Ds. J.W. Verweij - Lukas 2 : 34

Onderwerp

Lukas 2
Christus' komst, die een val en opstanding van velen in Israël zal zijn
Een val van degenen die staan
Een zalig buigen voor Hem
Een opstanding voor hen die in waarheid voor Hem ingevallen zijn

Lukas 2 : 34

Lukas 2
34
En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Lofz. v. Maria: 5
Lezen : Lukas 2: 34-52
Zingen : Psalm 113: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 45: 3
Zingen : Psalm 33: 10

Gemeente, we mogen gaan luisteren naar de boodschap van Gods heilig Woord dat u gelezen is uit het evangelie van Lukas 2 vers 34:

 

En Simeon zegende henlieden en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken dat wedersproken zal worden.

 

Dit tekstgedeelte wijst ons op: Christus’ komst, die een val en opstanding van velen in Israël zal zijn.

 

1. Een val van degenen die staan

2. Een zalig buigen voor Hem

3. Een opstanding voor hen die in waarheid voor Hem ingevallen zijn

 

1. Een val van degenen die staan

 

Ons tekstgedeelte brengt ons in de tempel, in het diepe verval in de dagen waarin de Heere Jezus in deze wereld gekomen is. Hij is gekomen om de beloften die spreken van Zijn Persoon en Zijn komst, in heerlijkheid te vervullen.

Op de veertigste dag wordt Hij als Kindeke door Jozef en Maria naar de tempel gebracht, om alle dingen te gaan vervullen naar de eis van Gods wet. Dan wordt Hij aan de Heere voorgesteld.

En dan vindt er een wonderlijke gebeurtenis plaats. En ziet, er was een mens te Jeruzalem wiens naam was Simeon. Een mens, net als u en ik, een Adamskind, in de diepe verlorenheid en het verval waarin de mens der zonde zijn leven zoekt buiten God en buiten Christus. Maar door Gods genade was deze Simeon van de hemel gearresteerd op zijn zondeweg. Waar en wanneer? Dat staat nergens in de Bijbel. Maar het ís in zijn leven gebeurd. Dat zegt de Heilige Geest door de dienst van Lukas: Deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israëls, en de Heilige Geest was op hem.

Simeon was rechtvaardig. Dat wil niet zeggen dat hij in zichzelf rechtvaardig was, maar dat hij rechtvaardig was in een Ander, en dat hij door de genade van die Ander, van die vertroosting Israëls, zijn leven besteedde in de dienst des Heeren, in het afwijken van alle kwaad, in het wandelen in de vreze des Heeren die doet wijken van alle kwaad, godvrezende.

 

Er staat heel duidelijk wát Simeons verwachting was. Zijn verwachting was als een troosteloze en hopeloze zondaar van de komende vertroosting Israëls, dat is de Christus. Dat is de enige troost beide in leven en in sterven. Daar keek hij naar uit.

De Heilige Geest - dat staat er met nadruk - was hem niet alleen geschonken in de aanneming tot het kindschap, maar was in het bijzonder zijn Leidsman in zijn gang naar de tempel. Hem was een belofte gedaan, een Goddelijke openbaring die gedaan was door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zou zien eer hij de Christus des Heeren zou zien.

Simeon was dus met doodsvrees bezet. Maar God had hem hiermee vertroost, dat hij niet eerder de dood zou zien, dan dat hij mocht weten dat Christus zijn Borg en zijn Zaligmaker was en dat hij getroost kon reizen naar de dood, dat de dood geen dood meer zou zijn en dat de dood verslonden was tot overwinning, omdat Christus de dood voor hem gedood heeft en zijn zonde verzoend en zijn schuld betaald heeft.

 

Daarom was hij door de Heilige Geest in de tempel.  Want Wie is daar? Daar is de vertroosting Israëls. Daar is de Christus! Hij wordt daar als een hulpeloos Kind door Zijn ouders op de veertigste dag van Zijn leven naar de tempel gebracht.

En de Geest was op Simeon; hij kwam door de Geest in de tempel.

En dan staat er direct achteraan: Als de ouders het Kindeke Jezus inbrachten, om naar de gewoonte van de wet met Hem te doen…

Dit staat centraal. De wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden (Joh.1:17). God heeft Mozes daarvoor willen gebruiken. En Jezus, de Wetgever, is gekomen voor de degenen die onder de wet zijn, dat wil zeggen: onder het vonnis van de wet. Hij is gekomen om degenen die in overtreding zijn, van het oordeel van de wet te gaan bevrijden.

Daarom mag hier een veroordeelde zondaar komen, met de belofte dat de Christus der Schriften hem vrij zal maken. Daarom mag die wonderlijke ontmoeting plaatsvinden die door de Heere beloofd was.

 

En dan komt het ogenblik dat Simeon - dat moet je toch durven! - zomaar dat Kind Jezus uit de handen van Maria neemt en in zijn armen neemt. Nee, dat is geen vrijpostigheid. Dat is ook geen bijzondere vrijmoedigheid van Simeon. Dat is de geloofsdaad die God hem geeft. Er zijn meer kinderen in de tempel geweest, maar door het geloof heeft Simeon geweten dat dit Kind de Christus der Schriften, zijn God en zijn Koning is.

Zo mag het waar worden: Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien. Nee, niet zijn natuurlijke ogen, maar in de eerste plaats zijn gelóófsogen. Die hebben ‘Uw zaligheid’ gezien!

Hoort u het wat er staat? Er staat niet ‘mijn zaligheid’, maar: Uw zaligheid. Dat is de Zaligmaker. Dat is Hij naar Wie uitgezien wordt door al degenen die - met Simeon - recht en grondig aan hun zonden en ellenden ontdekt zijn geworden. Zij kunnen zonder deze enige Zaligmaker niet zalig worden. Want buiten Jezus is er geen zaligheid. Dat maakt Jezus noodzakelijk, dierbaar en gepast, voor allen die met hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden.

 

Daar mag Simeon zijn mond over gaan openen en mag hij gaan zeggen wat God heeft te zeggen. Want Simeon spreekt hier niet zelf, maar de Heere spreekt door de mond van deze oude pelgrim. Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken: een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.

Dus die worden apart genoemd: eerst de heidenen en dan Israël, en dan de heerlijkheid over dat volk van Israël door deze volkomen Zaligmaker.

En dan komt de verwondering die God in het hart van Jozef en Maria nalaat. Er staat: En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.

 

En dan gaat het zich nog nader toespitsen in onze tekst en daar mogen we naar luisteren: En Simeon zegende henlieden. Is Simeon priester? Heeft Simeon de bevoegdheid om te zegenen?

Dat moeten we maar niet vragen, want door Wie zegent hij? Door de Fontein van de zegeningen Die in zijn armen ligt, mag Simeon zegenen. Die Fontein van zegeningen is door God geopend. Hij is een vloek geworden, om voor vervloekten de zegeningen te gaan verwerven door Zijn bitter lijden en sterven.

Simeon mag dus nog verder kijken als dat hij alleen maar dat Kind in zijn armen heeft. Hij weet dat hij het Lam Gods in zijn armen heeft. Daarom heeft hij mogen zingen: ‘Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord. Want mijn zonden hebt U aan Hem toegerekend en mijn vloek hebt U op Hem gelegd. Mijn dood heeft Hij willen doden en mijn leven en mijn zaligheid is Hij!’

 

Kent u Hem zo? Is Hij u zo geopenbaard en verklaard, zoals er in het leven van Simeon plaatsgemaakt is voor deze Zaligmaker door de weg van de ontdekking aan het recht Gods, waarin de zonde gekend en de schuld beweend, beleefd en beleden wordt?

Dan wordt de overtreding voor Gods aangezicht neergelegd. Dan wordt vergeving gezocht in het bloed van het Lam. Dan gaat de noodzakelijkheid van dat schuldovernemende en betalende Lam Gods onze ziel bezetten. Daarom had God aan Simeon die belofte gedaan, dat hij niet sterven zou eer hij de Christus der Schriften zou mogen omhelzen.

Hier is dat ogenblik gekomen. Daarom mag hij het uitzingen: ‘Nu laat Gij mij los, nu mag ik in vrijheid heengaan, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt, niet alleen voor mij, maar voor het aangezicht van al de volken en voor Uw volk Israël.’

 

Daarom is er de zegen, omdat Simeon mag weten dat de vloek op Golgotha door Hem tenietgedaan zal worden. Dat mag hij onverdiend, uit genade, door de verdienste en offerande van dat gezegende Godslam ontvangen. Daarom mag hij het tegen Jozef en Maria zeggen dat ze in Hem gezegend zijn.

Wat een wonder! Een zegen uit de doorboorde middelaarshanden van Hem Die straks weer ten hemel vaart, als Hij uit de doden opgewekt is. Dan laat Hij Zijn gemeente zegenend achter en mag getuigd worden: Jezus leeft en regeert over de ganse wereld en het voornemen van de Vader, door de dienst van Zijn Knecht, gaat gelukkiglijk voort, onder al de volken en over Israël.

 

Daarom klinken daar bijzondere woorden. En zeide tot Maria, Zijn moeder… Een wonderlijk getuigenis! Hij spreekt door de dienst van Christus, de allerhoogste Profeet. Die laat hem die woorden spreken die hij moet spreken, tot onderwijzing, tot vertroosting, tot bemoediging. Het blijft niet zoals het nu is en zoals het geweest is.

U moet maar aan die wonderlijke gang denken, waarmee ze in Bethlehem gekomen zijn. Waarmee ze op Gods tijd haar eerstgeboren Zoon en Gods eniggeboren Zoon ter wereld heeft mogen brengen en dat die verborgen geboorte van de hemel in de velden van Efratha bekendgemaakt is. Dat de Heere door de dienst van de engelen heeft laten uitzingen waar het God om te doen is: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. En dat de herders uit de mond van de engelen hebben gehoord: Dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.

 

Toen zijn ze gegaan. Ze hebben zich gehaast om in Bethlehem te komen en ze hebben Hem gevonden Die hun ziel liefhad en Die gekomen is om voor hen de zaligheid te openbaren. Die zaligheid die zo verborgen was, maar die geopenbaard en verklaard is geworden in de doodsnacht van hun leven.

Ze hebben er tegen Jozef en Maria over gesproken. Ze hebben mogen zien hoe de Allerhoogste Zijn belofte heeft vervuld. Ze hebben de heerlijkheid van Zijn volk Israël mogen aanschouwen.

 

Jozef en Maria zijn op Gods tijd naar Jeruzalem gereisd. Of dat vanuit Bethlehem of vanuit Nazareth was weten we niet. Daar in Jeruzalem hebben ze een andere gang gevonden. Allerlei mensen gingen naar de tempel om hun plichten te vervullen, maar de kilte straalde af van de dienst van mensen aan God. Het ware leven, lieven en loven werd er niet gevonden. Maar de dienst van God naar de mensen, dát is de dienst waarin de warmte van de eeuwige liefde van de Vader zich openbaart.

Jozef en Maria hebben iets ervaren van de warmte van de Allerhoogste, in Christus, maar nu zijn ze terechtgekomen in de kilte van een godsdienst zonder God, die in de vorm het leven zoekt en niet vindt.

 

Daar komen ze in de tempel. En zomaar, in het midden van het gewoel, komt daar Simeon. Hij neemt ineens dat Kind uit Maria’s armen en gaat spreken. Nee, geen lege woorden, want alles wat hij zegt is geest en leven. Dat is uit Hem, door Hem en voor Hem en voor hen die een onbegrepen weg moesten gaan.

Simeon wordt door de hemel gebruikt om te zeggen: ‘Jozef en Maria (in het bijzonder Maria), het blijft zo niet. Het wordt anders!’ Daarom staat er in de tekst: En Simeon zegende henlieden. Dus de zegen gaat aan het onderwijs vooraf. De zegen is feitelijk de motor waaruit het onderwijs voort gaat vloeien, uit Hem Die hun Leidsman is. Daar ligt hun Leidsman in de armen van Simeon. En Simeon gaat tegen die moeder zeggen: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël.

 

De Heere Jezus heeft dit uitgetekend in de gelijkenis van twee mensen die naar de tempel gingen.

De farizeeër voorin de tempel; er was niemand die het zo goed met zichzelf had getroffen als hij. Hij had niets aan God te vragen, hij hád alles. Hij dankte God over het feit dat hij niet zo was als andere mensen.

En daar achterin staat die tollenaar, die zijn ogen niet durft op te heffen naar de hemel. Die weet Wie God is. Die farizeeër dénkt dat hij God kent en dat hij zijn rijkdom God kan aanbieden en dat God iets van hem nodig heeft. Die godsdienstige mensen zijn er ook op de dag dat Jozef en Maria naar de tempel komen, om de Heere Jezus daar voor te stellen aan de Heere. Deze Jezus is bereidwillig om te gaan doen wat Hij van eeuwigheid op Zich genomen heeft. En uiteindelijk zijn er maar twee - straks komt Anna er ook bij - die tot Hem komen en door de Heilige Geest tot Hem geleid worden.

Jezus is hier als een Magneet. Hij trekt allen aan die van eeuwigheid door de Vader gekend zijn en door Zijn vaderlijke liefde getrokken zijn uit de duisternis tot het wonderbare Licht.

Zij zijn met Simeon overtuigd van hun zonden, van hun nameloze ellende, van hun dood, dwaasheid en goddeloosheid voor God. Zij zoeken Hem bij dagen en bij nachten. Ze worden door Hem vertroost. Het is in henzelf onmogelijk om zalig te worden, maar door de beloften van het evangelie wordt verzegeld dat het in Hem mogelijk wordt! Dat wonder gaat Simeon uitzingen.

 

Simeon zegt: ‘Let erop, Maria, wat er met dit Kind gaat gebeuren en wat door deze Held zal uitgewerkt worden. Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël.

Kent u die farizeeër, gemeente? De tollenaar kende die farizeeër; zo was hij voor die tijd ook geweest. Maar de farizeeër kende die tollenaar niet. Dan moet je uit God geboren worden, om die farizeeër in jezelf te leren kennen en als een tollenaar voor Gods aangezicht niet meer waardig te worden dat je nog een plaats in Gods huis mag innemen. Dan erken je het niet waard te zijn dat de hemel nog bemoeienissen maakt met zulke ellendige zondaren, die het zo doorgebracht hebben.

Daarom gaat Simeon aan de waarheid getuigenis geven: ‘Zie, Maria, wat er gaat gebeuren: Deze Koning word gezet tot een val en tot een opstanding van velen in Israël.’

 

Dat ‘gezet worden’ is ontleend aan Jesaja 8. Het gaat daar over het richten van de Allerhoogste over Israël, maar nog meer over de doodsvijanden van Israël, de Syriërs, Dan lezen we: De Heere der heirscharen, Die zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw Vreze en Hij zij uw Verschrikking (Jes.8:13).

Dat is Hij geworden in het leven van Simeon. Hij vreesde Hem en hij was verschrikt voor Zijn aangezicht.

Vervolgens lezen we in Jesaja 8: Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een Steen des aanstoots en tot een Rotssteen der struikeling de twee huizen van Israël, tot een Strik en tot een Net de inwoners te Jeruzalem (Jes.8:14).

Hier is die Rotssteen! Daar heeft Mozes al van gesproken in het boek Deuteronomium. Als hij over de Christus spreekt, dan spreekt hij over de Rotssteen Wiens werk volkomen is. Dat is Jezus. Dat is de Rotssteen. Daar gaat Petrus later in zijn brief ook over spreken. Die Rotssteen is een steen des aanstoots, waarover velen zullen struikelen. En de Heere zal richten.

In datzelfde hoofdstuk van Jesaja lezen we: Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder Mijn leerlingen (Jes.8:16). Leerlingen zijn discipelen. Bind de getuigenis toe wil zeggen: verzegel de waarheid dat Sion door recht verlost zal worden en dat al degenen die Hem zullen ontmoeten, door Hem en voor Hem moeten vallen.

 

Is dat gebeurd? U ontmoet Hem vandaag niet voor het éérst in de bediening van het Woord. Als de Heere u vandaag al de keren dat u onder dat Woord heeft mogen komen voor ogen stelt, wat dan? Misschien staat u nog steeds rechtop voor die Koning der koningen. U zult uw knieën wel buigen voor uw morgen- en avondgebed, maar hebt u in waarheid de knie des harten voor Koning Jezus gebogen?

Hier zijn ze, bij wie dat in hun leven gebeurd is: Jozef, Maria, Simeon en straks Anna die insgelijks de Heere heeft beleden.

Bent u van de hoogte van de zelfvergoding afgekomen? Op die hoogte staan wij namelijk. Daar staan niet alleen de Joden, maar álle mensen! Wij allen hebben in Adam het verbond met God verbroken. We zijn tegen God opgestaan en hebben gezegd: ‘Wij zijn goden en wij maken de dienst uit.’ Dat is de keus van de mens van de 21e eeuw. Dat is in het paradijs begonnen, dus er is niets nieuws onder de zon.

 

Maar de genade van deze God en Zaligmaker brengt een waarachtige vernedering van het hart. Dat doet ons buigen voor deze uitnemende Koning. Dan gaan we het bekennen dat God ons in de bediening van Zijn Woord vermaand heeft om ons te vernederen onder de krachtige hand Gods, maar dat we staande zijn gebleven.

Als de Heilige Geest er in meekomt, dan wordt het waar dat we zo blind zijn, in onszelf zo rijk. Dan gaat die Geest ons ontdekken hoe nameloos arm we zijn. Hij leert dat we de gerechtigheid die ten leven is niet bij onszelf kunnen en hoeven te zoeken, want die is er niet. Die hoef je nooit meer te zoeken, want die wordt niet meer gevonden. Die gerechtigheid moet je buiten jezelf zoeken. En ook de heiligheid die u nodig heeft om de Heilige te ontmoeten, vloeit uit Christus voort. Heiligheid en gerechtigheid horen onlosmakelijk in Hem bij elkaar. Hij schenkt een volkómen verlossing!

Omdat deze Bevrijder aan Simeon geopenbaard werd, kon hij zingen: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.

 

Zijn we zo door Gods genade van de troon afgekomen, gemeente? Hebben we gebogen en mógen buigen voor het aangezicht van de hoge God? Zijn we het niet waardig geworden dat God nog naar ons omziet en dat Hij nog bemoeienissen met ons maakt?

Daarom is het zo’n wonder dat Hij, door de dienst van Simeon, die arme Maria, die arme nakomelingen uit het huis van David, gaat zégenen.

Dat ging door een weg van beproeving, van bestrijding, van aanvechtingen. Het leek of Jozef en Maria in hun gang naar Jeruzalem gemeden werden. Maar daar komt zomaar iemand die hen van de hemel wordt toegeschikt, en die gaat deze wonderlijke, Goddelijke woorden spreken, tot hun troost en zaligheid. Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël.

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. Een zalig buigen voor Hem

 

Simeon heeft mogen buigen, Jozef heeft mogen buigen, Maria heeft mogen buigen, Anna heeft mogen buigen, maar nu is de vraag: heb ik al mogen buigen? Daar gaat het over; dat ik dóór Hem de strijd tégen Hem heb mogen verliezen. In dat teken staat ons leven toch? We houden onszelf op de been, we strijden… Zonder Jezus verliezen we het nooit voor het aangezicht van de levende God.

Daarom dat wonder dat Hij ons vernedert en verootmoedigt voor Zijn aangezicht. En dat het dan beleefd mag worden: ‘Zalig niets te wezen in ons eigen oog voor God.’

Hoe ver kunnen Gods kinderen daar vandaan zijn! Ze hebben die plaats door genade mogen leren innemen. Als de minste en geringste onder alle zondaren, is het hun ontdekt dat ze als een waardeloze en goddeloze in zichzelf niet waardig waren dat de hemel zich neerboog tot zulke ellendigen. Maar ze hebben ook ervaren dat God nu tot die ellendigen wilde spreken en ze wilde verwaardigen om de laagste plaats aan Zijn gezegende voeten te mogen innemen en dat Hij de hoogste plaats in hun zielen ontving.

 

Wonderlijk en verrassend is de geloofsgang van Jozef en Maria naar de tempel. Op de veertigste dag moesten ze hun Kind aan de Heere voorstellen. Dat Kind had van eeuwigheid de leiding in hun leven genomen en nu gaat Hij ze leiden en wijs maken tot zaligheid, door de dienst van die oude pelgrim.

Deze Simeon zegt: Deze wordt gezet… De volle nadruk valt op ‘Deze’, Wie Hij is: die volkomen Zaligmaker, die Held bij Wie God hulp besteld heeft en Die machtig is om te verlossen. Hij heeft dat grote werk tot zaligheid van eeuwigheid op Zich genomen. En nu, in de tijd, geeft Hij Zich als Borg en Zaligmaker in kinderlijke overgave over aan Zijn Vader.

 

Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël. Hier schittert de heerlijkheid van Vorst Messias. Dat ziet Simeon. Hij ziet niet als alle andere mensen. Die zien maar een gewoon kind. Door het geloof ziet Simeon die Held bij Wie de Vader hulp besteld heeft en Die machtig is om te verlossen. Daar spreekt hij van en daarvan moet hij tegen Maria zeggen: Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël.

Zijn we gevállen? Weet u wat de Heere zegt? Dat de Joden moeten vallen. En dat de Joden zúllen vallen. Dat staat er. En dat mogen wij maar niet invullen, zoals het lang gebeurd is, dat de kerk uit de heidenen de vervanging is van Israël. Dat staat er niet. Nee, er staat dat de Joden de strijd tegen Vorst Messias, tegen Jezus van Nazareth, moeten en mogen verliezen. Over dat wonder lezen we hier.

En dat zal gezien en gehoord worden. Dat kan niet verborgen blijven, als de almachtige God door Zijn Zoon een einde gaat maken aan de vijandschap van de Joden, ja, een eind gaat maken aan mijn vijandschap tegen Jezus van Nazareth. Dat gebeurt als de liefde Gods in het hart word uitgestort, die tot hartelijke wederliefde gaat nopen. Als de Heilige Geest komt, Die ons gaat overtuigen, naar de woorden van Jezus, van zonde. Welke zonde? De zonde dat we Hem niets geacht hebben en dat we al die jaren onder Zijn Woord hebben gezeten en gedaan hebben alsof de Koning der koningen niet aan het Woord was en van mij eiste, door de dienst van Zijn knechten: Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd (1 Petr.5:6).

Dat is de eis die de hemel niet alleen op de harten van de Joden legt, maar ook op de harten van heidenen en op de harten van al de volkeren die datzelfde Woord van Koning Jezus mogen horen en geroepen worden. Die eis ligt er in het aanbrengen van het verbondsteken, het merk- en veldteken van Koning Jezus. De eis van de nieuwe gehoorzaamheid.

 

Buigt u dan in ’t stof

En verheft met lof

’t Heilig Opperwezen,

Wilt Het eeuwig vrezen.

 

Is het gebeurd? Heb je het verloren? Heb je gecapituleerd voor deze Koning? En is de laagste plaats in je leven de beminnelijkste plaats geworden? Om aan zijn voeten nog een plaats te mogen ontvangen… En dat zullen de Joden ontvangen.

 

Feitelijk strijden wij een verloren strijd. Het is een onheilige oorlog die we in het paradijs tegen God zijn aangegaan. We komen er van onszelf nooit meer op terug. Maar aan die onheilige oorlog tegen God en tegen Christus, maakt Christus Zelf een eind. Op Zijn tijd en op Zijn wijze. Zo komt Hij het waar te maken: Niet door kracht, noch door geweld,  maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen (Zach.4:6).

 

Deze - dat hulpeloze Kind, in de ogen van mensen - is gezet tot een val en een opstanding van velen in Israël. Hier staan ze om Hem heen. Zij mogen dat wonderlijke Kind ontvangen uit de handen van de hemelse Vader. Zij mogen hun zaligheid vinden in deze volkomen Zaligmaker. Nee, zij zoeken hun zaligheid niet meer buiten Jezus, want al wat aan Jezus is, is gans begeerlijk.

Kom, bent u zo van de troon, in de diepte van de vernedering terechtgekomen? Hebt u het wonder van de zaligmakende overtuiging van de Heilige Geest in uw leven mogen leren kennen? Hebt u zich met een Simeon, een Jozef en een Maria, met een Anna, leren kennen als de ellendigste van alle mensenkinderen, voor wie deze Vorst Messias alles geworden is, omdat Hij de uitnemenste is onder alle mensenkinderen, omdat genade op Zijn lippen is uitgestort?

Hij heeft Zichzelf een hemelse ontvangst bereid in het hart en leven van Jozef. Daar geeft het Woord getuigenis van. En ook in het hart en leven van Maria, een jonge vrouw van veertien of vijftien jaar. Jozef is misschien begin twintig geweest of misschien ouder, we weten het niet. Jezus heeft Zichzelf ook een hemelse ontvangst bereid in het hart en leven van deze Simeon, die aan de avond van zijn leven was. En straks in het hart van die oude weduwe. Zij gaan het lied van de bevrijding uitzingen en een getuigenis geven dat het werk van Jezus Zich daarin zal openbaren wat David van Hem voorgezongen heeft:

 

Ja, elk der vorsten zal zich buigen

En vallen voor Hem neer,

Al ‘t heidendom Zijn lof getuigen,

Dienstvaardig tot Zijn eer.

‘t Behoeftig volk in hunne noden,

In hun ellend’ en pijn,

Gans hulpeloos tot Hem gevloden,

Zal Hij ten redder zijn.

 

Luister eens: dat geldt alle volkeren! Maar hier staat in het bijzonder: Tot een val en een opstanding van velen in Israël, en tot een teken dat wedersproken zal worden.

Daar gaan we op letten in onze derde gedachte, maar we zingen eerst uit Psalm 45 en daarvan het derde vers:

 

Uw pijlen, fel van Uwen boog gedreven,
Zijn scherp, en doen gehele volken beven;
Zij vellen neer wat Uw vermogen tart,
En dringen diep in ‘s vijands wreev’lig hart.
Gij zult, o God, in eeuwigheid bekleden,
De vaste troon van Uw gerechtigheden;
De rijksstaf, die Uw hoge Majesteit
In ‘t Godsrijk zwaait, heerst met rechtmatigheid. 

 

Voor we op onze derde gedachte letten, willen we eerst even luisteren naar het tweede gedeelte dat Maria gehoord heeft uit de mond van Simeon: Tot een val en opstanding van velen in Israël. En dan moeten we maar luisteren naar hetgeen de moeder des Heeren zelf van Hem gezegd heeft. Zij heeft in haar lofzang de lof uitgezongen van haar God en Zaligmaker. Ze zingt daar ook wat we lezen in het eerste hoofdstuk, vers 51: Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.

Wat Simeon  gaat profeteren, dat heeft Maria hem al voorgezongen door de genade van haar God en van haar Koning. Ze gaat zeggen: ‘Hij is geen Koning van rijke mensen en van mensen die rijk en bezittend zijn in hun oog voor God, en die Hem wat aan te bieden hebben. Nee, Hij is de Koning voor de armen en de ellendigen.’

Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm. De arm is in de Bijbel het teken van Zijn almachtige kracht. Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk door deze Held, Die door Zijn almachtige arm de dingen die er niet zijn roept alsof ze er waren.

Hoe is het mogelijk om iemand die in verhevenheid de gedachte heeft dat hij ongenaakbaar is, van zijn troon af te stoten? Wie zal naderen tot iemand die in verhevenheid de hemel uitdaagt? De Heere komt vrij en almachtig, door Zijn genade, door die Held, Die Koning der koningen. Hij gaat intrek nemen in de harten van zulken die zo hoog verheven waren, die door de genade van deze almachtige Koning waar zien worden: Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm.

 

Bent u al van de hoogte in de diepte terechtgekomen? Bent u al gevallen? Gevallen van uw hoge troon, van de zetel van uw eer? Maria heeft het beleefd en heeft het uitgezongen, dat Hij dat deed. Hoort u het? Zo heeft Simeon nagezongen.

En weet u wat hij nu gaat zeggen tegen Maria? Hij zegt: ‘Hij gaat door, onder Zijn volk. Hij is gezet tot een val en opstanding van velen in Israël.’ En Maria had gezongen: Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten. Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd (Luk.1:51-52).

Hoort u wat Koning Jezus vermag? Hij heeft machtigen van de troon afgetrokken. Daar ziet geen mens kans voor. En nederigen heeft Hij verhoogd. Hij heeft ze verhoogd en de plaats der eer gegeven.

En dan komt vers 53 en dat is het slotstuk van de lofzang van Maria: Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden. En nu komt het vervolg van de profetie van Simeon: een val en opstanding van velen in Israël.

 

3. Een opstanding voor hen die in waarheid voor Hem ingevallen zijn

 

De opstanding, komt die bij de mensen vandaan? Iemand die van de hemel afgevallen is, kan zichzelf nooit meer oprichten. Heb je dat geleerd? Wat God vernederd heeft, kan zichzelf nooit meer oprichten. Dat moet van de hemel opgericht worden. Daarom staat er: een val en opstanding.

Exegetisch horen deze twee dingen onlosmakelijk bij elkaar. Degene die in waarheid door en voor Koning Jezus is ingevallen, zoals in de lofzang van Maria en in de lofzang die al Gods kinderen uit gaan zingen, die zal te Zijner tijd verhoogd worden.

Dat hoort er onlosmakelijk bij: val én opstanding. Het is niet van elkaar te scheiden. Dus de Heere gaat hen vernederen in de mate waarmee Hij ze aan de grond brengt. In de ware verootmoediging voor Zijn aangezicht doet Hij hen bukken, buigen en betuigen dat ze niet meer waardig zijn dat God hun nog ooit een plaats der eer zou willen en kunnen bereiden. Dat Hij het kan, dat geloven ze. Maar zou Hij dat aan zo één willen doen?

Misschien bent u vandaag zo door de Geest naar Gods huis gekomen - net als Simeon, Jozef en Maria - en heeft het Gode behaagd om door de dienst van dat Kind, van deze Zaligmaker, Zijn mond tot u te openen en te gaan zeggen dat er niet alleen een val is door en voor Jezus, maar dat er ook een opstanding zal zijn in heerlijkheid. Onuitsprekelijk!

Die opstanding zal hier plaatsvinden in het uur dat Hij u voorbijgaat, niet als een wandelaar, maar dat Hij tot u inkeert en dat Hij het waar zal maken wat Hij eenmaal door de dienst van de profeet Ezechiël sprak tot Israël dat zo gezondigd had. Israël had het zo laag laten liggen en moest onder de tuchtiging van de Allerhoogste doorgaan.

De Heere laat aan Ezechiël zien hoe het met Israël gesteld is: een dorre doodsvallei, overal de dood. En dan moet Ezechiël profeteren: Gij geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden (Ez.37:9). En dan komen die doden overeind. Die dorre doodsbeenderen gaan op de prediking van het Woord van Jezus leven. En dan komt de Geest en de Geest gaat bijeenvoegen wat bij elkaar hoort en wat in heerlijkheid voor Zijn aangezicht gesteld zal worden.

 

Deze is gezet tot een val en opstanding van velen in Israël. Dat getuigenis zegt ons dat de toekomst van Koning Jezus zich in glorie en heerlijkheid zal openbaren. Hij zal uit de heidenen Zijn kerk vergaderen, uit alle geslachten, talen, volkeren en natiën. En Israël zal bekennen dat Jezus van Nazareth de enige en volkomen Zaligmaker is. Ze zullen bekennen dat ze geen andere messias hoeven te verwachten en dat ze er niet op hoeven te rekenen dat Jezus de tempel weer zal herbouwen, maar dat Hij bezig is met de bouw van dat geestelijke huis, uit alle geslachten van de heidenen, uit alle talen en tongen van de aarde, maar ook in het bijzonder uit Zijn volk Israël.

Dat heeft Simeon mogen uitzingen voor de oren van Maria, toen ze als het ware in de geloofsbeproeving, in de geloofsvernedering terechtkwam. Ze werd buitengesloten onder de openbaring van zoveel godsdienst die niet naar Jezus vroeg. Maar toen zag ze die oude Simeon over het tempelplein naderen, die van de hemel ging uitzingen Wie Jezus was.

 

Zijn er hier in de gemeente zulke oude pelgrims? Dan kunt u net als Simeon zeggen: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijn eigen hebben Uw zaligheid gezien.

Hebben jullie ogen, jongens en meisjes, die zaligheid in Hem gezien? De wereld heeft je niks te bieden; die gaat voorbij met al haar begeerlijkheid. Maar wie de wil van God doet, die blijft tot in der eeuwigheid.

 

Tenslotte zegt Simeon nog: en tot een teken dat wedersproken zal worden. Een teken, dat wil dus zeggen: een openbaring van iets dat verborgen is, wat in een teken openbaar wordt. De rook is een teken dat er ergens een vuur is. Al zie je dat vuur niet, dan weet je aan de rook dat er vuur moet zijn.

Nu, het getuigenis van Jezus is een teken dat wedersproken zal worden. En nu hoeft u dat tegenspreken niet bij uw buurman te zoeken, want dat zit in mijn hart en in uw hart.

Tegenspreken is feitelijk tegen God zeggen dat het niet waar is en dat Hij niet kan wat er van Hem gezegd is. En dat het ook niet zal gebeuren. Dat weet u echter niet; dat weet God alleen. Een teken dat tegengesproken zal worden…

Het teken van Jezus is bijvoorbeeld het symbool van het kruis. Dat teken is door zovelen tegengesproken. Velen zijn er, tot op de dag van vandaag, die het getuigenis van Jezus in hun zielen tegenspreken en ten diepste zeggen wat ook mijn doen en laten is. Dat hoeft u niet bij een Jood of bij een Arabier of bij een islamiet te zoeken, dat leeft in ons aller hart: ‘Buigen? Dat nooit!’

Maar wat een wonder als Jezus aan het woord komt door de dienst van misschien zo’n oude pelgrim Simeon, die de waarheid gaat zeggen. Die moet het verliezen en zegt daarbij tegen u: ‘Je kunt en mag het verliezen.’

Wat een wonder, als we verliezers mogen worden. Als we het voor Gods aangezicht zo mogen verliezen, dat we het niet meer waardig zijn om nog opgericht te worden en meegenomen te worden. Dan komt Jezus. En dan komt Hij zo wonderlijk en zo verrassend, zoals Hij hier gekomen is in het leven van Jozef en Maria.

 

In het beginsel van de lijdensgang van het Lam, klinkt hier als het ware een stem die ondersteunt en sterkt en zegt dat het goed uit zal komen. Want Hij is de Held Die het waar zal maken dat alle knie zich voor Hem zal buigen en voor Hem zal neervallen.

Is het gebeurd? Als het nog niet gebeurd is, ben je nog niet te oud om te buigen. Misschien kunt u de lichamelijke knieën niet meer buigen, maar die God is machtig om als de Almachtige in het suizen van een zachte stilte, in de avond van het leven dat harde hart te breken en te verbrijzelen.

Hij is machtig om je in waarheid voor het aangezicht van deze Koning, als de onwaardigste van alle zondaren, tot Hem te wenden, het van Hem te verwachten en het bij Hem alleen te zoeken. Dan zult u zien welk een heerlijk Koning Jezus is.

 

Die Koning alleen is waardig gediend en gevreesd te worden. De duivel is het niet waard om een minuut gediend te worden. Die duivel is het waard om alleen maar de scheidbrief te ontvangen en vandaag uit uw en jouw mond en hart te horen: ‘Henen uit, met de hele zondedienst!’

Door de genade van Vorst Imanuël mag u overwonnen en ingewonnen worden om te buigen en te vallen en te betuigen: ‘Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensenkind!’ Maar aan de andere zijde te bidden en te verwachten: ‘Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden.’

 

Jezus word verheerlijkt, gemeente. Daar hoeft u niks aan te doen hoor, dat doet Hij Zelf. En door wie wordt Hij verheerlijkt? Luister maar: door die Geest, Die het uit het Zijne zal nemen en in ons zal verheerlijken.

Zullen straks de Joden u en mij voorgaan? Zullen ze tot een beschamend voorbeeld zijn als ze het voor het aangezicht van Vorst Messias hebben mogen verliezen en weer opgericht mogen worden? Misschien gebeurt dat publiek en nationaal, dat weten we niet. Het zou kunnen gebeuren dat Zijn getuigenis gebruikt zal mogen worden, te midden van al de volkeren die de dood en ondergang van iedere Jood zoeken, dat ze van de hemel verwaardigd worden om Hem plechtig eer en dank te bewijzen.

Uit hoeveel ellende en lijden en uit hoeveel verdrukking en vervolging heeft de Allerhoogste ze al willen bewaren en in stand willen houden tot op de dag van vandaag. En het is waar wat David op zijn sterfbed zong: ‘Ja, elk der vorsten zal zich buigen en vallen voor Hem neer.’ En dan zingt hij in Psalm 68 wie die vorsten zijn. Ze komen aan en ze zullen de lof en de heerlijkheid van Vorst Messias mogen uitzingen, omdat Hij Zijn woord vervuld heeft dat Hij gesproken heeft door de dienst van Simeon aan Maria, Zijn moeder.

 

Weet u wat het moederschap betekent? Weet u wie uw moeder is? U zegt wellicht: ‘Ja, dát is mijn moeder.’ Maar hebt u nóg een moeder? De kerk is uw moeder. Als de hemelse Vader uw Vader geworden is in Christus Jezus, dan wordt u gevoed uit de twee borsten die kerk van de hemel heeft ontvangen: uit het Woord en uit de bediening van de sacramenten.

Zo houdt de Heere Zijn kinderen in stand. Zo zullen ze, te midden van al degenen die hen naar het leven staan, getuigenis aan Hem mogen geven door Wie ze het leven hebben ontvangen en door Wie ze het leven in heerlijkheid straks in eeuwigheid mogen bezitten.

 

‘Zo moet de Koning eeuwig leven!’
Bidt elk met diep ontzag;
Men zal Hem ‘t goud van Scheba geven,
Hem zeeg’nen, dag bij dag.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 33:10

 

Zijn machtig’ arm beschermt de vromen,
En redt hun zielen van de dood;
Hij zal hen nimmer om doen komen
In dure tijd en hongersnood.
In de grootste smarten
Blijven onze harten
In de Heer’ gerust;
‘k Zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn Helper heten,
Al mijn hoop en lust.