Maria aangenomen. Die menselijke natuur is nu in de hemel ingebracht, die zit aan de rechterhand Gods, die is verhoogd en verheerlijkt in de hemel.

 

‘Hij is opgevaren naar de hemel, opdat Hij Zichzelf daar bewijze als het Hoofd van Zijn kerk, door Wie de Vader alle dingen regeert.’

Dus Hij regeert alle dingen. De Heere Jezus, Die daar in de hemel gezeten is aan de rechterhand van Zijn Vader, regeert alle dingen van daaruit. Dat heeft Hij ook tegen Kajafas gezegd: Van nu aan zult gij zien de Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels (Matth.26:64).

Er gebeurt niets buiten de regering van het Lam Dat in het midden van de troon is. Als u in deze tijd rondkijkt en als u opmerkt wat voor goddeloze machten er allemaal opkomen, zegt u: ‘Hoe moet dat nu allemaal verder?’ Nou, onze catechismus geeft in deze dienst antwoord: alle ding wordt geregeerd door Christus, Die ten hemel is opgevaren en Die zit in de troon van Zijn Vader, aan Zijn rechterhand.

Johannes, die op Patmos een gezicht kreeg in de hemel, heeft dat gezien. Want Hij zag de rol met zeven zegelen verzegeld, de rol van Gods raad. Die rol van Gods raad moest geopend worden en niemand kon hem openen, zo staat er in Openbaring. Johannes weende omdat er niemand was die de rol kon openen en de zegelen verbreken. Toen werd tot Johannes tot troost gezegd: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen en zijn zeven zegelen open te breken (Openb.5:5). Toen werd van de troon die rol gegeven aan het Lam van God.

Hij gaat die zegels verbreken, stuk voor stuk. Dat wil zeggen: de hele wereldgeschiedenis, die voor ons ook soms een warboel betekent, die voor ons ongrijpbaar is, die hele wereldgeschiedenis wordt geregeerd door de doorboorde handen van Christus, waarin de rol van Gods raad is gelegd.

 

U leest dan in Openbaring dat Hij uitgaat op het witte paard. Dat wil zeggen: het paard van de overwinning. Na Hem volgt het rode paard van de oorlog en het zwarte paard van de honger en het vale paard van de dood. Zo gaat Christus uit, overwinnende en opdat Hij overwon (Openb.6:2).

Dus het allergrootste dat in deze wereld gebeurt, dat gebeurt onder de leiding van het Lam van God. Hij regeert alle dingen, zelfs dwars door oorlogen heen, door honger heen, zelfs door de dood heen.

In het groot, wat er in deze wereldgeschiedenis gebeurt, dat ligt allemaal in de handen van Christus. Maar ook in het klein, in het persoonlijke leven van elk mensenkind, is de regering te vinden van Hem Die aan de rechterhand van de Vader is. Want, zo staat er, ‘Hij bewijst Zichzelf in de hemel als het Hoofd van Zijn christelijke kerk, door Wie de Vader alle ding regeert.’ Dus de Vader kijkt door de ogen van Christus en Hij regeert met de hand van Christus en Hij hoort met het oor van Christus.

 

Door Christus regeert de Vader alle dingen.

Om de toebrenging van die kerk des Heeren gaat het in dit leven. Het gaat in de regering van alle dingen om de bijeenvergadering van de kerk die straks bij Jezus zijn zal. Als er oorlogsdreigingen zijn en als er bepaalde ontwikkelingen zijn op wereldpolitiek gebied, dan vragen wij ons af: ‘Waar zal het op uitlopen?’ Dan hebben we wel eens zorgen. Maar weet u waar het op uit zal lopen? Het zal uitlopen op die grote gemeente, die zonder vlek en zonder rimpel voor de troon van God zal staan. Daar zal het op uitlopen!

Daartoe moeten alle dingen in deze wereld, van de grote wereldpolitiek, maar ook van de kleine dingen die in het menselijke leven gebeuren, dienen, namelijk om die kerk straks thuis te brengen. ‘Heel de wereld is Zijn gebied. Alles wisselt op Zijn wenken.’ Maar Hij gaat in Zijn overwinnaarsrust door. ‘Doch Hij Zelf verandert niet.’

 

Er staat dan: ‘als het Hoofd Zijner christelijke kerk.’

De kerk heeft dus een Hoofd in de hemel. U voelt natuurlijk wel, onze catechismus heeft daarmee tegelijkertijd een polemiek met de Rooms-katholieke kerk, die haar hoofd in Rome weet te zitten. De kerk des Heeren heeft geen hoofd op deze aarde. Het Hoofd van de kerk zit in de hemel. Dat is Christus, Die zit aan de rechterhand van Zijn Vader. De Vader regeert door Hem alle dingen voor Zijn kerk ten goede.

Hij is het ‘regerend Hoofd’. Hij is het ‘besturend Hoofd’ en het ‘leven gevend Hoofd’ en het ‘bewarend Hoofd’ van Zijn kerk. Wat een troost is dat: het Hoofd van de kerk!

 

Dan mag u best het beeld gebruiken van een lichaam met een hoofd. Ons hoofd bestuurt ons lichaam. Vanuit je hoofd worden al je ledematen bestuurd. Nu, zo is Christus het Hoofd van Zijn kerk, boven de golven uitgeheven. Als een drenkeling uit het water wordt opgehaald en het hoofd is boven water, dan zal het lichaam ook wel volgen. Zo is het met het heerlijk Hoofd Christus. Hij is verheven, boven de strijd van deze wereld, boven de strijd van de satan en van de volkeren. Hoe zij ook lachen, hoe zij ook spotten, het Hoofd is gezeten aan de rechterhand van de Vader.

Psalm 2 zegt: Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid? (Ps.2:1) Die in de hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten (Ps.2:4). Hij zal zeggen: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid (Ps.2:6). Daar is Hij gezeten, Zijn kerk tot eeuwige troost en veiligheid.

 

‘Die Zichzelf daar bewijst het Hoofd van Zijn kerk te zijn door Wie de Vader alle ding regeert.’

Dus er geschiedt - het is opnieuw gezegd in onze catechismus - niets bij geval. Maar het geschiedt alles naar de raad van de Vader door Christus.

Dat is Zijn regering van alle dingen.

Dat is de heerlijkheid van deze Koning. Dat is de heerlijkheid van Christus, Die bij Hem in de hemel is. Hij is daar gezeten aan de rechterhand van Zijn Vader, om daar alle dingen te besturen, Zijn kerk ten goede.

Nu, is dat niet een geweldige heerlijkheid? Want er zijn koningen die komen en die weer gaan en sterven. Koningen worden afgezet. Regerende premiers, eerste ministers, zij vallen en daar komen weer anderen voor in de plaats. Maar Christus blijft!

De blijvende Koning, de heerlijke Koning van de kerk, Die voor eeuwig zal regeren.

 

Wat nut ons nu die heerlijkheid van Christus? Wat is de waarde van Zijn heerlijkheid? Dat is het tweede wat we gaan overdenken.

 

2. De waarde van Zijn heerlijkheid voor ons

 

‘Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?’

De catechismus zegt daar twee dingen van:

‘Eerstelijk, dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten, hemelse gaven uitgiet.

Daarna dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.’

 

Hij giet in de eerste plaats in al Zijn lidmaten hemelse gaven uit. Als u dat nu even rustig op u in laat werken… Hij giet! Daar hebt u de overvloed, daar hebt u de stroom van de gaven die Christus aan Zijn kerk geeft. Er is altijd overvloed. Want Christus geeft aan Zijn kerk geen geringe dingen, niet weinig dingen, maar Hij geeft overvloed. Hij giet ze uit in Zijn lidmaten.

Dat vindt u al voorzegd in de profeten. Zo heeft Jesaja gezegd in de naam des Heeren: Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen (Jes.44:3).

Dat zijn die waterstromen, die heerlijke waterstromen van hemelse gaven, die Hij uitgiet. Toen de Geest kwam, kwam Hij ook niet karig, maar in een rijke mate. Drieduizend mensen werden op één dag, op de pinksterdag, bekeerd tot de Heere. Die Geest kwam niet met mate. Hij kwam met kracht vanuit die twaalf eenvoudige vissersmensen, die daar stonden op de pinksterdag. Door hen ging de Heere werken, door middel van hun prediking. Hij stortte de Heilige Geest op die pinksterdag uit op de aarde en er werden zomaar drieduizend mensen toegebracht. Geweldig beeld!

 

Hij giet hemelse gaven in Zijn lidmaten uit. Dat is de overvloed die er bij Hem te vinden is.

Daarom kunnen we ook nooit teveel van God vragen, nooit teveel bij Hem bedelen. Er zijn nooit dingen die we Hem vragen en die Hij niet zou kunnen geven.

Hij zegt in Psalm 81:

 

Opent uwen mond;

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Hij schenkt dat in overgrote, in overvloedige mate. Wat u ook deert, wat u ook nodig hebt, naar ziel of naar lichaam beide, Hij giet hemelse gaven in Zijn lidmaten uit.

 

Hemelse gaven zijn gaven die de hemel als oorsprong hebben. Het gaat om hemelse gaven, charismata. U weet, in de wereld waarin we leven is er de charismatische beweging. Die heeft het over bepaalde charismata, gaven die de Geest geeft, allerlei bijzondere gaven. Laten wij daarvoor oppassen, voor al dat bijzondere. Laten wij die charismata ook niet overlaten aan de pinkstergemeenten, want die hemelse gaven die Christus uitgiet in Zijn lidmaten, dat zijn gaven die elk kind van God van Hem krijgt.

Er is wel onderscheid. De één zal meer gaven gekregen hebben om te onderwijzen, een ander zal weer meer gaven van het gebed hebben en een derde zal weer meer gaven hebben om in stilte een ander te dienen. Zo zijn er onderscheiden gaven. U kunt dat lezen in 1 Korinthe 12. Het is één en dezelfde Geest, maar het zijn onderscheiden gaven. Het zijn onderscheiden bedieningen.

 

Er zijn verder ambtelijke gaven. De Heilige Geest stelt ouderlingen en diakenen aan en geeft dienaren van het Woord. Er zijn ook persoonlijke genadegaven: de gave van vertroosting, de gave van het gebed, de gave van de onderwijzing, die Hij schenkt vanuit het Woord van God. Er zijn zoveel gaven die de Heere geeft, maar ze komen allemaal uit de hemel. Er is niemand, ook van de ambtsdragers niet, die kan zeggen: ‘Dat heb ik.’ Want: Wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? (1 Kor.4:7)

Er zijn geen mensen, ook geen ambtsdragers, die zich kunnen beroemen op iets wat zij zouden hebben. Alles wat wij hebben en ontvangen komt uit de hemel, van dat heerlijke Hoofd Christus. Hij giet hemelse gaven in Zijn lidmaten uit.

 

Onze catechismus gebruikt dan een beeld dat de apostel Paulus zo dikwijls gebruikt: het beeld van het lichaam, het lichaam dat een hoofd en ledematen heeft. Het hoofd regeert het hele lichaam, alle ledematen. Het geeft gaven, ook aan de kleinste, ook aan de minst geachte, opdat dat hele lichaam kan functioneren.

Zo gaat Christus hemelse gaven uitgieten in Zijn lidmaten, dat zijn de ledematen van het lichaam van de Heere Jezus Christus. Die delen elke dag weer opnieuw in de hemelse gaven die Hij uitgiet.

Wat dus het allerbelangrijkste is: bent u zo’n lidmaat van de Heere Jezus? Bent u zo’n lidmaat van Zijn lichaam? Dat is het allerbelangrijkste natuurlijk. Want als je geen lidmaat bent, dan krijg je ook die hemelse gaven niet.

 

Het gaat erom: bent u een lidmaat van Hem?

Hoe word je dat? Door het geloof! Dan word je Christus ingelijfd en word je al Zijn verdiensten deelachtig. Door dat oprechte geloof, dat de Heilige Geest werkt door het Woord en door Zijn werkingen in het hart, worden wij Christus ingelijfd. Je wordt dan één met Hem. Uit Adam afgesneden en Christus ingelijfd, als in de olijfboom, als een wilde tak misschien. Paulus gebruikt dit beeld in de Romeinenbrief: ingelijfd in Hem, één worden met Hem en dan ook uit Hem bediend te worden.

Dat doet de Heere. Bij Hem kunt u terecht. Hij is een overvloedige Fontein van alle goeds. Hij is de Fontein Die geopend is voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem.

 

Maar er staat bij, en dat is het tweede waarin de waarde van Zijn heerlijkheid openbaar komt:

‘Daarna, dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.’

Dus de Heere, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde, Die aan de rechterhand van Zijn Vader zit, beschermt Zijn kerk. Hij beschut en bewaart Zijn kerk met Zijn macht tegen alle vijanden.

U kunt de kerkgeschiedenis doorlezen en dan ziet u hoe God, de Heere Christus, Zijn kerk beschut en bewaard heeft. Als u alleen maar de tijd neemt van de Reformatie, hoe Luther beveiligd werd door een wat halfslachtige vorst om toch zijn werk te kunnen doen in Wittenberg. Als u er aan denkt hoe in de tijd van de Reformatie in ons land ook de kerk beveiligd is, beschut en bewaard is.

Als u even terugdenkt in de Bijbelse geschiedenis, hoe Noach en zijn acht zielen bewaard en behouden werden in de ark. Als u even denkt aan het volk van Israël bij de doortocht door de Rode Zee, hoe ze bewaard werden voor Egypte dat hen op de hielen zat. Als u even denkt aan al die bewaringen van de Heeren van Zijn kerk, door de hele historie heen… Beschut en bewaard!

Het bloed der martelaren, zo heeft een kerkvader gezegd, is het zaad van de kerk. Door het bloed der martelaren ging de kerk juist groeien. Daardoor werd de kerk juist gebouwd.

Christus bewaart en beschut Zijn kerk tot de huidige dag toe.

 

Gemeente, we kunnen ook spreken over de aanvallen van de boze op de kerk. Je ziet dat de kerk niet echt meer bemind is, ook door de overheid niet. De overheid was de voedster van de kerk in de tijd van de Nadere Reformatie. Maar als je nu naar de overheid kijkt, dan is ze geen voedster van de kerk meer. Verre van dat! De overheid staat juist tegenover de kerk. De kerk wordt alleen nog maar geduld, gedoogd en zeker niet geliefd, en niet meer voorzien van alle goed.

Die kerk wordt niet bevoordeeld, bepaald niet. Maar dat hoeft ook niet, want Christus beschut en bewaart Zijn kerk en ook elk lid van die kerk in het bijzonder.

 

U kunt dat ook vinden in leven van Petrus als hij in de gevangenis zit. En in het leven van de apostel Paulus, hoe hij bijna gestenigd werd en zelfs schipbreuk geleden heeft. Hij beschut en bewaart Zijn kerk totdat de tijd gekomen is dat de kerk wordt opgenomen in Zijn eeuwige heerlijkheid. Als die tijd is aangebroken, zal de Heere Zijn kerk thuishalen. Tot die dag liggen ze vast in Zijn handen. Ik geef hun het eeuwige leven. (…) Niemand zal ze uit Mijn hand rukken (Joh.10:28). Het is de macht van Christus Die Zijn kerk beschut en bewaart. Het is de macht van Christus, waardoor Hij vanuit de hemel alle dingen bestuurt.

De dichter heeft van deze macht van Christus gezongen, wat wij nu eerst met hem willen gaan zingen, uit Psalm 50 en daarvan het derde vers:

 

De heem’len zijn getuigen van Zijn recht;
Want God is Zelf de Rechter, Die ‘t beslecht.
‘Hoor gij, Mijn volk, hoor Isrel, daar Ik tot
U spreek en roep: Ik, God, Ik ben uw God.
‘k Bestraf u niet vanwege d’ offeranden,
Daar die gestaâg voor Mij op ‘t outer branden.’

 

En nu het derde:

 

3. Zijn wederkomst ten oordeel

 

Zijn wederkomst ten oordeel; daar schittert ook Zijn heerlijkheid in.

U leest in onze vraag:

‘Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?’

De engelen hebben aan de discipelen op de Olijfberg gemeld dat ‘deze Jezus alzo zal wederkomen, gelijk zij Hem hebben zien heen varen’. Er komt dus een ogenblik dat de Heere weer terug zal komen op de wolken van de hemel en dat Hij op de wolken Zijn witte troon zal vestigen en dat Hij van daaruit zal oordelen de levenden en de doden.

 

Dat werd in de middeleeuwse kerk de ‘dies irae’ genoemd, de dag van de toorn van God. Daarom was die dag voor de middeleeuwers ook een dag van ontzetting, een dag van wraak, een dag van verschrikking. Dat was in de kerk van de Middeleeuwen de gebruikelijke wijze waarop over de wederkomst van Christus werd gesproken.

Maar onze catechismus vraagt niet: ‘Wat verschrikt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?’, maar: ‘Wat troost u de wederkomst van Christus?’ Wat voor troost heeft u daar nu uit, dat u weet dat Hij straks zal wederkomen op de wolken van de hemel?

Dan zal, zoals Paulus ons in Thessalonicenzen meedeelt, de bazuin geblazen worden door de archangel, de eerste engel, en dan zullen de doden opstaan. Die in Christus ontslapen zijn eerst, maar ook zullen de goddelozen opstaan. De eersten tot hun eeuwige vreugde en de anderen tot hun eeuwig verderf en tot hun eeuwige rampzaligheid.

 

Wat troost u dat nu? Dan gaat het geloof antwoorden:

‘Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Dezelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwacht.’

 

‘In alle droefenis en vervolging.’

Er wordt vaak gezegd: ‘Hierin hoort u de tijd waarin deze catechismus is opgesteld. 1563 is de datering van de catechismus. Brandstapels, dus droefenis en vervolging, daar hebt u het!’ Toch moet ik u zeggen dat dat niet waar is. Want de Heere heeft in Zijn Woord gezegd dat de kerk in deze wereld altíjd verdrukking zal hebben. In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh.16:33). Dat is de belofte, het testament van de Heere Jezus, nagelaten aan Zijn kerk. In deze wereld zullen zij verdrukking hebben.

In alle droefenis en vervolging… Wanneer dan ook. Niet alleen in de tijd van de Reformatie, maar altijd weer opnieuw, zal de satan zijn listen, zijn lagen en zijn aanvallen op de kerk des Heeren richten.

 

Maar nu in alle droefenis en vervolging met opgeheven hoofde…

Je moet naar boven kijken. Wat kijkt de kerk vaak naar beneden. Wat kijkt de kerk alleen maar naar de grond toe. Wat zijn we bezig met onze zaak en wat zijn we bezig met ons bedrijf en wat zijn we bezig met al de dingen van deze wereld. We zitten alsmaar te staren naar deze wereld en wat op deze wereld gebeurt. Maar, gemeente, de catechismus en onze Nederlandse Geloofsbelijdenis leren ons van een opgericht hoofd: ‘Met opgerichten hoofde’. Dus naar boven kijken!

Ik weet wel, wij hebben op aarde ons werk te doen. Dat hebben wij te doen met grote getrouwheid, zo getrouw als de engelen in de hemel dat doen. Maar dan niet zo dat je helemaal in dat werk opgaat.

Ik denk dat als er een bruid is die verlangt naar haar bruidegom, ze naar elke voetstap die ze hoort, luistert of hij het al is. Als de kerk des Heeren werkelijk bruid van Christus is en Hem liefheeft, dan denk ik dat zij hier werkt, hier bezig is, maar als de liefde goed functioneert, ze toch het hoofd omhoog geheven heeft en luistert of Hij al komt. Wanneer Hij komt, weet ik niet. Dat weet niemand. De Heere Jezus zegt: ‘Dat weet de Zoon niet.’ Dus de Heere Jezus weet dat niet, als Middelaar Gods en der mensen, en de engelen weten het niet. Alleen de Vader weet het. Die heeft die ure in Zijn eigen hand gehouden.

 

Wij weten niet wanneer Hij komt. In de evangeliën, de laatste hoofdstukken voor het lijden begint, heeft de Heere Jezus echter met Zijn discipelen gesproken over de wederkomst. Hij heeft gezegd: ‘Denk erom: er zijn natuurlijk voortekenen.’

Aan de vijgenboom kun je zien of het lente of zomer wordt en of hij vruchten gaat dragen. Zo kun je ook naar het weer kijken. We kijken naar de lucht en zeggen: ‘Het wordt mooi weer’ of: ‘Het wordt wat minder mooi weer.’ De Heere Jezus zegt: ‘Zo zijn er ook tekenen in deze wereld te zien, waaraan je kunt merken dat de dag nabij is dat de Zoon des mensen komt.’ Dat zijn de tekenen van oorlogen, van geruchten van oorlogen.

Er wordt dan gezien dat de kerk des Heeren  gaat inzinken, dat zij slaperig gaat worden, net als de vijf wijze en de vijf dwaze maagden. De mensen zijn in slaap gevallen, zij luisteren niet meer naar de komst van de Bruidegom. Zo zal het er dan uitzien. Als de afval algemeen gaat worden, als de mens der zonde geopenbaard gaat worden, dan is het de tijd dat de Heere Jezus wederkomt. Dat zijn de tekenen die Hij gegeven heeft.

 

Dat zien we nu gebeuren. Dat wil dus zeggen, en dat moet ik u eerlijk zeggen, dat die dag van de Heere Jezus nabijkomt, zonder te kunnen zeggen wanneer Hij komt, zonder te kunnen zeggen wanneer het jaar zal zijn dat Hij komt. Dat weten we niet. Maar dat Hij nabij is, dat hoort u in de voetstappen van Christus die in het wereldgebeuren te horen zijn.

Jezus zegt dan: Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is (Luk.21:28). Hij zegt dus niet: ‘Als je nu al die dingen, die voortekenen van Mijn komst, ziet gebeuren, wees dan vreselijk bang, want dan ben Ik nabij.’ Maar Hij zegt: ‘Verheugt u, wees blij dat de dag van uw verlossing nabij is. Dan word je verlost van de wereld, van de dood, van de zonde. Dan mag je altijd bij Mij zijn, altijd in Mijn heerlijkheid delen.’

 

Dus met opgerichten hoofde, ja wie verwachten?

‘… even Dezelfde Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft tot een Rechter uit de hemel verwachte.’

Dus de Rechter Die uit de hemel komt om te oordelen de levenden en de doden, dat is, zo zegt het geloof hier, Hij Die Zich tevoren om mijnentwil in dat gericht van God gesteld heeft en al de vloek van mij weggenomen heeft.

Dus Wie ga ik ontmoeten? Ik ga niet mijn Rechter ontmoeten, maar ik ga mijn Zaligmaker ontmoeten. Mijn Verlosser, Die om mijnentwil in dat gericht van God gestaan heeft en al de vloek voor mij weggenomen heeft, Die ga ik tot een Rechter uit de hemel verwachten.

 

Als je zo gaat luisteren naar de Bruidegom van de kerk, als je zo gaat luisteren naar de voetstap van de Koning Die komt als de Zaligmaker, als de Verlosser, dan ga je met opgerichte hoofde luisteren. Want dan is Hij nabij, dan is Hij zeer nabij ‘Die mijn ziel liefheeft’, zoals in het Hooglied wordt uitgedrukt. Dan is Hij zeer nabij.

 

Je gaat je dan verwonderen over het feit dat Hij komt. Hij zal al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen.

Dat is een woord uit onze catechismus, gemeente:

‘Al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen.’

Niet mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, want mijn vijanden zijn niet altijd Zijn vijanden. Daar moet ik wel heel voorzichtig mee zijn. Maar Zijn vijanden behoren ook mijn vijanden te zijn, dat wel. ‘Zou ik niet haten, Heere, die U haten? (…) Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij (Ps.139:21-22). Nou, zou je dan niet haten die de Heere haat?

Zijn vijanden en mijn vijanden werpt Hij in de eeuwige verdoemenis. In één van de psalmen staat: De goddelozen zullen niet meer zijn (…) Halleluja! (Ps.104:35) De dichter verheugde zich erover dat de vijanden van God en van Christus dan weg zijn en dat alleen de kerk overblijft.

 

‘Maar mij en alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.’

Mij en alle uitverkorenen… De catechismus spreekt niet zo dikwijls over de verkiezing. Twee keer. Hier in deze Zondag en in Zondag 21, die over de kerk gaat, spreekt de catechismus over de verkiezing. Dat doet ze dus op een zeer bescheiden wijze. Een voorbeeld voor de kerk des Heeren om vandaag na te volgen, om daar op bescheiden wijze over te spreken.

Maar hier zegt ze dat omdat in het gericht, waarin Christus de levenden en de doden zal oordelen, de laatste grond waarom een mens de heerlijkheid mag ingaan dit zal zijn, dat God verkoren heeft met een eeuwige liefde. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jer.31:3). Dat zal de laatste grond zijn. Want in dat gericht zal ik niet kunnen bestaan als mens, ook na ontvangen genade niet. In dat gericht kan niemand bestaan dan alleen door die eeuwige liefde van God. Verkoren in Christus, van de grondlegging der wereld. Dat is het enige. En daarin zullen ze zich verblijden en verheugen.

 

‘Maar mij en alle uitverkorenen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid opnemen.’

In de hemel is vreugde.

De wereld denkt wel eens dat zij alleen maar de echte vreugde heeft en dat de kerk niets waard is. Dat hoor je zo links en rechts en dat merk je ook, ook als je komt in ziekenhuizen en in inrichtingen. Dan vinden ze de kerk maar een sombere beweging. Nee, zíj hebben de vreugde. Nou, het is me de vreugde wel die je ziet.

Ik denk dat vreugde alleen in de hemel is. Daar heb je blijdschap. Daar is echte blijdschap. Daar is blijdschap zonder wansmaak. Daar is blijdschap zonder bitterheid. Daar is vrolijkheid in God. Verheugd in God, verblijd in God. Dat is de kerk in de hemel; de hemelse blijdschap.

 

Gemeente, daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken, hoe grote blijdschap dat in de hemel is. Dat is voor ons, in onze beperktheid hier, te groot en te wonderlijk om dat uit te spreken. Maar in de hemel is de echte blijdschap. Daar zijn de engelenkoren die zingen van vreugde en daar zijn de zaligen die zingen van blijdschap en vreugde.

 

Er is blijdschap in de hemel, én heerlijkheid.

Dat hoort erbij. Er is blijdschap, maar die is niet platvloers. Dat is een heerlijke blijdschap. Dat is de heerlijkheid van de hemel, want in de hemel zijn mensen in de gemeenschap met God de Vader en de Zoon, de Heere Jezus Christus dus, en de Heilige Geest.

Daar zijn ze in gezelschap van al de Bijbelheiligen. Denk aan Abraham. Je gaat gewoon een stapje terug als je eraan denkt. Abraham en Izak en Jakob en de apostelen zijn er.

De hemelse heerlijkheid, die is zo groot. Daar is een volkomen volmaaktheid. Daar wordt niet meer gezondigd. Daar is het altijd licht. Daar is nooit meer nacht. Daar zal geen rouw meer zijn. Daar is geen verderf meer, maar daar is eeuwige vreugde en heerlijkheid.

Daar gaat de kerk naar toe. De kerk gaat delen in die gemeenschap Gods, in de Heere Jezus Christus. Daarvoor is Hij in de hemel en daartoe komt Hij terug op de wolken van de hemel met lichaam en ziel, opdat die schare zal ingaan om te delen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid.

 

Gemeente, toen de Heere Jezus ten hemel opgevaren is, hebben de hemelen zich geopend voor de Heere Jezus en mocht Hij ingaan in de troonzaal van de Vader. Maar als straks de dag daar is dat Hij komt om te oordelen de levenden en de doden, dan vinden al de gezaligden ook een geopende hemel en dan gaan ze eeuwig in hemelse blijdschap en heerlijkheid delen.

Achter de Koning aan, voor eeuwig met Hem zijn.

 

Een vraag blijft over: Als nu de Heere wederkomt op de wolken en de bazuin wordt gehoord, gaat u dan ook mee naar binnen, in die blijdschap en heerlijkheid? Of - en dat is de andere kant - behoort u dan tot de vijanden, die in de eeuwige verdoemenis worden geworpen? Behoort u tot de bruid, die gespitst luistert naar de komst van de Koning? Of behoort u tot die vijanden, die maar liever hebben dat Hij nooit komt? Waar hoort u bij? Die vraag moet u voor uzelf beantwoorden.

 

Als je Hem lief gekregen hebt, dan heb je Hem lief gekregen als Zaligmaker, Die worstelde in de hof van Gethsémané, Die een kroon droeg op Gabbatha en Die aan het kruis genageld was op Golgotha. Je hebt Hem dan lief omdat Hij ons zo onuitsprekelijk diep en groot en wijd heeft liefgehad. Je gaat dan met je hart luisteren naar Zijn voetstap.

 

Doet u mee?

Laat het aan uw hart gelegd worden in deze dienst. 

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 98: 2 en 4

 

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;
Dit slaan al ‘s aardrijks einden gade,
Nu onze God Zijn heil ons schenkt.
Juich dan de Heer’ met blijde galmen,
Gij ganse wereld, juich van vreugd;
Zing vrolijk in verheven psalmen
Het heil dat d’ aard’ in ‘t rond verheugt.

 

Laat al de stromen vrolijk zingen,
De handen klappen naar omhoog;
‘t Gebergte, vol van vreugde, springen,
En hupp’len voor des Heeren oog;
Hij komt, Hij komt om d’ aard’ te richten,
De wereld in gerechtigheid;
Al ‘t volk, daar ‘t wreed geweld moet zwichten,
Wordt in rechtmatigheid geleid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).