Ds. D. Rietdijk - Zondag 18

Onze troost in de hemelvaart van de Heere Jezus

Het feit van de hemelvaart
De belofte in de hemelvaart
De roeping vanuit de hemelvaart
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 8, 9
Lezen : Kolossenzen 3: 1-25
Zingen : Psalm 24: 3, 4, 5
Zingen : Psalm 21: 5, 6
Zingen : Psalm 47: 3

Gemeente, in deze dienst willen wij met elkaar Zondag 18 van de Heidelbergse Catechismus overdenken:

 

Vraag 46: Wat verstaat gij daarmede: ‘Opgevaren ten hemel’?

Antwoord: Dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

 

Vraag 47: Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?

Antwoord: Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

 

Vraag 48: Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?

Antwoord: Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

 

Vraag 49: Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Antwoord: Ten eerste dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.

 

Het gaat in deze dienst over: Onze troost in de hemelvaart van de Heere Jezus.

 

We letten op een drietal zaken:

1. Het feit van de hemelvaart

2. De belofte in de hemelvaart

3. De roeping vanuit de hemelvaart

 

1. Het feit van de hemelvaart

 

Gemeente, we hebben de vorige keer de opstanding van de Heere Jezus gezien als de eerste trap van Zijn verhoging. Opgestaan uit de doden; een heerlijk feit. Het is een overvloedige fontein van al het goede. Maar nu is de Heere na de opstanding uit de doden, dat doorluchte feit dat zoveel heil heeft meegebracht, niet op de aarde gebleven. Veertig dagen heeft Hij nog op de aarde verkeerd en heeft Hij met Zijn discipelen gesproken. Daarna is Hij opgevaren naar de hemel. Dat was ook nodig, want de Heere was niet meer voor de aarde bestemd. Hij was voor de hemel bestemd.

Hij zegt ook tegen Zijn discipelen: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen (Joh.16:7). Er is een nuttigheid in de hemelvaart van de Heere Jezus. Hij kon hier niet blijven. Het was noodzakelijk dat Hij ten hemel ging varen. Want juist door Zijn hemelvaart is de Heilige Geest op de aarde gekomen, de Trooster Die in de kerk woont en Die in het hart van ieder kind van God Zijn plaats heeft ingenomen.

 

Het feit van de hemelvaart is een heel doorlucht feit, een feit dat met allerlei vrolijkheid, met blijdschap zelfs omgeven is. Want als u de andere heilsfeiten neemt, ziet u daar altijd iets bij wat ons schokt. U ziet daar geweldige tegenstellingen in.

Denk bijvoorbeeld aan de komst van Heere Jezus op de aarde. Daarin ziet u de tegenstelling van de zichtbare heerlijkheid in Efratha’s velden en aan de andere kant de verborgen heerlijkheid van het Kind Dat in doeken gewonden werd en in de kribbe gelegd.

Als de Heere Jezus opstaat uit de doden, is er het geweld van het beven van de aarde en van de bliksem. Dan is er die verschrikking voor de wachters in de hof van Jozef van Arimathea. Aan de andere kant is er dat doorluchtige gebeuren van het openen van het graf door een engel en het uitgaan van Christus uit het graf in het leven. Daar hebt u de tegenstellingen.

 

Maar nu de hemelvaart. Het wordt ons meegedeeld door de evangelisten Lukas en Markus. Lukas spreekt er in zijn evangelie in een enkele tekst over en ook Markus deelt het ons in een enkele tekst mee. Lukas geeft er een nadere uitwerking aan in de Handelingen der Apostelen, in het eerste hoofdstuk.

U leest hoe de Heere Jezus met Zijn discipelen, op de morgen waarop Hij ten hemel gevaren is, uit Jeruzalem is uitgegaan en de weg is opgegaan naar Bethanië. De bekende weg die de discipelen vaker waren gegaan, dezelfde weg die zij ook gingen naar Gethsémané, zijn zij die morgen gegaan. Ze zijn gegaan over de Olijfberg, richting Bethanië.

Op die weg heeft de Heere met hen gesproken. Hij heeft gesproken van Zijn koninkrijk en Hij gaf Zijn belofte van de Geest Die Hij zou uitstorten, niet lang na deze dagen. Zij hebben gevraagd: ‘Is het nu de tijd, Heere, dat U het koninkrijk weer op zult richten?’

Tenslotte zijn zij, al wandelend en al sprekend over de dingen van het koninkrijk Gods, gekomen op de top van de Olijfberg.

 

En als Hij dit gezegd had… (Hand.1:9) Dat is een woord dat u telkens, ook in de evangeliën, tegenkomt en dat een diepe betekenis heeft. Jezus had gezegd wat Hij moest zeggen. Hij heeft al de raad Gods geopenbaard.

Als Hij dit gezegd had, hief Hij Zijn handen op, zegenende. Die doorboorde handen waar de littekenen van het kruis nog instaan, heft Hij op en Hij zegent de discipelen die rondom Hem staan. Tot hun verbazing wordt Hij opgenomen van de aarde en vaart Hij op ten hemel. Hij gaat al hoger en hoger voor de ogen van de discipelen. Net zo lang totdat een wolk Hem wegneemt van voor hun ogen. Ze kunnen Hem dus niet meer nastaren en niet meer zien. Hij is verborgen door die wolk en dan is de Heere van hen weggenomen.

 

De discipelen die daar op de Olijfberg hebben gestaan, zijn dus ooggetuigen geweest:

‘Dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven.’

De discipelen hebben dat gezien. Zij zijn ooggetuigen geweest van die hemelvaart van Christus. De ooggetuigen van de geboorte van de Heere Jezus zijn alleen Maria en Jozef. Van de opstanding van de Heere Jezus kunt u zelfs niemand vinden die dat gezien heeft. Alleen van Zijn verschijningen achteraf, maar het feit zelf heeft niemand gezien.

Maar de hemelvaart heeft plaats gevonden voor de ogen van Zijn jongeren. Het is voor de kerk des Heeren niet verborgen gebleven waar Jezus gebleven is. Dat is geschied voor de ogen van Zijn discipelen, die met Hem geweest zijn en die met Hem hebben rondgewandeld. Zij hebben mogen zien dat Hij ten hemel gevaren is. Daar zijn dus getuigen, betrouwbare getuigen. Het zijn de discipelen zelf voor wier oog Hij ten hemel gevaren is.

 

Wat is het goed om daar de nadruk op te leggen, ook in onze dagen. Want de hemelvaart behoort ook tot de dingen die men in de kerken, in zijn breedste verband gezien, wil ontmythologiseren. Dat wil zeggen dat men de werkelijkheid van de hemelvaart weg wil hebben. Men zegt: ‘Welnee, dat is niet zo gebeurd. Je kunt de mens vandaag aan de dag met zijn technische mogelijkheden toch niet meer wijsmaken dat Hij ten hemel is gevaren? Dat is toch onzin, om dat zo te zeggen? Dat betekent dat God in Christus met Zijn discipelen is, met Zijn kerk is. Maar dat betekent niet dat Hij met Zijn lichaam ten hemel is gevaren.’ Daarom is het goed dat wij onze oude belijdenis weer openslaan en daarin lezen dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven.

Dat hebben ze gezien. Dat is geen praatje geweest, niet iets wat ze achteraf bedacht hebben, niet iets waarvan ze gezegd hebben dat het zo wel eens gebeurd zou kunnen zijn. Nee, ze hebben dat gezien.

 

U zou misschien kunnen zeggen dat het de vrienden zijn geweest van de Heere, dat het Zijn discipelen zijn geweest, dat het de mensen zijn geweest die Hem hebben liefgehad. Natuurlijk, het is geen bezwaar om de getuigenissen van Zijn vrienden te aanvaarden als de waarheid. Want waarom zouden ze liegen?

Maar als u met een vriend niet tevreden zou zijn, neem dan een vijand. En als u een vijand wilt hebben, neem dan de beste die we vinden kunnen. Neem de apostel Paulus. Die heeft getracht om de gemeente van de Heere Jezus Christus uit te roeien op deze aarde en die heeft gepoogd om die naam uit de geheugens te wissen. Als een briesende leeuw is hij rondgegaan, zoekend wie hij zou kunnen verslinden. Dat mag u van Paulus best zeggen.

En juist deze Paulus is degene die door de Heere is opgezocht en die een getuige is geweest als geen ander. Hij is getuige geweest van Zijn opstanding uit de doden. Denk dan aan 1 Korinthe 15, waarin hij de opstanding te vuur en te zwaard verdedigt. Maar hij is ook getuige geweest van de hemelvaart van Jezus. In Efeze 4 vers 10 spreekt Paulus van de hemelvaart van Christus: Hij, Die nedergedaald is, is Dezelfde Die ook opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. Dat zegt die vijand.

Dus als u dan aan een vriend niet genoeg hebt, neem dan die vijand. Die zal het u ook zeggen.

 

Als u een ooggetuige wilt hebben, dan vindt u die ook in Stefanus. En wel op het ogenblik dat deze man niet thuis zit te filosoferen over allerlei gewichtige stukken, maar dat hij staat voor de mensen die in vijandschap hem dood willen gooien met stenen. Juist op dat ogenblik, als hij gestenigd wordt, dan heft hij zijn ogen op naar de hemel en zegt hij: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods (Hand.7:56).

Dan ziet deze Stefanus, juist op het ogenblik van zijn steniging, op een ogenblik dat u nergens anders meer erg in zou hebben dan in het vreselijke van de dood die nadert, de hemelen geopend. En hij ziet Jezus, staande aan de rechterhand van God.

 

Niet alleen het Nieuwe Testament spreekt van de hemelvaart van de Christus. Ook het Oude Testament heeft daarvan gesproken. Denkt u maar aan de psalmen die we in deze dienst zingen: Psalm 68, 47 en 24. Daarin wordt de hemelvaart van Christus bezongen. Dat was naar aanleiding van het feit dat de ark, die altijd gezworven had sinds de woestijnreis en ook in Kanaän, de berg van Sion werd opgedragen en zijn rustplaats kreeg in de tabernakel. Toen hebben de dichters gezongen van de ark als van de troon van God. Ze hebben gezien dat Christus werd verhoogd en zal opvaren ten hemel om Zijn plaats op de troon in te nemen bij Zijn Vader. Ze hebben gezongen:

 

God vaart, voor het oog,

Met gejuich omhoog;

‘t Schel bazuingeluid

Galmt Gods glorie uit.

 

Ze hebben gesproken van de heerlijkheid die Christus omgaf, toen Hij van de aarde naar de hemel is opgevaren.

 

De getuigen uit het Oude Testament waren als profeten. De getuigen uit het Nieuwe Testament waren de mensen die het gezien hebben met hun eigen ogen. En er waren engelen die het gepredikt hebben aan de schepselen. In dat alles kunt u zien dat de hemelvaart van Christus een werkelijke hemelvaart is geweest, dat Hij opgevaren is, zichtbaar van de ene plaats, de aarde, naar de andere plaats, de hemel.

Straks zal Hij wederkomen. ‘Totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.’ Dan zullen hemel en aarde weer worden verenigd. Door de zonde zijn ze gescheiden. Er is een afstand tussen hemel en aarde gekomen, die niet te overbruggen is, die nooit meer overbrugd zou kunnen worden.

Maar nu is de Heere Jezus gekomen. Hij is opgevaren naar de hemel. Maar hemel en aarde zullen straks, als Hij wederkomt, worden verenigd. Dan zal er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn. Die nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen in vereniging met elkaar leven. Er zal geen afstand meer zijn. Er zal geen scheiding meer zijn tussen hemel en aarde.

De hemelpoorten hebben zich op de dag van Jezus’ hemelvaart geopend. Toen trad Hij daar binnen.

 

Bedenkt u wel dat het een bijzonder gebeuren is. Want de Heere Jezus is met de geboorte in de stal van Bethlehem uit de maagd Maria naar de aarde gekomen. Hij kwam als Zoon van God, Die uit de maagd Maria onze menselijke natuur aannam.

Als Hij opvaart naar de hemel, vaart Hij niet alleen maar op als Zoon van God Die uit de hemel neerdaalde, maar dan neemt Hij de menselijke natuur, die Hij uit de maagd Maria heeft aangenomen, mee de hemel in. Dan is Hij als Middelaar opgevaren. Als Middelaar Die Zijn taak heeft volbracht en Die in onze menselijke natuur heeft geleden, daarin is gestorven en begraven geweest. Dat lichaam dat opgestaan is uit de doden, vaart op naar de hemel en krijgt zijn plaats in de hemel. Met dat lichaam is Hij dus in de hemel, voor de troon van Zijn Vader.

De Vader Zelf heeft Zijn Zoon die dag met Vaderhanden ‘opgeheven’ in de hemel. Dat is het woord dat onze catechismus gebruikt. Hij heeft Hem een plaats gegeven voor Zijn troon. Onze menselijke natuur, gedragen door de Zoon van God, heeft een plaats gekregen in de troon van God.

En daarom - onthoud dat - mag het evangelie gepredikt worden aan alle creaturen. Omdat dat lichaam van de Heere Jezus voor en in de troon van God is, daarom mag het evangelie gepredikt worden aan alle mensen, zover men volken vindt. Omdat hemel en aarde in Christus tezamen zijn verenigd, mag dat evangelie uitgaan en zal de Heere Zijn koninkrijk vergaderen.

 

Hij blijft in de hemel - en lees dat goed - totdat Hij wederkomt. Hij komt terug om te oordelen de levenden en de doden. In Handelingen staat dat Hij in de hemel zal verblijven tot de tijden van de wederoprichting aller dingen (Hand.3:21).

Hij is daar niet werkeloos. Hij is niet opgevaren ten hemel opdat Hij werkeloos in de hemel tegenwoordig zou zijn. Hij is daar ons ten goede. Daarom is Hij ten hemel opgevaren. Hij is ingegaan in de hemel, om daar de Voorspreker te zijn voor het aangezicht van Zijn Vader. Hij is daar ingegaan, om daar voor te spreken bij Zijn Vader voor Zijn kerk, op grond van Zijn offerande. Hij is in de hemel als de grote Voorbidder van Zijn kerk. Alzo Hij altijd leeft, zegt Paulus, om voor hen te bidden (Hebr.7:25).

 

Gemeente, wat is het een wonder voor de kerk des Heeren, dat er in de hemel Eén is Die voor hen voorspreekt, op grond van de offerande die Hij heeft gebracht hier op de aarde. Dat Hij voorspreekt, dat Hij voorbidt voor al degenen die Hem door de Vader gegeven zijn.

Ook als zij nog niet tot Zijn kerk behoren, is Hij toch een Voorbidder. Want dan worden ze in die voorbidding van Christus bewaard van de uiterste zonden, van de zonde tegen de Heilige Geest. Als het ogenblik gekomen is dat Hij uitgaat door Zijn Geest en door Zijn Woord, om in het hart van de mens voor Hem plaats te maken, dan is daar die voorbidding van de Heere Jezus in de hemel.

 

Als wij bidden tot God en roepen tot God, dan mag het nog zo gebrekkig zijn, dan zegt Hij tot Zijn Vader - en ik zeg het maar even menselijk, om het u duidelijk te maken - : ‘Vader, daar is er één die tot U roept.  Het is heel gebrekkig en met zonden bevlekt. Maar, Vader, Ik veraangenaam dat gebed en Ik reinig dat gebed voor Uw aangezicht. Vader, hier is deze bede voor U.’

Dan is Hij die Engel, Die voor de troon van God staat, bij het gouden altaar met dat wierookvat. ‘En Hem is veel reukwerk gegeven.’

Dan legt Hij met dat reukwerk de gebeden der heiligen op dat gouden altaar dat voor de troon is.

Dan veraangenaamt God die gebeden van de Zijnen.

Dan veraangenaamt Christus die gebeden van Zijn kinderen. Hij zegt: ‘Vader, wil hen verhoren.’

En dan worden ze verhoord om Christus’ wil.

Dan worden ze verhoord om Zijn voorspraak. Dan worden ze verhoord om Zijn verdienste.

Dan worden ze verhoord, niet omdat hun gebeden zo schoon zijn of zo volmaakt zijn, maar omdat Christus al het onvolkomene van die gebeden wegdoet en omdat Hij ze veraangenaamt voor het aangezicht van Zijn Vader.

Die gebeden stijgen als wierook op voor het aangezicht van God.

 

Een Voorspraak bij de Vader.

Gemeente, dat is wat anders dan een aanklager hebben. In het Oude Testament leest u dat de satan telkens toegang heeft tot God. Denkt u maar aan het boek Job. Satan voor de troon van God.

U vindt dat ook in de profetie van Zacharia. De hogepriester Josua is met Israël uit de ballingschap teruggekomen naar Kanaän. Die hogepriester vertegenwoordigt het volk. Maar hij staat voor het aangezicht van de Engel des Heeren in vuile kleren. Nu mag een hogepriester nooit vuile kleren hebben, want hij heeft de ‘bediening van het leven’. Dan staat daar ‘de verklager der broederen’ bij. Net als dat hij over Job slechte dingen zei, gaat hij hier nu slechte dingen over Jozua zeggen. Dan gaat hij wijzen op die vuile kleren en hij zegt: ‘Kijkt U eens, wat voor een vuile kleding hij heeft.’

Dan zegt de Engel des Heeren, dat is de Heere Jezus: De Heere schelde u, gij satan! Ja, de Heere schelde u (Zach.3:2). Hij geeft Jozua dan nieuwe kleding, witte kleding, zodat hij weer rein voor God staat en met een reine hoed op het hoofd, zodat de Heere de zonde van het volk van Israël heeft weggenomen.

 

Satan kwam toen dus in de hemel bij God. Daar gaat het om. ‘Verklager der broederen’ heet hij. Maar als de Heere Jezus ten hemel vaart en daar als Voorspraak van Zijn kerk inkomt, moet satan daar wijken. De Heere Jezus zegt zelfs tot Zijn discipelen in het Lukasevangelie:

Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen (Luk.10:18).

Hij is de hemel uitgeworpen. In Openbaring 12 staat datzelfde geschreven:

En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid en de kracht en het koninkrijk geworden van onze God, en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht, is nedergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord van hun getuigenis (Openb.12:10-11).

 

Nu kan satan nooit meer deze broederen verklagen, want daar is geen verklager meer, maar een Voorspraak in de hemel, Die leeft om altijd voor de Zijnen te bidden. Hij is in de hemel ten goede van Zijn kerk. Van daaruit heeft Hij ook Zijn Geest hier op de aarde uitgestort.

 

Tot zover onze eerste gedachte: het feit van de hemelvaart. We gaan naar het tweede, maar eerst zingen we Psalm 21 vers 5 en 6:

 

Hoe groot en schitt’rend is zijn eer,
Door ‘t heil, aan hem bewezen!
Hoe is zijn roem gerezen,
O alvermogend’ Opperheer!
Wat glans, wat majesteit
Hebt Gij die vorst bereid!

 

Gewis, Gij zult, all’ eeuwen door,
Hem met Uw gunst verzellen,
En tot een zegen stellen;
Ja, Gij geleidt hem op het spoor
Der vreugde, bij het licht
Van ’t Godd’lijk aangezicht.

 

2. De belofte in de hemelvaart

 

De Heere Jezus is ten hemel opgevaren. Hij is ook met Zijn menselijke natuur in de hemel en bidt daar voor Zijn kerk, voor de troon van Zijn Vader. Hij is daar de Voorspraak.

Nu zou je kunnen vragen, en dat doet onze catechismus ook:

‘Maar Hij heeft toch gezegd dat Hij bij ons zal blijven tot aan het einde van de wereld?’

Dat heeft Hij ook gezegd:

‘Ik ben met ulieden, al de dagen tot aan het einde der wereld.’

Hoe kan dat dan? Als Hij dan opgevaren is naar de hemel en zo voor het aangezicht van God is, is Hij dan niet bij je?

Deze uitweiding van de catechismus heeft te maken met de leer van Luther. Tussen de gereformeerden en de luthersen is in de tijd van de opstelling van de Heidelbergse Catechismus een scheiding gekomen. Luther leerde dat de menselijke natuur van de Heere Jezus niet ten hemel is ingegaan, maar dat Hij alomtegenwoordig is geworden. Hij leerde dat de menselijke natuur dus goddelijke eigenschappen heeft gekregen, dat Hij alomtegenwoordig is geworden.

Dat had Luther nodig, want hij heeft geleerd dat Christus in het avondmaal in en met en bij de tekenen is. Dus dat Hij op de één of andere manier in dat brood en in die wijn is, zodat Hij stoffelijk met Zijn lichaam ook tegenwoordig is, hoewel Luther niet de verandering van brood en wijn leerde. Hij is er wel ín, maar dat brood blijft bij Luther brood en die wijn wijn. Maar Christus is er toch in tegenwoordig, zelfs naar Zijn lichaam. De lichamelijke alomtegenwoordigheid van Christus, wordt dat genoemd.

Luther had die leer, dat het lichaam van de Heere Jezus alomtegenwoordig is, dus nodig. Want als er op dertig plaatsen in de wereld avondmaal bediend wordt, dan moet de Heere ook op dertig plaatsen naar Zijn lichaam in dat brood en in die wijn zijn. Daarom gaan de opstellers hier op in.

 

Hoe is dat nu met het lichaam van Christus? Is Hij niet met ons hier op de aarde, zoals Hij beloofd heeft?

Dan gaan ze leren dat:

‘Christus waarachtig mens en waarachtig God is. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op de aarde.’

Die heeft geen goddelijke eigenschappen gekregen. Die is niet alomtegenwoordig geworden.

‘Naar Zijn menselijke natuur is Hij in de hemel, maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.’

Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in het midden van hen (Matth.18:20). Dus als het er om gaat dat Jezus bij de Zijnen is, dan is het zeker dat Hij met Zijn genade, met Zijn majesteit en met Zijn Geest nooit meer van ons wijkt. De Godheid van Christus is immers alomtegenwoordig en de majesteit van Christus ook.

 

Wat dacht u van de bescherming van Zijn kerk? Is niet heel de kerkgeschiedenis daarvan een relaas, dat Hij met Zijn majesteit, met Zijn genade en met Zijn Geest met zijn kerk is? En is niet de geschiedenis van elke gelovige daarvan een relaas, dat Jezus met Zijn majesteit en met Zijn genade en met Zijn Geest nooit meer van de Zijnen wijkt, dat Hij altijd bij hen blijft?

Ook al is het dat u soms denkt van niet, dat u Hem niet ziet, maar dan is Hij er wel. Als u achterom mag zien, dan ziet u dat Hij nooit weg is geweest en dat Hij altijd is gebleven. Dan ziet u dat Hij u heeft vastgehouden. Dan is Hij nooit weggeweest in de zin dat Hij u losgelaten heeft. Daar heeft Hij u vastgehouden, ook als u dacht dat u losgelaten was en dat u maar alleen moest omzwerven en dat God Zijn genade vergeten had. Hij laat nooit los wat Zijn hand gegrepen heeft.

 

Met Zijn Godheid, genade, majesteit en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Dus als het erom gaat of Jezus bij het avondmaal is, dan zeggen de gereformeerden: natuurlijk is Hij bij het avondmaal, maar op een geestelijke wijze. Met Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest is Hij daar, maar niet met Zijn lichaam, want dat is in de hemel.

 

Nu brengen de opstellers nog een tweede bezwaar naar voren.

Want dan zeggen ze:

‘Ja maar, als dan die mensheid niet overal is waar de Godheid is, ga je dan niet teveel die twee naturen van Christus scheiden?’

De kerk des Heeren heeft op de synode van Chalcedon juist beleden dat die twee naturen, Zijn Godheid en Zijn mensheid, ‘onveranderd, onvermengd, ongescheiden, ongedeeld’ zijn. Zou je die juist niet gaan scheiden, als je zegt dat Zijn Godheid wel op de aarde is, maar Zijn mensheid in de hemel? Ga je dan de Godheid en de mensheid niet van elkaar losmaken?

Het antwoord is, en dat is dus rechtstreeks tegen Luther: ‘Helemaal niet, want de Godheid is onbegrijpelijk.’ Nu moet u dat woord ‘onbegrijpelijk’ niet opvatten als: niet te begrijpen met je verstand. Natuurlijk is de Godheid niet te begrijpen met je verstand, maar er wordt met dat woord ‘onbegrijpelijk’ bedoeld dat die Godheid ‘nergens in te sluiten is’. Het is een Oudnederlands woord. De Godheid kun je dus nergens in opsluiten.

‘Want dewijl de Godheid door niets kan worden ingesloten en overal tegenwoordig is, zo moet volgen dat zij wel buiten de aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.’

De Godheid en de mensheid zijn nooit gescheiden geweest. Zelfs in het graf niet, zegt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ook daar was de Godheid met het lichaam van Christus verbonden. Maar die Godheid bestaat wel buiten dat lichaam, want die is niet in het lichaam op te sluiten. Hij is er wel mee verbonden, maar Hij is er ook buiten. De Godheid is overalomtegenwoordig en die is ook buiten de mensheid, maar die is tegelijkertijd ook met die mensheid verenigd.

Zo is Christus naar Zijn mensheid in de hemel en naar Zijn majesteit, genade en Geest hier op de aarde.

 

Dat was onze tweede gedachte: de belofte in de hemelvaart.

 

3. De roeping vanuit de hemelvaart

 

Hij heeft beloofd dat Hij, Die in de hemel onze menselijke natuur heeft ingebracht, die menselijke natuur tot Zich nemen zal. Dus als de kerk des Heeren sterven gaat, dan mag de menselijke natuur ten hemel ingaan. Straks, als Hij wederkomt om te oordelen de doden en de levenden, dan zal Hij de menselijke natuur opwekken en dan zal én ziel én lichaam altijd met de Heere verenigd mogen zijn. Dan zal hemel en aarde verenigd zijn. Dan zullen ze met lichaam en met ziel altijd bij de Heere mogen zijn.

Daarvan is dat lichaam van Christus in de hemel een onderpand. Dat is een garantie. Het is een onderpand tot zekerheid, dat hun lichaam straks eeuwig bij de Heere zal mogen zijn, dat het ook aan de Heere gelijk zal zijn en dat het ook met Hem eeuwig daar zal wezen. De Heere heeft het dus vastgelegd voor Zijn kerk. ‘U zult straks altijd bij Mij zijn, zowel met ziel als met lichaam, met de menselijke natuur.’

 

‘Dan zal Ik Mijn lidmaten tot Mij nemen.’ Wat is dat een zaligheid, die de Heere beloofd heeft aan degenen die Hem vrezen. Want nu is er een toekomst voor de kerk van God weggelegd. Een toekomst, zo heerlijk. Een toekomst, zo zalig, zo groot, dat een mensenmond dat niet uit kan spreken. Want de Heere in de hemel is het zekere pand dat ook hun lichaam straks verheerlijkt zal zijn en eeuwig met Hem zijn zal.

 

Hij geeft ze ook een tegenpand.

Ze hebben een pand in de hemel. Dat is het lichaam dat Hij heeft. Ze hebben ook een tegenpand hier op de aarde.

‘Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.’

Hij zendt ons een tegenpand. Het pand van ons vlees is in de hemel. Hij zendt Zijn Geest als een tegenpand hier op de aarde. Dat is de Trooster, Die Hij zo dikwijls beloofd heeft aan Zijn discipelen: Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven (Joh.14:16). Een Trooster Die in alle waarheid zal leiden. Een Trooster Die bij hen zal blijven en in hen zal zijn. Een Trooster door Wie de drie-enige God woning maakt in het hart van een mensenkind. Dat heeft Hij aan Zijn kerk beloofd, een tegenpand.

 

Als je nu vraagt: ‘Hoe weet ik of die Geest van Christus ook mij gegeven is, dat dat tegenpand ook mij geldt?’ Dan zegt onze catechismus, en ze halen Kolossensen 3 aan:

‘Door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is.’

Paulus zegt in Kolossenzen 3 vers 1 en 2: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

Dus door de kracht van de Geest ga je zoeken de dingen die boven zijn. Als je dan vraagt: ‘Wat is dat dan?’, dan is het antwoord:  ‘Dat is Christus Die daar zit aan de rechterhand van Zijn Vader.’ Dat zijn de dingen die boven zijn. De Geest trekt als het ware je hart en je ziel naar boven toe.

 

De vragen die in deze dienst aan ons hart gesteld moeten worden zijn dan:

Woont die Geest ook in ons?

Wordt ons hart getrokken naar boven?

Wordt ons hart getrokken naar God en naar Christus?

Is het zo dat wij de dingen zoeken die boven zijn?

Want het is nodig dat we die gaan zoeken. Het is nodig dat wij mensen worden die gaan zoeken de dingen die boven zijn, die belangstelling gaan krijgen in die zaken, in God, in Christus en in de zaligheid door Hem bereid.

Misschien zegt u wel: ‘Ja maar, kan ik dat wel? Is dat wel mogelijk?’ Ja, het is wel mogelijk, want de Heere heeft Zijn Geest gegeven. En waar die Geest komt door Zijn kracht, gaan we zoeken de dingen die boven zijn.

Hebt u wel de middelen gebruikt die de Geest gebruikt? Want de Geest, Die door Zijn kracht het hart naar boven gaat trekken, Die werkt door de middelen. Hij werkt door middel van dat Woord.

 

Als u leeft zonder dat Woord en zonder het gebed en als u nooit eens in dat Woord gaat zoeken en nooit eens uw stem opheft naar de hemel of de Heere u Zijn Geest wil geven en door de kracht van die Geest u wil bearbeiden, zodat u Hem mag vinden Die het leven is, dan laat u uw kostbare levenstijd voorbij gaan.

Er wordt zoveel kostbare levenstijd vermorst. Wij mensenkinderen brengen de tijd die God ons heeft gegeven door met allerlei dingen die tenslotte toch geen waarde hebben.

Want er komt een ogenblik, dan valt de hele wereld, met al wat er aan schoons en moois in is, weg. We houden dan niets over. We moeten alles loslaten en achterlaten. Daar blijft niets van over. Psalm 39 zegt zelfs: En men weet niet wie het naar zich nemen zal (Ps.39:7) U kunt nog zoveel in dit leven vergaderd hebben, maar als we sterven en de laatste adem uitblazen, dan houden we niets meer over.

We weten niet wie al het onze naar zich nemen zal.

 

‘Zoeken de dingen die boven zijn, en niet die op de aarde zijn.’

Dat wil zeggen dat wij ons hart gaan stellen op de dingen van God. Dat wij ons hart op de dingen van de Heere gaan stellen.

Dat wij aan Hem gaan vragen:

‘Heere, zou U Uw Geest willen geven, dat Die mij geleide in een effen land?

Zou U mij de hulp van Uw Geest willen schenken? Laat Die mij op mijn paden ten Leidsman wezen. ‘k Hield dan Uw wet, dan leefde ik onbevreesd. Dan zou geen schaamt’ mijn aangezicht bedekken.’

Dan gaan we vragen om de werking van de Heilige Geest.

 

Zegt u misschien dat de weg die dan gegaan moet worden een enge weg is, dat die weg dan een erg nauwe is, dat die erg naar is? Dan moet ik u zeggen dat dat bepaald niet waar is. Die enge weg, die smalle weg, dat pad ten leven, dat is geen nare weg! Het wordt voor degenen die dat pad bewandelen een pad dat vrolijk is. Want: Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart (Ps.97:11).

Dat zijn mensenkinderen die gaan leren Wie de Heere is.

Dat zijn mensen die spreken met de Heere. Die gaan de Heere loven vanwege Zijn genade. Die gaan aan de Heere betuigen hoe lief zij Hem hebben: Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag (Ps.119:97).

Die gaan aan de Heere vertellen hoeveel ze in Hem zien en in Hem vinden.

Die gaan wel aan de Heere zeggen hoe hun hart uitgaat: Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God (Ps.84:3).

Dat zijn mensen die blijdschap hebben in het aannemen van die wegen des Heeren. ‘Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel, in het huis dat Gij U hebt gesticht!’

Dan zijn het mensen die wel eens vrolijkheid hebben in de weg van Zijn inzettingen en die blijdschap hebben in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht.

 

Dat is geen eng pad! Dat is geen naar pad! Dat is geen nauw pad! Dat is een pad van vrolijkheid.

Het pad van de wereld is een eng pad, want daar moet je alles alleen dragen. Elke tegenspoed die komt is een zware tegenspoed, omdat je er niet op gerekend hebt. Dat is een nare tegenspoed, want die moet je alleen op je rug nemen, als een pak dat je mee moet dragen. Je hebt geen toevlucht. Je hebt geen rustplaats. Je hebt geen naam die je kunt aanroepen. Het einde van dat pad is de dood. Het einde van dat pad is het eeuwige verderf.

Dat is een heel naar pad. Dat is een vreselijk eng pad. Dat is een pad dat je verafschuwen moet. Dat is een pad waarvan de dichters in de psalmen hebben gesproken. De eerste psalm vertelt het ons al, wat er met de goddelozen gebeuren zal. Hoor: ‘Geen zondaar zal ’t gewis verderf ontkomen. Maar ’t heilloos spoor der bozen zal vergaan.’

 

Daarom, de keuze is niet moeilijk.

Misschien zegt u: ‘Ja, maar die mensen die de Heere vrezen, dat is toch niet mijn soort. Ik begeef me onder een ander publiek.’ Dan moet ik u zeggen dat u daar niet zo over moet spreken, want de Bijbel zegt dat het koningen zijn. De apostel Petrus zegt: Gij zijt (…) een koninklijk priesterdom (1 Petr.2:9).

Dus het zijn koningen en priesters. Dat is het volk dat God Zich ten erve verkoren heeft en dat Hij zalig maakt. ‘Hetgeen niets is heeft God uitverkoren, opdat Hij hetgeen iets is teniet zou maken.’

Naar het uiterlijk  heeft u wel gelijk,  maar het zijn toch koningen, het zijn priesters, die de Heere geformeerd heeft, opdat ze zouden vertellen de deugden van Degene Die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

Dus kijk maar niet te laag op hen neer. Het volk dat Christus toebehoort is van adel! Het zijn onderdanen van deze Koning, Die in de hemel gezeten is aan de rechterhand van de Vader.

 

‘Door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.’

Wilt u dat? Is dat uw leven geworden?

Dan kan het begin klein zijn, maar dan zeg je toch: ‘Heere, dan weet U toch alle dingen. Dan weet U waar we dat verbond hebben gesloten en waar ik heb gezegd: Heere, dat ik mijn treden zou zetten in Uw spoor. Dan weet U toch van de plaats waar ik het beloofd heb voor Uw aangezicht: Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden. Wil mij voor struikelen bevrijden. Ga mij met Uw heillicht voor.’

Het kan klein zijn, maar de Heere onderwijst ze in de weg die ze te gaan hebben. En dan wordt het zo dat, al gaf je ze alle goed van de hele wereld, ze zouden het ten enenmale verachten. Want voor hen gaat de liefde van Christus al het goed van deze wereld ver te boven.

 

Is het zo in uw leven? O, denk dan aan het einde van dat pad!

Het begin moge klein zijn, maar Paulus, die het pad ten einde gelopen had, die het met vrolijkheid gelopen had, zegt:

Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke ik van de Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het evangelie der genade Gods (Hand.20:24).

Diezelfde Paulus schrijft aan Timotheüs, zijn geliefde metgezel. Het is zowat het laatste woord wat hij geschreven heeft op deze aarde. Hij zegt:

Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd - en daar komt het! - de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning liefgehad hebben (2 Tim.4:7-8).

 

Die krijgen de kroon uit de handen van de rechtvaardige Rechter. Niet omdat ze hem verdiend hebben en niet omdat ze zo goed gelopen hebben, maar wel omdat ze de goede strijd gestreden hebben. Niet ‘goed’ gestreden, maar ‘de goede strijd’ gestreden en de loop beëindigd.

Met verrassing, met verwondering ziet Paulus het: En het geloof behouden… Nu is de kroon voor mij weggelegd!

 

Dan mogen ze bij de Heere zijn. Het is deze Rechter, Die opgevaren is naar de hemel en Die Zijn tegenpand gezonden heeft in het hart, opdat wij zoeken zouden wat daarboven is, en niet wat op de aarde is.

Dan ontvangen ze de eeuwige blijdschap.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 47:3

 

God vaart, voor het oog,
Met gejuich omhoog;
‘t Schel bazuingeluid
Galmt Gods glorie uit.
Heft de lofzang aan;
Zingt Zijn wonderdaân;
Zingt de schoonste stof;
Zingt des Konings lof,
Met een zuiv’re galm,
Met een blijde psalm;
Hij, de Vorst der aard’,
Is die hulde waard.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).