Ds. H. Paul - Lukas 1 : 67-70

Zacharias' adventszang

Lukas 1
De lof des Heeren
Het werk des Heeren
De trouw des Heeren

Lukas 1 : 67-70

Lukas 1
67
En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende:
68
Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke;
69
En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
70
Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 56: 5
Lezen : Lukas 1: 57-80
Zingen : Lofzang van Zacharias: 1, 2
Zingen : Psalm 45: 1
Zingen : Psalm 145: 2

Gemeente, de tekst voor deze dienst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, u voorgelezen uit Lukas 1 en daarvan de verzen 67 tot en met vers 70, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest, en profeteerde, zeggende: Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht Zijn volke; en heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht; gelijk Hij gesproken heeft door de mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn.

 

Onze tekst spreekt ons van: Zacharias’ adventszang.

 

Daarin bezingt hij:

1. De lof des Heeren

2. Het werk des Heeren

3. De trouw des Heeren

 

1. De lof des Heeren

 

Onze tekst is uit de lofzang van Zacharias. Deze lofzang is eigenlijk een antwoord. Een antwoord op de vraag die gesteld werd in het gebergte van Judea bij de geboorte en bij de besnijdenis van Johannes, de zoon van Zacharias en Elizabet. Toen werd de vraag gesteld: Wat zal toch dit kindeke wezen? Wat zal er met dit kind gebeuren?

Het is allemaal zo bijzonder wat er met dit kind plaatsgevonden heeft. In de eerste plaats de geboorte van het kind uit zulke oude ouders, die ver op hun dagen gekomen waren. In de tweede plaats de naamgeving. Waarom moest dat kind nu speciaal Johannes heten en die naam dragen? In de derde plaats dat Zacharias, die niet meer kon spreken, nu plotseling ging spreken. Dat hij grote dingen gezegd heeft van wat God gedaan heeft. Dat heeft deze mensen met verwondering vervuld. Vandaar de vraag: Wat zal toch dit kindeke wezen? Er is wel iets bijzonders met dit kind aan de hand.

 

Zacharias mag er een antwoord op geven. Hij mag de lof van de Heere bezingen, nadat hij langere tijd, minstens negen maanden, niet heeft kunnen spreken. Wat heeft hij zich van veel voorrechten beroofd door zijn ongeloof. Hij weigerde immers te geloven wat de engel gezegd had, tenzij hij een teken kreeg. Hij hééft het gekregen, maar hij kon al die tijd niet meer spreken. Hij hoorde wel hoe Elizabet en Maria de Heere lof hebben toegebracht. Daar kon hij niet mee instemmen. Wat zal hij zijn ongeloof hebben betreurd en beweend! Dat is hem tot schuld geworden.

Wij verschuilen ons zo gemakkelijk achter ons ongeloof: ‘Ja, de mens is nu eenmaal zo.’ Maar, gemeente, wanneer je eens in waarheid mag geloven, dán juist wordt het ongeloof op de rechte wijze gezien. Het is een verdacht houden van God en Zijn Woord. Het niet geloven wat Hij gesproken heeft wordt tot schuld. Zo is het ook Zacharias tot schuld geworden.

Maar ondanks wie Zacharias was: de Heere bleef getrouw. De Heere heeft op Zijn tijd Zijn belofte vervuld. Het ongeloof bij Zacharias werd krachteloos gemaakt. En als bij de besnijdenis aan Zacharias gevraagd wordt hoe het kind zal heten, dan is zijn antwoord: Johannes is zijn naam. Dat kind is een genadegeschenk van de Heere. Het is een daad van geloof dat Zacharias dit uitspreekt.

Hij weet ook waartoe dit kind is geboren. Bereidt de weg des Heeren, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! (Jes.40:3), had Jesaja gesproken. Johannes is de voorloper van de komende Zaligmaker.

 

Het ongeloof in Zacharias is gebroken. Het is allemaal wáár geworden wat de engel gesproken heeft. Maar dan is ook álles waar. Dan is het ook waar dat de Zaligmaker spoedig komen zal. Want waar het ongeloof verdwijnt, wordt de twijfel weggenomen. Dan wordt ook de kastijding weggenomen. De kastijding dat hij niet kon spreken, is nu opgeheven. Hij mag Gods lof verkondigen.

Hij wordt vervuld met de Heilige Geest en gaat profeteren. Dat wil zeggen: goed van God spreken, maar ook zeggen wat er in de toekomst gebeuren zal. Vierhonderd jaar had de profetie gezwegen. Sinds Maleachi was er geen profeet meer overgebleven die het volk kon onderwijzen en de raad des Heeren bekendmaken. Maar nu spreekt hier Zacharias. Hij profeteert door de bediening van de Heilige Geest.

En dan is het in de profetieën alsof het gebeurd is. Alsof het al heeft plaatsgehad. Alsof de Zaligmaker al gekomen is. ‘Hij heeft, als de Opgang uit de hoogte’, zegt Zacharias, ‘ons bezocht.’

Zo mag hij de lof des Heeren verkondigen. Tegenover zijn schuld en zijn onwaardigheid mag hij temeer het wonder zien van de genade en de trouw van God en de zekerheid van de komst van de Zaligmaker.

                                                                           

Hij spreekt uit de diepte van de verootmoediging en zingt van het wonder van de vergeving van de zonden. ‘Om ons van zond’ en ongeval t’ ontslaan’, hebben we gezongen, ‘een Ster in Jakob op deed gaan.’

Hier is de zonde meerder geworden. Dat doorleeft Zacharias diep. Maar de genade is nog meer overvloedig geweest! Calvijn zegt ervan: ‘De genade komt niet alleen boven de vloed der zonde uit, maar verslindt haar zelfs geheel.’ Zo mag Zacharias het ook verstaan: God is goed voor een schuldig mens. Hij mag in verwondering en in verbrokenheid van zijn hart, de lof des Heeren verkondigen.

Daarmee is zijn lofzang ook een adventszang. Hij gaat profeteren van de komst van de Zaligmaker Die hij als geboren ziet. Het is eigenlijk al kerstfeest daar in Hebron, in het gebergte van Judea. Net als in de tent van Abraham, toen Izak geboren werd en zijn naam kreeg, zo is het hier in Hebron, in het gebergte, in het huis van Zacharias ook al kerstfeest. Hij mag het wonder al verstaan en inleven. Hij ziet het met de verrekijker van het geloof gebeuren zoals het voorzegd was. Een wonder van Gods genade.

En dan spreekt hij van Gods lof. Dat doet hij met oudtestamentische bewoordingen, zoals we die in de lofzang hebben beluisterd. Zo wordt de Heere grootgemaakt. Hij sluit zich aan bij de psalmen die ons in Gods Woord worden geleerd. Hij mag zingen zoals we horen in Psalm 135: Geloofd zij de Heere uit Sion, Die te Jeruzalem woont (Ps.135:21).

 

Die lofzang geeft weer wat Zacharias heeft mogen verstaan. Hij mag inblikken in het heilgeheim van de verlossing door God in Christus gegeven. In Hem, Die de Opgang uit de hoogte is en Die gekomen en gegeven is tot behoud en verlossing, tot vergeving van zonden.

Hij mag zien hoe de zaligheid buiten hem ligt. Wat is dat een rijke genade, om te zien dat de zaligheid buiten jezelf ligt. Wij kennen van onszelf geen andere weg naar God dan de weg van het verbroken werkverbond. Als wij zó zullen zijn en zó zullen bidden en dát zullen doen, dán zal de Heere wel horen. Maar Zacharias heeft er doorheen mogen zien. Hij heeft mogen zien: de zaligheid is in de komende Zaligmaker, in de Verlosser.

Dat onderwijs is ook in het leven van Gods kerk zo nodig. De zaligheid ligt volkomen buiten ons. God doet Zijn werk. Het gaat niet buiten ons om, maar het wordt niet verkregen om onze werkzaamheden. Dat heeft Zacharias mogen zien als een wonder. Ondanks zijn zonden en wie hij was, gaat God door met Zijn werk. Hij wordt erin verheerlijkt en Zijn naam wordt erin grootgemaakt.

Zo spreekt Zacharias van Gods vergevende liefde en ontvangt de Heere de eer. Zoals ook onze tekst ervan spreekt: Geloofd zij de Heere, de God Israëls!

 

Wat is dat een aangenaam werk. Er is geen aangenamer werk dan God de eer te geven. Dat verlangen leefde in het paradijs; daar was het praktijk. Maar onze mond is gesloten als het gaat over de eer van God. Maar hier wordt Gods eer bedoeld en Zijn naam grootgemaakt. ‘Geloofd, grootgemaakt, geëerd en geprezen zij de Heere, de God van Israël!’

Tegenover de achtergrond van eigen onwaardigheid en eigen schuld, klinkt de diepere toon in die lofzang. De engelen zingen ook Gods eer; ze maken God groot vanaf de schepping. Maar die diepe ondertoon van het wonder van de verlossing kennen de engelen niet. Ja, dan zullen de kinderen anders zingen dan de knechten. Hun lied, hun lofzang heeft een diepere ondertoon. Ze kennen het wonder van de genade, van de verlossing, van het wonder van de vergeving van de zonden. En juist in de diepte wordt de lof van God geboren.

Er wordt veel oppervlakkig gezongen, in het bijzonder rond kerstfeest. Maar, gemeente, kennen we iets van het wonder? Voor zó een! Daar gaat het ten diepste om. Dat is vrucht van het onderwijs dat door de Heilige Geest gegeven wordt. Want Die laat de zonde inleven, doorleven en met smart belijden. Dan wordt het een wonder dat God zó een gedenkt.

 

Maria heeft ook gezongen. Het is ook Gods Woord, door de Heilige Geest geïnspireerd. En toch is de lofzang van Zacharias nog dieper van toon dan de lofzang van Maria. Hij, de oude, geoefende knecht des Heeren, de geoefende profeet, doorleeft diep hoe het aan zijn kant allemaal verzondigd is, en hoe groot het wonder is dat God zo een gedenkt. Dat de Heere hem niet moe is geworden, hem overlaadt met Zijn zegeningen en voor hem Zijn Zoon gegeven heeft.

O, gemeente, waar die waarheid wordt gekend: ‘Het is ook voor mij!’, waar iets verstaan wordt van die zalige ruil, dat Hij mijn zonden op Zich nam en Zijn gerechtigheid mij schonk, dan is de laagste plaats niet te laag. God gaf Zijn Zoon in de dood, voor doodschuldigen. Daar wordt ook de diepte doorleefd waar we in terechtgekomen zijn. Maar daar wordt ook de Heere bewonderd en Zijn naam verheerlijkt.

 

Zo mag ook Zacharias de lofzang van de Heere zingen. Hij heeft het zelf van de Heere gehoord. We hebben er samen van gezongen uit Psalm 56: ‘Ik roem in God, ik prijs ’t onfeilbaar woord. Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.’

Dat roemen van de Heere gaat gepaard met aanbidding. Dat is het beginsel van het hemelleven. Want dat zal straks toch praktijk zijn voor allen die de Heere kennen, om eeuwig God groot te maken.

En dat wordt hier geleerd, jongens en meisjes. Dat wordt hier op aarde geleerd. In welke weg? In de weg waarin je doorleeft wie je bent voor God. Als een zondaar behouden wordt, zal dat strekken tot eer en verheerlijking van Zijn naam en de grootmaking van Zijn daden.

Wanneer ik op grond van mijn doen en laten, van mijn keus en mijn christen-zijn denk zalig te kunnen worden, heb ik niets om te loven. Maar als doorleefd wordt dat het Zijn genade is en genade alléén, dan zal God geloofd en geëerd worden. ‘Lof zij de God van Israël; de Heere, Die aan Zijn erfvolk dacht!’

 

De Heere wordt de God van Israël genoemd. Dat bekent dat Hij de toezeggingen die Hij aan Israël gedaan heeft, ook vervuld heeft. Hij heeft aan Israël bewezen dat Hij bevestigt wat Hij gesproken heeft. Want Hij kwam eerst tot het Zijne. Nu ziet Zacharias dus Zijn komst inzonderheid aan Israël, maar ook dat Hij gezonden wordt tot alle volken.

Maar Israël is toch de eerste, de oudste, tot wie de Heere eerst kwam. De Heere heeft Zich de God van Israël willen noemen. Israël heeft altijd een bijzondere plaats in het bestel van God gehad. Denk maar aan Simeon, die zingt er ook van: Een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël (Luk.2:32). Dat wordt in het bijzonder genoemd.

Laten we hopen en bidden dat dit ook in onze dagen meer gestalte krijgt. Dat het waarheid wordt voor het Joodse volk, dat ze in deze Zaligmaker hun Verlosser mogen vinden. Daar zal de kerk goed mee wezen. Denk aan Boston en andere oudvaders. Zij hebben altijd benadrukt dat wanneer Israël tot bekering komt, het dan goed zal zijn voor de kerk, ook onder de heidenen. Dat zal een gezegende tijd zijn. Dat is geen duizendjarig rijk, maar wel een gezegende tijd als Israël tot bekering komt.

Wel, die God Die Zich ‘de God Israëls’ laat noemen en nog zo heet, die schenke daarin wat tot eer van Zijn naam strekt. Dan zal ook dat volk Zijn lof betuigen. ‘Lof zij de God van Israël, de Heere, Die aan Zijn erfvolk dacht, en door Zijn liefderijk bestel verlossing heeft teweeggebracht.’

 

Dat bezien we nu in de tweede plaats:

 

2. Het werk des Heeren

 

Dus niet alleen de éér van God wordt bezongen, maar ook het wérk van God. Wat Hij tot stand gebracht heeft tot zaligheid van zondaren. Want dat is immers het doel van de komst van de Heere Jezus Christus, de Beloofde, dat Hij zondaren zal zalig maken.

Zo lezen we ook: Want Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht Zijn volk. Hij heeft bezocht, een bezoek gebracht. Maar dan met die diep ingrijpende betekenis dat Hij in die weg ook de zaligheid van zondaren teweeggebracht heeft. Hij heeft Zijn volk bezocht, er naar omgezien, het in ontferming willen gedenken.

Het kan ook een andere betekenis hebben. We kennen het woord ‘bezoeken’ ook in de betekenis van: bezoeken met straffen. Bezoeken met Zijn roê en bittere tegenheên. Dat zou rechtvaardig geweest zijn. Maar nu bezoekt God Zijn volk met heil. Hij bezoekt het om het ontferming te bewijzen. Wat is dat een wonder!

Wat heeft dat bezoeken veel gekost! Het heeft Christus’ leven gekost. Hij heeft een menselijke natuur moeten aannemen. En naar het lichaam heeft Hij geleden en is Hij gestorven.

Dat was niet omdat Israël het bezoek waard was. Israël en de kerk van alle tijden waren het niet waard dat God naar hen omzag. Ze waren gekomen in duisternis, in de macht van de vijand. De zonde kenmerkte hun leven. Zacharias spreekt van het licht, maar ook van de duisternis. De duisternis waarin Israël gekomen was, waarin ook de volken gedompeld waren.

 

Maar dan het grote wonder: Hij heeft Zijn volk bezocht! We lezen dat de Heere ook Sara bezocht en haar gedacht. Zo moeten we dat ook hier zien. Dat bezoeken is bezoeken met ontferming. Dat is: omzien naar.

De zaligheid komt vanuit God. Daarom kán het, jongens en meisjes. Daarom kun je nog bekeerd worden. Vraag er veel om. Ook de ouderen. God heeft Zijn volk bezocht door Zijn Zoon in deze wereld te zenden om zondaren zalig te maken. Om de werken van de duivel te verbreken. Dat dient ons met verwondering te vervullen.

Laat ook op deze adventszondag het verlangen mogen leven dat die komst, dat bezoek, ook in ons persoonlijk leven tot een rijke zegen zal zijn.

 

Hij heeft Zijn volk bezocht. Hij bezocht haar in Bethlehem, in het broodhuis. Daar gaf Hij Zijn Zoon in ons menselijk vlees. Christus werd gelegd in een kribbe. Hij gaf Hem tot in de lage staat waarin Hij moest afdalen. In het broodhuis werd het Brood des levens geboren. Zo wordt Hij het Brood des levens.

Gemeente, de vraag naar brood is een belangrijke vraag in ons leven. Wat zullen we eten en wat zullen we drinken? Voor velen bestaat het kerstfeest juist daarin: wat zullen we eten? Maar hier gaat het om Christus, Die Zelf getuigt: Ik ben het Brood des levens (Joh.6:35). En met Hem schenkt de Heere alle dingen.

Zijn wij ook hongerig? Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken (verzadigden) heeft Hij ledig weggezonden (Luk.1:53). Die genoeg hebben aan de dingen van deze wereld, zullen zich over het Brood des levens niet verblijden. Maar die hongerig zijn naar Hem, omdat in Hem alleen de zaligheid is, die zullen worden verzadigd.

Jesaja zegt: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? (Jes.55:2) Wat wordt er uitgegeven aan dat wat geen echt brood is. Voor wat niet het Brood des levens is. Voor wat niet verzadigen kan. De hele wereld maakt zich op om kerstfeest te vieren. Maar waar zijn de ware hongerigen? Zijn we verlegen om het Brood des levens? Verlangen we in die kribbe te mogen zien en in Hem onze Zaligmaker te vinden? Zo kwamen ook de herders met haast, om het Kind Jezus te mogen zien. En ze vonden Hem. Van dit verlangen dienen we, als het goed is, toch ook iets te kennen.

Het gaat door die weg heen, waarin we onze schuld, onze zonden leren erkennen en belijden. Anders krijgt dat Kind toch geen waarde? Hij is gekomen en in de boodschap van het evangelie wordt Hij aan iedereen aangeboden. Maar de noodzaak van Zijn komst en de rijke troost van Zijn komst worden alleen verstaan tegen de achtergrond van onze schuld en de diepe verlorenheid waarin wij terechtgekomen zijn.

Daarom hebben we het ontdekkend licht nodig. Want in die weg geeft de Heere troost. En als het Kind aanschouwd mag worden in het geloof, dan is het vol.

 

Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht. Het is een bezoek geweest dat alles gekost heeft, maar ook rijke vrucht zal dragen. Het kernwoord in deze lofzang van Zacharias is het woord ‘verlossing’. Dat komt telkens weer terug. Het doel van Zijn komst is dus het brengen van de verlossing. Die verlossing is noodzakelijk en ook mogelijk.

Hebben we er al oog voor gekregen dat wij verlost moeten worden? Verlost van de schuld van de zonde, van de macht van de zonde en van de straf van de zonde. Dat is allemaal in Hem te vinden. Daartoe kwam Hij. Daartoe daalde Hij zo diep neer en betaalde Hij de losprijs.

Het woordje ‘verlossing’ dat hier in de tekst genoemd wordt, houdt in: het betalen van een losprijs. Een losprijs die betaald moest worden om los te kopen. Want we liggen onder het oordeel van God. Onder de vloek van de wet. We moeten worden losgekocht, vrijgekocht. Daarvoor moest Christus Zich geven als een losprijs voor de zonde.

Dat is de boodschap waar Zacharias van mag zingen. Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht Zijn volk.

 

Die verlossing was reeds beloofd in het paradijs. Toen heeft de Heere het Vrouwenzaad Dat komen zou al beloofd. Hij zou de slang de kop vermorzelen. En de Heere heeft woord gehouden, zoals we straks zullen zien in onze derde gedachte.

Hij heeft telkens opnieuw deze beloften gegeven. In de ceremoniën was te zien hoe een onschuldig dier moest worden geofferd voor schuldige mensen. Met dat dier werd de prijs betaald. Al nam het bloed van stieren en bokken de zonde niet weg, het was toch een verkondiging: er is bij de Heere vergeving, omdat een onschuldige de plaats inneemt van een schuldige. Daarom legde Israël de hand op de kop van het offerdier. Daarmee werd aangetoond: mijn schuld wordt overgedragen op dat dier. Dat dier was een prediking van de komst van de Zaligmaker.

In die weg was er overdracht van schuld. Dus niet het zelf goedmaken, maar in het overdragen van je schuld, het kwijtraken van je schuld, wordt de weg gewezen waarin vergeving verkregen wordt. Zoals Luther daarvan spreekt: ‘Hij is mijn gerechtigheid en ik ben Zijn zonde!’

 

Die verlossing heeft iets teweeggebracht. Dat wil zeggen: tot stand gebracht. De losprijs was betaald in de weg van de diepste vernedering. ‘Niet door goud of zilver en niet door hetgeen van deze wereld is, maar door het dierbaar bloed van Jezus Christus bent u verlost uit die ijdele wandeling’, zegt Petrus. Daar kon geen goud, geen zilver voor worden opgebracht. Het is niet te betalen, al geef je een miljoen euro’s. Het dierbaar bloed van Christus is de losprijs die betaald is.

De waarde en de betekenis daarvan worden ons in het Woord voorgehouden. Die genade wordt ons vandaag nog verkondigd. Er is een losprijs betaald, gemeente. Daarom kunnen zondaren nog zalig worden. Dat kan de hele hel niet ongedaan maken. Net zomin als hij kon voorkómen dat Jezus kwam, net zomin kon satan voorkomen dat Hij Zijn losprijs betaalde. Christus mocht aan het kruis uitroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30) De verlossing is tot stand gebracht. De prijs is betaald. Daar hoeft niets meer bij. Niet ons doen en ons laten, maar alleen het geloof in Jezus Christus doet delen in die zegeningen.

 

En nu heeft Christus ook de toepassing verworven. Want Hij heeft ook de Heilige Geest verworven. Als dat niet waar was, als wij het in eigen kracht moesten toe-eigenen, zoals de remonstrant zegt, dan zouden we er van verstoken blijven. Maar nu is de toepassing ook door Christus verworven.

Er mag gebeden worden om die genade te  ontvangen. Door de bediening van Woord en Geest wil de Heere dat ook nu schenken. Daarom is niemand te oud. En, jongens en meisjes, jullie zijn niet te jong om bekeerd te worden, om te delen in de betaling van die schuld, om je schuld kwijt te raken. Wat moet dat toch begeerlijk zijn voor schuldigen! Waar het geweten je aanklaagt, de wet je beschuldigt, satan het roept: ‘Je hebt geen heil bij God’, daar mag je dan mag wijzen op Hem Die alles heeft volbracht. Want geen zelfverlossing, geen helpende genade of wetsonderhouding kan ons redden. Alleen in Hem ligt de rust en de vrede voor het hart.

 

Door de komst van de Zaligmaker is het jubeljaar aangebroken. Oudtestamentisch was er het jubeljaar; het jaar waarin alles wat men kwijtgeraakt was, weer terugkwam. Waar men de vrijheid weer herkreeg die men was kwijtgeraakt, doordat men zich als slaaf had moeten verkopen. Alle bezittingen kwamen weer terug. Dat was in het jubeljaar. Wat men kreeg was niet terugverdiend; dat was gekrégen.

Zo is het jaar van de vrijheid aangebroken waarin zondaren delen mogen, naar Gods welbehagen, in hetgeen Christus heeft verworven en nu laat verkondigen. Laat de noodzaak daarvan toch op ons hart gebonden zijn!

Daar mag Zacharias in verwondering over zingen en van getuigen: En heeft verlossing teweeggebracht Zijn volk. In de eerste plaats werd die verlossing aan Israël aangeboden. Maar die verlossing werd ook verkondigd aan alle volkeren van deze aarde. Een schare die niemand tellen kan zal delen in de zegeningen die Hij verworven heeft.

 

En heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht in het huis van David. Doordat Hij dat gedaan heeft, heeft Hij een Hoorn der zaligheid ons opgericht, zegt Zacharias. Een hoorn is een symbool van kracht en van macht. Dieren die een hoorn hebben zijn sterk. Ze kunnen zichzelf verdedigen. Ze kunnen, doordat ze een hoorn hebben, terneer werpen wat zich tegen hen verzet.

Een Hoorn van zaligheid… Dat betekent dat Hij Die zo genoemd wordt een almachtige Redder is. Dat drukt het eigenlijk uit. Hij is een almachtige Verlosser. Hij heeft een volkomen zaligheid verworven, die niemand kan wegnemen waar die wordt geschonken.

We lezen in de Openbaring van Johannes dat Johannes Hem ziet staan in Zijn heerlijkheid als een Lam Dat geslacht is, hebbende zeven ogen, maar ook zeven hoornen. Het betekent: Hem is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Zo is Hij machtig te verlossen.

 

Misschien denkt u: voor mij kan het niet. Dat heeft satan u misschien al lang voorgehouden: ‘Je bent te oud, je bent een te groot zondaar, voor jou kan het niet meer.’ Maar God heeft een Hoorn der zaligheid opgericht! God heeft een almachtige Redder gegeven om zondaren zalig te maken.

Een hoorn is immers het teken van almacht. Daar zit een kracht achter die niet is tegen te staan. Bij U schuil ik (Ps.143:9), zegt de dichter dan. Dat betekent niet dat die almacht altijd te zien is. Dat we het altijd zo direct kunnen aflezen uit hetgeen gebeurt. Maar Hij is wel almachtig. Hij is de Koning van de kerk en regeert alle dingen.

 

Maar we zien vaak dat Zijn kerk juist in lijden is. Wat zijn er ook in onze dagen velen die moeten lijden om de naam van Jezus, in gevangenissen, in werkkampen. Ze worden vernederd, gemarteld, gedood. Zij zijn onderdanen van deze Koning, Die almachtig is. Hij kan hen toch redden?

Ja, maar de kerk heeft een kruisgestalte op deze aarde. Ze moeten achter Hem aan komen. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33).

Dan kan het wel eens door diepten gaan, maar de overwinning is toch aan Hem. Daarom is er toch toekomst. Er is toch ook uitzicht in donkere dagen.

 

Christus heeft een hoorn. God heeft die naam speciaal gegeven om de almacht die Hij bezit uit te drukken. Laten we maar niet gering denken van hetgeen Hij vermag. Het hardste hart kan Hij verbreken. Het meest koude hart kan Hij wegnemen en een vlezen hart er voor in de plaats geven. Hij bezit een hoorn tot verlossing, die Hij tot stand brengt, die Hij verworven heeft. Hij past de zaligheid toe en bewaart bij die zaligheid.

We kunnen wel eens denken: Heere, weet U nog van me? Ik maak het me zo onwaardig dat U naar me omziet… Maar Hij is getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.

 

Die hoorn der zaligheid heeft Hij opgericht. Die heeft Hij gegeven. Die is tot stand gekomen, opgericht. In de eerste plaats al in de eeuwigheid. In de eeuwige vrederaad is die hoorn al opgericht. Daar was de vraag: ‘Hoe zal ik ze onder de kinderen zetten en ze geven het gewenste land?’ Toen heeft Christus Zich al gegeven: ‘Zie, Ik kom, o God, Ik heb lust Uw welbehagen te doen.’ Toen is die hoorn daar al opgericht.

Maar in het bijzonder is die hoorn opgericht in Bethlehem, toen Hij geboren werd in een beestenstal. Toen heeft God die hoorn opgericht, gestalte gegeven. Hij is gekomen in onze menselijke natuur.

Hij is in het bijzonder ook opgericht aan het kruis, toen Hij daar hing en de aarde Hem niet kon dragen, maar de hemel Hem niet kon ontvangen.

Hij wordt ook opgericht in het evangelie, in de boodschap van genade. Want Hij komt in het gewaad van Zijn Woord tot ons. Wij kunnen er niet omheen dat Hij is opgericht. Het is óf ten oordeel, óf ten voordeel. Er is geen neutraliteit. Het is óf ons afwenden, óf er voor vallen. Daar heeft Simeon van gezegd: Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël (Luk.2:34). Tot een val voor hem die staat in eigen kracht. Tot een opstanding voor hem die neergebogen is en in het stof ligt.

 

Hij is opgericht. God heeft dat gedaan. Dat is een onomkeerbare daad. Dat is van eeuwigheid voorgenomen, maar in de tijd gebeurd. En het wordt in het evangelie verkondigd.

Maar weet u wat nodig is? Dat Hij ook in ons hárt opgericht wordt. Zacharias mag zeggen: ‘Hij is vóór ons opgericht.’ Maar het is ook nodig dat Hij ín ons opgericht wordt. In ons hart. Dat wil zeggen dat Wie Hij is, wat Hij verdiend heeft, in ons leven onmisbaar wordt. Dat Hij noodzakelijk wordt. Dat we buiten Hem niet kunnen leven. Dat het waar is: ‘Geef mij Jezus of ik sterf!’ Dan wordt Hij in ons hart opgericht. Dan mogen we schuilen bij Hem Die in het Woord gegeven is, in Wie alles is wat tot zaligheid dient. Hij is hun Hoorn der zaligheid.

 

Gemeente, zouden we ons niet haasten om de veiligheid die Hij verworven heeft te mogen ontvangen, om de genade die Hij verdiend heeft ook te verkrijgen? Hij is een Hoorn der zaligheid. Daarom is het ook in het leven van Gods kerk zo belangrijk om maar steeds op Hem te zien. Om die genade te ontvangen dat we steeds door het geloof op Hem zien en mogen leven van een dienende Zaligmaker.

Hij wordt steeds meer onmisbaar. Want Hij moet wassen, Hij moet meer worden, en ik moet minder worden. Naarmate Hij meer wordt, worden wij minder. Maar als we minder worden en niets zijn, is Hij alles. Dan hebben we aan Hem genoeg. Meer hebben we niet nodig dan deze Hoorn der zaligheid.

Hem door het geloof te kennen, gemeente, doet instemmen met de dichter van de psalm die we nu eerst samen zingen, Psalm 45 vers 1:

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal ‘t schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;
Is z’ als de pen van een die vaardig schrijft.
Bemin’lijk Vorst, Uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Genâ is op Uw lippen uitgestort,
Dies G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt. 

 

In de derde plaats bezien we dat Zacharias ook de trouw des Heeren bezingt.

 

3. De trouw des Heeren

 

We lezen in onze tekst: In het huis van David, Zijn knecht; gelijk Hij gesproken heeft door de mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn.

De profeten hebben geprofeteerd van de komst van de Zaligmaker, maar ook dat Hij in het huis van David zou worden geboren. Dat wil zeggen: uit het geslacht van David. Het was David beloofd dat uit zijn geslacht de Messias zou worden geboren. Dat heeft David geweten. Hij heeft er ook van gezongen. Op zijn sterfbed mag hij weten van de komst van de Zaligmaker. Hij zegt: Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken (2 Sam.23:4). Dat kan nooit van een nakomeling zonder meer worden gezegd. Het is de Messias van Wie hij spreekt.

David heeft zijn zaligheid gevonden in de Zaligmaker Die uit zijn nageslacht zou voortkomen. Daarom zegt hij het ook: Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is (2 Sam.23:5). Het is zo vast aan Gods kant. Daarom kan David sterven in de wetenschap dat de Messias zal komen uit zijn nageslacht.

Het leek wel of dat afgesneden werd. Er was ook niets meer van de heerlijkheid van Davids huis over. Die machtige boom van Davids huis - denk ook aan Salomo met al zijn heerlijkheid - was afgehouwen. Er was slechts een wortelstomp in de aarde. Maar daar komt een Rijsje uit voort. En niet langs de natuurlijke weg, maar door de ontvangenis in Maria door de Heilige Geest is in dat geslacht de Messias geboren. Door het onmogelijke heen. Maar God is getrouw. Hij heeft het beloofd.

 

Gelijk Hij gesproken heeft door de mond Zijner heilige profeten… Gods profeten spraken met een volmacht. Ze waren geroepen de boodschap te brengen in Gods naam. De last was hun gegeven. Ze mochten getuigen dat Hij komen zou. In het bijzonder Jesaja heeft er van gesproken. In de adventswerken wordt vaak gesproken over wat Jesaja heeft mogen voorzeggen van de komst van de Zaligmaker.

Hij is gekomen. Jesaja zag Hem met de verrekijker van het geloof. Hij mocht aanschouwen Wie Hij zijn zou, wat Zijn werk zou zijn. Dat Hij gegeven is als een Verlosser. Jesaja zegt: De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt (Jes.53:6-7).

 

Jesaja heeft geweten van de komst van de Zaligmaker. Daarom was de kerk van het Oude Testament een adventskerk; een kerk die uitzag naar Christus’ komst. Ze hebben gebeden: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt! (Jes.64:1)

Hij is gekomen. De profeten hebben het gezegd en wat ze voorspeld hebben is vervuld. In de kerstnacht is Hij gekomen. Hij is geboren in Bethlehem, in een beestenstal.

We lezen in Psalm 132: Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht (Ps.132:17). Een hoorn! Daar heb je hetzelfde woord weer. Een hoorn der zaligheid heeft God doen uitspruiten. David, maar ook andere profeten mochten daarvan getuigen. Calvijn zegt ervan: ‘Als Christus tevoorschijn treedt, is Hij omstraald met het licht dat de profeten van Hem getuigd hebben.’

 

De profetieën waren duidelijk. Als de Heere Jezus geboren is en de wijzen uit het oosten komen vragen waar de geboren Koning der Joden is, dan weten de schriftgeleerden: ‘De profeet heeft het gezegd: in Bethlehem Efratha, daar zal de Heerser geboren worden!’ De profeten hebben het gezegd en God is getrouw. Op de Heere kun je aan.

Jongens en meisjes, met mensen val je wel eens ondersteboven en met jezelf ook. Maar met de Heere nooit! God heeft het gezegd en wat Hij gezegd heeft en beloofd heeft, dat doet Hij ook. Hij is gekomen. De profeten hebben ervan gesproken en het is waar.

 

Misschien zegt u: ‘Maar wanneer weet ik nu dat het voor míj waar is? Want ik heb ook wel eens wat mogen ontvangen, maar is het wel van de Heere geweest?’ Wel, wat bracht het teweeg? Bracht het verwondering teweeg? Bracht het ootmoed teweeg? Bracht het liefde teweeg? En deed het verlangen er méér van te mogen ontvangen? Want in die weg geeft de Heere Zijn Woord. Het brengt altijd verwondering en verbrokenheid van het hart teweeg.

De profeten hebben ervan gesproken en Hem ook zelf nodig gehad. Zij hebben het mogen weten wat Jesaja sprak: Uw Licht komt! (Jes.60:1) De profeten hebben er hun leven in gevonden. Ze wezen Hem met de vinger aan, net als Johannes de Doper: Zie, het Lam Gods! (Joh.1:29)

Daarom het is ook kerstfeest geworden. Hij is het Brood des levens Dat neergedaald is uit de hemel. Hij heeft zovele namen: Hoorn der zaligheid, Brood des levens… Hij is gekomen!

 

Gemeente, verlangt u er naar om Hem te zien, Hem te zien met de ogen van het geloof, Hem te omhelzen Die in de kribbe is neergelegd als een hulpeloos Kind? Hulpelozen worden geholpen. We zijn wel teveel in onszelf, maar nooit te weinig. We zijn nooit te gering voor Hem. De meest onwaardige hoeft niet te denken dat het niet meer kan.

We mogen herdenken: Hij is gekomen! God heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt.

 

Hoe staan we er tegenover, gemeente? Wat betekent het kerstfeest voor ons? Naar de kerk gaan… Maar waar ligt uw hart? Daar in Bethlehem, bij de kribbe? Verstaat u de noodzaak van Zijn komst? Is buiten Hem u alles ontvallen?

Wat daar voor nodig is wil Hij nog schenken. Hij heeft niet alleen de záligheid verdiend, maar ook de tóepassing van de zaligheid. Dat legt Hij niet in onze handen, maar dat houdt Hij in Zijn handen. Hij vergadert Zijn kerk. Hij gebruikt middelen: de verkondiging van het Woord en Hij laat u zelfs bidden in Zijn naam, ook vandaag: Wij bidden van Christus’ wege: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20)

Zo zendt Hij nog Zijn dienaren om in Zijn naam te bidden. Om aan te prijzen wat in Hem te vinden is, opdat u buiten Hem niet zou kunnen leven. U kunt nooit buiten Hem. Het is óf tot een oordeel, óf tot een voordeel.

Wanneer we Hem niet kennen en Hem niet te voet vallen, komt Hij wel eenmaal terug. Dan zullen we Hem ontmoeten als de Rechter van hemel en aarde. Hij komt, Hij komt om de aarde te richten. Dan zal Hij zeggen: ‘Wat heb je nu met het Woord van de profeten en van Mijn dienstknechten gedaan? Wat heb je met Mijn Woord gedaan? Heb je er Mij in gevonden? Hebt u Mij gezocht met alle krachten? Of bent u uitgegaan naar de dingen van deze tijd?’

Leer verstaan: Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem - ook vandaag - Zijn wegen nog leren!

En laten zij die de Heere kennen en vrezen er naar verlangen dat Hij door het geloof mag worden gezien, niet alleen als een pasgeboren Kind, maar ook als de gegeven Zaligmaker, als de gekruiste Christus, als Een Die dood geweest is, maar leeft in alle eeuwigheid en nu aan ’s Vaders rechterhand is.

Hij is de Hoorn der zaligheid. De zaligheid is in geen ander. Dat geeft rust aan de ziel en vrede aan het hart. Die wordt hier in beginsel ontvangen en straks eeuwig genoten.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 145:2

 

Ik zal, o Heer’, dien ik mijn Koning noem,

De luister van Uw majesteit en roem

Verbreiden, en Uw wonderlijke daân

Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.

Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,

De grote kracht van Uwen arm verhogen;

Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,

En overal Uw grootheid openbaren.