Ds. J.S. van der Net - Johannes 1 : 11 - 12

Het aannemen van Jezus

Een woord van grote heerlijkheid
Een woord van grote vreselijkheid
Een woord van rijke zaligheid

Johannes 1 : 11 - 12

Johannes 1
11
Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12
Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1
Lezen : Lukas 23: 20-25
Lezen : Romeinen 8: 14-17
Zingen : Psalm 68: 10, 16
Zingen : Psalm 138: 3
Zingen : Psalm 138: 4
Zingen : Psalm 97: 7

Onze tekstwoorden kunt u vinden in Johannes 1 vers 11 en 12:

 

Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven.

 

Gemeente, onze tekst spreekt over: Het aannemen van Jezus.

 

Drie gedachten:

1. Een woord van grote heerlijkheid

2. Een woord van grote vreselijkheid

3. Een woord van rijke zaligheid

 

1. Een woord van grote heerlijkheid

 

Gemeente, het zal u ongetwijfeld wel eens opgevallen zijn dat er een groot verschil is tussen het evangelie van Johannes en de drie andere evangeliën. Wat is de reden van dit onderscheid? Dat komt hierdoor: Johannes schreef zijn evangelie toen de andere drie evangelisten hun evangelie al neergeschreven hadden.

Wat doet Johannes dan?

Niet herhalen wat de anderen al geschreven hadden in hun evangeliën. Johannes wil biddend, peinzend en mediterend stilstaan bij wat de andere drie evangelisten in hun evangelie vermelden. Johannes denkt diep over de feiten na. Hij wil ze in groter verband bezien. Hem interesseert vooral wat God ermee zeggen wil.

 

Hoe doet Johannes dat? Hij trekt verbindingslijnen. Dat zien we al in het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes. Begint hij net als de andere evangelisten met wat er gebeurd is in en rond Bethlehem? Wat vertelt Johannes over Jozef? Wat vertelt hij over Maria? Wat vertelt hij over de engelen en over de herders? Kinderen, weten jullie het?

Helemaal niets! Hij schrijft er met geen woord over.

Maar juist wat we bij de andere drie evangelisten niet direct horen, beluisteren we uit de mond van Johannes: de zin en de betekenis van wat er allemaal gebeurt rond Bethlehem.

Johannes laat het reddende heilshandelen van God zien. Daarom noemt hij de Heere Jezus ‘het Woord’. Daarmee wil Johannes laten zien hoe God door dat Woord de wereld aanspreekt en zal blijven aanspreken. In de komst van de Heere Jezus voltrekt zich het wonder dat er weer gemeenschap mogelijk is tussen een heilig God en een zondige wereld.

 

Gemeente, bij het beschrijven van deze gebeurtenissen zegt Johannes in onze tekstwoorden: Hij is gekomen. Een woord van grote heerlijkheid! Want het is toch een grote heerlijkheid dat de Heere Jezus in de volheid van de tijd in de wereld kwam? Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken (1 Tim.1:15).

Als de Heere Jezus niet was gekomen, zouden we allemaal zoals we hier zitten, verloren zijn. Want de Bijbel windt er geen doekjes om en zegt klip en klaar dat de hele wereld  verdoemelijk is voor God. Daarom is het een woord van grote heerlijkheid dat Johannes in onze tekstwoorden schrijft: Hij is gekomen.

 

Johannes noemt de Heere Jezus het eeuwige Woord, dat bij God was en Zelf God is. Hij noemt de Heere Jezus ook het Licht. Door deze uitdrukkingen bepaalt Johannes ons bij de geweldige afkomst van de Heere Jezus.

En nu is dat Woord vlees geworden!

Een gewoon mens, net zoals wij.

Inderdaad. Hij, de Heere Jezus, de Zoon van God, is gekomen.

Een woord van grote heerlijkheid!

 

Jongeren, jullie komen vast wel eens in aanraking met moslims; mensen die de islam aanhangen. En dan kan het gemakkelijk gebeuren dat ze aan jullie vragen: ‘Wat is nu het verschil tussen de Bijbel en de Koran?’

Onze tekst geeft het antwoord. Je kunt het in drie woorden zeggen. Er staat eenvoudig:  Hij, de Heere Jezus, de Zoon van God, is gekomen.

Zullen jullie dat goed onthouden? Laat het eens op je inwerken.

Hij is gekomen!

 

Maar nu gaan we een stap verder. Tot wie is Hij gekomen? Tot het Zijne. Hoort u dat? Het Zijne

Eigenlijk staat er in de grondtekst een woord dat betekent: tot Zijn eigen huis. Je zou het ook kunnen vertalen met: Zijn eigen tempel, Zijn eigen volk.

Hij is gekomen tot Zijn eigen familie, in het vlees. Dat is het volk van de Joden, waaruit de Heere Jezus als mens is voortgekomen.

De Heere Jezus liet het ook blijken dat Hij tot het volk van de Joden behoorde. Hij ging gehoorzaam met Jozef en Maria mee naar Nazareth. Dat was een verachte plaats. Het was helemaal niet zo’n eer om daar te wonen. Maar toch wilde Hij er wonen en er opgevoed worden. Zijn gehele leven hield de Heere Jezus vast aan Zijn volk. Hij koos er Zijn discipelen uit. Tot het einde toe heeft Hij Zich verbonden aan Jeruzalem en de tempel. Daarom zegt Johannes: Hij is gekomen tot het Zijne.

Het Zijne, dat is het volk van Israel. Die waren het Zijne, krachtens het verbond der genade, dat de Heere op de berg Sinaï met hen had opgericht.

 

Maar nu gaan we weer een stap verder. Onder het Nieuwe Testament is ook de kerk uit de heidenen opgenomen in het verbond der genade. En wie zijn daarmee nu ‘het Zijne’? Weten jullie dat? Ik zal het zeggen. Dat ben jij!

Hoor je dat, meisjes en jongens? Dat ben jij! De Heere noemt jullie en u: het Zijne. Dat heeft de Heere vanmorgen al gedaan toen de wet werd voorgelezen: Ik ben de Heere uw God (Ex.20:2).

Horen we dat, gemeente? Het Zijne… Dat wil zeggen: wat Hem toekomt, Zijn eigen bezit. Want omdat u onder het verbond der genade leeft, heeft de Heere op ons allemaal beslag gelegd. Hij heeft gezegd: ‘Gij zijt de Mijne, ik buig Mij tot u en jou. Ik wil u en Ik wil jou behouden. Ik wil jou redden!’

En meisjes en jongens, toen jullie gedoopt werden, toen heeft de Heere je gemerkt met Zijn merk- en veldteken. Toen zijn we ingelijfd in Zijn gemeente. Dat is wat!

Niet de wereld is het Zijne, maar de Heere noemt u en jullie allen in de kerk het Zijne!

 

Het staat in onze tekst: Hij is gekomen tot het Zijne. Eenmaal in Israël, maar ook nu nog. ‘Nú nog?’, zegt er iemand? Ja, ook nu nog. Iedere keer als je in de kerk zit, komt de Heere Jezus tot jou en tot u in het gewaad van Zijn Woord. Dan staat Hij voor u en voor jou als een gewillige Zaligmaker. Dan buigt Hij Zich neer en zegt: ‘Kom tot Mij en word behouden!’

U hoeft er geen verre reis voor te maken om de Heere Jezus te vinden. Voor ons mag gelden wat Johannes de Doper zegt: ‘Hij is onder u, ook op dit ogenblik. Hij staat voor u in het gewaad van Zijn Woord.’ Dringt dat tot ons allen door?

 

Als er staat: Hij is gekomen tot het Zijne, is dat een woord van grote heerlijkheid. Maar daarop volgt in de tweede plaats een woord van grote vreselijkheid.

 

We zingen nu eerst uit Psalm 138 vers 3:

 

Dan zingen zij, in God verblijd,

Aan Hem gewijd,

Van ‘s Heeren wegen;

Want groot is ‘s Heeren heerlijkheid,

Zijn majesteit

Ten top gestegen.

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

Op hen het oog,

Die need’rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan

De ijd’le waan

Der trotse zielen.

 

2. Een woord van grote vreselijkheid

 

Wij overdachten: Hij is gekomen tot het Zijne. Als een woord van grote heerlijkheid.

Maar er staat nog iets achter: De Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Inderdaad, dat is een woord van grote vreselijkheid: De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

Het Griekse woordje ‘aannemen’ betekent eigenlijk: iemand gastvrij opnemen om blijvend gemeenschap met hem te hebben.

Datzelfde woordje kom je ook tegen in Johannes 14, waar de Heere Jezus het gebruikt als Hij zegt: Zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en plaats bereid zal hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen (Joh.14:3). Daar gebruikt de Heere Jezus het woord dat in ons tekstwoord vertaald is door ‘aannemen’. En dan voelt u wel aan dat het woord ‘aannemen’ dat hier gebruikt wordt, wijst op de aanvaarding van Christus. Het wijst op de vereniging met Christus.

 

Wat staat er nu van de Joden?

En de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat is vreselijk!

Denkt u zich eens in… De Heere Jezus ging het land door en predikte als Machthebbende. Zelfs Zijn vijanden moesten zeggen dat de Heere Jezus met gezag sprak. Denkt u zich eens in wat een wonderen de Heere Jezus deed: Hij genas melaatsen, Hij genas blinden, verlamden. Geweldig allemaal!

En toch: De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

O ja, aanvankelijk hebben ze de Heere Jezus achterna gelopen, bij duizenden. Het was toch ook opzienbarend, al die wonderen. Toen de broden vermenigvuldigd werden, hebben ze er van gegeten. Prachtig! Ze brachten zelfs hun zieken tot Hem, opdat ze genezen zouden worden.

En toch: De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

Toen de Heere Jezus hen persoonlijk te na kwam zeiden ze: Deze rede (deze prediking) is hard (Joh.6:60). En daarop lieten ze Hem in de steek. Uiteindelijk gingen ze Hem vervolgen, bespotten en lasteren.

Tenslotte hebben ze geroepen, lazen we samen in het evangelie van Lukas: ‘Weg met Hem. Kruis Hem, kruis Hem!’

Een crimineel mocht losgelaten worden, maar Hij niet.

De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

Een woord van grote vreselijkheid, vindt u niet?

 

Jongeren, wat is er de oorzaak van dat de Joden Jezus niet aannamen? Weten jullie het? Hoe kwam dat nu?  

Gemeente, om de Heere Jezus aan te nemen moet je lege handen hebben. Lege handen! Want u kunt wel begrijpen: als u van alles en nog wat in uw handen hebt en iemand biedt u iets aan, dan kunt u het niet aannemen. Het is ook niet zo dat je bij het aannemen van Jezus even datgene wat je in je handen hebt weglegt en Jezus erbij neemt. Zo gaat dat niet.

Nee, om de Heere Jezus te kunnen aannemen, moet je alles waar je handen vol mee zijn, wegwerpen. Om Hem aan te nemen moet u alles waardeloos achten en uit handen geven, zodat u zegt: ‘Hoe heb ik mijn handen er zo lang mee kunnen vullen?’

 

Kijk, daar zat het ook bij de Joden op vast. Die hadden hun handen vol met… U weet het waarschijnlijk wel. Ze hadden hun handen vol met eigen godsdienst. Daarom konden ze Jezus niet aannemen.

‘Als een verlorene gezaligd worden? Wij zijn toch Abrahams kinderen en hebben toch nog zo veel andere goede dingen? Dit gebod, dat gebod en nog een extra gebod?’ Ze waren zo druk bezet met allerlei dingen, en dan gezaligd te moeten worden als een verlorene…? O nee, ze hadden hun handen vol.

 

De Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat moet u eens tot u door laten dringen. Ze hebben het licht, de vrede en de zaligheid niet aangenomen. Ze hebben met hun eigenwillige godsdienst de Heere Jezus geweigerd. Maar wie aan eigen godsdienst genoeg heeft, die komt er voor eeuwig mee om.

Zo was het bij de Joden.

De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

 

Gemeente, u voelt het wel aankomen. Nu bent u aan de beurt. Dit raakt jou en mij.  Want we hebben zojuist gezien: Wie is het Zijne? Dat bent u! Dat ben jij! De Heere noemt U in Zijn Woord nog steeds het Zijne. Hij komt nog steeds tot u en tot jou in het gewaad van Zijn Woord.

Maar geldt nu ook voor u of jou dat woord van grote vreselijkheid: De Zijnen hebben Hem niet aangenomen? Heeft u Hem nog niet aangenomen met uw gehele hart? Meisje, jongen, heb jij Hem nog niet aangenomen?

‘Ja’, zegt er iemand, ‘maar…’

Nee, nee, eerlijk zijn!

 

Lege handen, weet u nog? Lege handen! Hebt ook u Hem nog niet aangenomen? Dat zult u nooit kunnen verantwoorden. Nee, u kunt zich niet beroepen op uw onmacht. Daar zijn we wel toe geneigd. We zeggen dan: ‘Het zal je gegeven moeten worden.’ Maar wie zich als verontschuldiging beroept op zijn onmacht, die wordt door de Heere bedroefd aangekeken: ‘Gij hebt niet gewild!’

De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

O gemeente, de Heere neemt u dat kwalijk. U bent het Zijne. Hij is tot u gekomen, telkens weer. En ook vandaag kan Hij zeggen: Wat heb ik meer aan Mijn wijngaard te doen, dat ik niet gedaan heb? (Jes.5:4)

Wat vreselijk als u het toch weer uitspreekt: ‘En toch wil ik niet.’

U ontving zoveel weldaden. U bent het Zijne. Hij komt steeds weer tot u en tot jou… Hij staat voor u met al de liefde van Zijn hart, met de algenoegzaamheid van Zijn offer. Wat vreselijk als wij Hem dan toch niet aannemen! Toch afwijzen, omdat er zoveel dingen zijn buiten Jezus die we belangrijker vinden of waar we zo aan gehecht zijn.

 

De Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Gemeente, hoe zullen wij de toekomende toorn ontvlieden als we op zo’n grote zaligheid geen acht slaan? Ik smeek u: heb medelijden met uzelf! Wat hebt u eraan als u de wereld vasthoudt? Wat baat het  vasthouden aan eigen leven dat u van nature leeft? Val Hem te voet! Gemeente, keer er mee tot uzelf in.

 

Het kan zijn dat er iemand in de kerk zit die het benauwd heeft gekregen onder deze preek, die zuchtend onder het Woord zit.

Mag ik u dan vragen waarom u het zo benauwd hebt gekregen?

Mogelijk zegt u: ‘Ik begrijp zo goed waarover u preekt: de noodzaak om Jezus aan te nemen. Want alle gronden buiten Jezus schieten tekort. Weet u wat er in mijn hart leeft? Wie zal die prijs en dat rantsoen in tijd of eeuwigheid voldoen? Wie? Ik weet het niet meer. De Heere Jezus aannemen, dat is zo nodig. Maar hoe moet dat? Ik sta voor een onmogelijkheid en mijn armen zijn te kort.’

Ik begrijp het wel. En daarom zeggen we: zolang u op uzelf ziet, kunt u Jezus niet aannemen. Als we onze handen nog vol hebben, kunt u Jezus niet aannemen. Dan blijft u in uw benauwdheid.

Weet u wat de weg is?

Lege handen!

Alles kwijt, maar Jezus rijk.

 

Zo komen we bij onze derde gedachte, maar we zingen eerst uit Psalm 138 vers 4:

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven.

Is ‘t, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

Zal redding geven.

De Heer’ is zo getrouw als sterk,

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden,

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.

 

3. Een woord van rijke zaligheid

 

Johannes schrijft vervolgens: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven.

Horen we dat? Zovelen Hem aangenomen hebben!

In het vorige vers heeft Johannes gesproken over het Zijne. Hij spreekt dan over de totaliteit. Maar tegenover die totaliteit staat: zovelen als… Hier spitst zich die totaliteit toe op de enkeling. Want, gemeente, dat aannemen van Jezus is een persoonlijke zaak. Strikt persoonlijk. Daarom spitst het zich hier toe op de enkeling. Er staat immers: Maar zovelen Hem aangenomen hebben

 

Wie zijn die ‘zovelen’, die Jezus aangenomen hebben? Wel, zegt iemand: ‘Zacharias en Maria en Jozef. En de tollenaren, want die hoorden Zijn woorden en zochten bij Hem vergeving van al hun ongerechtigheden.’ En een ander zegt: ‘Martha, Maria en de Kananese vrouw.’ Ook noemt nog iemand de moordenaar aan het kruis… Zij allen hebben door het geloof Zijn heerlijkheid aanschouwd, als van de Eniggeborene van de Vader.

U heeft gelijk. Dat zijn een paar van die enkelingen, van die ‘zovelen’. Maar dat zijn er maar weinig, nietwaar? Want hoeveel hebben we er eigenlijk genoemd? Acht, negen?

Maar Johannes zegt toch niet: ‘Zo weinigen hebben Hem aangenomen’? Nee! Hij zegt: Zovelen!

Gemeente, het blijft niet bij weinigen!  

In de loop van de tijden zullen het er ‘zovelen’ zijn.

Het wordt een schare die niemand tellen kan.

Zovelen Hem aangenomen hebben

 

Gemeente, ik kom weer bij u terug en bij jou. Zovelen Hem aangenomen hebben. Hoort u daarbij? Hoor jij daarbij?

‘Ja maar’, zegt u, ‘ik kan dat rijtje nog wel aanvullen hoor, want ik heb vroeger die geoefende christin meegemaakt en ik had in mijn familie mensen die er zo rijk van konden spreken.’ Ja, dat is mooi. Maar hoort ú, hoor jíj er ook bij?

Zovelen Hem aangenomen hebben.

Daar gaat het om!

 

‘Ja’, zegt iemand, ‘ik vind het niet zo’n aangenaam onderwerp waar u over preekt. Jezus aannemen? Dat klinkt allemaal zo evangelisch.’

Daarin begrijp ik u wel. Want de uitdrukking ‘aannemen van Jezus’ is nogal besmet met allerlei remonstrantse en evangelische invloeden, waarbij toch nog een appèl wordt gedaan op de menselijke wil of op een vermogen in de mens om Jezus aan te nemen.

Maar toch is het een zuiver Bijbelse uitdrukking, die ook in de Dordtse Leerregels regelmatig terugkomt.

 

‘Ja’, zegt u, ‘maar wat ís dan dat aannemen van Jezus?’

Gemeente, ik zal proberen er iets van te zeggen. Legt er uw hart maar naast.

Ik zal eerst in het negatieve spreken. Er zijn mensen die nemen aan dat ze Jezus aangenomen hebben. Dat is het natuurlijk niet, want als we aannemen dat we Jezus aangenomen hebben, dan zijn we nog niet verbonden met de Heere Jezus. Dan blijft het bij een idee, een gedachte.

Er zijn er ook die vanuit de Bijbel redeneren dat zij weten zondaar te zijn en concluderen dat Jezus voor zondaren is gekomen. Dus is Hij ook mijn Zaligmaker. Maar u voelt wel aan: dat is het ook niet. Want we blijven dan innerlijk gescheiden van Christus en er ontstaat geen wezenlijke band met Hem.

 

Maar wat is het dán, dat aannemen van Jezus?

Ik zie daar een zondaar en met die zondaar is iets gebeurd. Weet je wat er met hem gebeurd is? De Heere is hem door Zijn Woord te sterk geworden. Hij kan dat Woord van God niet meer loslaten. Het is niet het ene oor in en het andere oor uit gegaan. De Heilige Geest overtuigt hem van zonde en de wet wordt hem als een spiegel voorgehouden. Zonde wordt werkelijk zonde. Zonde bedreven tegen een goedertieren en een heilig God.

De Heere zet ons dan stil bij de zonde van bedrijf, bij de zonden van nalatigheid, bij de zonden van woorden en gedachten, waarmee we Hem onteerd hebben. Wat worden we daar verdrietig onder. Bovendien gaat de Heere ook ontdekken aan de grootste zonde: het ongeloof. Wij hebben van jongs af aan de Heere, met Zijn uitgestoken hand, afgewezen. We hebben steeds maar weer gezegd: ‘Nu nog niet, later!’

 

Gemeente, het wordt ingeleefd dat we door de zonde gescheiden van God zijn. Hem te moeten missen door de zonde en Hem niet te kunnen missen. Dan moeten we zeggen: ‘Heere, nu zal ik nooit meer gelukkig zijn voordat ik vrede bij U heb gevonden.’

Natuurlijk, we proberen van alles. We proberen die zonde weg te werken. We proberen ons leven op een ander spoor te krijgen. We doen ons best die zonde uit te bannen. We proberen steeds meer toe te nemen in de heiliging van het leven. Maar steeds weer gaat er een streep door. Alles valt ons uit handen, zelfs onze gebeden en onze tranen.

In die weg komt de mens aan het einde met alle eigen werken.

Wij kunnen het dan niet meer doen met onze rechtvaardigheid.

Alles valt mij uit de handen.

Zelfs mijn goede bedoelingen en mijn gebeden.

We staan oog in oog met God!

 

Maar dan opent de Heilige Geest onze oren en onze ogen, zodat we de stem van Johannes de Doper mogen horen: Zie het Lam Gods (Joh.1:29).

Dan openbaart de Heilige Geest, op de wagens van het evangelie, Christus in ons verslagen hart. Dan vallen ons de schellen van de ogen, zodat we alles wat we missen voor de eeuwigheid, in de Heere Jezus en in Zijn borgwerk vinden.

Dan roepen we uit: ‘Ik heb nooit geweten, Heere Jezus, dat U zo dierbaar bent! Ik wist niet, Heere Jezus, dat U zo genoegzaam en zo onmisbaar bent!’

In die weg komt het tot een aannemen van Jezus.

 

Luister goed, er staat niet in onze tekst: ‘Die Jezus genomen hebben.’ Dat is stelen. Iets aannemen kun je alleen als het je persoonlijk wordt aangeboden. Aan het aannemen van Jezus gaat een schenking vooraf.

Zo staat het hier in onze tekst.

Uit kracht van goddelijke schenking mag het komen tot een aannemen van Jezus. Want dan laat de Heilige Geest door de belofte van het evangelie zien hoe de Vader in weergaloze liefde de Zoon schenkt, aan zo’n zondaar als ik ben. Dan laat de Heilige Geest in de beloften van het evangelie zien hoe de Zoon Zichzelf aanbiedt in het evangelie. Dan kan het zijn dat je daar vol schroom met lege handen staat en dat je zegt: ‘Voor mij? Dat kan niet! Dat durf ik niet, zo’n zondaar als ik ben.’

Maar, gemeente, dan komen de beloften van het evangelie zo krachtig in ons hart en is de nodiging van het evangelie zo hartinnemend, dat er met eerbied gesproken een moment aanbreekt dat u uw handen niet van Jezus kunt afhouden.

Dan mag het komen tot een kinderlijk aannemen.

Ja, dan omhelzen we Jezus door het geloof.

Dan kussen we Jezus door het geloof.

Dan krijgen we Hem onuitsprekelijk lief.

Dan geloven we in Zijn naam.

Dan zeggen we: ‘Mijn Jezus, mijn Zaligmaker, mijn Licht, mijn Leven, mijn álles!’

 

Gemeente, gaat u er iets van verstaan? Ik hoop dat jullie, jongens en meisjes, er ook iets van begrijpen. Wat is dat aannemen van Jezus zalig. Het betekent: verdrinken in Zijn genade. Dat gaat gepaard met verloochening van alle schijngoederen waar je nog waarde aan hecht. En afzien van alle vertrouwen op jezelf.

Ontdekt aan alle eigengerechtigheid.

Als een niets bezittend schepsel.

Met lege handen.

Een ontklede zondaar, met alleen het naakte geloof en de naakte beloften.

Kent u het? Ken jij het? Zo Jezus te mogen aannemen?

 

Nu zegt wellicht iemand: ‘Daar ben ik geen vreemdeling van. Die verlorenheid, dat ontkleed worden, dat aangeraakt worden door die overweldigende nodiging van de beloften van het evangelie, zodat het kwam tot het aannemen van Jezus… ik ken daar iets van.’

Mag ik u dan nog wat vragen? Wanneer was dat?

‘Ja’, zegt u, ‘negen jaar geleden is dat gebeurd.’

Mag ik u dan nog een vraag stellen?

Hoe is dat nu, op dit moment, onder deze preek?

Dat aannemen van Jezus is niet eenmalig! Dat aannemen is een doorgaande zaak. Als het goed is, ligt het aannemen van Jezus als Geschenk van God de Vader in elke geloofsdaad. Er is een voortgang in, een opwas.

 

Gemeente, ik kan u verzekeren: er ligt zo’n volheid in Jezus, dat u steeds moet zeggen: ‘Wat verstaan we er maar weinig van. Wat ken ik er maar een kleinigheid van.’

Het is altijd maar weer nodig om met lege handen te staan.

Om uit Jezus’ volheid te leren leven.

Om Hem door het geloof aan het hart te drukken.

Door het geloof in Zijn naam.

Altijd weer hebben we geopende ogen nodig, om steeds meer heil te zien in Zijn middelaarsliefde. Een voortgaande zaak…

 

Wat is dan de vrucht? Johannes zegt: Die heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden. Hoort u dat?

Gemeente, het is een wat moeilijke zin. Macht betekent hier: bevoegdheid. Hij heeft bevóegdheid gegeven een kind van God te worden. Want in de weg van het aannemen van Christus door het geloof, geeft Christus die bevoegdheid door Zijn Geest. Deze Geest bewerkt dat u geloven mag om Zijnentwil een kind van God te zijn. 

Deze Heilige Geest bewerkt onze eigen naam te verwerpen, zodat we van geen andere naam willen weten dan de naam van Jezus en daarop ons vertrouwen stellen.

Wat een eeuwig voorrecht: van een kind des toorns een kind van God te worden.

Weet u nog wat wij gelezen hebben uit Romeinen 8? Deze Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn (Rom.8:16). Dat is de vrucht!

 

En tenslotte nog één ding. Er staat: Macht gegeven om kinderen Gods te wórden. Zet een streepje onder het woordje ‘worden’.

U zegt: ‘Maar je bent toch een kind van God of je bent het niet?’

Jazeker, maar toch staat er: een kind van God wórden. In de weg van het aannemen van Jezus wordt ingeleefd het steeds meer te wórden. In de bewustheid van de ziel wordt door het geloof ervaren, meer en meer een kind van God te wórden.

En zoals er in het aannemen een opwas is, naar die mate wórden we een kind van God. Niet alleen in de beleving van het hart, maar ook in de openbaring naar buiten. Ook in de heiligmaking.

 

In die heiligmaking worden we kleine mensen. Nietige mensjes. Wij worden geen mensen die zeggen: ‘Kom maar eens langs, dan zal ik precies vertellen hoe het zit.’ Als  tijdens het huisbezoek wordt gevraagd: ‘Bent u heilig?’, dan moeten ze zeggen: ‘Ik ben het maar zo’n klein beetje. Ik zou het veel méér moeten zijn.’ Dat is nu de betekenis van dat ‘wórden’.

Dan zegt Johannes verder nog: Welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn.

 

Gemeente, we zouden nog veel meer kunnen zeggen, maar we gaan eindigen.

Laten we het niet vergeten: Hij is gekomen tot het Zijne. En toen dat vreselijke: Maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

Als u straks thuiskomt - u mag dat ook onderweg al doen - smeek dan maar: ‘Heere Jezus, wilt U dat mij ook leren: dat aannemen van U.’

 

Amen.

 

 

Zingen Psalm 97:7

 

Gods vriend’lijk aangezicht

Heeft vrolijkheid en licht

Voor all’ oprechte harten,

Ten troost verspreid in smarten.

Juicht, vromen, om uw lot;

Verblijdt u steeds in God,

Roemt, roemt Zijn heiligheid;

Zo word’ Zijn lof verbreid

Voor al dit heilgenot.