Ds. J. IJsselstein - Genesis 7 : 16b

De ark werd toegesloten

Buitengesloten
Binnengesloten

Genesis 7 : 16b

En de HEERE sloot achter hem toe.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 29: 1, 2
Lezen : Genesis 7: 1-16
Zingen : Psalm 32: 4, 5
Zingen : Psalm 29: 5
Zingen : Psalm 95: 4

Het Woord van de Heere dat wij met u willen overdenken kunt u vinden in het voorgelezen Schriftgedeelte, Genesis 7 vers 16b:

 

               En de Heere sloot achter hem toe.

 

Als thema voor onze overdenking schrijven wij onder dit tekstwoord: De ark werd toegesloten.

 

De gesloten ark plaatst ons vervolgens voor twee mogelijkheden:

1. Buitengesloten – er werden mensen buitengesloten

2. Binnengesloten – Noach en zijn gezin werden binnengesloten

 

1. Buitengesloten

 

Gemeente, het koninkrijk der hemelen is gelijk aan tien maagden. Vijf meisjes waren wijs  en vijf dwaas. Wachtend op de bruidegom vielen ze allemaal in slaap, totdat midden in de nacht het geroep klonk: ‘Zie de bruidegom komt, ga uit hem tegemoet!’ U kent het verloop van de gelijkenis. De vijf wijze meisjes waren gereed en gingen in tot de bruiloft. De vijf dwaze maagden hadden te weinig olie in hun lampen en kwamen te laat. Tevergeefs riepen zij: ‘Doe ons open!’ De deur bleef evenwel voor hen toegesloten.

 

De deur van de ark van Noach was daarentegen tot op het laatste moment wijd geopend. Ziet u het in gedachten voor u? Langzaam begint het grote schip vorm te krijgen. Ongetwijfeld geholpen door allerlei mensen heeft Noach er jarenlang aan gewerkt. Dat grote schip van 150 meter lang moest op Gods bevel gebouwd worden.

Die ark van Noach wijst heen naar Jezus Christus.

Misschien zegt u: ‘Hoe weet u dat zo stellig?’ Wel, Petrus heeft dat geschreven in 1 Petrus 3: In de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus (1 Petr.3:20-21).

Een wat moeilijke tekst, maar duidelijk is hier dat Petrus de ark vergelijkt met de doop. De doop, jongens en meisjes, is niet de afwassing van onze zonde zelf, maar een teken dat naar iets wijst. Het wijst heen naar de afwassing van de zonde door het bloed van de Heere Jezus Christus. In de doop ligt het beeld van afsterven en opstaan; de afwassing van de zonde door het water en het opstaan in een nieuw leven.  Zo is het nu ook met de ark. De ark wijst heen naar de verlossing die in Christus te vinden is. Ieder die buiten de ark is, komt om in de vloed van Gods toorn. Maar wie binnen de ark is, in Christus, is voor tijd en eeuwigheid geborgen.

De doop en de ark zijn beiden het beeld van de weg tot de zaligheid. Alleen in Christus is redding en behoud. Al onze bootjes zinken. Ieder die op eigen kracht zwemt, gaat ten onder. Alleen wie in de ark is, die is gered. Die mens reist veilig, dwars door de stormen van dit leven en komt uiteindelijk behouden aan in de hemelse haven.

 

Ziet u dat immens grote schip voor u? Drie verdiepingen, 150 meter lang, 25 meter breed, 15 meter hoog! Maar let vooral eens op die arbeiders voor de open deur van de ark. Wie zijn deze werkers aan de ark?

In het voorgaande hoofdstuk schrijft Mozes iets over de tijdgenoten van Noach. De zonen van God, mensen uit de lijn van Seth, vermengden zich met de zondige dochters van de mensen uit de lijn van Kaïn. Er staat in Genesis 6 dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij verkozen hadden (Gen.6:2). Met andere woorden: ze zagen dat het knappe vrouwen waren en zijn ermee getrouwd. Zij dwaalden hiermee van de rechte weg af en werden meegesleurd op het pad van de zonde.

 

De goeden verleid door de kwaden. Nee, de zonen van God bleken niet in staat te zijn om de slechten te hervormen, te reformeren, laat staan hen te bekeren. Daarom zegt Paulus: ‘Trek geen juk aan met een ongelovige.’  Met andere woorden: ‘Trouw niet met een buitenkerkelijke, want dat is gevaarlijk.’ En het is nog veel kwalijker als je alleen naar de buitenkant kijkt, naar wat je ziet, en niet naar het hart kijkt.

Jongelui, denk er toch aan: geen juk aantrekken met iemand die ongelovig is! Vraag aan de Heere of je mag trouwen met deze of die vriend of vriendin. Je moet het op je knieën aan de Heere God voorleggen en gewoon eerlijk zeggen: ‘Ik ben smoorverliefd, maar mag ik met hem of haar het leven door?’ Want de slechten van hart nemen de goeden mee op het pad van de zonde.

 

Zo ging het in de eerste wereld. De goddeloosheid nam toe en langzaam maar zeker werd de maat van de ongerechtigheid vol. De Heere zegt door de mond van Mozes in Genesis 6: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens (Gen.6:3). ‘Mijn Geest zal niet altijd hun geweten verontrusten. Mijn geduld is lang, maar niet eindeloos.’

Letterlijk staat er in het vijfde vers: En de Heere zag dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde. De ongerechtigheden en de openlijke zonden waren menigvuldig. En als het om de binnenkant gaat, staat er dat alle overwegingen en bedenkingen in het hart van de mensen te allen dage alleenlijk boos was.

Dus God zag de mensen in schier eindeloos geduld aan; maar toch kwam er een einde aan. Hij zag niet alleen de buitenkant van de mensen aan, maar ook de diepste roerselen van het hart. Het was zoals in Romeinen 3 staat: Er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, er is ook niet tot een toe (Rom.3:11-12).

Hier wordt niet alleen het leven en hart van mensen buiten de kerk getekend, maar ook dat van kerkmensen als u en ik. Voor het oog misschien wel onberispelijk, maar in het hart leeft boosheid, zonde en verdorvenheid. De overlegging van ons hart is ten allen dage alleen maar boos! 

Paulus vergelijkt het menselijk hart zelfs met een graf en zegt: ‘In uw eertijds was u dood in zonden en misdaden.’ Wellicht zegt u: ‘Ja, dat is te begrijpen; het waren heidenen.’  Hoor dan de woorden van de Heere Jezus Zelf. Hij vergelijkt het hart van een kerkmens met een witgepleisterd graf. Misschien wel mooi aan de buitenkant, goed verzorgd en niets op aan te merken. Maar het hart is als dorre doodsbeenderen.

 

Onze vroomheid en rechtzinnigheid maken ons niet aangenaam voor God. Ons hart is een witgepleisterd graf. Mensen zien alleen de buitenkant, maar God kijkt er dwars doorheen en ziet vandaag de binnenzijde van uw hart. Het is zoals Jeremia het uitgedrukt heeft in één van zijn profetieën: Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? Of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen (Jer.13:23).

Misschien denkt u: Waarom bent u zo scherp? Kan het niet wat vriendelijker? Gemeente, de Heere zegt het! Maar tegelijk moet u weten dat het zwaard van Gods Woord gedoopt is in liefde. God wil met dat scherpe en beschuldigende zwaard uw hart doorsteken, opdat u uitroepen zou: ‘Mannen broeders, wat moet ik doen om zalig te worden?’ Opdat u vanuit de nood van uw leven roepen zou tot God om redding en behoud.

Die liefde van God klinkt ook door in de woorden van Mozes in Genesis 6. De toorn van God ligt over het geslacht van de mensen. Maar tegelijkertijd klinkt er iets door vanuit Zijn liefdehart. In vers 6 zien we dat: Toen berouwde het de Heere dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.

 

Als de Heere naar u kijkt, en uw schijnvroomheid ziet en de zonde in het binnenste van uw hart, dan is Hij geen onverschillige toeschouwer. Hij is dan als een Vader Die naar een opstandig en rebellerend kind kijkt, dat weggelopen is en nooit meer terug wil komen. Dat wekt toorn in Zijn hart, maar tegelijkertijd diep verdriet. Woorden schieten tekort om het innerlijke van Gods Wezen te beschrijven.

En het smartte Hem aan Zijn hart. In deze Bijbeltaal klinkt iets door van de liefde van God. Oprechte en hartelijke liefde voor vijanden die, zonder de arbeid van de Heilige Geest, niet kunnen en willen weerkeren tot God, maar die Hij toch roept en nodigt: ‘Komt weder tot Mij!’ Hij beoefent een schier eindeloos geduld. Maar toch, er komt een eind aan…

 

Noach heeft jarenlang gepreekt voor die openstaande deur van de ark. Petrus noemt hem de prediker der gerechtigheid. Hij is bevreesd geworden voor het komende oordeel, staat er in de Hebreeënbrief. En in die vrees heeft hij geprobeerd anderen af te manen van de zonde en het genot van de tijdelijke dingen.

Ook die prediking kwam voort uit het liefdehart van God. De Heere Jezus zegt: ‘In de tijd van Noach liepen ze alleen maar de dingen van deze wereld na. Ze aten, ze dronken, namen ten huwelijk en gaven ten huwelijk, tot op de dag...’ Hoort u het goed? ‘Tot op die dag dat Noach in de ark ging en de zondvloed kwam en allen verdierf.’ Tot op die laatste dag heeft Noach gepreekt, maar de mensen hebben niet geluisterd. Voor een goede beloning wilden ze nog wel meewerken aan dat schip, maar ze hebben de woorden van Noach niet geloofd!

 

Gemeente, hoe lang zit u al onder de prediking van de geopende Ark? Hoe lang hoort u het al dat er een geopende deur en gebaande weg is door het bloed van Christus? Hoe is het met u? Luistert uw hart, of heeft het zich tot nog toe alleen maar verzet? Talloze malen is u aangezegd dat het verdrinken wordt in de vloed van Gods toorn en dat er alleen maar behoud is in de Ark, in Jezus Christus.

De gedachte daaraan heeft Noach bevreesd gemaakt. Zo is het met allen die het Woord van God proberen te vertolken. Ze huiveren bij de gedachte aan het komende oordeel.

Daarom zegt Paulus: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus (…) Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor.5:10-11).

O, besef toch dat u buiten Christus om zult komen! Uw leven loopt gevaar en Gods oordeel nadert. Vlied toch de toekomende toorn! Wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20). 

 

De prediking van Noach liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Jarenlang hebben de mensen het teken gezien van het komende oordeel en van het behoud in de ark. Ook u is in de prediking de Ark geschetst. Jezus Christus, de enige Weg om het oordeel te ontgaan, is u aangewezen. Waarom bent u niet gekomen?

Vele malen is u de opening in de ark helder voor ogen gesteld. Ten diepste verwijst dat naar de geopende zijde van de Heere Jezus Christus waar bloed en water uit vloeide. Bloed tot verzoening van de zonden en water tot reiniging. Wellicht heeft u van heel nabij uw man, vrouw, kinderen, familieleden en anderen zien ingaan in de Ark. Bevreesd voor het komende oordeel hebben zij in de nood geroepen tot God en zijn door genade de Ark ingegaan. Maar u bent buiten gebleven!

 

Misschien heeft u door uw kerkelijke activiteiten wel mee helpen bouwen aan de ark. Maar dat zal u niet redden in de dag van het gericht. De grote levensvraag die ik u in dit uur voorhoud is: bent u in de Ark, of bent u buiten de Ark? Wat dunkt u van de Christus?

Zie toch Gods eindeloze bemoeienis met u. Hoe lang klopt Hij al niet aan de deur van uw hart? Wilt u dan werkelijk uw bekering uitstellen tot op de dag dat u als de dwaze meisjes aan een gesloten deur zult staan? Wilt u werkelijk uw bekering uitstellen tot de laatste dag van uw leven? Zal dat laatste uur u niet als een dief overvallen? Zal de Rechter niet onverwachts in uw leven komen?

 

Gemeente, heden is het de dag der zaligheid!

Indien u buiten blijft zult u voor eeuwig verdrinken in de vloed van Gods toorn.

Niet omdat er geen geopende deur was.

U werd genodigd als de bruiloftsgasten: Alle dingen zijn gereed, komt tot de bruiloft. (Matth.22:4).

Maar u wilde niet ingaan.

 

Zie toch hoe het vergaan is met al degenen die buiten de ark bleven. De deur werd toegesloten. De toorn van God ontbrandt! De fonteinen werden opengebroken en de sluizen des hemels geopend. Rivieren overstroomden en zeeën beefden. En al die mensen zijn verdronken in de zondvloed.

Ze hebben ongetwijfeld geroepen en gebonsd op de deur van de ark, maar het was te laat. Ongetwijfeld zijn ze heengegaan naar de hoogste toppen van de bergen, maar ook daar was geen redding en behoud. In de dag van het oordeel is er alleen redding in de Ark!  

 

Gemeente, ik ben niet in staat om u uw ellendige toestand voor te spiegelen wanneer u buiten Christus blijft.  Als u buiten de Ark bent en het moment van sterven komt. Als u onverwachts voor God staat en de deur der genade voor eeuwig toegesloten zal worden.  

In grote lankmoedigheid heeft God u jaren verdragen, jaren genodigd, maar u wilde niet, u weigerde. O verschrikkelijke gedachte; u zult tot in alle eeuwigheid de beker van Gods toorn drinken en u zult het niet kunnen verdragen.

De gedachte dat u voor een openstaande deur de dood verkozen hebt, zal u tot in eeuwigheid tot wroeging zijn. Dat er een deur open was, dat er een Ark was, maar dat u weigerde binnen te gaan.

Denk niet: ‘Ik ben niet zo slecht als een buitenkerkelijke, ik heb het geprobeerd, maar kan er niet zoveel aan doen. Mijn straf wel meevallen.’ Gemeente, wanneer u buiten Christus sterft, zal het rechtvaardig oordeel van God over uw leven komen: Doch deze Mijn vijanden, die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood (Luk.19:27).

Hoort u het? Er zal niet gezegd worden: ‘Die niet gekund hebben’, maar: ‘Die niet gewíld hebben dat Ik Koning over hen zou zijn.’ Hij zal lachen en spotten als uw vreze komt. 

 

Verachters van de geopende toegang tot de Ark, waarom versmaadt u de boodschap van vrije genade? Bedenk toch op tijd dat die deur eens gesloten zal worden. Kom toch heden tot Christus met uw verlorenheid en schuld, en met de ongevoeligheid van uw hart. Buig aan Zijn voeten en bid of Hij u ontdekken wil en of Hij uw schuld vergeven wil.

Verachters van de liefelijke nodiging van het evangelie, bedenk toch vandaag nog wat tot uw vrede dient. Hoor de stem van Christus: Komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven (Jes.55:3).

Maar bedenk dat wanneer in uw stervensuur de deur toegesloten wordt, het dan te laat is. U zult dan eeuwig terugdenken aan die talloze momenten waarop Christus als de enige weg en het enige middel voor uw ogen afgeschilderd werd. 

O, roep toch in de dag der genade tot God. Want Hij zegt het: Roept Mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal er u uithelpen (Ps. 50:15). Hij roept u toe: ‘Komt tot Mij, hoort, en uw ziel (uw dode ziel) zal leven (Jes. 55:3).

Zo gij Zijn stem dan heden hoort (terwijl de deur nog openstaat), gelooft Zijn heil- en troostrijk woord. Verhard u niet, maar laat u leiden!

 

Voor wij verder gaan met onze tweede gedachte stel ik u voor om samen te zingen Psalm 29 vers 5:

 

‘s Heeren stem ontbloot het woud;
Maar hij, die op God vertrouwt,
Buigt zich veilig, Hem ter eer,
Juichend in Zijn tempel neer.
‘t Is de Heer’, Wiens wenk de stromen
In hun woede kon betomen;
Die, in macht nooit af te meten,
Eeuwig is ten troon gezeten. 

 

2. Binnengesloten

 

Gemeente, mijn woorden schieten tekort om uw toestand te schetsen als u buiten de Ark blijft en om zult komen in de vloed van Gods toorn. Onze eerste gedachte was: buitengesloten. Maar ons tweede punt is: binnengesloten. Het is immers nog het heden der genade! Noach leefde midden in een verdorven wereld. En toch staat er: Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren (Gen.6:8).

 

Genade, jongens en meisjes, betekent dat je iets krijgt wat je totaal niet verdiend hebt. Noach was een mens als al die andere mensen. Ook hij had een hart vol van zonde en ongerechtigheid. Ook van hem gold dat alle overleggingen en gedachten van zijn hart één en al boosheid zijn. Maar de Heere zocht hem op en zag hem in genade aan. En daarom wordt er van Noach geschreven dat hij rechtvaardig en oprecht was, en dat hij wandelde met God.

Noach wist wat onverdiende genade was. Daarom kon hij de toenmalige wereld het behoud in de ark verkondigen. Onverdiende genade! Deze genade wordt u nu nog verkondigd: het kan voor u allen!

 

Het leven van Noach laat iets zien van het werk van God in harten van zondaren. De schrijver van de brief aan de Hebreeën meldt over Noach dat hij bevreesd is geworden voor het toekomende oordeel. Als medezondaar onder al die andere zondaren heeft hij het gevaar ervan onderkend. Zijn ogen werden geopend. Hij leerde buigen voor God en heeft het oordeel geëigend: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

Zo werkt de Heilige Geest ook vandaag nog het roepen in het hart van een zondaar tot God: ‘Er is geen onrecht in U als U mij weg zou doen, want ik heb tegen U gezondigd.’ Nee, zulke mensen willen niet verdrinken, niet omkomen, niet veroordeeld worden, maar ze roepen in de nood van hun leven tot God: ‘Is er een middel, een weg om die welverdiende straf te ontgaan? Heere, hoort U het? Ik heb het geheel verdiend!’ Mensenkinderen die in de nood van hun leven zo tot God roepen, wil Hij redden van het verderf en het oordeel. Maar wel door het middel waarin Hij zelf voorzien heeft.

 

Genade vinden, vrije genade vinden, dat betekent gered worden uit de nood en uit het rechtvaardig oordeel. Door middel van de Ark Die God gegeven heeft. De Hebreeënbrief zegt: Door het geloof heeft Noach de ark toebereid (Hebr.11:7). Alles komt van God. Door het geloof zag Noach op de Ark des behouds: Jezus Christus.

 

Noach bouwt een ark. Gods genade maakt niet werkeloos. Paulus schrijft: Werkt uws zelfs zaligheid met vrees en beven (Fil.2:12). Het is genade, het is God Die in u werkt. Maar genade maakt wel werkzaam. Het leert bidden en smeken aan de troon der genade. Genade maakt ook niet egoïstisch; genade doet worstelen aan de troon der genade voor onszelf en voor anderen. Net als Noach. Hij bouwde een ark. Niet alleen voor zichzelf, maar ook ‘voor zijn huisgezin’; voor zijn vrouw en kinderen.

Kinderen van God, de gedachte is toch onverdraaglijk dat uw vrouw, uw man, uw kind of uw ouders zullen ondergaan, en dat u behouden zult worden? O, worstel dan toch aan de troon der genade voor het behoud van allen die u lief zijn en van allen om u heen.

 

Ongetwijfeld is er jarenlang gebouwd aan de ark en nu zijn de laatste zeven dagen begonnen. Op bevel van hun Schepper komen de dieren eraan. Zie je het voor je, kinderen, de ark, met die grote deur? Er komen twee olifanten. De deur is precies groot genoeg. Twee leeuwen, twee tijgers in soepele tred. Dan twee hagedissen met hun snelle pootjes. Ze rusten even uit, kijken wat rond, maar uiteindelijk zijn ze binnen. Twee vogels vliegen zomaar in één keer naar binnen. En kijk eens goed, daar op de grond lopen twee slakken. Die komen vandaag nog niet binnen. Ze lopen niet hard, maar ze komen wel behouden in de ark.  

Te midden van die grote toegang tot de ark staat Noach te preken. ‘Maar, Noach, kijk toch eens! Hoe moet dat straks met dat grote gat, die deur, die toegang tot de ark? Je hebt dat schip nu wel waterdicht gemaakt, maar hoe krijg je dat grote gat, waar een olifant door past, ooit dicht? Blijft die ark wel drijven?’

Als je naar die grote opening kijkt, moet Noach zich wel diep afhankelijk van God hebben gevoeld. Misschien is het wel de spot geweest van de omstanders: ‘Noach, dat prachtige schip van jou gaat zinken!’

Misschien zou u het wel anders aangepakt hebben. Een eigen berekening gemaakt, een eigen bootje gemaakt. Misschien zijn er in die tijd wel mensen geweest die dachten:  ‘Niet zo’n groot schip met dat gat in de zijkant. Ik maak een eigen bootje. Veel veiliger, mocht die Noach toch gelijk krijgen...’ Maar Noach dacht er anders over!

 

Noach bouwde de ark. Hij bouwde hem zoals God hem die opgedragen had, met dat grote gat in de zijkant. De Hebreeënbrief zegt: Door het geloof heeft Noach de ark toebereid.  Hij rekende niet! Nee, volgens de Hebreeënbrief bouwde hij door geloof; als een vaste grond en een bewijs van de dingen die men hoopt, maar die hij niet zag.

Door dat geloof keek Noach naar dat grote gat. Dat schip zou blijven drijven! Door het geloof werd zijn blik als het ware afgetrokken van het zichtbare, van wat je kunt beredeneren en zelf bedenken. Door het geloof zag hij af van zijn land, zijn goed, zijn huis en alles wat hij achter moest laten. Het deed hem afstand nemen van eigen denken en verstand.

Noach zegt niet: ‘Luister eens, mensen, ik ben oprecht en vroom, maar ik ga het op mijn eigen manier doen. Ik heb een beter idee.’ Nee, door geloof gehoorzaamt hij God en  bouwt hij een ark met een immens groot gat in de zijkant waar twee olifanten door passen.

Hij bouwt niet op eigen berekeningen, op eigen wijsheid, op eigen verstand en op eigen gerechtigheid. Hij ziet van zichzelf af; zijn blik is op God gericht! Dat geeft die man rust en zekerheid, als hij daar midden in het gat van de deur staat en door iedereen wordt uitgelachen.

 

Misschien moet u wel klagen, als u naar uw eigen leven kijkt. U bent misschien al jarenlang verontrust door het komende oordeel dat aangezegd is. Maar u vindt rust noch zekerheid. Mag ik u vragen hoe dat komt? Zoekt u uw behoud in de Ark, of buiten de Ark? Zoekt u rust in uw bekering, uw ijver, uw liefde, uw tranen, in de teksten en beloften die u gekregen hebt? Bent u daarop gaan rusten?

Bouwt u daarmee niet een schip van eigen materiaal? Uw eigen bootje? Denk dan toch eens aan wat Paulus schrijft in Romeinen 4: Degene die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Denk maar aan dat bootje. Maar degene die niet werkt - denk dan aan Noach - maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, die wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid (Rom.4:4-5).

Het bootje van uw eigen gerechtigheid brengt geen rust aan. Dat ding zit vol scheuren. En op de bodem ervan de zware steen van uw hemelhoge schuld. Dat wordt zinken!

 

Gemeente, er is maar één weg! Christus is de enige Weg, de enige Ark die blijft drijven, een Schip dat niet ten onder gaat. Als u nu al jaren rusteloos doortobt met uw zonden, let dan eens op Noach. Hij heeft zijn blik niet geslagen op eigen werk, niet op zijn schip met dat grote gat, maar op God.

Door het geloof heeft Noach de ark gebouwd. O, werp u toch met uw met zonden beladen hart voor de voeten van Christus Jezus. Laat alles toch achter waarop u steunt, laat varen uw eigen werken, uw tranen en uw bekering. Het zal u niet redden van het verderf. Laat het drijfhout van uw eigen ijver en het wrakhout van eigen gerechtigheid toch los!

Vlucht toch met lege handen, door het geloof, zoals de bloedvloeiende vrouw  tot Christus. Ten einde raad is ze heengegaan met haar dodelijke kwaal en heeft ze de zoom van Zijn kleed aangeraakt. Doe dan maar als de vader van de bezeten jongen die onder tranen uitriep: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp! (Mark.9:24)

 

Roept u al zuchtend en met zonde en schuld beladen tot God?

Bedenkt dan dat de Heere Jezus heeft gezegd: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

Er is een open deur waardoor zelfs de onreine en meest verachte dieren twee aan twee  naar binnen gaan.

Zo is uw ziel welkom bij Christus!

 

Het ingaan van Gods kinderen in de Ark is heel verschillend. Let eens op de dieren. Er zijn dieren die pas op die laatste dag binnengingen, en er misschien wel zoals die slak bijna zeven dagen over hebben gedaan. Er zijn ongetwijfeld ook dartele gazelles geweest die zomaar naar binnen gesprongen zijn. En er zijn spreeuwen geweest die zo in één keer naar binnen vlogen. 

Bekommert u zich dan niet in de eerste plaats over de vraag hoe en hoe snel u in de Ark bent gegaan, of zou mogen gaan. Houd u al helemaal niet bezig met de vraag hoe anderen dat gedaan hebben, maar stel uzelf de vraag of u binnen de Ark bent. De levensvraag is of uw ziel door het geloof in Christus geborgen is. Want als u buiten staat en de deur wordt gesloten, dan is het te laat. Maar als u de toevlucht tot Christus Jezus heeft genomen, dan bent u voor eeuwig veilig!

 

Gemeente, ik vraag u niet of u gekozen hebt voor de Ark. Ook niet om de vraag of u gekozen hebt voor Jezus met uw verstand. Nee, het gaat erom of u gekomen bent tot Jezus, en door genade de Ark binnengeleid bent.

Het gaat niet om een verstandelijke keuze, maar om te komen zoals Jeremia heeft gezegd: Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren (Jer.31:9). ‘Allen die tot Christus komen’, schrijft Samuel Rutherford, ‘komen met betraande ogen vanwege hun zonden en vanwege hun schuld.’

De Heere Jezus heeft het gezegd: Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is (Matth.7:21). En wat is de wil van de Vader Die in de hemelen is? Dat u gelooft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God, Die gekomen is als een Zaligmaker van zondaren.

Hij kwam niet voor mensen die alleen maar zeggen: ‘Ik kies voor Jezus’, maar Hij is een Zaligmaker van zondaren, van hoeren, van tollenaren, van vijanden, van verraders en moordenaars van de Gekruisigde. Het bootje van uw verstandelijke keuze en uw eigengerechtigheid is zo lek als een mandje en zal zinken. 

Jezus Christus is gekomen om zondaren zalig te maken. Dat evangelie is voor Joden die vertrouwen op hun eigengerechtigheid een ergernis, en voor verstandige Grieken een dwaasheid. Maar voor degenen die afzien van alles van zichzelf en door het geloof een blik op Jezus slaan, is het een kracht Gods tot zaligheid.

 

De zeven dagen zijn voorbij. God Zelf zegt dan, u kunt het lezen in Genesis 7 vers 1: ‘Noach, ga in de ark.’ Letterlijk staat er in het Hebreeuws: ‘Kom in de ark.’ U zegt: ‘Maakt dat wat uit?’ Ja, dat maakt heel veel uit. ‘Kom in de ark’ betekent dat God Zelf in de ark is. In de ark is het daarom veilig. Het schip zal straks blijven drijven in de stormen en op de wereldzeeën. Want God is binnen in de ark. ‘Kom in de ark’ klinkt het, en dan gaat Noach met de zijnen in de ark.

Gemeente, kinderen, zie eens wat er dan gebeurt! Plotseling, als met een onzichtbare hand, wordt die grote deur, die waarschijnlijk naast de ark heeft gestaan, opgepakt en bewogen. Ziet u het voor u? Onverwacht! De gehele schepping beeft en zwijgt. De deur wordt opgepakt en dat grote gat wordt met een onzichtbare hand gesloten. Hermetisch dicht, waterdicht. Het is ademloos stil. Iedereen kijkt ontsteld. De ark is toegesloten! In onze tekst staat het: De Heere sloot achter hem toe.

 

Onze tekst zegt u dat God als de almachtige Schepper de dieren roept. Maar dan ineens staat er: ‘De Heere, de Verbondsgod, sloot de deur.’ Spotters en goddelozen buitengesloten; Noach binnengesloten. Hij vond genade in de ogen des Heeren. Daar heeft u het woordje ‘genade’ weer.

De Heere, de God van het genadeverbond, heeft de deur veilig en hermetisch toegesloten. Toen Adam in het paradijs was stond hij in het werkverbond. Hij kon vrij kiezen en heeft met ons de zonde gekozen en moest het paradijs verlaten. Maar de ark is het teken van het genadeverbond. Wie daarin is binnengesloten kan er nooit meer uit en zal er nooit meer uit vallen. 

Allen die in Christus Jezus zijn, zijn voor tijd en eeuwigheid veilig. De Heere Jezus heeft het gezegd: Niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader (Joh.10:29). Dat is de troost voor al Gods kinderen. Zij die in Christus zijn, zijn binnengesloten achter de deur van de ark. Zij kunnen er nooit meer uit.  

 

Gemeente, mag ik u nogmaals vragen: bent u in de Ark, of bent u buiten de Ark? Ik vraag u niet of u met de timmerlui en de andere werkers aan de ark, weet hoe de ark er van binnen uitziet. Ik vraag u ook niet of u weet wie er volgens u allemaal in de ark en er buiten zijn. Ik leg de indringende vraag aan uw hart: bent u in de Ark, of bent u buiten de Ark?

Als u mag zeggen: ‘Door eenzijdige genade van God ben ik in de Ark gebracht’, dan is uw ziel voor eeuwig veilig. In de vloed zal uw schip nooit zinken. Als u in Christus bent, zult u nooit omkomen. Wat stormen er ook waaien! Uw schip zal niet omslaan of breken op de rotsen.

In de Ark, in Christus, bent u voor eeuwig veilig. Weet u waarom? Wel, Hij heeft tegen Noach gezegd: ‘Kom binnen!’ Hij is daar Zelf. Daar in Christus Jezus is de enige plek waar u veilig bent. Welke moeite, zorgen, beproevingen en duisternissen er zullen komen in uw leven, in Christus Jezus is rust en houvast.

 

Maar… hoe zal het u vergaan als u buiten de Ark bent?

Hoort u niet het gerommel van de fonteinen der afgronden?

U bent nog buiten.

O, dodelijk gevaar!

Alles wijst op het naderende Godsoordeel.

De deur staat open. Zelfs de onreine dieren komen.

Maar u blijft buiten staan.

 

O, zie toch het dodelijk gevaar van het verachten van het evangelie van Gods genade! Misschien hoort u de nodiging van het evangelie wel, maar zegt u: ‘Ja, maar ik kan er  niets aan doen. Ik ben dood in zonden en misdaden. Ik hoor die nodiging wel om tot de Ark te komen, maar ik kan niet komen. Ik wacht tot het Gods tijd is.’

Gemeente, als u dat doet speelt u met uw leven. Wat u doet is levensgevaarlijk. De laatste dag van uw leven komt met snelle schreden dichterbij. U moet niet zitten en wachten, u moet opstaan en roepen tot God om genade! Zodat uw ziel intijds gered en geborgen is in de enige Ark Jezus Christus.

 

Maar misschien zegt u: ‘Hoe kom ik dan in die Ark? Hoe kom ik in de Heere Jezus Christus?’

Gemeente, op grond van de Schrift moet ik u twee dingen hiervan zeggen. In de eerste plaats is het Gods vrije genade, zoals in het leven van Noach. Hij vond genade in de ogen des Heeren. Het is vrije genade als God zondaren opzoekt en levend maakt en in de Ark brengt.

Maar tegelijkertijd is Hij dezelfde God Die heden zondaren roept en ze in alle ernst tot Zich nodigt. Hij plaatst predikers als Noach in die geopende deur en geeft hen het bevel: ‘Dwing ze om in te komen!’ Zo stelt God allen die de boodschap van Gods Woord proberen te vertolken als Noach in de geopende deur. Om, ziende op het grote gevaar van het komende oordeel, tegen u te zeggen: ‘Kom, want alle dingen zijn gereed! Kom tot de bruiloft!’ 

Mag ik zo nog een ogenblik voor u staan, voor die geopende deur, om u proberen te dwingen in te komen? Met de bede in het hart: ‘Heere, wilt U Zelf harten openen, harten buigen en verbreken, opdat mensen door Uw genade zullen ingaan?’ Zie toch  naar de wereld om u heen. ‘Al wat stof is neemt een end, door de tijd die alles schendt’.

Alles van dit tijdelijke leven gaat voorbij. Uw carrière? ‘Opgaan, blinken en verzinken!’ Waarom vergeet u het heil van uw onsterfelijke ziel? Buiten Christus zult u voor eeuwig verzinken onder de toorn van God. Jesaja roept het u toe dat u de zonden weg moet doen uit uw leven. Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

 

Waarom komt u niet tot de Zaligmaker?

Waarom is uw hart zo vol weerstand en vol van verzet?

Bedenk toch wat tot uw vrede dient!

Het oordeel komt naderbij.

Dikke wolken pakken zich samen. 

Als kaf dat wegwaait voor de wind, gaat uw genadetijd voorbij!

Kijk eens naar de dieren die binnenkomen. De reine dieren, de onreine…

Wilt u dan buiten blijven staan en voor eeuwig omkomen?

De toegang tot de Ark is ruim genoeg om in te gaan.

De weg wordt u gewezen.

Waarom blijft u buiten staan?

 

Calvijn zegt: ‘Niets staat u meer in de weg dan uw eigen ongeloof.’ Door het werk van de Heere Jezus Christus is de weg gebaand en de deur geopend. Zie op de ark, hij is zeewaardig. Hij zal blijven drijven in de zee van de toorn van God. Als u binnen bent zult u behouden worden, maar als u buiten blijft wordt het omkomen.

Kom toch met uw verlorenheid tot Christus, buig aan Zijn voeten en belijd Hem uw zonden. Ga zo roepend om genade in de Ark, voor het voor eeuwig te laat is. Want de dag des Heeren is nabij!

Neem ter harte wat Jesaja heeft gezegd: Huilt gijlieden, want de dag des Heeren is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige. Daarom zullen alle handen slap worden, en aller mensen hart zal versmelten; en zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw (Jes.13:6-8).

 

Zie, de dag des Heeren komt!

De brandende toorn van het Lam zal de zondaars verdelgen!  

Dat zal uw einde zijn als u buiten de Ark blijft.

Bedenk toch heden dat er een gebaande weg is om terug te keren tot God.

Erken slechts uw ongerechtigheid dat u tegen de Heere uw God heeft overtreden en buig toch nu het nog kan.

Het is het heden der genade.

Buig toch aan de voeten van de Zaligmaker van zondaren.

 

U die in de Ark gegaan bent, verheugt u! U vond genade in de ogen des Heeren. Het was genade dat u oog kreeg voor de toorn van God die op uw leven rustte. Het was genade dat u inging in de Ark. De deur is toegesloten en u bent veilig. Het schip van uw leven zal dwars door de stormen heen veilig heengaan naar de haven van het nieuwe Jeruzalem. En daar zult u ontvangen worden door uw Zaligmaker. Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth.25:34).

Wat een blijde dag zal dat zijn, als u uw Koning zult zien! Hij heeft u zo uitnemend liefgehad en Zichzelf voor u in de dood overgegeven. Hij heeft Zijn leven voor u gesteld. Alleen door Zijn genade en Zijn werk bent u in de Ark gebracht. Dat zal de lof en de dank uitmaken van al de Zijnen in het nieuwe Jeruzalem. ‘Het was door U, niet door ons, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 95:4

 

Want Hij is onze God, en wij
Zijn ‘t volk van Zijne heerschappij,
De schapen, die Zijn hand wil weiden;
Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.