Ds. J.S. van der Net - Jeremia 22 : 30

Koning Jojachin

Jeremia 22
Afgeschreven
Meegeteld

Jeremia 22 : 30

Jeremia 22
30
Zo zegt de HEERE: Schrijft dezen zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids, en heersende meer in Juda.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 2, 3
Lezen : Jeremia 22
Zingen : Psalm 89: 13, 14
Zingen : Psalm 2: 6, 7
Zingen : Psalm 113: 4

Het Woord van de Heere waarbij we op deze adventszondag willen stilstaan, kunt u vinden bij de profeet Jeremia, hoofdstuk 22 vers 30. Wij lezen daar het Woord van de Heere aldus:

 

Zo zegt de Heere: Schrijft deze zelfde man kinderloos, een man die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon Davids, en heersende meer in Juda.

 

Deze Schriftwoorden bepalen bij: Koning Jojachin.

 

Twee hoofdgedachten:

1. Afgeschreven

2. Meegeteld

 

1. Afgeschreven

 

Gemeente, het is al laat in de avond. Het is vijf voor twaalf. Het is bijna nacht voor Juda. Dikke duisternis valt er over het volksbestaan van Juda. Straks zal de klok twaalf keer slaan. Dan rammen Babylonische soldaten de muren van Jeruzalem kapot en gaat het volk in ballingschap. En in die donkere avond, waarin alles vol verwarring is, wordt Jojachin koning.

Jojachin is dan nog heel erg jong. Hij is nog maar achttien jaar. Aan het einde van zijn regeringsperiode is hij nog steeds achttien jaar, want hij regeert slechts drie maanden en achttien dagen. Ook voor hem breekt de nacht van de ballingschap aan.

 

Hoe komt het zo donker in Juda? Na de dood van de vrome koning Josia is het snel bergafwaarts gegaan met het vorstenhuis en met het volk. Aanvankelijk leek onder koning Josia alles nog goed te zullen komen. Hij was een oprecht koning die de Heere vreesde en onder zijn bewind vond er een reformatie plaats.

U weet het wel, tijdens het herstel van de tempel was de wet weer gevonden. Dat vormde voor Josia de aanleiding om zijn land te zuiveren van de afgodendienst en zijn volk terug te roepen tot de dienst van de Heere. Maar dan is daar plotseling die jobstijding dat koning Josia is gesneuveld in de strijd tegen de Egyptenaren. Hij is dan nog maar 39 jaar oud. Hij had nog zoveel voor zijn volk kunnen betekenen.

En dan? Dan is het onheil niet meer te keren. Het licht dat onder de reformatie van Josia was gaan schijnen, wordt weer gedoofd.

Er is nog maar één ster die schijnt en die het licht van het Woord van God doet stralen; het is de profeet Jeremia. Maar ook naar het woord van Jeremia wordt niet geluisterd. Het licht dat hij uitstraalt wordt door het volk verduisterd, want het heeft de duisternis liever dan het licht. Hoe is dat gegaan?

Nadat koning Josia gesneuveld is, wordt hij opgevolgd door zijn zoon Joahaz, maar die wordt na drie maanden al weer afgezet door de farao van Egypte. Daarna wordt zijn broer Jojakim tot koning aangesteld. Jojakim wordt wel koning, maar dat betekent niet dat hij veel te zeggen heeft. Hij is niet meer dan een vazal van de farao en later van Nebukadnezar. Jojakim is elf jaar koning en sterft. Daarna regeert zijn zoon Jojachin, die slechts drie maanden koning is, waarna koning Nebukadnezar hem gevankelijk wegvoert.  Tenslotte regeert de laatste koning van Juda, Zedekia, een oom van Jojachin.

 

Het is heel donker in die laatste jaren van het volksbestaan van Juda. Dat komt omdat van al die koningen gezegd moet worden dat ze deden wat kwaad was in de ogen van de Heere. Zo staan ze te boek in Gods Kronieken: als kwaaddoeners. Zo staat ook koning Jojachin ingeschreven.

En omdat hij staat ingeschreven als iemand die kwaad deed in de ogen van de Heere, krijgt Jeremia de opdracht hem af te schrijven. Jeremia zegt over Jojachin: Zo zegt de Heere: Schrijft deze zelfde man kinderloos, een man die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon Davids, en heersende meer in Juda.

Jojachin wordt met zijn nageslacht afgeschreven! Afgeschreven door God Zelf. Hij zal geen opvolger hebben. Het koningshuis van David vindt met hem een einde. Het gaat onder in de nacht. Want hij en zijn vader en zovelen van zijn voorvaderen deden wat kwaad was in de ogen van de Heere. Daarom zijn ze Gods gramschap dubbel waard.

God volvoert Zijn Woord aan David aangaande het nageslacht. We hebben het gezongen:

 

Maar zo zijn kind’ren ooit Mijn zuiv’re wet verlaten,

Zo ’t richtsnoer van Mijn recht ter reeg’ling niet kan baten,

Zo zij ontheiligen wat Ik heb voorgeschreven,

Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven.

 

Dan zal Ik hen die dwaas en wreev’lig overtreên,

Bezoeken met de roe en bitt’re tegenheên.

 

De profeet Jeremia moet dat in duidelijke bewoordingen tegen Jojachin zeggen. We hebben het gelezen. Jeremia gebruikt daarbij het beeld van een zegelring. Een zegelring was een erg kostbare gouden ring. De eigenaar van zo’n zegelring is daar heel zuinig op. ‘Maar’, zegt Jeremia tegen Jojachin, ‘al zou je een zegelring voor de Heere zijn, een kostbaar bezit waarop de eigenaar zuinig is, dan nóg zal de Heere deze zegelring van Zijn hand afrukken en wegwerpen.’

Al zou je zo’n zegelring zijn... Maar Jojachin was zo’n zegelring niet. En al zou hij zo’n zegelring zijn, dan nog zal de Heere hem wegdoen! Ja, Hij zal hem geven in de hand van degenen die zijn ziel zoeken. In de hand van hen voor wie Jojachin verschrikt is. Nebukadnezar zal hem gevangennemen. Wegvoeren, zegt Jeremia, naar een land waar hij niet geboren is, maar waar hij wel zal sterven. Dat is de boodschap van Jeremia.

 

Dit slaat in Jeruzalem in als een bom. Het bericht van Jeremia brengt onder het volk grote consternatie teweeg. Jeremia hoort de mensen als het ware de vraag stellen: ‘Maar waarom toch? Waarom wordt deze jonge koning zo aangesproken? Geef hem toch een kans! Waarom wordt dit oordeel hem aangezegd? Is hij soms een veracht vat? Is hij soms een pot waar je helemaal niets aan hebt of een waardeloos gebruiksvoorwerp waarmee niemand iets kan beginnen? Deugt koning Jojachin dan nergens voor? Is hij dan alleen geschikt om weggeworpen te worden?’

Zo reageert het volk van Juda. Maar met indringende ernst geeft Jeremia daarop ten antwoord wat het Woord van de Heere is: O land, land, land, hoort des Heeren woord! (Jer.22:29)

 

Inderdaad, God kan met deze Jojachin niets beginnen. Daarom moet hij als kinderloos aangeschreven worden. Nooit zal er iemand uit zijn nageslacht op de troon van David zitten om over Juda te regeren. Jojachin wordt volkomen afgeschreven. God maakt er een eind aan.

Zo is het ook gebeurd. Nebukadnezar kwam en heeft Jeruzalem ingenomen. Jojachin, zijn moeder en veel inwoners van Juda zijn naar Babel gevoerd. De gevangenisdeur is voor Jojachin opengegaan en hij werd opgesloten in een cel. Daar in die gevangeniscel in Babel heeft Jojachin 37 jaar gezeten. Nee, hij wordt in Juda niet door zijn zoon opgevolgd, maar een oom wordt door koning Nebukadnezar als koning aangesteld. De koningslijn breekt af. Het huis van David gaat smadelijk ten onder in de ballingschap.

 

Is Jojachin dan echt een vat waarin men geen lust heeft, een onbruikbaar voorwerp? Inderdaad, God had geen lust in hem. Hij deed immers wat kwaad was in de ogen van de Heere, zoals zijn vader Jojakim ook al deed?

Een koning moet een vader des vaderlands zijn. Maar zowel bij Jojachin als zijn vader is daar niets van terechtgekomen. Waar ze wel op gericht waren? Op allerlei middelen om een naam te maken. Niet in het oefenen van gerechtigheid, maar in het bouwen van prachtige paleizen. Daarom vraagt Jeremia: ‘Wilt u regeren? Bent u koning? U, die geen ander ideaal heeft dan prachtige gebouwen op te richten? U, die uw eigenlijke taak vergeet en geen acht slaat op de armen? U, die zelfs zo ver gaat dat u de ellendigen onderdrukt? Zo iemand kan geen koning meer zijn!’

Daarom is Gods straf over Jojakim gekomen. Als hij sterft, krijgt hij een ezelsbegrafenis. En zijn zoon Jojachin, die in het spoor van zijn vader gaat, wordt weggevoerd in ballingschap. Afgeschreven. God telt hem niet meer mee…

 

De Heere laat niet met Zich spotten. Als Zijn waarschuwingen in de wind worden geslagen en Zijn roepstemmen verwaarloosd, dan blijft de straf niet uit. Zeker, er is een God Die leeft en op deze aarde vonnis geeft.

Gemeente, heeft u er erg in dat dit nu ook voor ons geldt? Dat deze Jojachin met zijn zonden dichterbij ons staat dan wij misschien denken? Want als in dit gedeelte van Gods Woord over zonde gesproken wordt, dan gaat het niet alleen om de zonden van Jojachin, maar dan gaat het over uw zonde en over jullie zonden, meisjes en jongens, en over mijn zonden. Wij moeten immers aan onszelf ontdekt worden. Het Woord van God wil ons onderwijzen in onze ongerechtigheid. Onze ogen moeten geopend worden voor wie wij zijn voor God.

Het staat dichterbij ons dan we denken. Want wat wordt ons als bijzondere zonde van Jojachin getekend? We hebben dat gelezen in vers 21: Ik sprak u aan in uw grote voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen. Dat is de grote zonde van Jojachin.

Een andere grote zonde van hem lezen we in Jeremia 13. Daar wordt Jojachin vermaand om te horen, maar ook opgeroepen om God de eer te geven. Deze twee dingen nu liet Jojachin na: horen naar God en God de eer geven.

Niet luisteren betekent: je eigen gang gaan en doen alsof God er niet is. God niet eren, dat wil zeggen: voor jezelf leven. Jojachin stoort zich niet aan God en is alleen gericht op zichzelf. Dat zijn de twee hoofdzonden van de koning. Niet horen, en, God de eer niet geven.

 

Maar is Jojachin in dit kwaad de enige? Moeten we nu niet bij onszelf uitkomen? Wij mogen weer in de kerk zijn. Dat wil zeggen: God spreekt! Het zijn de roepstemmen van God in ons leven. Zonder uitzondering spreekt de Heere door wet en evangelie ons allen aan. Maar horen we ook? Luisteren we ook? Of stoppen we onze oren misschien dicht?

Wanneer de Heere zegt dat we ons moeten bekeren, reageren we dan misschien als Jojachin in vers 21 met: Ik zal niet horen? Als de Heere zegt dat we naar Zijn wil moeten leven en met de zonde breken, horen we er dan naar? Handelen wij er naar? Of lijkt u op koning Jojachin? Ik zal niet horen. Geven wij daar geen acht op? Zie, dat is kwaad doen in de ogen van de Heere. Dat is de zonde van ongehoorzaamheid. God maar laten praten en ons als doof houden…

Vaak heeft de Heere deze zonde aan Israël voorgehouden; de zonde van het niet luisteren. God heeft zo vaak gesproken, zo lang gesproken, maar Israël heeft niet geluisterd. God heeft Zijn profeten gezonden, maar zij hebben niet gehoord. Als een somber refrein lezen we dat steeds weer in de boeken van de profeten.

Over dat niet luisteren klaagt de Heere en die klacht wordt een aanklacht. Op die aanklacht volgt een beschuldiging en de beschuldiging wordt een vonnis. ‘Daarom zal Ik, de Heere, niet naar u horen als de dag van de benauwdheid komt.’

Kunnen we nog luisteren? Merken we het nog op als de Heere spreekt of gaan we over tot de orde van de dag? Leggen we de boodschap weer naast ons neer? Dan doen we net als koning Jojachin wat kwaad is in de ogen van de Heere.

 

Het gaat niet alleen over de zonde van niet horen. De tweede zonde van de koning is: God de eer niet geven. Maar hoe is dat bij u en hoe is dat bij jou? Weet u wel dat ons leven alleen maar zin heeft als het tot eer van God is? Calvijn zegt het zo dikwijls: We zijn er niet om van alles te bereiken, maar om te leven tot de eer van God. Daarom begint de Bijbel ook met het scheppingsverhaal. Van meet af aan moet het duidelijk zijn Wie God is en wie wij zijn. Die verhoudingen moeten we goed onder ogen zien. God is God en wij zijn mensen. Schepselen hebben geen doel in zichzelf, maar alleen in hun Schepper. We zijn er voor God. Wie zo niet leert leven, doet wat kwaad is in de ogen van de Heere.

Wat is eigenlijk zonde? Wanneer doen we zonde? Wanneer doen we wat kwaad is in de ogen van de Heere? Als we net als koning Jojachin de Heere de eer niet geven. Als we ons leven aan Hem onttrekken, als we voor onszelf leven. Aan de buitenkant kan dan alles piekfijn in orde zijn, maar ons leven deugt voor geen millimeter. We zullen alleen God de eer moeten geven. God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf. Want God is ijverig, dat betekent: jaloers op Zijn eer.

Voelt u nu waar het om gaat? Het zijn niet alleen zondige daden en zondige woorden, die ons schuldig stellen. Maar we staan vooral schuldig als we niet horen en God de eer niet geven. Dat is het kwaad dat wij bedrijven voor het aangezicht van de Heere.

 

Daar zit Jojachin. Boven het hoofd van de koning hangt een donkere oordeelsdreiging. Schrijf deze man kinderloos. Een man die niet voorspoedig zal zijn. Dat is het oordeel waarmee God hem afschrijft. God telt hem niet meer mee. God doet hem weg vanwege zijn zonde. Vanwege het feit dat hij God niet hoorde en Hem niet eerde, ligt het oordeel op hem.

Dat is wat! Want ziet u boven uw eigen hoofd diezelfde oordeelsdreiging? Vanwege diezelfde zonde: niet horen naar God en Hem de eer niet geven. Ziet u in dat ook u afgeschreven zou moeten worden?

Wat een schrik en huiver kan er dan op onze ziel vallen! Want wie zal kunnen zeggen wat het is als we door God worden weggedaan, als God ons prijsgeeft?

Laten we het toch ter harte nemen en God de eer leren geven. Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is (Jes.55:6). Het kan nog! Er is nog genade. Want God is een verrassend God! Dat zullen we in onze tweede gedachte zien. Eerst zingen we Psalm 2 vers 6 en 7:

 

Vreest ’s Heeren macht en dient Zijn Majesteit;

Juicht, bevend, op ’t gezicht van Zijn vermogen,

En kust de Zoon, vanouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg’ voor aller ogen;

U op uw weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,

Tot staving van Zijn lang gehoond gezag.

 

Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer,

In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;

Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’!

Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen!

 

2. Meegeteld

 

Die afgeschreven koning Jojachin zit in Babel in de cel. Jaar in, jaar uit, 37 jaar lang. Jojachin heeft alle hoop al opgegeven. Hij beschouwt zichzelf als een hopeloos geval. Nooit zal hij naar zijn vaderland terugkeren. Nooit hoeft hij te rekenen op verandering in zijn lot. Jeremia had het immers voorspeld: nooit zal hij terugkeren naar zijn geboorteland. In den vreemde zal hij sterven. Waarop kan hij nu nog hopen?

Maar toch… onverwacht gaat de deur van zijn cel open. De cipier komt koning Jojachin vrijlaten! En wat heeft die cipier bij zich? Hij heeft een door de koning van Babel ondertekend gratiebevel bij zich: ‘Wij, Evilmerodach, koning van Babel, bij de gratie van Mardoek - dat is de god van Babel - verklaren bij deze dat wij gratie verlenen aan Jojachin, eertijds koning van Juda.’

 

Jojachin weet niet hoe hij het heeft. Daar heeft hij niet meer op durven rekenen! Geen wonder dat hij er even tijd voor nodig heeft om dat te verwerken. Plotseling komt er een einde aan zijn gevangenschap. De nieuwe koning van Babel, de opvolger van Nebukadnezar, verleent ter gelegenheid van zijn troonsbestijging amnestie aan een aantal politieke gevangenen, en daar hoort Jojachin ook bij.

Maar het blijft niet bij de celdeur die voor Jojachin open gaat. Nee, Jojachin wordt ook bij de Babylonische koning ontboden. Evilmerodach ontvangt Jojachin in audiëntie. En hij spreekt, zo lezen we, heel vriendelijk met Jojachin. Hij geeft hem een ereplaats.

Er waren meer overwonnen koningen in Babel, maar Jojachin neemt vanaf dat ogenblik de eerste plaats onder hen in. Zijn gevangeniskleren gaan uit. Hij krijgt nieuwe kleren. En Jojachin mag iedere dag aan de tafel van de koning mee-eten.

 

Wat een ongedachte wending in het leven van deze verbannen koning! Wie had daarop durven hopen? Jojachin zelf in ieder geval niet. Waar is deze verandering aan te danken? Is Jojachin in de gevangenis misschien tot bekering gekomen? Heeft hij in die 37 jaar, net zoals zijn betovergrootvader Manasse, zijn zonden gezien en voor God beleden? Wij weten dat niet. We lezen er niets van in de Bijbel dat dit de reden zou zijn dat de celdeur voor Jojachin opengaat.

We lezen in de Heilige Schrift wel een andere reden waaraan deze begenadiging aan Jojachin te danken is. Immers, hebt u zojuist luisterend naar onze eerste gedachte niet gedacht: ‘Komt de Heere nu niet in strijd met zijn eigen belofte?’ Jeremia heeft immers op het bevel van de Heere tegen Jojachin gezegd dat niemand van zijn zaad op de troon van David zou zitten. Doet God op deze wijze niet Zijn eigen woord teniet? God heeft toch aan David gezworen dat Hij zijn zaad tot in eeuwigheid bevestigen zal en dat Hij Davids troon tot in eeuwigheid zou opbouwen? We hebben het bovendien gezongen: Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad. En hetgeen uit Zijn lippen ging blijft vast en onverbroken…

Hoe is dan die oordeelaankondiging van Jeremia aan het adres van Jojachin te rijmen met het beloftewoord aan David? Want als Jojachin kinderloos sterft, gaat het huis van David ten onder. Dan is het toch onmogelijk geworden dat de troon van David tot in eeuwigheid zal bestaan? Hoe zal het dan Davids huis vergaan en Davids troon? Hoe moet het dan met Davids rijk? Hoe moet het dan met Davids grote Zoon? Dan zal de Heere Jezus Christus niet geboren worden. Dan is elke adventsverwachting afgesneden...

 

Vanwege de belofte die de Heere eeuwen geleden aan David gedaan heeft, wordt Jojachin in het zevenendertigste jaar van zijn gevangenschap door Evilmerodach begenadigd. God gebruikt deze Babylonische koning tot uitvoering van Zijn heilsplan. Jojachin móet vrijgelaten worden. Want Jojachin zal ondanks zijn zonden toch gevoegd moeten worden in de lijn van de stamvaders van de Heere Jezus.

Nee, Gods woord valt niet ter aarde; het blíjft waar dat er van Jojachins zonen nooit meer eentje op de troon van Juda zal zitten. Maar ook de belofte aan David blijft waar; Zijn troon zal eeuwig zijn. Er komt tóch een troonopvolger. En die troonopvolger is Davids grote Zoon, de Heere Jezus Christus.

In de volheid van de tijd zal Jojachins grote Zoon geboren worden. Daarom wordt die afgeschreven koning uit de gevangenis vrijgelaten. En hoewel hij afgeschreven is gaat God hem toch meetellen.

 

In Mattheus 1 staat het geslachtsregister van de Heere Jezus. Daar staan de namen van David, Salomo, enzovoort. In vers 11 en 12 staat vervolgens geschreven dat Josia een zoon met de naam Jechonias gewon. Deze Jechonias is een andere naam voor Jojachin. Van hem wordt in het twaalfde vers gezegd dat hij na de wegvoering in de Babylonische ballingschap toch nog een kind krijgt: Salathiël. En deze Salathiël verwekte Zerubbabel. En tenslotte - Mattheüs 1 - komt u uit bij de geboorte van de Heere Jezus.

 

Gods woord wordt vervuld! Gods werk gaat hiermee door. Gods genade wordt zichtbaar. Die afgeschreven Jojachin wordt tóch meegeteld in het geslachtsregister van de Heere Jezus. Ook hij heeft er een plaats. Ook hij, als een vat waaraan niemand lust heeft, een gebruiksvoorwerp waar niemand wat aan had. Ter wille van de Heere Jezus Christus wordt Jojachin begenadigd!

Daarvan heeft Evilmerodach niets geweten. En Jojachin heeft er misschien ook niet over nagedacht. Maar het is wel Gods werk. Zo groot is Gods genade. Zó groot is die genade van God, dat Hij in het voorgeslacht van de Heere Jezus zelfs een man als Jojachin wilde aannemen. Zo’n zondaar, die deed wat kwaad was in de ogen van de Heere. Die niet naar God hoorde, die Zijn eer niet zocht.

Wat een genade dat de Heere Jezus Zich niet geschaamd heeft een stamvader als Jojachin te hebben. Dat Hij ook uit deze Jojachin geboren wilde worden. Nee, niet alleen zondige vróuwen komen voor in het voorgeslacht van de Heere Jezus; Thamar, Rachab, Bathseba… Maar ook zondige en verdorven stamvaders. Ook Jojachin!

 

Zie toch de genade van onze Heere Jezus Christus! Zó diep heeft Hij Zich willen vernederen. Zó diep wilde Hij afdalen in het vlees. En hier ligt dan ook de zaligheid voor zondaren. Christus is in het vlees gekomen. Ja, in het vlees! En dat vlees nam Hij aan uit een diepverdorven mensengeslacht. Maar nu Hij op deze wijze is gekomen, mag onze hoop weer gaan leven. Nu God zo’n verrassend God is, kunnen we weer moed scheppen. Nu klinkt de blijde boodschap in deze wereld!

Deze blijde boodschap is een boodschap die ons aan de ene kant veroordeelt. Een boodschap die ons aanzegt dat we zondaren zijn, omdat we niet luisteren naar God en we Hem niet eren. Een boodschap die onze ongerechtigheid aan de dag legt. Een boodschap die van ons mensen niets overlaat en ons totaal afschrijft. We deugen niet voor God en God kan niets met ons beginnen. Afgeschreven mensen, dat zijn we van nature.

Maar nu terug naar de geschiedenis van Jojachin. Omdat die eindigt in het geslachtsregister van de Heere Jezus, krijgt die boodschap óók een andere klank. Nu gaat er toch een blij gezang tot verlossing ruisen. Nu is er voor afgeschreven mensen tóch weer hoop. Nu is er voor hen zaligheid. Omdat er Eén is Die Zich volkomen wilde laten afschrijven. Dat is die grote Zoon van Jojachin, Die Zich tot in de dood heeft willen vernederen. Hij wilde buigen onder het meest zware oordeel. Hij gaf Zich over onder de allerzwaarste ontlading van de toorn van God.

Die Ene, dat is de volkomen Zaligmaker, Jezus Christus. Reeds van het allereerste begin, van Zijn geboorte af, gaf Hij Zich over, want Hij kwam niet uit heilige, vlekkeloze, reine voorouders.

Omwille van die Christus wordt de afgeschreven Jojachin toch nog meegeteld. Om Hem, deze Jezus, worden afgeschreven zondaars, die nergens toe deugen dan weggeworpen te worden, vandáág in Gods genade meegeteld.

 

Lees de geschiedenis van Jojachins verheffing door Evilmerodach nu maar in dit evangelielicht, in het licht van Christus. Wordt het u dan niet een teken van hoop in de begenadiging van zondaren door Christus Jezus? Zondaren die God alleen maar kan afschrijven, omdat ze gedaan hebben wat kwaad is in Zijn ogen, worden door de Heere Jezus Christus uit de gevangenis van hun zonde en schuld vrijgelaten. Hij ontvangt hen bij Zich en spreekt vriendelijk met hen. Hij verandert hun gevangeniskleren, Hij geeft hen een plaats aan Zijn tafel. Ze eten met Hem mee.

Deze ontvangt de zondaars en eet met hen (Luk.15:2), verweten Hem de farizeeërs. Zo doet Hij nu inderdaad! Opdat zelfs het wederhorig kroost - dat zijn mensen die altijd tegendraads zijn - bij Hem kunnen wonen.

Zo komt de verloren zoon thuis en is hij ook welkom. Mensen van wie het levensbericht luidt: ‘Zij deden wat kwaad is in de ogen van de Heere’, worden door Jezus ontvangen en aan Zijn tafel genodigd. God zorgt voor verrassingen. Armen, ellendigen, schuldigen, verlorenen… ze worden uit de gevangenis verlost, ze worden opgericht uit het slijk en geplaatst naast prinsen en wereldgroten. Wie is aan deze God gelijk?

 

Kent u dit genadewonder? Beleeft u het als een wonder? Leeft u uit dit wonder? Want als Gods Geest ons gaat bearbeiden, gaat Hij ons leren dat we zondaren zijn. Dat we kwaad doen in Gods ogen, wordt dan werkelijkheid in ons leven. We doen niet alleen zonde, we zijn zonde.

Dan gaan we het verstaan wat het betekent in de psalmen: ‘Ik was benauwd, omringd door droefenis, daar de angst der hel mij alle troost deed missen.’ Dan stijgt het gebed naar God op: ‘Voer mij uit mijn gevangenis!’ Want we hebben onszelf door de zonde gekerkerd en gekluisterd. En we zijn in eigen kracht niet in staat om die banden los te maken. Dat moet God doen. Zo krijgen we de Heere nodig. Zo komt er het ootmoedig smeekgebed: ‘Ai, laat mij niet van druk verkwijnen.’ Want: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10).

 

Is er dan toch nog hoop? Ja, kijk eens naar Jojachin. Kijk eens, daar gaat de gevangenisdeur open. Hoe kan dat? Omdat Jezus, de Gezalfde, gekomen is om gevangenen vrijheid uit te roepen en gebondenen opening van de gevangenis. Hij kondigt gratie af. Hij maakt genade bekend. Hij verleent amnestie. Een amnestie die gefundeerd is in het bloed van Christus. ‘Gij hebt in ’t dood’lijkst tijdsgewricht mijn ziel gered…’

De Heere Jezus Christus komt tot gevangenen, tot doodschuldigen. Hij bevrijdt hen. Hij neemt de schuld weg. Hij ontvangt hen. Hij spreekt vriendelijk met hen. Hij neemt ze mee naar Zijn kruisoffer, om te laten zien dat Hij hun schuld betaald heeft. Hij geeft hun andere kleding. Hij geeft hun de mantel der gerechtigheid en het gewaad des lofs voor een benauwde geest. Hij geeft hun een plaats aan Zijn tafel. Hij doet hen geregeld eten van de spijzen die Hij voor hen verwierf.

 

Kent u dit wonder van genade? Leeft u van deze verrassing van de Heere? Een verrassing voor afgeschreven zondaren. Voor mensen die zichzelf hebben leren afschrijven, Gods vonnis hebben leren aanvaarden: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Maar die tot hun verwondering iets van dat onbegrijpelijke wonder hebben leren verstaan: God telt mij toch mee. Hij zal hen Zelf bevestigen en schrijven op de rol.

 

Gemeente, afgeschreven zondaren, kinderen des toorns, mensen die doen wat kwaad is in de ogen van de Heere, worden tóch tot Sions kinderen gerekend. Zo neemt Jezus zondaars aan. Zo ontvangt Hij zondaars en eet met hen. Bent u, ben jij daar ook bij?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 113:4

 

Wie is aan onze God gelijk,

Die armen opricht uit het slijk?

Nooddruftigen, van elk verstoten,

Goedgunstig opheft uit het stof?

En hen, verrijkt met eer en lof,

Naast prinsen plaatst en wereldgroten?