Ds. D. Rietdijk - Zondag 16

Een driemaal 'waarom' en de enige troost

Waarom moest Christus sterven?
Waarom is Christus begraven?
Waarom is Christus nedergedaald ter helle?
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 1, 11
Lezen : Johannes 19: 28-42
Zingen : Psalm 16: 1, 4, 5
Zingen : Psalm 56: 6
Zingen : Psalm 73: 13

We staan in deze dienst stil bij Zondag 16 van de Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 40: Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?

Antwoord: Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door de dood des Zoons Gods.

 

Vraag 41: Waarom is Hij begraven geworden?

Antwoord: Om daarmede te betuigen dat Hij waarachtiglijk gestorven was.

 

Vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?

Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

 

Vraag 43: Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?

Antwoord: Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

 

Vraag 44: Waarom volgt daar: ‘Nedergedaald ter helle’?

Antwoord: Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

 

Gemeente, wij hebben in deze dienst voor ons liggen: Een driemaal ‘waarom’ en de enige troost.

 

Wij gaan letten op:

1. Waarom moest Christus sterven?

2. Waarom is Christus begraven?

3. Waarom is Christus nedergedaald ter helle?

 

Wij hebben vandaag Zondag 16 voor ons openliggen. Dit is een heel lange zondagsafdeling met niet minder dan vijf vragen. Drie van die vijf vragen beginnen met een ‘waarom’.

Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?

Waarom is Hij begraven geworden?

Waarom volgt daar: ‘Nedergedaald ter helle’?

Driemaal ‘waarom’. Telkens opnieuw gaat het in deze heel lange Zondag met zijn vijf vragen en antwoorden, over de dood, de dood van de Heere Jezus Christus. Wij worden daarmee vanzelfsprekend geconfronteerd met onze dood. Onze dood, die wij niet kunnen negeren, maar die op ons afkomt en die telkens opnieuw aanwezig blijkt te zijn. Onze dood, die zo dichtbij kan zijn, die zo sluipend komen kan of er in één ogenblik is.

De dood van onze familieleden, de dood van degene die wij voor geen geld zouden willen missen… Maar de dood komt en snijdt die banden door.

Je kunt nooit over de dood van de Heere Jezus spreken of wij moeten terechtkomen bij onze dood. Want wat Hij gedragen heeft, is onze dood. Hij is Borg en Middelaar geweest tot het laatste ogenblik toe. Tot en met de dood des kruises is Hij Middelaar geweest, is Hij Borg geweest, heeft Hij betaald. Dus u kunt nooit over de dood van de Heere Jezus spreken of u komt terecht bij onze dood.

 

Wij zullen in deze dienst drie keer het ‘waarom’ gaan zien.

 

De eerste keer:

 

1. Waarom moest Christus sterven?

 

Als u het antwoord op deze vraag leest, komt u daar de woorden ‘gerechtigheid en waarheid Gods’ tegen.

‘Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?’ De dood is een vernedering. Voor Hem, maar ook voor de mens die een beelddrager van God is.

Er zijn in onze dagen opvattingen over de dood, die met de Schrift helemaal niet in overeenstemming zijn. Men zegt dan dat de dood bij het leven behoort. Dat leven zal natuurlijk altijd eindigen in de dood. De dood is gewoon een voortvloeisel van het leven en ligt ook in het verlengde van het leven.

Een andere mening in onze dagen zegt dat de mens is als een blad: zomaar uit het niet komend en op deze aarde geworpen. Op deze wereld brandt hij op, net als een meteoor die de dampkring raakt en dan verbrandt totdat hij as geworden is. Zo is het met de mens. Er komt een ogenblik waarop hij is opgebrand, waarop het uit en over is. Zo spreekt men in onze dagen over de dood.

Trouwens, men wil die dood ook helemaal uit het leven weg hebben. Wij hebben gepoogd op allerlei wijzen de dood uit het leven weg te doen. Wij hebben overal onze instellingen voor de dood. Tenslotte heeft men met crematoria de dood ook willen wegwerken vanuit deze aarde. Geen kerkhoven meer. Hoogstens nog een muur met wat urnen erin. Zo is de dood uit het leven weg.

Men wil zelfs het oude leven laten verdwijnen. Het oude leven moet tenslotte maar gaan verdwijnen, want dat levert toch weinig nut op voor deze maatschappij. Het oude leven moet verdwijnen om plaats te maken voor de jongeren. Zo spreekt men over de dood. Het is dus eigenlijk een heel gewone zaak. Men spreekt over euthanasie, de zachte dood die men dan wil geven. Maar die dood is niet zacht. Dat is een vernedering van de mens.

 

De Heere Jezus heeft met de dood te maken gekregen. Hij is de vernedering ingedaald.

Daar heeft Hij mee te maken gekregen toen Hij kwam bij het dochtertje van Jaïrus dat gestorven was en dat Hij heeft opgewekt.

Daarmee werd Hij geconfronteerd bij Naïn, toen die stoet uit de poort bij Naïn kwam, met die weduwe die haar eniggeboren zoon ten grave moest dragen.

Daarmee kreeg Hij te maken bij het graf van Lazarus, waar Hij weende. Christus heeft geweend toen Hij aanschouwde hoe erg, hoe laag het was afgelopen met de beelddrager van God in deze wereld. Toen heeft de Heere Jezus geweend met de wenende Martha en Maria bij het graf van Lazarus. Hij heeft de dood en het vreselijke van de dood gezien en daar heeft Hij als Middelaar over geweend.

Tenslotte komt de dood in Zijn eigen leven op Hem af. De dood kwam op Hem af in Gethsémané, waar Hij geworsteld heeft in het stof en waar Hij zag dat de dood op Hem afkwam. In al zijn gruwelijkheid, in al zijn wreedheid, in al zijn ontzetting en afzichtelijkheid kwam de dood op Hem af. Het was de beker die de Vader aan de Borg aanreikte. Daar heeft Hij onder geworsteld. Hij is mens geweest, Hij heeft de vreze des doods gekend.

 

Het is niet zoals de mens van vandaag aan de dag daar groot over spreekt. Men spreekt over zelfdoding, zelfs over hulp bij zelfdoding, en het is tenslotte de mens die de dood in de ogen kijkt en de dood verkiest.

Maar de mens heeft te maken met een vijand en met de vreze des doods. Christus heeft daarmee te maken gekregen. In de hof van Gethsémané was Zijn ziel bedroefd tot de dood toe. Dat wil zeggen: Hij was dodelijk bedroefd. Zulk een droefheid, zulk een angst heeft Hem aangegrepen, dat dit bij een mens, die alleen maar mens was, de dood zou hebben veroorzaakt.

Zo diep heeft Hij daar in Gethsémané geworsteld, dat Zijn zweet bloed werd. Bloed, dat uit Zijn poriën kwam en dat op de aarde drupte. Daar heeft Hij gebeden: ‘Abba Vader, alle dingen zijn U mogelijk. Neem deze drinkbeker van Mij. Doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Hij heeft geworsteld onder de angst van de dood.

 

Tenslotte is daar Golgotha gekomen. Op het hout van Golgotha heeft Christus de dood ontmoet in zijn verschrikking, in zijn werkelijkheid. Daar heeft Christus in de drie-urige duisternis niet alleen de tijdelijke dood die aanstaande was onder ogen gezien, maar daar heeft Hij de eeuwige dood ontmoet. Want daar is Hij van God verlaten geweest. En van God verlaten zijn is de eeuwige dood.

Dat zijn de helse smarten. De hel is de plaats waar God absoluut afwezig is, waar geen enkele blijk van Zijn tegenwoordigheid, van Zijn gunst, van Zijn goedheid meer is. Daar is Christus in afgedaald, in de drie-urige duisternis. Daar is Hij in neergedaald. Daar heeft Hij de dood gezien, zoals geen mens ooit aan deze zijde van het graf de dood kan ontmoeten. Nooit!

 

Gemeente, de dood houdt dus niet alleen ons lichamelijk sterven in, maar ook de eeuwige dood en de geestelijke dood, het gescheiden zijn van Gods gunst en gemeenschap. Dat heeft Christus doorleden. Dat heeft Hij gedaan omdat God gezegd heeft in het paradijs: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen.2:17). Dat is de dood zien in zijn volkomenheid. Christus is die dood gestorven. Hij heeft al de aspecten van de dood gezien, doorleden en gedragen.

 

Onze catechismus vraagt: ‘Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?’ Dat is een begrijpelijke vraag, want in de oude kerk was een stroming die zei: ‘Christus heeft op Golgotha uitgeroepen: Het is volbracht! en: Vader, in Uw handen beveel ik Mijn geest, maar Hij hoefde niet te sterven, want het was al volbracht. Hij had vanaf het kruis zo naar de hemel kunnen gaan, want Hij heeft het Zelf gezegd: Het is volbracht.

Anderen binnen de oude kerk, die de waarheid van het Woord van God wilden belijden, hebben in de belijdenis opgenomen: ‘Is gestorven en begraven.’ Zij hebben de dood van de Heere Jezus daar met nadruk willen noemen en met nadruk willen belijden.

 

Onze catechismus zegt dus in navolging van de Twaalf Artikelen en van de bedoeling van die Twaalf Artikelen:

‘Waarom heeft Christus Zich tot in de dood - dus tot in de tijdelijke dood - moeten vernederen?’

En dan komt het antwoord:

‘Daarom dat er vanwege de gerechtigheid en de waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden dan door de dood van de Zoon van God.’

 

Vanwege de gerechtigheid en waarheid van God. Het recht van God eiste de dood, want dat recht van God kan de zonde niet door de vingers zien.

‘Onze zonden.’ Let u daarop: onze zonden. Christus had geen zonden. Onze zonden moesten betaald worden, want de gerechtigheid van God vorderde betaling van de schuld. Die zonden tegen de hoogste majesteit van God konden niet anders dan met tijdelijke en eeuwige straffen gestraft worden. Die moesten betaald worden.

Als God dat niet zou doen, zou God geen God meer zijn Die recht doet op de aarde. En als de hoogste Rechter van hemel en van aarde geen recht doet, wie zal dan wel recht doen?

Er moest betaald worden. De gerechtigheid van God eiste de dood van de Zoon van God. Want wie kon de eeuwige dood dragen? Een gewoon schepsel had toch altijd moeten blijven lijden, tot in het oneindige toe, tot in de eeuwigheid toe? Die had toch nooit kunnen zeggen: ‘Het is volbracht’? Die had toch nooit op kunnen staan uit de doden omdat het volbracht was? Die had toch nooit het leven zelf af kunnen leggen en weer aan kunnen nemen? De gerechtigheid van God vorderde de dood van de Zoon van God, tot betaling van onze zonden, want met minder kon het niet.

 

De waarheid van God vorderde de dood, want God heeft gezegd: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven. De waarheid van God eist dat God ook metterdaad Zijn Zoon offert tot in de dood aan het kruis toe. De waarheid van het Woord van God, in het paradijs gesproken, eist de dood van de Zoon van God.

 

‘Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid van God niet anders voor onze zonden betaald kon worden dan door de dood van de Zoon van God.’ Zo groot is het kwaad van de zonde, zo groot is de toorn van God tegen de zonde, dat God met minder geen genoegen kon nemen dan met de dood van de Zoon van God.

 

Gemeente, dat is een ontzaglijke zaak, maar Christus hééft de dood gestorven. Dat kunnen we van niemand anders zeggen. Wij zeggen van onszelf dat de onzen gestorven zíjn, dat hij of zij gestorven ís. Maar Christus hééft gestorven, want Hij heeft het leven afgelegd. Er was niets of niemand die Hem van het leven kon beroven. Hij was de Levensvorst en heeft aan de wet van God voldaan. Vrijwillig en gewillig heeft Hij de dood aanvaard en is Hij die dood tegemoetgekomen.

 

Nu komt een vraag op ons af. Ik sla vraag 41 even over en ga naar vraag 42. Daar staat: ‘Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?’

U begrijpt dat helemaal: als dan de Zoon van God voor onze zonden heeft betaald door Zijn dood en daarmee aan de gerechtigheid en waarheid van God heeft genoeg gedaan, waarom moeten mensen dan nog sterven?

Dat mensen sterven moeten is duidelijk. Ook de kinderen van God moeten sterven. Dan komt de vraag op: Waarom moet dat dan? Als Hij dan de dood van Zijn kinderen gestorven is, waarom moeten zij dan ook sterven? Waarom kunnen ze niet als een Elia ten hemel worden opgenomen met vurige wagens en paarden, of zoals Henoch, die men gezocht heeft maar niet meer kon vinden, ‘want God nam hem weg’?

Hoe komt het dat God nu toch aan Zijn kerk de dood oplegt, de vreselijke dood, de vijand die ons aan kan grijnzen wanneer hij naderbij komt? We zien Hem steeds duidelijker in het gezicht wanneer we ouder worden en de tekenen van de dood hun schaduwen vooruit werpen in ons leven. Waarom moet dan die christen ook sterven?

 

Dan staat er:

‘Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.’

Dus onze dood is geen betaling voor de zonden, op geen enkele wijze. Er zit geen enkel strafelement meer in en er is geen vonkje van de toorn van God te vinden in de dood van Gods kinderen. Want dat heeft Christus volkomen geblust. De dood is geen betaling meer. Er zit niets meer in van de toorn van God, het is alleen - en dat woordje ‘alleen’ moet u even onderstrepen - een afsterving van de zonden.

Dus wat u kwijt moet is uzelf. Het is de zonde die nog overblijfselen heeft, de oude mens die altijd nog present is en die zich altijd nog roert en laat merken dat hij er is en ons doet struikelen. Daar moet u van bevrijd worden. En daar wordt u alleen maar van bevrijd door het sterven, door de dood.

De dood is een afsterven van de zonde. Het is als het ware het afleggen van de oude mens, van onze onvolkomenheid en van alles wat ten dele is. Het is het afleggen van de oude mens en van de zonde en het is een doorgang tot het eeuwige leven. Het is een deur geworden.

 

De dood is voor de kinderen van God van karakter veranderd. Het is niet meer de geweldige straf op de zonde en niet meer die onoverwonnen vijand die het lichaam in het graf bewaren zal. Helemaal niet meer! Het is wel de laatste vijand, maar die zal door Christus worden tenietgedaan.

Straks zullen ziel en lichaam worden verenigd. Dus bij de wederkomst van Christus wordt de laatste vijand tenietgedaan. Dan worden de kinderen van God naar het lichaam opgewekt en dan wordt hun ziel met hun lichaam verenigd. Dan zullen zij compleet mens zijn en zal de dood zijn tenietgedaan. De dood zal er niet meer zijn. Je zult geen kerkhoven meer vinden en je zult geen graven meer vinden. Dan zal de dood zijn tenietgedaan en zal er niets van de dood zijn terug te vinden.

 

De dood is een doorgang tot het eeuwige leven en het afsterven van de oude mens. Gods kinderen verlaten een lichaam der zonde en des doods. Ze verlaten een wereld die in het boze ligt. Ze verlaten het terrein van de vorst der duisternis. Ze verlaten alles wat hen van God scheiden kan en ze gaan door naar het eeuwige leven, om daar tot hun heerlijk Hoofd Christus in de hemel te worden opgenomen en altijd bij de Heere te zijn. Wat is dat een rijke troost voor de kinderen van God!

 

Het thema was: drie keer ‘waarom’ en de enige troost. Wat is dat een geweldige troost, dat Christus de dood gedood heeft en de vijand heeft teniet gemaakt, dat Hij ten derde dage opgestaan is uit het graf en dat Hij Triomfator werd over de dood.

Gemeente, wat een troost! Een doorgang tot het eeuwige leven.

 

Niet alle sterfbedden zijn hetzelfde. Er zijn kinderen van God die na een ziekbed, na een lang ziekbed, in coma liggen en sterven. Er zijn anderen die zomaar van het ene ogenblik op het andere worden opgenomen in heerlijkheid, die geen sterfbed hebben.

Denk even aan onze dominee Van Vliet, die op de preekstoel bij zijn intrededienst in Kapelle-Biezelinge, tijdens de inleiding van zijn preek werd weggenomen in heerlijkheid, met de naam van Christus op zijn lippen. En denkt u even aan onze dominee Elshout, die in 1991 in Izi werd weggenomen, van het ene ogenblik op het andere.

Het is niet bij iedereen gelijk. Anderen hebben een sterfbed waarover de glans ligt van de genade van God, waarover de glans en de heerlijkheid liggen van Hem Die dood geweest is en leeft tot in alle eeuwigheid, Die door Zijn eeuwige Geest mensen die vernieuwd zijn ten leven, thuishaalt. Het is een doorgang tot het eeuwige leven.

De Heere is er vrij in. Maar hoe dan ook, allen die van Hem zijn en die Hij gekocht heeft met Zijn bloed, die Hem hier hebben leren kennen en door het geloof hebben omhelsd, zullen straks mogen doorgaan tot in het eeuwige leven, om altijd bij de Heere te zijn.

 

Waarom moest Christus sterven? Om de dood te doden.

Dan komt de volgende vraag: waarom is Christus begraven? Want dat is het tweede dat wij gaan overdenken:

 

2. Waarom is Christus begraven?

 

Vraag 41 luidt: ‘Waarom is Hij begraven geworden?’

Dat is gebeurd. De begrafenis van de Heere Jezus heeft plaatsgevonden. Op het antwoord van onze catechismus is al heel wat afgekomen in de loop der eeuwen. Het zou te sober zijn. Dat is ook zo. Dat moeten we echt toegeven. Waarom dat is weten we niet. Daarbij moet u bedenken dat ook alle belijdenisgeschriften, hoezeer wij ze ook eren, menselijke geschriften zijn, die nochtans door de kerk zijn aanvaard als een belijdenis van het geloof. Dat wil niet zeggen dat wij verklaard hebben dat ze volmaakt zijn.

Hier staat: ‘Om daarmee te betuigen dat Hij gestorven was.’

Het bezwaar dat wordt aangevoerd is dat dit al bekend was toen de soldaten de speer in de zijde van de Heere Jezus hebben gestoken. Toen kwam er bloed en water uit en werd Zijn dood, krachtens Pontius Pilatus’ bevel, vastgesteld. Toen was dus duidelijk dat Hij gestorven was. Zijn beenderen werden niet gebroken en die van de beide moordenaars wel. Dus men heeft gezegd: dat ‘waarachtig gestorven zijn’ was al vastgesteld met de speerstoot van die soldaat.

Dat is wel zo, maar dat is bevestigd door de begrafenis van de Heere Jezus. Die speerstoot, die op bevel van Pontius Pilatus werd gegeven door de wacht bij het kruis, werd gegeven op verzoek van Jozef van Arimathea. Jozef van Arimathea was een rijk man, een raadsheer van de Joden. Hij wilde het lichaam van de Heere Jezus hebben en is het daarom gaan vragen bij Pontius Pilatus en die heeft daartoe bevel gegeven.

De Heere is dus ook begraven. Nicodémus en Jozef hebben Hem van het kruis afgenomen en hebben Hem gewikkeld in de linnen doeken, waartussen de specerijen van Nicodémus werden gestrooid.

 

U gaat iets zien in die begrafenis.

In de eerste plaats dat de Heere vernederd is geworden, tot en met het graf toe. Laten we dat vaststellen. Tot het graf toe is Hij de vernedering ingegaan. De kerk des Heeren wordt ook weggedragen. Na de dood wordt zij weggedragen naar het graf. Gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren (Gen.3:19). De Heere heeft de gang van Zijn kerk gemaakt.

Hij werd gelegd in een nieuw graf. Daar gaat een sprake van uit. Een nieuw graf waarin nog nooit iemand gelegd was geweest, wil zeggen dat er geen vergissing kon bestaan over wie er opgestaan was uit de doden. Dat moest Jezus zijn, want er heeft nog nooit iemand eerder in gelegen.

Het was een uit een rots uitgehouwen graf en er was geen andere toegang tot dat rotsgraf mogelijk. Er was een steen voor gewenteld en er werden zegels van Pilatus op gezet. Er kon geen twijfel mogelijk zijn over Wie er uit het graf gegaan was. Dat was Jezus. Hij is opgestaan uit de doden! De opstanding werd zéker gemaakt.

 

U kunt zien dat het in de begrafenis van de Heere Jezus toegaat naar Zijn verhoging. Er gaat in de begrafenis van de Heere Jezus iets gloren van de verhoging van Hem, Die vernederd is geweest tot de dood des kruises. Hoewel Hij weggedragen wordt naar het graf dat dicht bij de kruisheuvel was, gloort er toch iets van de heerlijkheid van Hem, de Levensvorst, Die hier begraven wordt. Hij wordt gewikkeld in fijn linnen lijnwaad met specerijen daaraan toegevoegd. Daar zien we iets in van de heerlijkheid van Vorst Immanuël. Hij is bij de rijken in Zijn dood geweest.

 

Gemeente, nu gaat onze catechismus ons wijzen op nog iets anders. We komen daarmee ook op een ander aspect van de begrafenis van de Heere Jezus. Hij is niet alleen maar neergelegd in het graf om daarmee te bewijzen dat Hij gestorven is. Het was wel de uitvoering van het vonnis, maar het was ook het doordragen van de vernedering van Zijn kerk tot het laatste toe.

Daarmee heeft Hij ook de gang van de kinderen van God naar het graf geheiligd. Hij heeft het graf voor Zijn kinderen geheiligd en ontdaan van het karakter van ‘de groeve der vertering’ en ontdaan van ‘het teken van de gruwelijkheid van de dood’. Hij heeft het gemaakt tot een rustplaats, waarop de doden rusten zullen als op hun slaapstede.

De kerk des Heeren, de kinderen van God, hebben een slaapstede gekregen, waarop zij rusten mogen tot de dag van de opstanding. Christus heeft in hun graven gestaan als de Opstanding en dan mogen zij worden neergelegd in hope. Zij worden gezaaid in hope, opdat straks hetgeen nu gezaaid wordt in verderfelijkheid, opgewekt wordt in onverderfelijkheid. Hetgeen nu gezaaid wordt op de akker des doods, zal straks uit de akker verrijzen als het koren dat gebracht zal worden in de eeuwige schuren van de Landman Die boven is.

Dat graf is geheiligd. Door het graf heeft Hij de vernedering, de smaadheid en de schande van Zijn volk gedragen.

 

De catechismus gaat nog een stap verder, want dan staat er:

‘Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?’

Dan staat er :

‘Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.’

 

Dus de dood en de begrafenis van de Heere Jezus heeft deze betekenis: dat door Zijn kracht de oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt. Dus als de Heere Jezus in het graf gelegd wordt en Hij straks uit het graf opstaat uit de doden, dan blijven daar de zonden van Zijn kerk achter. Dan blijft daar de vloek van Zijn kerk achter. Dan blijft daar de schuld van Zijn kerk achter.

De Heere gaat de oude mens met Zichzelf kruisigen, doden en begraven. De oude mens zal straks voor eeuwig weg zijn voor Zijn kerk, door Zijn kracht. Van het kruis van Christus, van de dood van Christus en van de begrafenis van Christus gaat een kracht uit.

 

De catechismus gebruikt hier een voorbeeld, ontleend aan de apostel Paulus in Romeinen 6. Daar maakt de apostel Paulus een vergelijking tussen de doop en de dood van de Heere Jezus en onze doop. Hij zegt daar namelijk: Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? (Rom.6:3)

U moet bij Romeinen 6 even denken aan de doop zoals die daar bediend werd in oude tijden. Toen ging de dopeling helemaal onder in het water. Dat was het watergraf, waar hij helemaal in onderging. Hij werd begraven. En dan stond deze dopeling weer op uit dat water. Zo is de Heere Jezus ondergegaan. Niet alleen in het water van de Jordaan bij Johannes de Doper, maar Hij is ook ondergegaan aan het kruis in de dood en Hij is begraven geworden. De doop van Johannes wees heen naar de kruisiging, naar de dood en naar de begrafenis van de Heere Jezus Christus.

‘Alzo’, zegt Paulus, ‘zijn wij in Zijn dood gedoopt geworden.’ Dus de kerk des Heeren is met Hem gekruisigd, is met Hem ondergegaan in dat kruis, in hun doop, en is met Hem begraven in de doop, opdat de oude mens zou worden gekruisigd, gedood en begraven.

Die oude mens moet niet gekoesterd, maar gekruisigd, gedood en tenslotte begraven worden. Opdat de boze lusten van het vlees in ons niet meer regeren zullen, opdat die niet meer in ons heersen zullen. Want die boze lusten zijn er en die boze lusten blijven zo lang als zij in dit leven zijn.

Maar nu moet die oude mens met Hem gekruisigd, gedood en tenslotte begraven worden. Opdat die boze lusten niet meer regeren, maar opdat wij zouden opstaan uit dat water, zoals Christus is opgestaan uit het water tot heerlijkheid van de Vader. Opdat ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden en opdat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

Dus de kracht van Christus’ kruisdood en begrafenis werkt in het leven een doding van de oude mens. Dat doet Zijn kracht alleen.

 

Hellenbroek vraagt: ‘Wat moet men doen, opdat de heiligmaking toeneme?’ Het antwoord is dat je alle middelen moet gebruiken om deze heiligmaking te bevorderen en dat je alles uit je leven moet wegdoen wat die bevordering in de weg staat. De middelen waardoor de heiliging bevorderd wordt, zijn vanzelf de genademiddelen die de Heere Zelf gegeven heeft.

Maar dan zegt Hellenbroek daar iets bij. Hij zegt in het laatste zinnetje: ‘Dit kan alleen geschieden door de kracht van Christus en door de genade van de Heilige Geest.’ Daarom is het antwoord zo prachtig, zo mooi.

Hier hebt u ons antwoord: door de kracht van Christus en door de genade van de Heilige Geest. Daardoor wordt de oude mens gedood en daardoor offeren we onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid.

Onszelf… Dus niet iets van u of een gave van u, maar uzélf. De Heere vraagt u helemaal, voor honderd procent. Uw lichaam, uw ziel, uw gedachten, uw woorden, uw tijd, uw geld, alles wat u hebt. De Heere vraagt een levend dankoffer: onszelf Hem opofferen, ons hele leven in Zijn dienst stellen, door Zijn kracht en door de vernieuwing van de Heilige Geest.

 

Paulus is een man geweest die zijn hele leven opgeofferd heeft in de dienst van de Heere. Hij schrijft in de Filippenzenbrief: Ik vermag alle dingen. Het staat in het laatste hoofdstuk. Hij is zijn brief zo’n beetje aan het afronden en zegt: ‘Mensen, bedankt voor je gaven hoor, maar ik zoek die gaven niet. Ik zoek ú. Ik weet gebrek te hebben, dus dat moet je maar niet al te zeer rekenen. Ik weet overvloed te hebben; dat ook. Ik vermag alle dingen.’ Eigenlijk staat er: ‘Ik kan alles.’

Je zou zeggen: ‘Paulus, zeg je nu niet teveel?’ En dan zegt hij: ‘Nee, dat is geen hoogmoed, geen opschepperij. Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13).’ Het is alleen door de kracht van Christus dat hij staande kan blijven, dat hij kan werken en zijn leven kan offeren tot een levend dankoffer voor de Heere. Het is door Christus alleen.

 

En Maarten Luther - denk erom, dat is een man geweest die elke dag honderd procent heeft gewerkt, zelfs boven vermogen - hij is verbannen geweest, heeft voor de Rijksdag gestaan, is een man geweest die tenslotte vogelvrij was. Dacht u dat die man dat allemaal had kunnen doen in eigen kracht? Natuurlijk niet!

Als Luther sterft, laat hij een briefje na bij zijn sterfbed. Op dat briefje staat: ‘Wij zijn bedelaars. Dat is waar.’ Hij heeft geleefd uit Christus, Die hem kracht gaf.

 

Gemeente, als ik dat slappe christendom van nu zie, dan zeg ik: heeft dat christendom geen kracht meer? Heeft het geen kracht meer om staande te blijven en om te strijden en om de genade van God te openbaren en om de glans van de genade te openbaren?

 

‘Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruist, gedood en begraven wordt en dat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.’ Tot zover onze tweede gedachte.

 

We zingen eerst uit Psalm 56, het zesde vers:

 

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor de dood;
Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot’;
Gij zijt voor mij een schild in alle nood;
Gij hebt mijn smart verdreven;
Uw dierb’re gunst is m’ altoos bijgebleven.
‘k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven;
Zo word’ door mij Zijn naam altoos verheven;
Zo word’ Zijn lof vergroot.

 

Tenslotte de derde gedachte:

 

3. Waarom is Christus nedergedaald ter helle?

 

Dit staat er zomaar achteraan. Het is een gangbare vraag van catechisanten: Waarom staat dat ‘nedergedaald ter hel’ nu helemaal achteraan, terwijl wij belijden dat het vóór Zijn sterven gebeurd is, aan het kruis? Toch staat het helemaal achteraan. Hoe komt dat? Wel, de oude kerk heeft inderdaad geloofd, op grond van 1 Petrus 3 vers 19 en Efeze 4 vers 8, dat de Heere Jezus aan degenen die in de hel waren, gepredikt heeft. Dat zegt Petrus. En in Efeze 4 staat dat Hij nedergedaald is tot de nederste delen der aarde. Dus zij hebben gezegd dat Christus na het sterven echt naar de plaats van de hel is gegaan, om daar degenen die gevallen waren te verlossen.

Calvijn heeft helder licht over de nederdaling ter helle geworpen. Men heeft namelijk ook in de kringen van de Reformatie dat ‘nedergedaald ter helle’ opgevat als de staat van de dood. Dus Christus vertoefde na Zijn begrafenis in de staat van de dood tot de morgen van de opstanding. Maar Calvijn is degene geweest die het juist heeft begrepen en die gezien heeft dat Christus niet op die plaats is geweest, maar dat Hij aan het kruis, in de drie-urige duisternis, van God verlaten zijnde, in het bijzonder de helse smarten heeft geleden.

Onze catechismus zegt: ‘Dat Hij door de onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden - dus dat begon al in Gethsémané - maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was.’ Dus het is in het bijzonder in die drie-urige duisternis geweest. Dat is het moment waarop Hij is neergedaald in de nederste delen der aarde.

 

En wat heeft dat voor nut?

Want het gaat om het ‘waarom’ en de enige troost. Wat heeft dat voor nut?

‘Dat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid (…) mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.’

Let u er even op: daar hebt u weer dat zeer persoonlijke. Het gaat nu niet over ónze Heere Jezus Christus, maar over míjn Heere Jezus Christus.

 

‘In mijn hoogste aanvechtingen.’

De kerk des Heeren kent aanvechtingen, want er zijn allerlei bestrijders. Er zijn aanvechtingen waarbij de satan vanbinnen zegt dat u zich bedriegt en dat u straks zult wegzinken in een eeuwige nacht.

Dat dit de weg van God niet is en dat u zich maar wat hebt wijsgemaakt.

Dat de vreugde die u gekend hebt de vreugde van het tijdgeloof is.

Dat de woorden die u uit het Woord van God door de Heilige Geest hebt verstaan, maar zelf genomen zijn.

Dat u straks van een top van eer in een eeuwige verwoesting zult neervallen. Kan het zo hoog gaan, dat de satan u een eeuwige verwoesting en een eeuwige nacht voorstelt? Ja, zo hoog kan dat gaan.

 

Gemeente, nu gaat onze catechismus niet maar redeneren en ook niet theoretisch uiteenzetten, maar alleen maar geloofsbelijdend spreken: ‘Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij.’ Dat is door het zien van het geloof op Hem, Die in Zijn hele lijden, maar inzonderheid aan het kruis, onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, helse kwellingen en verschrikkingen heeft geleden.

 

Onuitsprekelijk; je kunt het niet uitspreken, niet zeggen. ‘Mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.’

Als er één man geweest is van aanvechtingen, van de hoogste aanvechtingen, dan was dat wel Maarten Luther. Als je over hem leest, kom je de majesteit tegen van het werk van God in de Reformatie. Deze man heeft alleen gestaan in dat hele grote Europa. Hij had wel vrienden, maar als het er op aankwam was hij toch de man die telkens weer het voortouw nam.

Dacht u niet dat satan hem gezegd heeft: ‘Geloof je nu echt, Maarten Luther, dat al die mensen in die veertien, vijftien eeuwen die voorbij zijn, zich vergist hebben en dat jij nu alleen gelijk hebt? Dacht je heus dat jij het nu gevonden hebt? En kijk eens wat je zelf bent in je leven. Je kunt nog geen gebed tot een goed einde brengen; je kunt geen gebed opzeggen zonder dat er duizend gedachten door je heen dwarrelen. Dacht je nu heus dat je gelijk had?’

De hoogste aanvechtingen… Luther had niemand om mee te praten, niemand om op terug te vallen. Hij stond alleen. Maar tenslotte kwam hij er uit. Hij verwees satan naar zijn Heere Jezus Christus en zei: ‘Ga maar tot Hem, want Hij weet het en Hij heeft ervoor betaald. En alles wat je van mij weet, weet je nog te weinig, want er is nog meer te vertellen. Maar daarvoor heeft Hij betaald.’

 

‘In mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste.’

Dat is de troost van het waar zaligmakend geloof dat Christus heeft omhelsd en heeft aanvaard als een volkomen Zaligmaker. ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Ik ben voor u in die helse verzoekingen geraakt, opdat u daar nooit in terecht zou komen.’

 

Gemeente, wat is het een zaak van belang, dat u persoonlijk kunt zeggen: ‘Mijn Heere Jezus Christus!’ Dat Hij van u is, dat Hij uw Zaligmaker is en dat Hij de Gegevene van de Vader is, Die gekomen is opdat Hij zondaren zou roepen tot bekering. Er is zo’n rijkdom van genade uitgestald in Hem, Die dood geweest is, Die begraven is en zelfs ter helle is nedergedaald.

Dat zult u nooit kunnen ontkennen, als u straks voor de Heere staat. Dan zult u niet kunnen zeggen dat u het niet wist. U kunt met uw verstand wel de Twaalf Artikelen opzeggen: ‘Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven.’ Maar straks zal die wetenschap u veroordelen, als u niet bent uitgegaan om in Hem het leven en de zaligheid, die in Hem alleen te vinden is, te zoeken.

O, wat zal het verschrikkelijk zijn voor allen die met dit woord hebben gespot, die het hebben veracht, die het spreken over zonde en ongerechtigheid maar veel te zwaar vonden. ‘Moet dat nu allemaal zo en hoort dat nu allemaal zo?’

Gemeente, dacht u echt dat het kruis van Christus nodig was als wij geen zonden hadden? Dacht u echt dat het kruis van Christus nodig was als wij niet een verloren schepsel waren geworden? Dacht u heus dat het nodig was dat Hij van God verlaten was, als wij God niet hadden verlaten?

 

Gemeente, buig onder dat woord en roep Zijn naam aan. Maak Zijn daden bekend. Er is nog plaats aan Zijn voeten.

Het is nog het ‘heden der genade’, de welaangename tijd, waarin Hij nodigt en roept: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

Hij is het, Die nodigt en roept tot Zijn gemeenschap. Buig uw knieën voor Hem en vraag om de werking van Zijn Geest, opdat u uzelf en Hem mag leren kennen. Opdat u door de genade van Hem, door Zijn kracht, de oude mens doden mag en uw leven Hem tot een offerande der dankzegging mag opofferen.

 

Wat is het een voorrecht, als we van Hem het wonder van Zijn genade hebben leren kennen in ons leven en Hem hebben mogen ontmoeten, toen Hij geopenbaard is aan onze ziel, in het geloof.

Als u dan bij Hem terechtgekomen bent, blijf dan maar aan Zijn voeten liggen. Want met Zijn openbaring alleen kunt u niets doen. En met wat u verder doorworsteld hebt, hoe groot, hoe erg dat ook is, kunt u ook niets doen. Maar alleen hiermee kunt u iets doen: aan Zijn voeten blijven liggen en dan uw bedelhand ophouden, pdat in die bedelhand van u alles wat u ontbreekt, wordt gelegd. Want Hij beloofde: ‘Al wat u ontbreekt schenk Ik, die grote Ik, zo gij het smeekt, mild en overvloedig.’ Dat doet Hij!

Daar spreekt deze Zondag van, want er wordt gesproken

van een geheiligd graf,

van een doorgang tot het eeuwige leven en

van een eeuwige bevrijding van de helse smarten,

door Hem!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:13

 

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart,
Of bange nood, mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).