Ds. R. Kattenberg - Zondag 13

Onderwerp

Het laatste stuk van het tweede artikel van de Twaalf Artikelen
Gods eniggeboren Zoon
Gods aangenomen kinderen
Onze Heere

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 105: 1, 3
Lezen : Mattheüs 26: 57-68
Zingen : Psalm 2: 4, 6
Zingen : Psalm 145: 2
Zingen : Psalm 72: 6
Zingen : Psalm 110: 2

Wij geven onze aandacht aan Zondag 13 uit de Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 33: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Antwoord: Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is, maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen.

 

               Vraag 34: Waarom noemt gij Hem onze Heere?

Antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij van de duivel heeft verlost, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt.

 

Het gaat in deze dienst over: Het laatste stuk van het tweede artikel van de Twaalf Artikelen. Want dat tweede artikel in zijn geheel luidt: ‘En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere.’ Nu gaat het dus over het laatste stukje daarvan.

 

Hier is sprake van:

1. Gods eniggeboren Zoon

2. Gods aangenomen kinderen

3. Onze Heere

 

1. Gods eniggeboren Zoon

 

Wie is God? God is de Vader van onze Heere Jezus Christus. Die God heeft de wereld zo liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die gelooft in Hem niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven zal hebben. De Vader heeft Zijn Zoon gegeven en de Zoon heeft Zichzelf gegeven. Door het geloof in die Zoon, de Zaligmaker van de wereld, mag een zondaar zich een kind van God noemen.

Moet je bij die belijdenis je verstand uitschakelen? Denk eens aan die prachtige woorden uit Psalm 119: ‘Geef mij verstand met goddelijk licht bestraald.’ Alles is donker en duister in je bestaan. Wat zul je dan van God zeggen? Maar waar het verstand bestraald wordt met goddelijk licht, daar kan het niet anders of daar wordt gesproken in geloof. ‘Ik geloof in God de Vader, ik geloof in God de Zoon.’

Zijn dan alle vragen opgelost? Heb je dan geen problemen meer? Zeg je dan tegen een ander: ‘Als je dat nu ook gelooft, dan is de zaak beklonken en dan zijn er geen moeiten meer’? Ik denk dat het andersom is; dat waar het geloof recht beoefend wordt, dat daar de zorgen zijn. Zeker, ook de blijdschap, maar óók de zorg. Want dan krijgt u met uw zonden te maken en met uw schuld voor het aangezicht van God. Daar ga je buiten het zien op de Heere en op Zijn zaligheid makkelijk omheen.

Iemand zegt: ‘Iedereen is zondaar. Kan ik het helpen?’ Maar als de lijn gelegd wordt van bovenaf naar beneden, naar uw hart, dan krijgt u met uw zonden te doen en met uw schuld, elke dag en steeds opnieuw. Zeker, dan mag u ook weten van vergeving, maar dat zullen we niet anders dan in alle kleinheid kunnen belijden.

Dus de problemen zijn dan niet allemaal opgelost, maar het geloof zegt: ‘Eén ding weet ik, en dat is dit: als ik mij toevertrouw aan God de Allerhoogste, met heel mijn leven, dan zal ik met Hem niet beschaamd uitkomen.’

 

Wij mensen willen graag eerst onze vragen beantwoord hebben. En er kúnnen aangrijpende worstelingen in ons leven zijn! Maar… God wil eerst Zelf aan het woord komen. God wil eerst Zíjn vragen aan óns kwijt. Hij legt Zijn vragen en Zijn opmerkingen aan de deur van ons hart: ‘Luister nu eerst eens naar Mij.’

Is het goed in je leven? Nee, het deugt niet in je leven. En dan komt God om ons te waarschuwen. We zijn soms al dankbaar als mensen ons waarschuwen: ‘Meneer, mevrouw, daar mag u niet rijden!’ ‘O, dank u wel, fijn dat u dat tegen me zegt.’ Nu komt God vandaag en Hij zegt: ‘Mens, zoals u geboren bent, gaat het verkeerd in uw leven. Zo gaat het richting de ondergang.’ Vandaar de roepstem: Bekeert u! Draai u om!

 

God heeft kinderen. God heeft kinderen om der wille van Zijn Zoon, Die Hij gegeven heeft. Zo roemt hier het geloof, midden in een aangevochten wereld: ‘Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn? Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is, maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen.’

Als je de vraagstelling hoort, dan valt het op dat de catechismus hier het eeuwige en natuurlijke zoonschap van de Heere Jezus niet stelt als een theologische kwestie. De catechismus wil u zo graag meenemen op de weg van de belijdenis.

God heeft één Zoon en God heeft veel kinderen. We vragen aan de kinderen: Jij bent een kind van papa en mama. Ben je nu ook kind van God? Want dat is het allerbelangrijkste. Er zijn ook kinderen die geen papa of geen mama meer hebben. Maar als je Gód hebt, dan kan het nooit verkeerd gaan in je leven.

 

Op dat zoonschap van de Heere Jezus Christus zit het eigenlijk al de eeuwen door vast. Dat is - zeg maar - de breuklijn in de wereld. De breuklijn ook in ons leven. Daar staat of valt ons leven mee, met dat zoonschap van de Heere Jezus Christus.

We hebben samen een stukje gelezen uit het lijdensevangelie. Dan merkt u al dat dat eigenlijk de clou van de zaak is. Als de Heere Jezus voor Kajafas staat, dan zegt die man: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zoon van God (Matth.26:63). Hoort u wel? En dan zegt de Heere Jezus heel nadrukkelijk: ‘Jazeker, dat ben Ik.’ Dan is Kajafas uit zijn doen. Althans, hij doet alsof. ‘Nou, heb je dat gehoord? Godslastering! Deze bespottelijke mens, zou dat de Zoon van God zijn? Geen sprake van!’ Hij vraagt het aan zijn medebroeders: ‘Wat vinden jullie er van?’ En hun antwoord klinkt: Hij is des doods schuldig (Matth.26:66). Dit de Zoon van God? Merkt u, daar draait het om. Want als ze dát gehoord hebben, dán zeggen ze: Hij is des doods schuldig.

 

En nu een ander plaatje. De kinderen hebben vast eens van Saulus van Tarsen gehoord. Dat is dezelfde als Paulus. Op een heel bijzondere manier is de Heere Jezus hem verschenen op de weg naar Damaskus. En dan komt hij in een donkere kamer. Hij eet en drinkt een paar dagen niet. Uiteindelijk wordt hij gedoopt. En als hij dan naar buiten komt, wat doet hij dan? We lezen: En hij predikte terstond Christus in de synagogen… Weet je wat er achter staat? …dat Hij de Zoon van God is (Hand.9:20).

Die Jezus, Die hij vervolgd heeft tot in de dood, Die heeft Zich zó geopenbaard dat Paulus zegt: ‘Mensen, Hij is het! Hij is de Zoon van God.’ Als hij geroepen wordt om te preken, dan is dat het eerste wat hij zegt: ‘Hij is de Zoon van God!’

 

En gemeente, de één zegt: ‘Hij is niet de Zoon van God. Dat is onbestaanbaar.’ De ander zegt: ‘Hij is het en geen ander.’ Waar zit ú? Het is óf het één, óf het ander. Je kunt hier niet ergens tussenin gaan zitten.

Die tegenstelling van ‘Hij is het wel, Hij is het niet’, die vind je nu al de eeuwen door. In de vroegchristelijke kerk, in de vierde eeuw, was daar Arius, een ketter die loochende dat Jezus God was.

Ook in onze tijd hoor je die geluiden. Je hoort bijvoorbeeld zeggen: ‘Je kunt hoogstens zeggen dat Jezus de Zoon van God gewórden is. Door alles wat Jezus gedaan heeft, kun je Hem wel de Zoon van God noemen.’

Gelukkig hebben we een weerwoord vanuit de Schrift. Dat allereerst. Maar ook vanuit onze belijdenis. Athanasius heeft zijn geloofsbelijdenis geschreven tegen de Arianen in.

 

En wat toen speelde, dat is ook vandaag aan de orde van de dag. Hoe wordt Jezus’ naam in onze tijd genoemd? Hoe triest is het dat Zijn naam door veel mensen alleen maar in een vloek genoemd wordt. Er zijn kinderen die Jezus’ naam noemen en eigenlijk niet weten wat ze zeggen en over Wie ze het hebben. Daarom weten we ons geroepen tot het evangelisatiewerk, ook naar de kinderen, om ze hopelijk iets over te dragen van wat deze naam nu betekent. Om te vertellen dat die naam niet als een vloek gebruikt moet worden, maar dat het nu de rijkste en heerlijkste naam op deze wereld is.

Als de naam van Jezus nog genoemd wordt, dan is Hij vaak niet meer dan een mens. We spreken dan ook tegenwoordig wel van ‘de theologie van onderop’. Een theologie van onderen naar boven. Maar het Woord van de Heere is juist omgekeerd. Dat komt van bovenaf naar beneden. In de theologie van onderop mag Jezus best een groot profeet zijn; dat wordt in de islam ook beweerd. Maar houdt er rekening mee: in deze gedachtegang blijft Hij wel mens. Anderen zeggen: ‘Jezus? Dat was een revolutionair of een vernieuwingsleraar of een voorbeeld voor de lijdende mens. Maar Jezus de Zoon van God? Nee…’

De worsteling om het zoonschap van de Heere Jezus zal er blijven. Zolang deze wereld bestaat zal dat een onderwerp van kritiek zijn. Daar zal tegenaan geschopt worden.

Wíe doet dat? Dat doen wij, mensen. En nu ga ik de schuld niet doorschuiven; daarom begin ik met te zeggen: Wij mensen doen dat. Maar er is er nog één, die daar grote belangstelling voor heeft. Dan weet u wel wie: de tegenstander van God. De kinderen weten wie dat is: de duivel. Gemeente, de duivel is er alles aan gelegen dat níet beleden wordt dat Jezus de Zoon van God is. Daarom is hij erop uit om die belijdenis te vernietigen en om het geloof in de eeuwige natuurlijke Zoon van God tegen te staan.

Het is nodig dat we verstand hebben, met goddelijk licht bestraald. Maar als God ons met verstand gezegend heeft, dan mogen we dat ook gebruiken om te proberen iets te doordenken in dit verband. Kijk, als Jezus nu niet de eeuwige Zoon is, dan is het volgende dat je zegt: ‘Dan is er ook geen eeuwige Vader.’ Dan zakt alles als een kaartenhuis ineen, als het gaat om de zaligheid van zondaren. Als de eeuwige glorie en heerlijkheid van de Vader en van de Zoon verworpen zijn, dan gaat de rest vanzelf.

 

Dat is ook het breekijzer van de vorst der duisternis, ook in de wereld waarin wij leven. Zeker ook in West-Europa, waar zoveel dingen omvergehaald zijn en nog meer omvergehaald zal worden. Híer zit het ten diepste op vast. ‘Kruis Hem, kruis Hem! Weg met Hem! Wij willen niet dat ons van Jezus gesproken wordt, en wij willen van God niet horen.’

In die aangevochten wereld, in die worsteling van de eeuwen, staan we ook vandaag, als kleine mensjes. Wat voor verweer hebt u? Wat voor verweer heb jij? Wat voor verweer hebben wij? Dat is dit, wat hier staat. En dat is tegelijk ook de blijde jubel van het geloof: ‘Ik geloof in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon.’ Niet: ‘Ik begrijp’, maar: ‘Ik geloof!’

 

Dat is zo’n rijke belijdenis! Daar zit zoveel in. Zoveel troost ook, ook vandaag. Misschien zit je met veel vragen, met de nood van je leven, met schuld. Misschien voel je je als het ware klemgereden door God. Je roept: ‘Wie zal mij nu vrij maken? Wie kan mij nu toch helpen? Wie kan mij verlossen?’ Hoor dan: omdat Christus Gods Zoon is, omdat Hij God is, is Hij ook almachtig. En als ú er niet uit komt, dan wil Híj er in komen.

U kunt uw banden niet verbreken en u kunt van uw zonden niet afkomen. Het is nodig dat Híj komt! Als u blijft steken in de onmogelijkheden, doet Híj het in uw leven. Hij komt er dwars doorheen. Dan zingt de dichter: ‘Hij deed mij in de ruimte gaan!’

Laat in uw strijd, in uw aanvechting, in de moeiten van uw leven, het oog mogen gevestigd zijn op Hem, door het geloof. Als de Zoon u vrijgemaakt zal hebben, dan zult u werkelijk vrij zijn.

 

Jezus is de Christus, de Zoon van God. Hij is almachtig, maar ook alomtegenwoordig. Er is geen plek waar Hij niet is. Ook vandaag is Hij onder ons in het kleed van Zijn evangelie en Hij wacht om genadig te zijn. De Heere Jezus zegt het ook vandaag: ‘Laat de kinderen tot Mij komen!’ Hij roept onze meisjes en jongens. Hij roept u als u ouder geworden bent. De zomen van Zijn kleed hangen laag.

En dan denkt u natuurlijk aan de bloedvloeiende vrouw. Die geschiedenis kennen de kinderen ook als ze al wat langer op school zitten. Die vrouw die zo ziek was en naar zoveel dokters geweest was, die kwam in geloof naar Jezus: ‘Als ik nu de zoom van Zijn kleed mag aanraken, zomaar even… dán zal ik beter zijn.’

Is dat ook uw hoopvolle verwachting, ook vandaag, om de zoom van Zijn kleed aan te raken in al uw nood en moeite? Christus laat Zich immers prediken opdat we gebruik van Hem zouden maken. Dat is de ernst van de prediking. Dat is de ernst ook van het zitten onder het Woord van God. Christus laat Zich prediken opdat u gebruik van Hem zult maken.

Daarom is Hij afgedaald in deze verloren wereld. ‘Hij kwam van alzo hoge, van alzo veer.’ Hij kwam van boven naar beneden. Stel, gemeente, dat u van beneden naar boven zou moeten. Dat u het bij God zou moeten klaar maken. Dat u zou zeggen: ‘Ik moet dit en ik moet dat.’ Opklimmen tot God in de hemel, dat lukt u nooit.

Weet u wie daar ook mee gezeten heeft? Luther. ‘Ik moet dit, ik moet dat.’ Totdat de Heere - ik zeg het met mijn woorden - tegen hem zei: ‘Maarten, dat lukt je niet. Het hóeft ook niet. U hóeft niet naar boven te komen, want Ik ben in Mijn Zoon naar beneden gekomen.’

 

Bij die dingen staan we voor de vraag: ‘Heere, wat heeft U bewogen om Uw eniggeboren Zoon in deze wereld te geven?’ Bent u zo goed, dat u dat verdiend hebt? Jij? Hebben wij zoveel goede werken dat we zouden zeggen: ‘Dat was te verwachten dat God Zijn Zoon aan ons zou geven’?

Gemeente, wat is er voor goeds in de mens te vinden? De wereld, u en ik, heel het menselijk geslacht, we liggen in doem en schuld voor God. De oorzaak daarvan vinden we in Genesis 3. Toen hebben we ons van God losgescheurd. Vanwege onze val hebben we ons weg gezondigd uit de gemeenschap van God. Nu is er niets in ons dat eraan denkt om terug te keren naar God.

Maar nu heeft God gedachten van vrede! Hij zegt: ‘Maar Ik kom wel tot u!’ Gemeente, wat is dat? Dat is nu welbehagen. Dat is nu liefde. En wie zo in het hart van God ziet, wie zo dat welbehagen ziet, als een rijke openbaring van de genade van God, die heeft nauwelijks woorden meer. Maar toch nog genoeg woorden om te zeggen: ‘Nu is Christus niet alleen de eeuwige en natuurlijke Zoon van God, maar nu zijn wij ook om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen.’

 

Daarmee zijn we bij onze tweede gedachte. We zingen eerst uit Psalm 145 vers 2:

 

Ik zal, o Heer’, dien ik mijn Koning noem,

De luister van Uw majesteit en roem
Verbreiden, en Uw wonderlijke daân
Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
De grote kracht van Uwen arm verhogen;
Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,
En overal Uw grootheid openbaren. 

 

Het laatste stuk van het tweede artikel van de Twaalf Artikelen. Wij hebben gelet op Gods eniggeboren Zoon en nu op:

2. Gods aangenomen kinderen

 

We lezen: ‘Wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen.’ Gemeente, wat is het een indrukwekkende genade, wat is het de grootste genade, om kind van God te zijn. Daar staat iets tegenover: van nature zijn we kinderen van de toorn. Kinderen van de toorn van God namelijk.

Een kind van de toorn kan een kind van God worden… Dat ligt nogal een eind uit elkaar. In Psalm 103 zingen we van het westen en het oosten, die zo onmetelijk ver van elkaar verwijderd zijn. Nou, zo ook als het om deze begrippen gaat: kind van de toorn of kind van God.

 

En dan vraag je natuurlijk: hoe word je dat nu, een kind van God? Dat is een vraag waar het ons allemaal om moet gaan. Het antwoord op die vraag staat in het stukje wat we nu aan het overdenken zijn. Het is door aanneming van de kant van God.

Die aanneming van God tot Zijn kind zou je kunnen splitsen in tweeën. Je kunt over het kind van God zijn spreken in een ruimere zin en in een engere zin. In een algemene zin en in een bijzondere zin.

 

Eerst dat kind van God zijn in ruimere, in algemene zin. Als de Heere met Zijn volk Israël Zijn verbond sluit aan de Sinaï, dan neemt Hij heel het volk aan als Zijn volk. Alle mensen. Staan we er bij in onze gedachten? Je ziet moeders met baby’s op de arm. Je ziet oude mensen die nauwelijks meer lopen kunnen… Allemaal onder dat ene Woord.

Gemeente, dat heeft ook ons veel te zeggen. Het is dus een gemeente onder het ene Woord. De Heere heeft niet gezegd: ‘Laat die kinderen maar thuis hoor. Of zet die kinderen maar ergens anders, die kunnen dan daar wel naar iets luisteren.’ Nee, allemaal onder het ene Woord van God, onder het spreken van God de Allerhoogste. Allemaal! Tegen allemaal zegt de Heere: ‘U bent Mijn volk.’ Hij zegt ergens: ‘Ze hebben Mijn kinderen genomen en ze hebben die geofferd aan Moloch.’ Mijn kinderen… uit kracht van het verbond.

En gemeente, dat verbond van God is er ook vandaag. Als we gedoopt zijn en als we leven op het erf van het verbond, dan heeft de Heere ons aangenomen tot Zijn kinderen. In onderscheid van de wereld namelijk. De Heere heeft ons apart gezet. Met jou, zegt God, wil Ik in het bijzonder ook praten. Dat kun je zien op je voorhoofd, want je bent gedoopt. Je bent onderscheiden van de wereld.

Wat een goedheid van God! Dat is anderzijds ook van onze kant een hele grote verantwoordelijkheid. Dan zien we dat volk van Israël even later gaan, verder de woestijn door. En als ze dan als volk aankomen in het beloofde land, in Kanaän, wat zie je dan? Dat er maar weinig meer zijn van vroeger. Ze zijn wel uit Egypte uitgegaan. De Heere heeft het laten horen: Ik ben de Heere uw God (Ex.20:2), maar ze zijn niet aangekomen in het beloofde land. Waarom niet? Omdat ze hun hart onthielden aan God. Omdat ze niet wilden dat God Koning zou zijn van hun leven.

God had hen wel aangenomen tot Zijn kinderen in ruimere zin. De Heere Jezus spreekt in het Nieuwe Testament zelfs over het feit dat ze kinderen zijn van het koninkrijk. Gemeente, ik zeg vandaag tegen u, met de hand op de Bijbel: U bent kind van het koninkrijk. Dan zegt u: ‘Ja, kinderen van het koninkrijk…?’ Het feit dat u een kind van het koninkrijk bent maakt de zaak zoveel te ernstiger, want dan zegt de Heere Jezus erachter: ‘Denk erom: kinderen van het koninkrijk zullen buiten geworpen worden.’ Dat is een waarschuwing tegen automatisme.

Deze woorden van de Heere Jezus zijn ook een waarschuwing tegen een spreken als: ‘Ja, maar het gaat zomaar niet, er moet heel wat gebeuren.’ Dat weet de Heere Jezus ook, met eerbied gezegd. Maar Hij zet u wel klem, door te zeggen: ‘U bent kind van het koninkrijk.’ Dat hebben we vanmorgen gehoord. Dat was het eerste wat God tegen u zei: Ik ben de Heere uw God.

Zo was het ook met oud Israël. Maar je ziet bij velen van hen geen kinderlijke vreze. Dan is er niet het leven voor de Heere. Dan is er niet de liefde in het hart en geen gehoorzaamheid. En zo zijn ze omgekomen…

 

Wat is het nodig dat kinderen van het verbond zich bekeren. Daartoe brengt God u onder Zijn Woord en Hij laat het u horen dat Hij u roept. Hij maant u om tot Hem te komen.

En het Woord in de hand van de Heilige Geest, werkt ook vandaag wonderen. Wonderen van levendmaking. Wonderen van bekering. U moet maar eens lezen wat de Dordtse Leerregels over die bekering zeggen. Dat is die levendmaking, die groter is dan de schepping van hemel en van aarde. Het is dus niet zomaar iets. Het is ook niet uit ons. Het komt bij God vandaan. Het is het werk van God, zonder ons in ons.

En daarom, wat is het een uitermate verkeerde gedachte als we menen dat we van huis uit wel goed zitten. Dat we denken dat we wel kind van God zijn. Je wordt niet als kind van God geboren, in die diepe betekenis van het woord.

 

Hoe word je dan écht een kind van God, in die bijzondere zin, in die engere betekenis? We worden alleen een kind van God, staat hier, uit genáde. En dat is precies genoeg. U zegt: ‘Dat is ook niet veel: uit genade…’ Maar dat is het wel. Uit genade, om Zijnentwil, om Christus’ wil.

Dat is een prachtig woord, gemeente. Want dat sluit alles wat van u is en wat van mij is, ten enenmale uit. De Heere neemt ons niet aan tot Zijn kinderen omdat we het zo graag willen of omdat we zo ernstig zijn of omdat we er zo mee bezig zijn. Ik zeg natuurlijk niet dat u het niet ernstig moet nemen. Ik zeg ook niet dat u er niet mee bezig moet zijn. Maar er zijn mensen die daar de grond van de zaligheid van maken. Dan is het: ‘Die is er zo erg mee bezig en die ligt het zo na aan het hart…’

Gemeente, God slaat alles weg. Uit genade, om Christus’ wil! Dat wilt u misschien niet. Dat vindt u eigenlijk maar niks, als u zo aan de dijk gezet wordt met heel uw hebben en houden. Maar dat is Bijbels. Er staat in de Schrift dat de Heere zegt: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn heilige naam (Ez.36:22).

 

Dat is wederom geboren worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Want dan ziet God je niet langer aan in Adam, maar dan ziet God je aan in Christus. Dan rekent Hij je de gerechtigheid van Christus toe. En alleen in Christus’ mantel ingehuld, vinden we bedekking voor onze schuld. Alleen in Christus ben je een nieuw schepsel.

Kijk, dat is Gods aanneming, oftewel Gods adoptie. Wat is dat een nameloos groot wonder! Wie zal nu een vijand adopteren als zijn kind? God doet dat! God doet dat met mensen zoals u en jij en ik. Hij neemt vijanden tot Zijn kinderen aan, uit genade, om Christus’ wil.

Daarom, als je kinderen van God zoekt, dan moet je altijd in de laagte zijn. Daar belijdt de mens het: ‘Heere, maar dat heb ik helemaal niet verdiend. Daar heb ik het helemaal niet naar gemaakt.’ En hoe verder de Heere Zijn kinderen brengt, hoe meer dat dat de praktijk van het leven is. Dan wordt het wonder al groter.

Weten de kinderen wat Paulus van zichzelf gezegd heeft? Hij zegt: ‘Ik ben de voornaamste van de zondaren, de ergste van de zondaren, de grootste van de zondaren, maar aan mij is barmhartigheid geschied.’ Nu zegt Paulus tegen jullie vandaag: ‘Moet je luisteren: als ík zalig kon worden, zou jij dan niet zalig kunnen worden? Ik was de ergste van allemaal. Het bloed van de christenen kleefde aan mijn vingers. En kijk eens wat God gewerkt heeft in mijn leven!’

 

Gemeente, hoe nodig is het dan om alles in jezelf te verliezen, om de weg van afbraak te gaan. En als de Heere die weg met u gaat, denk dan niet dat dat een vreemde weg is, want zo kom je uit bij wat Ethan zong: ‘Door U, alleen door U, om Uw eeuwig welbehagen!’ Dan ga je het zien: ‘Niets uit ons, maar alles uit Hem!’

Dan mogen de kinderen van God heel verschillend zijn - en dat zijn ze! - maar dan spitst de roemtaal van hun leven zich toch toe op die twee woorden waar we nu mee afsluiten: ‘Onze Heere…’

Dat is onze derde gedachte. Eerst zingen we Psalm 72 vers 6:

 

               Ja, elk der vorsten zal zich buigen

               En vallen voor Hem neer;

               Al ‘t heidendom Zijn lof getuigen,

               Dienstvaardig tot Zijn eer.

               ‘t Behoeftig volk, in hunne noden,

               In hun ellend’ en pijn,

               Gans hulpeloos tot Hem gevloden,

               Zal Hij ten redder zijn.

 

Onze Heere… Dat is de laatste van de vier sprekende namen van de Zaligmaker der wereld, zoals Hij tot ons komt in de belijdenis van het geloof. De eerste naam was Jezus, de tweede naam was Christus, de derde Gods eniggeboren Zoon, en nu sluit het af met:

 

3. Onze Heere

 

Twee woorden, die allebei hun accent krijgen. We beginnen bij dat laatste: Heere. Die naam komt van een Grieks woordje: kurios. Dan denken we aan een versje vanuit de kersttijd: Kyrie Eleis - Ontfermt U Zich, Heere. Dat is een woord dat de evangelisten overnamen uit de wereld van hun tijd. In die tijd werd de naam kurios gebruikt voor de keizer van Rome. Wie is de heer van alles? De keizer van Rome. Die is de baas van de wereld. Dat is de omschrijving van het woordje kurios: de opperheer, de regeerder van alle dingen, hij die het overal voor het zeggen heeft.

En zie nu, gemeente, hoe God de Vader deze naam gaat bestemmen voor Zijn Zoon. Zo heeft deze naam ook een plaats gekregen in het Woord van God.

De kinderen weten hoe de geboorte van de Heere Jezus verkondigd is door de engelen aan de herders in de velden van Efratha. Midden in de nacht ging de hemel open en werd de boodschap gebracht ‘dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere, de Kurios, in de stad van David’.

Vele keren zal Lukas die titel voor de Heere Jezus gebruiken. En ook de apostelen doen dat. Overal waar u in het Nieuwe Testament de naam Heere tegenkomt, daar komt dat vanuit het Griekse Kurios. Dan wordt de naam Heere ook niet meer met hoofdletters geschreven. Die naam met hoofdletters wijst op het oude verbond, op de God van het verbond. Maar Heere in het Nieuwe Testament, dat is met één hoofdletter, wijst op de Kurios, de Beheerder en Regeerder van alles.

 

Wie heeft het voor het zeggen? Onze Heere! Dat klinkt dwars door al de stemmen, ook van de wereld van vandaag, heen. Wij hebben het over de leiders van de wereld en de groten van deze aarde. En zo mogen we ook spreken. Maar is er nu in dat spreken ook deze belijdenis: ‘Christus, onze Heere’? Daarmee worden alle aardse machthebbers teruggedreven, op hun plaats gezet.

Dan mogen we vragen: ‘Heere, mogen we samen met die mensen Uw heerschappij belijden en uitspreken?’ Dat is een zegen, als de groten van de aarde en de groten van het land die belijdenis door het geloof ook de hunne mogen weten. Dat ze er in meegaan als er gevraagd wordt: ‘Waarom noemt gij Hem onze Heere? Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed heeft gekocht.’

 

‘Onze Heere.’ Hier hoort u in het kort de lofzang van het geloof, zoals die ook gezongen is in Zondag 1. U dacht misschien al bij het antwoord: waar heb ik die woorden nu toch meer gehoord? Die hebt u gehoord in de eerste Zondag: ‘Wat is uw enige troost in leven en in sterven? Dat ik met lichaam en ziel het eigendom ben van mijn Zaligmaker.’ Nou, zo hier ook: ‘Omdat Hij ons met lichaam en ziel heeft gekocht.’ Gij zijt duur gekocht (1 Kor.6:20). U bent gekocht en betaald.

En dan moet u opletten. Wat nu in Zondag 1 de enkeling belijdt, dat breidt zich hier uit. Hier spreekt de kerk van alle eeuwen, al de heiligen Gods: ‘Hij is onze Heere.’ Dat is meervoud. Hier is de verbondenheid van de kerk van alle eeuwen. Het lijkt ook wel alsof al de heiligen Gods naar elkaar toe kruipen en ook steun aan elkaar mogen ontlenen in zo’n aangevochten wereld.

We mogen staan, ook in de wereld van vandaag, op de schouders van het voorgeslacht. Vergeet uw belijdenis niet! Er zijn zoveel groepen en bewegingen die de belijdenis opzijschuiven. ‘De belijdenis is maar een menselijk geschrift; het gaat om het Woord!’ Zijn de belijdenissen niet geënt op het Woord? En heeft de Heere ons daarin niet zoveel meegegeven, dat we ook vandaag mogen zeggen: ‘Heere, dank U wel dat U daarvoor gezorgd hebt’?

Wij hoeven het wiel, ook het evangelische wiel, niet uit te vinden. De Heere heeft zoveel meegegeven door de tijden der eeuwen heen. Maak werk van het Woord en maak werk van de belijdenis die stoelt op het Woord van God.

Aan deze belijdenis hangt bloed. Allereerst van de Heere Jezus Zelf. Maar daar hangt ook bloed van de martelaren uit de Tachtigjarige Oorlog aan. Van mensen die de brandstapels opgingen, mensen van wie het hoofd eraf gehakt werd, te gruwelijk om te bedenken… En toch: onze Heere!

Dat is nu de kracht van het bloed, zoals dat hier ook genoemd wordt. Het bloed van het Lam. Het bloed van Christus. Zijn dierbaar, Zijn kostbaar bloed… Al de tijd van Zijn leven is de Heere Jezus bezig geweest om de prijs te betalen. In al Zijn levensdagen is Hij doende geweest om satans kop te vermorzelen.

 

Dat is de troost van het geloof en voor het geloof. Want van de macht van de duivel kunnen we niet zeggen: ‘Ach, die is er vandaag eigenlijk niet.’ Integendeel, wat een ontwikkeling van de demonische machten in allerhande verbanden van het leven! Waar komt u het niet tegen? De duivel gaat geen deur voorbij. In de wereld waarin wij leven, in de kerk, in je hart, overal… Wie kan er tegenop?

Paulus zegt: Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het koninkrijk van de Zoon Zijner liefde (Kol.1:13). Daar is wat voor nodig, gemeente, want de duivel zet alles op alles om een mens in zijn macht te houden. Maar nu komt deze Heere en Koning met Zijn almachtige kracht en Hij zegt: ‘Ik wil, en dan zullen ze ook.’

Een kind van God weet ervan. ‘Ik lag machteloos onder, ik kwam er niet uit, ik wílde ook geen kant uit. Maar Hij kwam en Hij maakte mij vrij. Heel de macht van de hel moest het verliezen en afleggen tegen de kracht van Jezus’ bloed.’

Satan houdt zich overeind tegenover alle aanvallen die tegen hem worden ondernomen. En satan wint. Je moet niet proberen, meisjes en jongens, om het van de duivel te winnen, want dat red je niet. De duivel wint op alle fronten. Maar op één front verliest hij het, en dat is het front waar het bloed van het Lam ter sprake komt. Tegen het bloed van Christus heeft de duivel geen verweer. Daar heeft hij het tegen verloren en daar verliest hij het tegen, en dat totaal.

 

Want we lezen hier ook dat er gesproken wordt van lichaam en ziel; dat is de totale mens. Er wordt nog wel eens wat afstandelijk gesproken over het lichaam. Dan wordt er gesproken over een stoffelijk overschot. Dat moet je maar niet zeggen. Ik zeg niet dat het geen stof is, maar de term ‘stoffelijk overschot’ heeft zoiets denigrerends, alsof de ziel alles is.

Daar hebben we het ook wel een beetje naar gemaakt, dat we er nu zo over spreken. ‘Als je ziel maar gered is…’, zeggen we zo vaak. Heeft Jezus niet in Zijn líchaam geleden? Lichaam en ziel moeten béiden gered zijn! Het lichaam is maar niet een minderwaardig restant of zoiets. Nee, het geloof zingt het hier uit: ‘Met lichaam en ziel heeft Hij mij losgekocht uit de heerschappij van de duivel en Zich tot een eigendom gemaakt!’

 

Gemeente, dat legt een claim op het leven. Claim wil zeggen: eis. Als u dit belijdt, dan heeft dat ook consequenties voor uw leven. Als u zo’n Heere hebt, als u zegt dat deze Heere u gekocht heeft en dat je het eigendom van Hem bent, dan zult u ook in Zijn wegen begeren te wandelen. Dan zal dat ook betrekking hebben op alle dingen van het leven.

Dat is het smalle pad, achter Hem aan. Daarbij kan niet alles ermee door. Een smal pad, dat voelt u, daarbij moet u van tijd tot tijd afhaken. Dan zegt u: ‘De weg die ik ga is te smal dan dat dit ook mee zou kunnen.’ Dat is nee zeggen. Niet uit wettische dienstbaarheid, van ‘dit mag niet’ en ‘dat moet zo nodig’, maar uit het volgen van de Heere Jezus.

Als Hij uw Heere is, dan wilt u niet leven als de wereld. Niet op uw werk en niet thuis. Dan ben je gebonden. Een christen is gebonden. Hij is vrij, vrij van alle dingen, en tegelijkertijd gebonden. Gebonden aan Zijn Meester.

 

Zo is de weg achter Christus aan een kruisweg. Een weg waarin het vlees gekruisigd wordt. Dan zeggen ze misschien: ‘Die is ouderwets!’ Of: ‘Die is bekrompen!’ Nou ja, dat zij dan zo. Als u maar weet dat dát nu juist uw vrijheid is: achter de Heere Jezus aan. Dan zeg je nee tegen dát en dan kun je dáár niet in mee. Maar als je nu met Hem mee mag gaan, dan zeg je: ‘Kijk, dat is mijn vrijheid!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 110: 2

 

Uit Sion zal de Heer’ Uw scepter zenden,
De schepter van Uw oppermogendheid,
En zeggen: ‘Heers tot ‘s werelds uiterst’ enden,
Zover de macht Uws vijands zich verspreidt.’