Ds. W. Silfhout - Lukas 1 : 78-79

Onderwerp

Lukas 1
De komst van Christus in het beeld van de zonsopgang
Goddelijk welbehagen
Hoog bezoek
Zegenrijk licht
Zekere leiding

Lukas 1 : 78-79

Lukas 1
78
door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;
79
Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 2
Lezen : Lukas 1: 67-80
Zingen : Psalm 89: 1, 15
Zingen : Psalm 107: 6, 7
Zingen : Psalm 122: 3

Gemeente, de woorden van de tekst waarbij wij u willen bepalen, kunt u vinden in het Schriftgedeelte dat u is voorgelezen uit Lukas 1, en daarvan de verzen 78 en 79. Daar lezen we Gods Woord en onze tekst als volgt:

 

Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes.

 

Deze tekstwoorden bepalen ons bij: De komst van Christus in het beeld van de zonsopgang.

 

We letten op vier gedachten:

1. Goddelijk welbehagen. Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods.

2. Hoog bezoek. Met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte.

3. Zegenrijk licht. Om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods.

4. Zekere leiding. Om onze voeten te richten op de weg des vredes.

 

1. Goddelijk welbehagen

 

Het is een prachtig gezicht in het rijk van de natuur, als in de morgen van een nieuwe dag de zon opgaat. Als de eerste lichtstralen worden gezien en vervolgens de rode gloed van de zon wordt waargenomen. De zon, langzaam oprijzend aan de horizon, vormt een prachtig gezicht. Dan lijkt het wel alsof alle dingen nieuw worden. De duisternis wordt verdreven en de morgen verblijdt zich in het vriendelijke licht van de opgaande zon.

Dat is het beeld dat Zacharias oproept in de woorden van onze tekst. Het gaat Zacharias niet om de zon in de natuur, maar om de Zon der Gerechtigheid. Het gaat hem erom Christus voor te stellen als Degene Die komen zal en Die gekomen is in het vlees. Om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

 

Zacharias is de man die vanwege zijn ongeloof negen maanden met een gesloten mond over de wereld is gegaan. Hij had de woorden van de engel die tot hem had gezegd dat Elizabeth, zijn vrouw, zwanger zou worden en een zoon zou baren, en zijn naam Johannes zou heten, niet geloofd. ‘Waarbij zal ik dat weten?’, had hij gezegd in zijn ongeloof. Daarom was zijn mond gesloten.

Wat kunnen Gods kinderen soms vanwege het ongeloof lange tijd met een gesloten mond over de wereld gaan. Maar als de Heere de mond gaat openbreken, dan móeten ze spreken. Dat doet de Heere bij Zacharias ook. Hij breekt de mond van Zacharias open, zodat hij uitbarst in een lofzang. Een lofzang voor de Heere, tot heerlijkheid van de drie-enige God. Als de Geest in de raderen is, dan kun je niet zwijgen van het werk dat de Heere doet tot zaligheid en behoud van zondaren. Zo wordt de mond van Zacharias opengebroken om de lof van de God van Israël te zingen.

 

Wat is deze Zacharias, de vader van Johannes de Doper, diep ingeleid in de verborgenheden van de godzaligheid! Door de Geest verlicht, heeft hij gesproken over Christus en Zijn werk. Christus, van Wie zijn zoon Johannes de voorloper zal zijn. Johannes zou voor het aangezicht van Christus heengaan, zoals Zacharias dat heeft gezegd in vers 77: Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden. Daarom moest Christus immers in de wereld komen: tot zaligheid, tot vergeving van de zonden.

Johannes de Doper heeft van Hem getuigd: Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden (Joh.1:27). Wat een heerlijkheid heeft deze heraut van de Bruidegom, Johannes de Doper, in Christus mogen zien!

 

Johannes de Doper is in zijn prediking begonnen bij het begin. En dat doet Zacharias eigenlijk ook in zijn lofzang. Want als hij in vers 78 spreekt over de innerlijke bewegingen der barmhartigheden van onze God, dan begint hij bij de oorsprong van de zaligheid. Want Kerstfeest is het feest van Gods welbehagen. Dat wordt hier genoemd: de innerlijke bewegingen der barmhartigheden van onze God. Dat is de oorzaak waardoor mensen kennis van de zaligheid en van de vergeving van de zonden ontvangen.

Deze innerlijke bewegingen worden in de Bijbel ook wel genoemd: rommelende ingewanden van Gods barmhartigheid. Onze ingewanden zijn de plaats van onze gevoelens, van onze emoties. Als je iemand heel erg ziet lijden, als iemand heel erg verdriet heeft en je bent daar getuige van, dan voel je dat diep vanbinnen. Dat kun je soms zelfs aan je lichaam voelen.

Zo is het ook bij God, van eeuwigheid. We moeten dat wel voorzichtig zeggen. God is geen mens zoals u en ik, dat niet. Maar God was van eeuwigheid in Zichzelf bewogen met innerlijke bewegingen van de barmhartigheid. Hij is géén mens. God heeft immers geen mensen nodig tot verheerlijking van Zijn grote naam. De Heere had het hele menselijke geslacht in de diepte van de val kunnen laten liggen. Wij zouden Hem geen onrecht kunnen toeschrijven. God zou de Volmaakte, de Volzalige en de Volheerlijke God in Zichzelf zijn en blijven. En nochtans, hoewel Hij tot de verheerlijking van Zijn naam geen mensen nodig heeft, heeft God van eeuwigheid gedachten des vredes en niet des kwaads gehad, om een volk te verkiezen dat Zijn lof zal vertellen. Om een volk te verlossen uit die nameloos diepe ellende, waarin wij om eigen schuld zijn terechtgekomen. En dat doet Hij opdat Zijn naam zal worden verheerlijkt!

Wij kunnen ons uit die diepe nood, waarin wij om eigen schuld terecht zijn gekomen, nooit meer verheffen. Maar in die nood heeft God nu genadig voorzien, reeds in de stilte van de eeuwigheid. En de innerlijke bewegingen van Gods barmhartigheid klinken door in deze verloren mensenwereld. Zij klinken door in het Woord van de Heere Zelf: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes.46:10).

Van dat welbehagen dat wordt uitgevoerd, heeft de profeet Jesaja reeds geprofeteerd in hoofdstuk 53: Als Zijn ziel (dat is de ziel van Christus) Zich tot een schuldoffer zal gesteld hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10). Het welbehagen van de Vader gaat door Zijn hand gelukkig voort. De Heere Jezus heeft ervan gesproken tijdens Zijn omwandeling op de aarde tegen Zijn bedroefde discipelen en gezegd: Vreest niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven (Luk.12:32).

 

Gemeente, de verlossing, de zaligheid van zondaren, is geen werk van de aarde naar de hemel, maar een werk van de hemel naar de aarde. De bron en de oorzaak van de zaligheid liggen in de hoogte van Gods welbehagen.

Want immers, vanuit de hoogte baande God een weg naar ons, een weg naar deze verloren mensenwereld. Vanuit de hemel naar de aarde. Als dat niet zo zou zijn, dan zou er nooit meer een weg tot behoud gevonden worden. Dan zou er nooit een zondaar zalig worden. Als God niet met die innerlijke bewegingen der barmhartigheid bewogen zou zijn geweest, dan zou - met eerbied gesproken - geen mens in de hemel komen.

Maar alleen maar omdat er die innerlijke bewegingen van Gods barmhartigheid zijn, zal er een Kerk zalig worden. Daarom zal er een Kerk geleid worden op de weg des vredes, vanwege het werk van die ene Vredevorst: Christus. Hij is voortgekomen uit de baarmoeder van Gods ontferming. God heeft Zelf een weg uitgedacht, voor een weg gezorgd, voor Hem Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.

 

Nooit zou een mens naar de Heere vragen, als die weg des vredes er niet was, als die innerlijke bewegingen der barmhartigheid Gods er niet zouden zijn. Welk mens heeft er eigenlijk behoefte aan om behouden te worden? Er is immers van nature niemand die God zoekt, niemand die naar God vraagt, niet tot één toe. Allen tezamen afgeweken, zo schrijft de apostel Paulus in de Romeinenbrief. We hebben er ten diepste ook geen behoefte aan, want we hebben in het paradijs tegen God gekozen. Wij hebben gezegd: ‘Wijk maar van mij, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust!’

We beseffen ten diepste niet hoe nameloos ongelukkig we zijn als we onbekeerd voortleven naar de dag van de eeuwigheid. Het is eigenlijk met mensenwoorden niet uit te drukken hoe nameloos ellendig de mens is; hoe arm, jammerlijk, blind en naakt je bent als je zonder God en zonder Christus naar die grote Godsontmoeting reist.

 

Wat een wonder dat er nu een weg is van de aarde naar de hemel, waardoor wij behouden kunnen worden. Waardoor we gered kunnen worden van de toekomende toorn en van het verderf.

Is het nu al eens een wonder in uw leven geworden dat de Heere vanuit onbevattelijke zondaarsliefde zo’n weg heeft uitgedacht? Om zondaren die niet naar Hem vragen en niet naar Hem zoeken, te behouden, zalig te maken, te verlossen van het grootste kwaad, en dat Hij daartoe Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven? Opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Een wonder bij God vandaan! Zo wordt ons hart vervuld met heilbespiegelingen. Dat maakt klein, dat maakt arm, dat maakt ootmoedig. Want ik ben het van mijzelf niet waard dat U naar mij zou omzien, want ik heb gezondigd en ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. God heeft een weg gebaand van de hemel naar de aarde, waardoor ik nog zalig kan worden, waardoor ik behouden kan worden!

 

We gaan naar de tweede gedachte:

 

2. Hoog bezoek

 

De Heere heeft ons bezocht met de Opgang uit de hoogte, zo schrijft en zingt Zacharias. God bezoekt Zijn volk. Bezoeken is eigenlijk een woord dat wil zeggen: Hij ziet naar Zijn volk om. Hij ziet naar ménsen om. Uit de hoge hemel ziet de Heere neer naar deze aarde. Met innerlijke bewegingen van Zijn barmhartigheid is de Heere opgestaan om Zijn volk te verlossen, te redden. Daarom bezoekt Hij hen.

Als we in nood verkeren en groot verdriet hebben, dan is het aangenaam om bezoek te krijgen. Dat kan ons tot troost zijn, tot sterkte. Als in onze droefheid en in onze smarten mensen laten blijken met ons mee te leven, dan is dat aangenaam. Maar hier gaat het om het bezoek van de allerhoogste God. En dan een bezoek aan mensen die Hem de rug hebben toegekeerd, die hebben besloten om nooit meer naar Hem te vragen en nooit meer naar Hem te zoeken. Ja, aan mensen die ten diepste dat bezoek van God helemaal niet op prijs stellen.

 

En waarmee bezoekt de Heere dan? Met de Opgang uit de hoogte. En dat terwijl we eigenlijk verdiend hebben dat de Heere ons zou bezoeken in Zijn toorn. Immers, onze zonden hebben God tot toorn verwekt. En welk mens is er die niet zondigt? Die zonden maken ons het voorwerp van Gods toorn. De Heere zou ons naar recht kunnen bezoeken met Zijn toorn, maar Hij bezoekt met de Opgang uit de hoogte!

Bezoeken kunnen we ook vertalen met: zál bezoeken. Zacharias zingt hier van dat heuglijke heilsfeit alsof het al gebeurd is. Maar we kunnen het ook zien als: nog liggend in de toekomst, het zal nog gebeuren, Hij zal bezoeken. Christus’ werk is eeuwigheidswerk.

Hij zal bezoeken met de Opgang uit de hoogte. Er wordt in de tekst eigenlijk een woord gebruikt dat we ook zouden kunnen vertalen met ‘de spruit die uit de aarde opkomt’. Maar de meeste verklaarders denken hier toch aan het woord van de profeet Maleachi: Ulieden daarentegen die Mijn naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan en toenemen als mestkalveren (Mal.4.2-3).

 

In de natuur is het zo dat we de zon uit de diepte zien opkomen en steeds hoger zien oprijzen. Maar deze Zon, deze Opgang uit de hoogte, komt uit de hóógte. Het gaat dus over een van bovenaf komende zon, die in deze wereld schijnt. Want alleen vanuit de hemel kan het licht de duisternis van deze wereld en van onze harten doorbreken.

Als in de morgen van een nieuwe dag de zon aan de horizon te zien is, dan weten wij dat de zon steeds hoger zal komen en uiteindelijk het hoogste punt zal bereiken. Met andere woorden: als de aardse zon opkomt, dan ligt daar de belofte in dat zij straks op het hoogste punt zal staan.

Zo is het nu ook met deze Opgang uit de hoogte. Daarin ligt niet alleen de belofte dat de Heere ons zal bezoeken met de Opgang uit de hoogte, maar er ligt ook de vervulling van die belofte in. Hij zal doen wat Hij beloofd heeft. Ook de beloften van het Oude Testament zullen vervuld worden. Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen (Gen.3:15).

Christus, Die gekomen is, heeft de belofte vervuld. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. (Gal.4:4-5).

Dat Licht van de wereld ís gekomen. Dat Licht is doorgebroken in een duistere wereld. In een wereld, verloren in zonden en schuld. En eenmaal zal dat volle licht van die Zon schijnen, als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal zijn, waarop gerechtigheid wonen zal. Als alle duisternis van de aarde zal zijn verdreven en als donkerheid de volken niet meer zal bedekken. Dan zal het eenmaal volmaakt en volkomen licht zijn.

 

De Opgang uit de hoogte… De zon zendt haar koesterende stralen naar deze aarde, verwarmt mens en beest, verwarmt ook deze aarde, zodat zij vrucht voortbrengt. Zó is Christus gekomen, om de glans van Gods genade te verheerlijken in zondaarsharten. Om die harten te vervullen met de vreze van Zijn naam.

Hij kwam uit de hoogte. Hij wilde komen op deze aarde. Hij heeft ons vlees en ons bloed aangenomen uit de maagd Maria. Hij is ons mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Nee, niet om in Bethlehem te blijven. Maar om de weg te gaan als Borg en Middelaar voor Zijn kerk. Om die weg te eindigen op het vloekhout op Golgotha, het vloekhout der schande, waar Hij heeft uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30) Dat werk móest volbracht worden, dat móest vervuld worden. Daartoe móest Hij komen. Om zondaren met God te verzoenen.

Nee, Christus wilde niet geboren worden en neergelegd in de kribbe van Bethlehem opdat wij medelijden met Hem zouden hebben; met een Kind in zulke nederige omstandigheden geboren. Maar opdat we zouden zien dat Hij de zonden op Zich heeft genomen, de zonden van Zijn kerk, om die te boeten op het kruis van Golgotha.

Die dag van de nieuwe heilsperiode in de geschiedenis van deze mensenwereld is aangebroken, als het meest beslissende feit in de geschiedenis van deze wereld.

De gelovigen van het Oude Testament hebben met verlangen uitgezien naar die dag. De Heere Zelf heeft gezegd van Abraham dat hij met verlangen heeft uitgezien naar Zijn dag.

 

De Opgang uit de hoogte… Vanuit het hart van de Vader kwam Jezus. Hij had het immers gezegd: ‘Vader, Ik kom om Uw wil en Uw welbehagen te doen. Uw wet is in het midden van Mijn ingewand.’ Hij kwam in deze duistere mensenwereld en zal met Zijn licht schijnen in de duisternis van mensenharten.

 

Heeft Hij al geschenen in de duisternis van uw hart? Hebt u door Zijn licht de duisternis al gezien? Dat wordt door de Heilige Geest gewerkt. Door het Licht dat schijnt in deze duistere wereld gaan zondaren belijden dat zij enkel donkerheid en duisternis zijn.

Want, gemeente, in deze wonderlijke Zaligmaker ligt in de belofte van Zijn komst de vervulling als het ware ingesloten. Hij zal, omdat Hij Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zaad zien. Daarin ligt nu de ruimte van het zalig worden. Want Christus heeft de volle last van de toorn van God tegen de zonde van het gehele menselijke geslacht gedragen.

Onder die last heeft Hij gekropen in de hof van Gethsémané, als een worm en geen man. Hij heeft uitgeroepen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe (Mark.14:34). Onder de last van die toorn van God heeft Christus gehangen tussen de hemel en tussen de aarde, tot spot van mensen. Hij heeft het uitgeroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46)

 

Als we hiervan, door het werk van de Heilige Geest in onze harten, een indruk mogen krijgen, wordt het zo verschrikkelijk. Het ís ook zo verschrikkelijk dat we tegen God gezondigd hebben. We gaan verstaan dat we niet alleen tegen Gods wet overtreden hebben, Gods geboden overtreden met woorden, met gedachten en met werken, maar dat we ook tegen de liefde gezondigd hebben. Tegen zóveel liefde! De liefde die God Zijn Zoon deed geven tot een rantsoen voor velen. De liefde die de Zoon Zichzelf deed geven tot in de dood, de dood van het kruis.

Johannes, de evangelist, heeft er iets van gezien, toen hij in het dertiende hoofdstuk schreef: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh.13:1). Tot het bittere einde. Liefde, om vijanden met God te verzoenen. Liefde, om zondaren zalig te maken. Liefde, om hoeren en tollenaren te redden van het verderf en hen een plaats te geven naast prinsen en wereldgroten.

 

Als een indruk van Gods innerlijke barmhartigheden, geopenbaard in het zenden van Zijn Zoon, ons hart vervult, en we door het geloof daarop mogen zien, dan is in ons geen geest meer. Dan worden we zo klein. Dan worden we nederig en ootmoedig in onszelf. Dat kan niet anders!

Dan gaan we in Hem alles zien wat tot het leven en de zaligheid nodig is. Dan wordt Hij in ons leven de Schoonste van de mensenkinderen, op Wiens lippen genade is uitgestort. Dan is Hij blank en rood en draagt Hij de banier boven tienduizend. Dan verstaan we de bruid, die gezegd heeft: Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem! (Hoogl.5:16).

 

Als hier een adventvolk in ons midden is, een volk dat uitziet naar Zijn komst, die komst van de Opgang uit de hoogte, houd dan maar aan! Want in die Zon Die in de morgenstond aan de horizon verschijnt, in die Zon van de gerechtigheid, Die Zijn licht doet schijnen in deze duistere wereld, daarin ligt óók de vervulling. Hij zal Zijn volk zalig maken van ál hun zonden! Dat ligt immers opgesloten in Zijn naam. Want Zijn naam is Jezus, Zaligmaker.

 

Toch kan ervaren worden dat God Zich onzichtbaar houdt. Dan lijkt het alsof de Heere niet van u afweet. Alles lijkt leeg en koud. Toch is er die innerlijke begeerte om Hem te mogen kennen en Zijn stem te mogen horen.

Als we met deze begeerte over de wereld gaan, dan kunnen we niet meer zonder Hem leven en niet meer zonder Hem sterven. Met al onze pogingen om zelf de weg van de aarde naar de hemel te herstellen komen we er achter dat dat nooit kan. Want zelfs onze beste werken zijn onvolmaakt en onvolkomen. Daar kan God geen genoegen mee nemen. Zelfs niet met onze gerechtigheden, want die zijn als een wegwerpelijk kleed.

 

Weet u wat u dan doen moet? U moet doen zoals die wachters uit Psalm 130. Die wachters wachtten op de Heere en op Zijn Woord. En ze hebben het moeten ervaren dat de Heere op Zijn tijd en op Zijn wijze komt. Want we lezen elders bij de profeten dat er wachters zijn die, als het morgen wordt, moeten zeggen: ‘Het is nog nacht!’ En toch, ze blijven wachten.

Weet u waarom die wachters van Psalm 130 nu bleven wachten? Wel, omdat ze wisten dat het alleen maar kan komen van die Opgang uit de hoogte. Dat het alleen maar kan komen van Hem, Die van de Vader in deze wereld gezonden is. Dat het alleen maar van Jézus komen kan. Door het geloof hebben ze er iets van mogen verstaan. En dan eindigt Psalm 130 met deze woorden: Hij zal Israël verlossen van al hun ongerechtigheden (Ps.130:8). En dat is niet alleen toekomst, maar ook zekerheid: Hij zál Israël verlossen.

 

Die Opgang uit de hoogte ís gekomen. Hij heeft door Zijn lijden en sterven de weg gebaand en Hij is weer opgegaan naar de hoogte. Immers, opdat het welbehagen van Zijn Vader vervuld zou worden, is Hij ingegaan in het binnenste heiligdom. Met de prijs van Zijn dierbaar bloed, om die Zijn Vader voor te stellen. Om te zeggen: ‘Vader, Ik heb volbracht het werk dat Gij Mij gegeven hebt om dat te doen.’

Zo heeft Hij ook voor Zijn volk de weg gebaand. Naar de hoogte, naar de hemel! Hij heeft de hemelpoort ontsloten, om de belofte te vervullen die Hij aan Zijn discipelen gegeven heeft, toen ze zo ontroerd waren toen Hij sprak over Zijn heengaan. Toen heeft Hij gezegd: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben (Joh.14:1-3).

Daartoe kwam Hij uit de hoogte. De opgang uit de hoogte, de Zon van de gerechtigheid. Hij kwam om plaats te maken voor Zijn volk, om hen in de gunst en gemeenschap van God te herstellen en hun een plaats te geven naast prinsen en wereldgroten, en hen te doen delen in de eeuwige vrede die er is bij God vandaan in de Vredevorst Jezus Christus.

Daarom, hoopt op de Heere, gij vromen! Is Israël in nood, er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot! Want Christus is een volkómen Zaligmaker en daarom kan Hij ook volkomen zalig maken degenen die door Hem tot God gaan.

 

Misschien bent u wel bezig om uw eigen gerechtigheid voor God op te richten. Misschien hebt u al allerlei pogingen in het werk gesteld om een weg van de aarde naar de hemel te maken, maar is u alles bij de handen afgebroken. Het zal ook nooit gaan, want geen vlees zal gerechtvaardigd worden uit de werken van de wet. Er is maar één gerechtigheid die redt van de dood. Onze pogingen lopen altijd op niets uit.

Wat een wonder als God ons alles wat geen God en geen Christus is, uit handen neemt. Wanneer we Hém over mogen houden, dan hebben we alles. Dan kun je door het leven, dan kun je uit dit leven, dan kun je leven, dan kun je sterven, dan kun je God ontmoeten. En al moet je dan aan deze zijde van het graf strijden tegen de driehoofdige vijand, Hij is de Overwinnaar in de strijd! Hij geeft Zijn volk de zegen. Dat is waar en zeker, want Hij is een volkómen Zaligmaker. Wat Hij begon zal Hij voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.

 

Hij kwam uit de hemel en Hij is teruggekeerd naar de hemel. Daar zit Hij aan de rechterhand van Zijn Vader, totdat Hij eenmaal komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

En daarom, u die voor eigen rekening voortleeft naar de eeuwigheid, jullie, jonge vrienden, die misschien nog zoveel vermaak zien en hebben in deze wereld en in de begeerlijkheid van deze wereld zo kunt opgaan, weet u, weten jullie wat dat ons predikt, dat de Heere ons nog heeft bezocht met de Opgang uit de hoogte? Dat predikt ons dat de Heere geen lust heeft in onze dood, noch in onze ondergang, maar daarin dat we ons zouden bekeren en leven. Daarom heeft Hij Zijn Zoon gezonden in de wereld.

 

Maar als we Hem verwerpen, dan betekent dat de eeuwige dood. We kunnen met onze godsdienst niet voor God verschijnen. Zelfs met ons vrome en keurige leven niet. Misschien denken we dat het straks aan de poort van de eeuwigheid wel mee zal vallen, omdat we toch ’s zondags netjes naar de kerk zijn gegaan.

Natuurlijk, dat hoort ook. De Heere wil die middelen gebruiken en Hij wil ook dat we die middelen zullen waarnemen. De Heere wil in de middellijke weg Zijn koninkrijk doen komen en zondaren toevoegen tot het getal van degenen die behouden worden. Maar we hebben genade nodig. We hebben Christus nodig! We hebben nodig dat we Hem mogen kennen, Wie te kennen het eeuwige leven is.

 

De Zon der gerechtigheid is opgegaan en die Zon schijnt in deze duistere wereld. Johannes heeft ervan geschreven: De mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht (Joh.3:19). Het is erg als dat ook van ons gezegd moet worden: de duisternis liever gehad dan het licht!

Daarom, die Opgang uit de hoogte roept het u vandaag nog toe: ‘Wendt u naar Mij toe, wordt behouden! (Jes.45:22) Ik heb geen lust in uw dood, noch in uw ondergang.’ Belijd uw zonden, uw ongerechtigheid. Zeg het maar: ‘Heere, ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog.’ En ook al kun je je hart er niet in meekrijgen, zeg het dan maar met je verstand. Belijd de duisternis van je hart maar, de donkerheid van je bestaan. Wendt u naar Hem toe. Bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven? Wie weet, God mocht Zich wenden.

 

We moeten behouden worden! Smeek daarom maar om het licht van de Heilige Geest. Zeg het maar met de dichter van Psalm 119: ‘Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest, mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken.’ Smeek om die Geest, Die overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel.

Die Geest maakt ook plaats in het hart voor Christus. Want Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen (Joh.16:14). Hij alleen is het Die het hart kan openen en verbreken. Aan deze zijde van het graf moet dat gebeuren, voordat het voor eeuwig te laat is. Want dan wacht niet het eeuwige licht, maar de eeuwige duisternis, zonder dat ooit nog enig lichtstraaltje zal doorbreken. Daarom, haast u en spoed u om uws levens wil!

 

Laten we voor onze derde gedachte eerst zingen van Psalm 107 de verzen 6 en 7:

 

   Zij, die gebonden zaten

               In schaduw van de dood,

               Omdat zij God vergaten,

               Vervielen in die nood.

               Toen werd hun wreev’lig hart

               Verneêrd door zwarigheden;

               Zij struikelden, hun smart

               Werd hulpeloos geleden.

                       

   Doch, riepen z’ in d’ ellenden

               De Heer’ ootmoedig aan,

               Hij deed hun angsten enden,

               En hen ‘t gevaar ontgaan;

               Hij hielp hen uit de nood;

               Hij bracht hen uit het duister

               Der schaduw van de dood;

               Hij brak hun band en kluister.

                       

De komst van Christus onder het beeld van de zonsopgang. We stonden stil bij Goddelijk welbehagen, bij hoog bezoek, en we letten in de derde plaats op:

 

3. Zegenrijk licht

 

Om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods.

 

Dat licht is verschenen in de duisternis. Het was duister, het was donker in de wereld, toen Christus geboren werd! Het eens zo bevoorrechte volk van Israël was terechtgekomen in een verstarde vormengodsdienst. Farizeeën en schriftgeleerden waren het volk daarin voorgegaan. In de wereld was er sprake van een veelgodendom en een vereren van de keizer van Rome. Het was donker in de wereld.

En toch, in die duistere wereld verschijnt het licht. Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien (Jes.9:1). En wat heeft dat licht niet geschenen in de tijd van de omwandeling van de Heere Jezus op de aarde, toen Hij sprak als machthebbende en niet als de schriftgeleerden.

Hij is het Licht der wereld en velen hebben dat Licht gezien. Verschrikkelijk als we dan lezen in Johannes 1: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). Velen van het Joodse volk hebben Hem verworpen. Daarom is het ook zo nodig dat hun heden ten dage het evangelie gepredikt wordt, opdat het licht van het evangelie ook in de duisternis van hun harten zal opgaan.

 

Wij verkeren van nature in een geestelijke duisternis, in de schaduw van de dood. Die volgt ons op al onze schreden. We kunnen met Kerst wel zingen van het Licht, maar is het al eens persoonlijk waar geworden dat we enkel duisternis zijn van onszelf, dat we machteloos gebonden zijn?

U hebt het misschien wel uit volle borst meegezongen: ‘’k Lag machteloos gebonden.’ En over de banden van de dood. Was het ooit waar in uw leven? Machteloos gebonden… Is dat in jullie leven waar geworden, jongens en meisjes? Machteloos gebonden in de schaduw van de dood… En heb je dat licht nodig gekregen in je leven? Dat licht dat verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld. Of heb je liever het kunstlicht van deze wereld?

O, als de Heilige Geest ons door een wonder van Gods genade de ogen opent, dan gaan we pas zien hoe duister ons hart is. Dan gaan we zien dat we in het land van de duisternis en van de schaduw van de dood verkeren. Dat betekent dat we Gód kwijt zijn!

God is enkel licht. En God kwijt is alles kwijt. Dan zien we ook geen licht, al denken we dat we zien. Dan zijn we stekeblind. Maar alleen in Zijn licht zien we het licht.

 

Heeft dat licht al geschenen in jullie hart? Heeft dat licht al geschenen in uw hart, ouderen? Als dat zo is, dan hebben we iets van de duisternis van ons hart gezien en verstaan. Dan heeft het ons met schrik vervuld dat het zo donker is in ons leven. Het werk van de duisternis voert immers naar de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden.

Of hebt u het licht gezocht buiten uzelf, waarvan hier gezegd wordt: Om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods. Degenen die in duisternis en in de schaduw van de dood verkeren, zijn gebonden, zo staat er in Psalm 107. En wel omdat ze wederspannig waren tegen Gods geboden en zich de toorn van de Allerhoogste hebben waardig gemaakt.

Maar dan zien we daar ook het wonder dat de Heere hen door Zijn almachtige kracht heeft vernederd, ‘zodat er geen helper overbleef’. En de dichter van Psalm 107 riep uit: Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten (Ps.107:13). Dan gaat het licht op in de duisternis van deze wereld, in de geestelijke duisternis van ons hart.

 

Gemeente, ook na ontvangen genade kunnen in het leven van Gods kinderen de dagen van de duisternis vele zijn. Er zijn mensen die altijd licht hebben. Maar Gods kinderen hebben de ervaring dat de dagen van de duisternis vele kunnen zijn.

Hoe komt dat toch? Nu, dat komt omdat we de Heere zo aan Zijn plaats kunnen laten. Dagen zonder getal! Omdat ons hart ook weer zo kan uitgaan naar de dingen van deze wereld. Omdat we zo bezig kunnen zijn met de zorgvuldigheden van deze wereld. En omdat we zo gerust zonder God en zonder Christus voortwandelen, ook al ligt er op de bodem van ons hart dat nieuwe leven. Omdat we zo weinig de binnenkamer opzoeken om de Heere aan te lopen als een waterstroom en de Heere daarom Zijn aangezicht moet verbergen. Daarom zijn de dagen van de duisternis vele in het leven van Gods kinderen.

 

Dat zien we ook in het leven van vader Jakob. Er staat zelfs dat hij in de duisternis en in de donkerheid van zijn leven weigerde getroost te worden, omdat hij alleen maar zag op de omstandigheden en niet omhoog blikte.

En daar waar de Heere bij vernieuwing in het leven van Zijn kinderen komt, kan het niet anders dan dat zij de duisternis van hun eigen bestaan zien. Maar dan gaan zij ook weer haken naar dat licht! Naar Christus, naar Zijn gerechtigheid, naar Zijn volkomen zaligheid. Verlangen dat Hij nog in Zijn gunst en in ontferming op ons wil neer zien. Dat Hij weer tot ons zou willen spreken: ‘Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen.’ Dan gaat het licht op in de duisternis.

 

‘Ja maar, als dan de schaduw van de dood, die met ons meereist tot onze doodssnik toe, zó groot wordt dat wij in het gezicht van het einde van ons aardse bestaan vrezen eeuwig te zullen omkomen…?’ Dan zegt de Heere: ‘Die in Mij gelooft zal in de duisternis niet blijven, maar die zal het eeuwige Licht deelachtig zijn.’ Want aan de overzijde van de doodsjordaan is immers geen duisternis meer. Daar is het enkel licht.

De Heere leidt Zijn kinderen naar een eeuwig, zalig licht. De duisternis moet voorgoed wijken. Dan is alles liefelijk, welluidend. En dat alles op grond van de verdienste van Hem, Die in de stikdonkere nacht van onze duisternis is ingedaald. Hij wilde in de diepste diepten van de Godverlatenheid afdalen, opdat het licht zou opgaan in de duisternis van mensenharten. Opdat er een volk zou zijn dat eeuwig zal wandelen in het vriendelijk levenslicht.

 

Misschien denkt u bij uzelf: bij mij zal het nooit Kerstfeest worden. De schaduw van de dood vergezelt me op al mijn levenspaden. Hoe zal het nu ooit Kerstfeest in mijn leven worden? Hoe zal ik nu ooit dat Kind in de kribbe aanschouwen?

Blijf dan maar aanhouden. Wacht dan maar op de Heere en hef uw handen en uw ogen, hef uw hart maar op naar omhoog. En zeg het maar: ‘Heere, zou U me bij hand en hart willen nemen? Zou U me door Uw Geest willen leiden? Net als die herders naar de kribbe van Bethlehem.’

Om dan Hem te mogen aanschouwen: het Kind, Dat tegelijk de Koning is van de Joden, en Die machtig is om te verlossen. In Hem alleen zien we het licht. Is Israël in nood? Er zal verlossing komen! Fluister het dan maar na: ‘Zo doe Hij ook aan mij!’

 

We gaan naar de vierde gedachte:

 

4. Zekere leiding

 

Om onze voeten te richten op de weg des vredes.

We moeten daarover kort zijn. Vrede - daarover wordt veel gesproken in deze wereld. Er zijn wat pogingen ondernomen om vrede tussen volkeren te bereiken. Elke keer zien we weer dat het pogingen zijn die op niets uitlopen, want telkens breken weer nieuwe oorlogen en nieuwe twisten uit in deze wereld.

Maar vrede in de Bijbel is een andere vrede dan vrede in de wereld. Al zal die vrede zeker ook zijn uitwerking en uitstraling hebben in de wereld. Maar als hier gesproken wordt van ‘de voeten richten op de weg des vredes’, gaat het om een vrede die bestaat in een volkomen harmonie tussen God en de mens. Herstel van gebroken verhoudingen. Vrede met God, door onze Heere Jezus Christus!

Onze voeten moeten gericht worden op de weg des vredes. En die weg des vredes is de smalle weg die leidt naar het eeuwige leven.

 

Waarom moeten onze voeten gerícht worden? Wel, omdat onze voeten altijd de andere kant op willen. Omdat onze voeten niet willen wat God wil. Omdat we God in het paradijs de oorlog verklaard hebben. Daarom moeten onze voeten allereerst op de weg des vredes gericht worden door de Vredevorst Jezus Christus, door Zijn kracht en door Zijn Geest.

Ook na ontvangen genade moeten die voeten telkens weer gericht worden op de weg des vredes. David heeft aan het einde van Psalm 119 gezongen: ‘Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren’. En als David van de weg die de Heere wilde afdwaalde, dan had hij geen vrede. Dan was er geen geloof, dan was er geen hoop en dan was er ook geen liefde. Daarom moesten ook de voeten van David gericht worden, telkens weer, op de weg des vredes, om achter de Heere aan te komen, door bezaaide en door onbezaaide wegen, door goed gerucht en door kwaad gerucht.

Ook als de weg tegenloopt. Als alle dingen tegen ons schijnen te zijn. Als we een weg moeten gaan die tegen ons vlees is. Een moeitevolle, benauwende weg. Dan moeten onze voeten bereid gemaakt worden om die weg des vredes te mogen gaan. Want Christus heeft het gezegd: Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u (Joh.14:27). Die vrede komt bij Hem vandaan.

 

Hoe kunnen de voeten gericht worden op de weg des vredes, van mensen die telkens weer moeten ervaren dat de Heere een ongehoorzaam en een tegenstrevend volk overhoudt? Kijk eens naar het volk van Israël. Heeft de Heere de voeten niet telkens weer moeten richten op de weg naar Kanaän, de weg naar de eeuwige vrede? Zo heeft de Heere heel veel werk te doen, ook in het leven van Zijn kinderen, om hun voeten daar telkens opnieuw op te richten.

 

Waar worden die voeten dan op gericht? Nu, die voeten worden gericht op de eeuwige vrede, die eenmaal zal aanbreken als twist en wrok verdwijnt en alles door de vrede zal bloeien. Als Hij komt, de Vredevorst. Als Hij komt op de wolken van de hemel, in al Zijn heerlijkheid, in al Zijn schoonheid.

Dan zal het voor ons níet een zien met verschrikking zijn omdat Hij zegt: ‘Ga weg van Mij, omdat u uw voeten niet hebt willen richten op de weg des vredes. Ga weg van Mij, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.’ Maar Hij zal zeggen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth.25:34).

Dat koninkrijk is een koninkrijk van vrede, een koninkrijk van gerechtigheid. Daar zal nooit meer enige leugen of bedrog gevonden worden. Daar zal God zijn alles en in allen.

 

De Heere zegt tegen Zijn kinderen: ‘Richt dan uw voeten op de weg des vredes. Kom nu maar achter Mij aan, want Ik heb de weg gebaand. Mijn naam is immers: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.’

‘Wat vreê heeft elk die Uwe wet bemint; zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.’ Die hinderpalen zijn er wel. Ze waren er in het leven van David ook. Hinderpalen, ophouders op de weg. Maar wat vreê heeft elk die Uwe wet bemint, die met de liefde van zijn hart, door het geloof zien mag op die gezegende Middelaar Gods en der mensen, op die Vredevorst Die voor Zijn bruidskerk een vrede heeft verworven die alle verstand te boven gaat.

 

‘Vrede, vrede en geen gevaar!’ Dat roept de mens van nature. Maar de vrede van de weg des vredes is een vrede die het hart vervult met heilbespiegelingen, om het schoonste lied van ene Koning te zingen!

 

Haakt ook uw hart naar die vrede? Als dat waar is in ons leven, dan zal die vrede  eenmaal aanbreken. Christus heeft beloofd dat Hij Zijn werk voor Zijn kerk zal voleindigen tot de wederkomst. Dan zal alles vrede zijn, zoals het was in het paradijs, in de staat van de rechtheid.

Die vrede hebben wij door onze zonde verstoord. Die vrede zal eenmaal weer gevonden worden, maar dan onverliesbaar en nooit meer door de vorst van de duisternis te verstoren. Nooit meer te verstoren door binnenpraters die zeggen: ‘Gij hebt geen vreze Gods voor uw ogen. Die vrede is niet uw deel.’ Dan moeten al die tegensprekers, al die vijanden voor eeuwig zwijgen.

‘Ik ga heen’, heeft Christus gezegd, ‘en Ik kom weder om u tot Mij te nemen in de eeuwige heerlijkheid.’ Dan zal Hij zeggen: ‘Vader, zie hier degenen die Gij Mij gegeven hebt. Ze waren de Uwe en Gij hebt ze aan Mij gegeven.’ Dan geeft Hij ze terug aan Zijn Vader, als een bruid voor haar man versierd. Dan geeft Hij ze terug, omdat Hij het werk volbracht heeft. En er zal eeuwige vrede zijn.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 122:3

 

Dat vreed’ en aangename rust,
En milde zegen u verblij’;
Dat welvaart in uw vesting zij,
In uw paleizen vreugd’ en lust.
Om vriend en broed’ren spreek ik nu:
‘De vrede zij en blijv’ in u;
Nooit moet haar nijd of twist verkloeken;
Om ’s Heeren huis, in u gebouwd,
Waar onze God Zijn woning houdt,
Zal ik het goede voor u zoeken.’