Ds. D. Rietdijk - Maleachi 3 : 1b

De komst van de Koning

De voorbereiding van Zijn komst
De zuivering door Zijn komst
De verbinding aan Zijn dienst

Maleachi 3 : 1b

1b Ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 102: 1
Lezen : Maleachi 2:17 - 3:5
Zingen : Psalm 51: 5, 6
Zingen : Psalm 98: 4
Zingen : Psalm 31: 5

Gemeente, wij willen u het Woord van God bedienen zoals u dat vinden kunt in de profetie van Maleachi, het derde hoofdstuk, het eerste vers, het laatste gedeelte:

 

               Ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen.

 

We overdenken met dit Schriftwoord: De komst van de Koning.

 

We letten daarbij op drie gedachten:

1. De voorbereiding van Zijn komst

2. De zuivering door Zijn komst

3. De verbinding aan Zijn dienst  

 

1. De voorbereiding van Zijn komst

 

Gemeente, de Koning komt!

De komst van die Koning vormt het hoofdthema van het tweede deel van de profetie van Maleachi. In hoofdstuk 2 vers 17 vangt een gesprek hierover aan en het eindigt met het vijfde vers van hoofdstuk 3. Dit Schriftgedeelte is u zo-even voorgelezen.

Dat die Koning komt is het hoofdthema van het gehéle Oude Testament. Die komende Koning komt staat ook centraal in het Nieuwe Testament. Het laatste Bijbelboek van het Nieuwe Testament sluit zelfs af met Zijn eigen woorden: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen (Openb.22:20).

De eerste komst en de tweede komst van de Heere Jezus zijn aan elkaar verbonden. Zijn eerste komst was nodig om Zijn tweede komst mogelijk te maken. Zijn eerste komst moet op Zijn tweede uitlopen; in heerlijkheid en in majesteit, wanneer het rijk van God zijn voltooiing zal bereiken.

 

Maleachi, de laatste profeet van het Oude Testament, spreekt nu in zijn profetieën in gespreksvorm over die eerste komst van de Heere Jezus. Het gesprek dat in ons tekstgedeelte onze aandacht vraagt vangt aan met een vraag. De Heere geeft er vervolgens antwoord op.  

Ook de voorafgaande gesprekken beginnen met een vraag. Zo begint het eerste gesprek in hoofdstuk 1 met een vraag van het volk: Waarin hebt Gij ons liefgehad? (Mal.1:2) En het tweede gesprek met: Waarmede verontreinigen wij U? (Mal.1:7)

In hoofdstuk 2 is het de profeet Maleachi zelf die een vijfde gesprek begint: Gij vermoeit de Heere met uw woorden. Daarop volgt dan de vraag van het volk: Waarmede vermoeien wij Hem? (Mal.2:17)

Gemeente, zij hebben Hem vermoeid met de woorden: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des Heeren, en Hij heeft lust aan zodanigen, of: waar is de God des oordeels? (Mal.2:17). Wij zien hier dat het gaat over de vraag: ‘Waarom staat God nu toe dat het onrecht steeds triomfeert?’ Het volk ergert zich er aan dat het de goddelozen en kwaaddoeners goed gaat, dat zij ongehinderd hun wandaden kunnen uitvoeren.

Dat is overigens een bekend probleem in de Schrift. Het was ook Asafs moeilijkheid. Hij zegt in Psalm 73 vers 2: Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede. Ook hij vroeg: ‘Waar blijft die God van het gericht?’

Asaf was daarmee net als de mensen in de dagen van Maleachi die zeiden: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des Heeren, en Hij heeft lust aan dezelve (Mal.2:17). Waar blijft nu die God van het gericht? Wie rekent met de goddeloze af?

Ook Jona zat vol onbegrip. Toen hij naar Ninevé ging om daar te prediken, kon hij maar niet begrijpen dat God die goddeloze stad met al haar bewoners spaarde.

 

Nu nog komen de bezwaren tegen het Godsbeleid meestal voor waar eigen bekering achterwege blijft. Daar waar we de splinter in het oog van onze broeder zien en de balk in eigen oog niet opmerken. Wij roepen daarmee als het ware de God van het gericht ter verantwoording, zoals die mensen in de dagen van Maleachi: Waar is de God des oordeels? (Mal. 2:17)  Die God Die kwaaddoeners ongestraft laat voortleven, Die goddelozen altijd maar bevoordeelt en Die dwaze mensen bevoordeelt.

 

Gemeente, wie iets dergelijks zegt, moet wel beseffen dat als je Gods gericht naderbij roept, je er jezelf voor over moet hebben om voor dat gericht te buigen en om onder dat gericht door te gaan. Want wie dat niet doet, beseft niet dat wanneer God persoonlijk met ons in het gericht zou treden, Hij met ons zou moeten afrekenen. Wij kunnen immers voor die God niet bestaan.

Wie de God van het gericht dagvaardt, maar zelf niet buigt voor Hem en niet zegt: ‘Heere, als U met mij in het gericht treedt, zal ik dan voor Uw aangezicht bestaan?’, die verlangt op een gevaarlijke wijze naar dat gericht van God. ‘Want niemand zal in dat gericht, daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen, rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.’

 

In de tijd van Maleachi sprak men: ‘God straft het kwade niet, Hij laat Zich in met kwaaddoeners. Waar is de God van het gericht?’ Zij zijn eigenlijk medestanders van de farizeeërs die van Jezus zeiden: Deze ontvangt de zondaars en eet met hen (Luk.15:2). Gemeente, Hij is Iemand Die tollenaren en zondaren ontvangt!

   

In het op deze wijze spreken over het gericht van God vallen drie dingen op:

 

In de eerste plaats: ongeloof. De zónde van het ongeloof. Zij vertrouwen de Heere niet dat Hij rechtvaardig is. Zij vertrouwen God niet in Zijn handelen. Zij spreken niet vanuit de zekerheid dat de Heere straks recht zal doen. Het is zeker waar dat Hij recht zal doen aan Zijn volk en dat Hij ook recht zal doen aan allen die Hem verworpen hebben. Maar daar spreken zij niet over. 

 

In de tweede plaats is er de zonde van doofheid. Ze luisteren niet naar de Heere. God kan spreken terwijl Hij aanwezig is, en God kan spreken tegen al ons redeneren in. Maar door dat voortdurend redeneren horen wij het spreken van God niet. We zijn er doof voor. Zo waren de mensen in de dagen van Maleachi ook. Ze waren aan het redetwisten met God: Al wie kwaad doet is goed in de ogen des Heeren. Daarmee luisteren ze niet naar God en naar alles wat Hij vanuit Zijn Woord meedeelt.

Zij luisteren niet naar een sprekende God. Ze luisteren ook niet naar een God Die zwijgt.

Want God zweeg in de dagen van Maleachi. Zijn straffen bleven uit. Een zwijgend God… De sprake van een zwijgend God, een God Die geduld oefent en Die wacht om lank­moedig te zijn, kan veelzeggend zijn. Maar zij hebben dat niet opgemerkt.

 

In de derde plaats is daar de zonde van kritiekloosheid. Men rechtvaardigt zichzelf. Men beseft niet wat men vraagt als men bidt: Waar is de God des gerichts? Met het vragen naar de God van het gericht weet men niet wat men zegt. Men accepteert niet dat de Heere vrij is in Zijn bestuur, dat Hij Zijn koninkrijk wil bouwen door het zaligen van verloren zondaren, die alleen maar kwaaddoeners zijn; voorwerp voor het gericht van God, maar desondanks gezaligd door de Zoon van Zijn liefde.

 

Gemeente, de drie genoemde zonden van ongeloof, doofheid en kritiekloosheid spannen samen. De Heere zegt echter: ‘Mens, u moet bedenken dat als Mijn koninkrijk komt, dat onverwachts zal plaatsvinden. Het komt plotseling, als een dief in de nacht.’ Hij komt in de ure dat u het niet meent, op een ogenblik wanneer wij Hem niet verwachten.

Dus de God van het gericht naar Wie ze zo lijken uit te zien, komt! Dat is de grote zekerheid. Zijn komst ligt in de toekomst. Hij komt in de stal van Bethlehem.  Dat is de boodschap van Maleachi.

Hij komt ook op de wolken, op de jongste dag. Ook dat zal gebeuren. Hij komt in het hart van al Zijn gunstgenoten, door de werking van de Heilige Geest, door het geloof. Dat is de zekerheid waarvan de tekst spreekt.

 

Ziet, Hij komt! Christus komt. In de woorden van Maleachi klinkt de prediking door over Hem, Die komt om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.

Hij komt, zegt de Heere der heirscharen. De naam Heere duidt in dit vers op Jahweh, Zebaoth. Dat is: de majesteit, de heer­lijkheid van de God van Israël. Dat betekent dat Hij de Heere is van de hemelse heirscharen der engelen. Dat is de Heere Die in Zijn majesteit en heerlijkheid de Gebieder is van al die hemelse legermachten. En die Koning zegt: ‘Ik kom!’

Zijn komst zal voorbereid worden, want Hij zegt: Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal. Er wordt een bode gezonden, een heraut, een gezant.

De Koning heeft reeds boden gezonden in het Oude Testament, namelijk van Jesaja tot Maleachi toe. En straks zal Johannes de Doper verschijnen als de stem des roependen in de woestijn: Bereidt de weg des Heeren, maakt Zijn paden recht (Matth.3:3).

Wegbereiders verkondigen het gericht en de komst van de Koning. Hij laat Zijn komst aankondigen en Hij laat de weg voor Zijn aangezicht bereiden. De Heere heeft dat gedaan door de profetendienst, door de dienst van Johannes de Doper, en Hij doet dat nu nog door de prediking van het Woord.  

Die predikers, Zijn boodschappers, worden op vele plaatsen in de Schrift engelen genoemd:  ‘Zie, Ik zend ook engelen voor Mijn aangezicht.’ Wij zien dat bijvoorbeeld in Openbaring 22, waar de Heere Jezus zegt: Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten (Openb.22:16). Dus Jezus zendt Zijn engel, Zijn bode, om te prediken tot de gemeenten. En als die prediking van het Woord uitgaat, dan wordt er niet alleen maar iets gezégd, maar er gebéurt dan ook iets. Zo’n prediking heeft aan de ene kant het oordeel als inhoud, en aan de andere kant genade. De prediking dient te gewagen van zonde en genade, oordeel en vrijspraak.

 

Gemeente, het is mogelijk dat er onder de prediking van het Woord velen zitten die zeggen: ‘Alles blijft gelijk, er verandert niets.’ Dat zeiden de mensen in de dagen van Maleachi ook: ‘Er verandert niets, waar is die God des gerichts?’ In de dagen van Petrus klonk het: ‘Alle dingen blijven gelijk, van het begin der schepping af. De zon gaat op en de zon gaat onder. Alle dingen blijven gelijk. Waar blijft de belofte van Zijn toekomst?’ Maar hoe luidt het antwoord van Petrus? De Heere vertraagt de belofte niet, gelijk sommigen dat voor traagheid achten (2 Petr.4:9).

 

Hij komt…

Op Gods tijd verscheen in de persoon van Johannes de Doper de engel die de weg des Heeren zou gaan voorbereiden. Johannes heeft dat gedaan met zijn prediking: De bijl ligt ook alrede aan de wortel der bomen (Luk.3:9).

Gemeente, wanneer u met zijn prediking te doen krijgt in uw leven, is dat een voorbereiding voor de komst van Koning Jezus.

De bijl ligt aan de wortel van de boom. Slechts één hand is nodig om die bijl op te heffen en een laatste slag te geven.

Hij komt tot Zijn dorsvloer om die te doorzuiveren, zegt Johannes. Het kaf wordt aan het oordeel overgegeven; het wordt aan het onuitblusselijk vuur prijsgegeven, maar het koren zal Hij vergaderen in Zijn schuur.

 

De Koning komt…  

Zijn komst wordt voorbereid in gerichtsprediking, en Hij verschijnt in een prediking van genade. Maar eerst moet voor de Koning plaats worden gemaakt in uw hart, door Woord en Geest. We gaan daardoor zien dat we mensenkinderen zijn en sterven moeten. Dat we God moeten ontmoeten en Hem niet kunnen ontmoeten.

Wij zullen straks geoordeeld worden over alles wat in het leven gebeurd is, hetzij goed, hetzij kwaad. Kunnen wij voor God verschijnen?

Gemeente, om God te kunnen ontmoeten moet alles wat de komst van de Koning in de weg staat, opgeruimd worden.

 

Maleachi’s dagen waren dagen van verval. In de dagen van Maleachi werd het offer nagelaten. De prediking werd door de stam van Levi veracht. Het huwelijk werd geheel waardeloos geacht. Men gaf geen acht meer op het verbond dat de Heere met Zijn volk gesloten had. Het verbond, dat zowel voor het huwelijk als het nageslacht van betekenis was. De dagen van Maleachi waren dagen van verwording, dagen waarin de dienst van de Heere vervallen was.

Maar wil de komst van de Koning mogelijk worden, dan zal die voorbereid moeten worden. Alles wat de Koning in de weg staat dient te worden opgeruimd. De dienst aan de Koning moet zuiver worden.

 

Gemeente, die voorbereiding moet nu ook in uw leven plaatsvinden. Dat gebeurt door het werk van herauten, door de gezanten van Koning Jezus, door de prediking van het Woord. Dan wordt het steeds duidelijker dat wij voor God niet kunnen bestaan zoals we zijn. Aan de ene zijde wordt ons dan de verlorenheid van ons bestaan gepredikt. Daarin wordt ons aangewezen dat wij mensen zijn die zich dood gegeten hebben omdat wij met Adam hebben meegegeten. Maar aan de andere zijde wordt dan ook gewezen op de komende  Koning.

 

Hij komt, zegt de Heere der heirscharen.

Het moet niet alleen blijven bij een heenwijzing, in de zin van een vluchtige verwijzing naar Christus. Nee, de herauten van Koning Jezus, die in Zijn naam worden uitgezonden, moeten ook tot Jezus leiden, Hem in al Zijn schoonheid en heerlijkheid voorstellen aan mensen die het gericht waardig zijn en die uit de gemeenschap van God gevallen zijn. Aan mensen die het beeld van God zijn kwijtgeraakt en die voor God niet kunnen bestaan, wordt gepredikt: Jezus komt!

 

Gemeente, als Jezus komt, dan komt Hij als de Engel des verbonds. Dan komt Hij als de Heere van het verbond. Jezus komt als het Hoofd van het verbond en als de Borg van het verbond. Want Hij gaat voor Zijn kerk het gericht van God in, Hij gaat voor Zijn kerk het oordeel in. Hij Die goed was en aan Wie geen kwaad kleefde, draagt de ongerechtigheden van kwaaddoeners. Hij draagt de zonde van mensen die ongerechtigheid bedrijven.

Zijn gezanten hebben de opdracht Hem voor te stellen in Zijn gewilligheid. Want… de Engel des verbonds komt tot Zijn tempel met grote haast en met grote gewilligheid.

Gemeente, u kunt nooit genoeg opgeven van de bereidwilligheid van Koning Jezus om een zondaar te zaligen. U kunt nooit genoeg gewagen van de gewilligheid waarmee Hij in deze wereld gekomen is en waarmee Hij gegaan is naar Golgotha’s hout, waarmee Hij aan het recht van Zijn Vader heeft voldaan en waardoor Hij een zondaar kan zalig maken.

Alles wat u daarvan zegt, is altijd te weinig!

In de prediking van het Woord moet Hij zo worden voorgesteld dat mensen tot Hem worden geleid, zoals eenmaal Andreas Simon Petrus tot Jezus leidde.  

Johannes de Doper heeft dat ook gedaan. Hij heeft Hem aangewezen en aangeprezen. Hij heeft Hem in Zijn middelaarswerk uitgestald: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! (Joh.1:29)

Zo wordt er in het leven van de kerk des Heeren een wég gebaand door de verlorenheid, zonde en ongerechtigheid van een mensenkind.

 

De voorbereiding voor de komst van Koning Jezus is altijd een weg waarin de mens zichzelf leert kennen in zijn zonde en ongerechtigheid, maar tegelijk schittert daarin de Koning als de gewillige en dierbare Koning van Sion. Als de Borg, Die Zichzelf voor de kerk geeft als het Hoofd en de Borg van het verbond en Die Zijn kerk zalig maakt.

En gemeente, als wij met elkaar een voorbereiding hebben voor de bediening van het Heilig Avondmaal, dan kunt u daarmee uzelf voorbereiden. Nee, u kunt uzelf niet geschikt maken voor het vieren van het Avondmaal, voor de ontmoeting met de Koning in het offer en de teke­nen daarvan. De  ware voorbereiding is deze: als arme, verloren zondaren in onszelf, buiten onszelf zien op Hem Die de Engel des verbonds is en Die tot Zijn tempel komt om Zijn volk zalig te maken van hun zonden.

Dan hoeft u niets mee te brengen. U komt dan niet als een mens die voorbereid en toebereid is, maar als iemand die zegt: ‘Zie mij, Heer’, Wien elk moet duchten, tot U vluchten; o mijn God, verlaat mij niet!’ Dan komt u tot Hem, arm en naakt in uzelf, maar nochtans met de verwachting van Christus, Die de komende Messias is. Hij komt altijd tot Zijn kerk. Eenmaal in Bethlehems stal, maar telkens opnieuw door de prediking van het Woord, door Zijn Heilige Geest en door de bediening van het sacrament.

Hij komt!

Hij is altijd de Komende tot een verloren zondaarsvolk!

 

De tweede gedachte die wij met elkaar gaan overdenken is:

 

2. De zuivering door Zijn komst 

 

Als Hij komt, gaat Hij zuiveren. Wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen en wie zal bestaan als Hij ver­schijnt?

Dat is zeker waar als u denkt aan de laatste komst van de Heere Jezus op de wolken van de hemel. Dan zal niemand Zijn heerlijkheid en majesteit kunnen verdragen. Laten we dat toch bedenken, wanneer we nog vreemdeling van Hem en van Zijn genadewerk zijn. Want het Woord wordt nog bediend en de Geest werkt nog. Christus vergadert Zijn gemeente en Hij werkt tot op de dag van vandaag in de harten van mensenkinderen.

 

Gemeente, wij moeten de ernst van het ongeloof leren zien en op het Godbeledigende karakter ervan letten. Laten we beseffen dat we daarmee God tot een leugenaar maken. Roep toch om genade! Want wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen? In ons tekstgedeelte zijn er mensen die Hem vermoeien met de woorden: ‘Waar is de God des gerichts?’ Maar de Heere der heirscharen antwoordt: ‘Hij komt!’

 

Maleachi heeft niet alleen de laatste komst van de Heere Jezus gezien. Hij heeft ook de eerste komst gezien, want hij zegt: Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid en als zeep der vollers (Mal.3:2). En heeft de Heere Jezus niet letterlijk de tempel gezuiverd? U kent de geschiedenis van de tempelwisselaars.

Maar bedenk dat het zuiverende werk van de Heere Jezus een leven lang door gaat. Het verduurt de eeuwen en gaat door totdat de kerk zonder vlek en zonder rimpel voor Hem gesteld zal zijn.

Een goudsmid gebruikt vuur om het goud te ontdoen van verontreinigingen en om het lood eruit te halen. Zo doet Christus dat ook. Hij is het vuur. Hij is als de zeep van een voller; dat is iemand die de wol van schapen wast van het vuil. Zo is Christus de loog; dat is de zeep van de voller.

Hij zal het huis van Levi reinigen, staat er in ons Schriftgedeelte. Hij zal het volk reinigen van de tovenaars en de  overspelers die we in het tweede hoofdstuk van Maleachi aantreffen. Hij zal het volk reinigen van degenen die meineed plegen en die de arbeiders, de weduwen, de wees en de vreemdelingen onderdrukken. Zij zullen worden weggedaan. Allen die de naam van de Heere niet vrezen zullen worden weggedaan.

 

Gemeente, de Heere zuivert Zijn kerk. Wanneer Hij Zijn intrek neemt in het hart van een mensenkind, zuivert Hij dat en reinigt Hij het door de Geest van het oordeel en van de  uitbranding. Want de Geest brandt en loutert de zonde uit het hart. Daarvoor gebruikt de Koning allerlei beproevingen. Daarvoor gebruikt Hij het vuur van de geloofsbeproeving.

Die loutering doet de Heere Zelf. Hij zal alle dingen die Hem niet behagen uitzuiveren. Alles wat niet van de Heere is, wordt weggenomen. Alles wat Christus niet is, kan voor Hem niet bestaan.

Elke prediking moet daarom schiftend en zuiverend zijn. Het Woord van God wordt dan ook levend en krachtig genoemd.

Dat zwaard van het Woord klieft en scheidt wat er niet bij hoort. Het Woord is een reuke des levens ten leven of een reuke des doods ten dode. Het is één van tweeën: de één staat door het Woord op uit het zondegraf, en de ander blijft er dood onder. De één verhardt zich eronder en de ander verbreekt eronder. De één wordt een mens die voor de Heere gaat buigen en het voor Hem ver­liest. De ander wordt een mens die zich steeds harder maakt tegenover God.

Het Woord heeft een schiftend karakter. Is dit Woord al schiftend, zuiverend, als een vuur door uw leven gegaan? Want het Woord van Johannes de Doper predikt: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matth.3:2). En de Heere Jezus Zelf is Zijn prediking in Galilea begonnen met: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matth.4:17).

Ze hebben beiden de zonden aangewezen. Schiftend, louterend, reinigend. Het Woord gaat dan louterend door uw leven heen. Het neemt alles weg wat Christus niet is.

 

Loutering is een proces in het leven waarin wij geen bestaansgrond meer overhouden. Dan worden we mensen die slechts één grond overhouden en dat is Christus Jezus, als het enige fundament waarop onze ziel kan rusten. Het is een proces in ons leven waarbij alles wat Jezus niet is wordt weggenomen en waarin Hij alleen overblijft.

We kunnen daarbij net als Simon Petrus op de zeef liggen. Als we denken op de zeef van satan te liggen, kan het net als in het hart van Petrus zo benauwd worden. Dan kan het in ons leven net zo worden als bij de discipelen: schijnbaar onmogelijk ooit zalig te kunnen worden. Wij verliezen in die weg alles wat we hebben en door genade wordt alleen Christus dierbaar in ons leven.

 

En gemeente, als u gaat zien dat Christus de enige oorzaak van uw zaligheid is, wat gaat het dan pijn doen dat u Hem uw leven lang van u hebt weggehouden. We hebben met de beste bedoelingen Christus aan onze levensdeur laten staan. Hij stond aan de deur van ons hart. Hij heeft geklopt en gezegd: ‘Doe Mij open!’ Maar wij hebben gezegd: ‘Ga maar weg van mij!’

Zijn haarlokken werden vervuld met dauw en Zijn haar met nachtdruppen. Hij heeft dag en nacht aan de deur van ons leven gestaan. Maar we hadden Hem niet nodig. We hebben Zijn waarheid niet geloofd.  

 

Maar als wij ontdaan worden van alles wat niet van Christus is, en van de waardeloosheid van alles wat van ons is, dan gaat Christus waarde verkrijgen. Pas dan wordt Híj dierbaar, noodzakelijk en gepast. Alles valt dan weg, zoals in het laatste gericht alles zal weggedaan worden.

Johannes heeft dat ook gezien. In het laatste gericht zullen buiten zijn, zegt hij: de honden, de tovenaars en de hoereerders en de echtbrekers en de moordenaars en de afgodendienaars, en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet (Openb.22:15). In dat laatste gericht zal Christus alles wegdoen wat van Hem niet is. Dan zal er gerechtigheid op de aarde wonen en de goddelozen zullen er niet meer zijn.

Maar in dit leven legt Hij een mens op de zeef, Hij beproeft een mens op het vuur van het Woord en door de zeef van het Woord van God. Hij neemt weg alles wat Christus niet is, opdat we als een arme zondaar zouden zakken en zinken op de gerechtigheid van Christus alleen.

In eigen waarneming gaat het dan achteruit. Het gaat zó achteruit, dat u denkt dat er nooit meer iets van terecht zal komen, dat alles een vergissing is geweest en dat u uzelf maar wat wijs hebt gemaakt. Maar desondanks gaat Christus door, opdat Hij alleen het fundament van uw leven zal worden. Het enige fundament dat voor God kan bestaan is Jezus Christus en Die gekruist. Alleen door het werk van Christus wordt een arme zondaar, die niets anders heeft overgehouden dan zijn zondaarsbestaan, gezaligd.

 

Christus zal komen als een vuur dat loutert. Maar als Hij loutert en reinigt, dan doet Hij dat tot ons behoud. Dat overdenken we met ons derde aandachtspunt:

 

3. De verbinding aan Zijn dienst

 

Er is een verbinding aan de Koning en Zijn dienst. Let er op: Hij komt, zegt de Heere der heirscharen. Hij komt louterend. Wie zal de dag van Zijn komst kunnen verdragen?

Maar, gemeente, Hij komt om te behouden, niet om te verderven. Hij komt niet om mensen van de aarde weg te doen. Hij komt zuiverend als het vuur, maar Hij doet dat tot behoud.

We zien dat in de gesprekken van Maleachi. Wij zien dat als de Heere vraagt: Ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? (Mal.1:16) Hij vraagt dat niet om mensen van Zich weg te stoten, maar Hij doet dat tot hun behoud, om de eer van God. De zaligheid van de zondaar en de eer van God zijn met elkaar verbonden.

 

Wanneer de Heere loutert met vuur en reinigt als een voller, is Hij bezig om mensenkinderen, arme verloren zondaren, aan Zijn dienst te verbinden.

Als goud en zilver gelouterd wordt door het vuur, dan is het doel dat het edele metaal alleen overblijft. Dan gaat het er om dat metaal te laten blinken. Daarom zegt de Heere bij monde van Maleachi: ‘Als Ik nu Levi gereinigd zal hebben, zal er weer een offer gebracht worden in gerechtigheid, en zal het spijsoffer de Heere zoet zijn, als in de dagen van ouds, als in de vorige jaren.’

Daar zal een recht offer gebracht worden. Er zal een offer gebracht worden in gerechtigheid en in overeenstemming met hoe de Heere het wil.

Het gaat daarbij om twee dingen: het offer wordt gebracht met de rechte gezindheid van het hart, en het offer is voor de Heere rein. Beide naar de eis van de Heere.

Deze profetie van Maleachi zal echter pas volkomen in vervulling gaan als het nieuwe Jeruzalem daar is, als de nieuwe aarde daar zal zijn, gereinigd van ongerechtigheid en zonde. Wanneer de offeranden Gods zullen worden gebracht; de vrucht der lippen waarmee zij Hem zullen loven en prijzen. In het nieuwe Jeruzalem zal dat waar en volkomen zijn.

 

De vervulling van de profetie van Maleachi zal hier op aarde al een aanvang nemen. Die nieuwe gehoorzaamheid is in beginsel reeds hier te vinden. Want het Woord en de Geest schiften. Dat betekent: scheiden en zuiveren. Het werkt uit dat mensen aan de dienst van de Heere verbonden worden.

Dat schiften, dat zuiveren, is een pijnlijk werk, want dan moet u afscheid nemen van ideeën die u wilt vasthouden. Het Woord ontneemt ons die ideeën. Wij moeten afscheid nemen van daden die in het licht van het Woord niet kunnen bestaan. We moeten afscheid nemen van mensen die met ons het pad van het Woord niet willen bewandelen, en die zich door dat Woord niet willen laten gezeggen. De zonde wordt dan gehaat en verlaten en er ontstaat een verlangen om steeds meer in al de geboden van de Heere te wandelen.

 

Gemeente, het gaat om de gesteldheid van het hart. Het gaat om een verslagen en verbroken hart.

David had de rechte gestalte van het hart, toen hij in Psalm 51 bad dat de Heere alleen maar lust heeft in een verbroken hart en een verslagen geest, als offers die Hem behagen kunnen.

Wie een verbroken hart en een verslagen geest heeft, die ziet in dat hij tegen talloze geboden gezondigd heeft. Die roept uit: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten (Ps.51:6). Waarna David vervolgens zegt: Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer dat gans verteerd wordt (Ps.51:21). Op die plaats wordt de mens David aan de dienst van de Koning verbonden.

 

Een offer brengen dat God alleen maar behagen kan, dat kan alleen vanuit een hart dat verbroken en verslagen is. Een Gode welbehaaglijk offer is het offer dat God Zelf gegeven heeft in de Zoon van Zijn eeuwige liefde: het offer van de Heere Jezus Christus. Dat heeft eeuwigheidswaarde.

Christus heeft in het gericht van God gestaan en Christus heeft in dat gericht de zonde van Zijn kerk verzoend. Zij hoeft nu niet meer te vrezen voor dat laatste gericht. Want Christus zal komen als een Rechter uit de hemel, die Zich om harentwil in het gericht van God gesteld heeft.

 

Gemeente, Hij alleen is onze gerechtigheid!

Wanneer dat door een proces van schiften, louteren en reinigen uitgewerkt wordt, door Woord en Geest, dan zal Zijn kerk straks zonder vlek en zonder rimpel voor Hem staan.

De kerk des Heeren gaat dan anders aankijken tegen de dag van Christus, wanneer Hij komt op de wolken.

Hij komt, zegt de Heere der heirscharen.

Hij komt in Zijn eerste komst.

Hij komt in het hart.

Hij komt straks ook op de wolken van de hemel.

 

De kerk krijgt er zicht op hoe vrolijk de schepping zal zijn als Jezus komt op de wolken. Immers, als Hij komt zullen de bergen huppelen en de heuvels wankelen. Het geloofsoog ziet in dat wankelen van de bergen de oude schepping in vrolijkheid opspringen.

Het geloof ziet in het bewegen van de watervloeden dat Jezus komt om deze aarde te reinigen.

Het geloofsoog ziet dat de wateren de handen samenklappen en vreugde bedrijven vanwege de komst van de grote Koning.

Gods kerk verlangt en ziet uit naar Zijn komst. In Openbaring, het laatste Bijbelboek, wordt gesproken over de snelle komst van de Koning. Hij zegt daar: Zie, Ik kom haastiglijk (Openb.22:7).

En de kerk antwoordt: ‘Ja, Heere Jezus, ja kom haastiglijk!’ en zingt met de psalmdichter mee wat wij nu ook gaan zingen uit Psalm 98 vers 4:

 

   Laat al de stromen vrolijk zingen,                             

   De handen klappen naar omhoog;

   ’t Gebergte, vol van vreugde, springen

   En hupp’len voor des Heeren oog:

   Hij komt, Hij komt, om d’ aard’ te richten,

   De wereld in gerechtigheid; 

   Al ‘t volk daar ‘t wreed geweld moet zwichten,

   Wordt in rechtmatigheid geleid.

 

Gemeente, wij hopen Avondmaal te vieren. Wat is het een indringende vraag of wij ware disgenoten van de tafel van de Heere zijn. Ons avondmaalsformulier zegt dat wij vanwege onze zonde en vervloeking onszelf moeten mishagen, omdat de toorn van God tegen de zonde zo groot is dat Hij die, eer dat Hij die ongestraft liet blijven, gestraft heeft met de bittere en smadelijke dood des kruises aan Zijn lieve Zoon.

Daarmee gaat het zwaard van het Woord door onze ziel.

Dat is de grootheid van mijn kwaad.

Dan zegt David: ’Mijn zonde zie ik mij steeds voor ogen zweven.’

Het is een innerlijke smart over de zonde.

Omdat de toorn van God tegen de zonde zo groot is, dat Hij die eerder straffen moest dan Hij die zou kunnen vergeven, met die bittere dood des kruises aan Zijn lieve Zoon.

 

Gemeente, als we dat mishagen niet kennen, dan zijn de zaken waarnaar de tekenen op die tafel wijzen, ons vreemd. Dan verstaan we de sprake van het verbroken brood en de vergoten wijn niet. Dan weten we niet waarom dit offer noodzakelijk was.

Het gaat erom dat er een begin van het werk van God in ons leven gemaakt is, dat we stilgezet zijn op onze levensweg. De apostel Johannes zegt: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven (Joh.16:8-9).

 

Het grootste kwaad bestaat hierin, dat wij Hem en Zijn Woord hebben verworpen, dat we niet in Hem hebben geloofd. ‘Ik heb Uw waarheid niet geloofd.’

Dat wordt de smart van uw leven. U ziet in dat het niet Gods schuld is geweest, maar eigen schuld. Met een bruut ongeloof hebt u Hem van u geworpen.

O, als u geen weet hebt van dat diepe, diepe ongeloof en de smart daarover, dan is het begin er niet. Dan hebben we geen deel aan die tafel. En gaat u desondanks aan, dan zult u de vrucht van het Avondmaal niet ontvangen.  

Dan moet u dat wondere gebeuren missen, dat de Koning Zelf mensen wil ontvangen, hen toe wil spreken en hun ziel vertroosten en sterken. Wanneer deze dingen ontbreken in ons leven, laten we daar verontrust over zijn.

Maar anderzijds mag u zich ook niet aan Hem onttrekken. Want straks komt het ogenblik dat u Hem niet meer zult kunnen ontlopen, als Hij straks komt op de wolken van de hemel. Als Hij komt op de wolken, zult u de bergen en de heuvelen verkieslijker achten dan het aangezicht van Hem, Die op de troon zit, te zien!

Maar het zal niet gaan. Bergen en heuvelen zullen u niet bedekken. U zult staan voor de troon, voor God.

Laat het toch uw overweging zijn: mijn ziel, hoe zal het u vergaan als Hij komt? Hier geen deel aan deze tafel - dat is straks eeuwig buiten.

 

Dat kun je als kind ook over denken, of als jongen of meisje. Voorbereiding voor het Avondmaal is niet alleen voor mensen die oud geworden zijn of belijdenis hebben gedaan. Je moet je als kind, jongen of meisje, ook afvragen: zou ik daar ook aan kunnen zitten?

‘Avondmaal…  Ja, daar moet je eerst belijdenis voor hebben gedaan!’ Dat is waar, daar kun je niet zomaar aanzitten. Maar het is evengoed mogelijk dat je deze week al voor de Heere zult moeten verschijnen. Daar ben je nooit te jong voor. Het kan onverwachts gebeuren en daarom stel ik jullie voor de vraag: kunnen jullie Hem dan ontmoeten?

Overdenk toch deze vraag in je hart:  hoe zal ik daar staan? ‘Heere, wilt U Uw genade aan mij schenken?’

 

Wat ons formulier zegt, gemeente, is niet alleen dat wij onze zonde kennen, maar ook dat wij de beloften van God geloven. De belofte dat mij al mijn zonden om Christus‘ wil vergeven zijn.

Want aan de tafel gaat het om de versterking van het gelóóf. Het zou dus wonderlijk zijn als we aan die tafel zouden komen zonder geloof. Dat kan niet. De sacramenten zijn ingesteld om het geloof te versterken. Het formulier zegt op grond van de Schrift dat het Avondmaal door de Heere is ingesteld voor Zijn gelovigen. Dat geloof richt zich op de beloften van God. Die beloften worden in het Avondmaal betekend en verzegeld. De belofte van God dat Hij, uit louter genade, vergeving van zonden en het eeuwige leven schenkt. Daar richt zich het geloof op.

Onderzoek daarom uw hart. Het gaat niet om een groot geloof. Al zou u slechts belijden dat u de zaligheid buiten uzelf ziet liggen, dat uw oog alleen is geslagen op die ene naam: Jezus, Die gekomen is om te zoeken en te zaligen wat verloren is…

Luther zegt in dit verband over de bloedvloeiende vrouw: ‘Zij geloofde in nog niet ervaren genade, want ze geloofde dat als ze de zoom van Zijn kleed zou aanraken, ze gezond zou zijn.’ Ze geloofde in nog niet ervaren genade. Kent u dat? Laat het dan uw vraag zijn buiten uzelf te mogen zien.

 

Het geloof is ook een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons. Want het is gegrond op de waarheid van de beloften van God in Christus Jezus, aan ons verstand geopenbaard door de Heilige Geest en aan het hart verzegeld.

Het is dit geloof: dat we vaster dan de heuvelen en de bergen weten dat in Jezus alleen behoud ligt en dat we naar Hem uitzien. Er moet enige kennis van Christus zijn. Want we gaan Avondmaal houden tot Zijn gedachtenis. We gaan aan de tafel Zijn dood verkondigen. Dan zullen we wel iets van Hem gezien moeten hebben en ons aan Zijn dienst verbonden weten.

 

Gemeente, dan begeren we in Zijn wegen te wandelen. Dan verlangen we naar Zijn Woord en in verbondenheid en liefde met onze naaste te wandelen. Want we moeten met elkaar aan die tafel zitten als een eenheid, rondom dat ene offer van de Heere Jezus Christus, rondom de tekenen van Zijn dierbaar bloed.

Wanneer Hij Zichzelf zo voor Zijn kerk gegeven heeft, dan kunnen wij niet in onmin met onze naaste leven. Daarom hebben wij alles uit ons leven weg te doen wat de bediening van het Heilig Avondmaal in de weg staat. Alleen dan kunnen we met elkaar in enigheid van het ware geloof, de dood des Heeren verkondigen.

Op deze wijze is het Avondmaal een afschaduwing van die grote toekomst, wanneer Christus gekomen is op de wolken van de hemel en de aarde gezuiverd zal zijn van alle ongerechtigheid. Dan zal twist en wrok verdwijnen. De stekende distel zal er niet meer zijn. Dan zal er de eenheid van de volmaakte liefde zijn.

 

Van die liefdeseenheid is de tafel een afschaduwing. De Heere geve ons dat wij zo met elkaar, in de gemeenschap met Hem, het Avondmaal tot Zijn gedachtenis mogen vieren. Tot eer van Zijn naam en onder de zegen van een geopende hemel. Dat geve ons de Heere, door Zijn genade.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 31:5

 

k Zal in Uw goedheid mij verblijden;
Gij hebt mij aangezien,
En hulpe willen biên
In mijn verdrukking en mijn lijden;
Toen, in mijn zielsellende,
Uw aangezicht mij kende.