Ds. R. Kattenberg - Zondag 10

De voorzienigheid van God

Hoe Gods voorzienigheid misbruikt wordt
Wat Gods voorzienigheid inhoudt
Waartoe Gods voorzienigheid leidt

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 93: 1, 4
Lezen : Genesis 22: 1-19
Zingen : Psalm 37: 2, 3
Zingen : Psalm 36: 3
Zingen : Psalm 23: 1
Zingen : Psalm 99: 1

Gemeente, wij geven onze aandacht aan Zondag 10 uit de Heidelbergse Catechismus, de vragen 27 en 28. We lezen samen Zondag 10:

 

               Vraag 27: Wat verstaat gij door de voorzienigheid van God?

Antwoord: De almachtige en alomtegenwoordige kracht van God, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen.

 

Vraag 28: Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt?

Antwoord: Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

 

Het gaat in Zondag 10 over: De voorzienigheid van God.

 

Drie aandachtspunten daarbij:

1. Hoe Gods voorzienigheid misbruikt wordt

2. Wat Gods voorzienigheid inhoudt

3. Waartoe Gods voorzienigheid leidt

 

1. Hoe Gods voorzienigheid misbruikt wordt

 

‘Gelooft u in een God die keelkanker voor mijn moeder heeft uitgevonden?’ Zo ongeveer heeft Maarten ’t Hart zich uitgelaten in een van zijn boeken. Hoe kun je toch in een God geloven, Die zulke dingen laat gebeuren? Is dat voorzienigheid van God?

Gemeente, helaas, wat is de inhoud van Zondag 10 al vaak misbruikt, als het gaat om de voorzienigheid van God. Eerst tekent men een beeld dat op geen enkele manier in de Bijbel is terug te vinden. En de volgende stap is dan om te zeggen: ‘Dat is toch wel dwaas hè, als je in zo’n God gelooft. Als God dan zo machtig is en als Hij dan alle dingen voorziet, waarom voorkomt Hij dít dan niet en waarom laat Hij dát dan gebeuren?’ Zo wordt er een karikatuur van God gemaakt. God belachelijk maken, dat is toch weer iets anders dan wanneer een mens belachelijk gemaakt wordt.

 

Ik hoop, meisjes en jongens, dat je van tijd tot tijd wat leest van de geschiedenis, ook van de laatste wereldoorlog. Je zult in ieder geval de naam kennen van de man die toen bij iedereen bekend was, bij haast iedereen ook wel gevreesd, maar ook door veel mensen vereerd: Hitler.

Hitler ging in de Tweede Wereldoorlog om met de voorzienigheid van God op een manier waarvan je de haren te berge rijzen. Met felle en met brallende woorden beriep ook hij zich op Gods voorzienigheid. Hij zei: ‘Weet je, mensen, het is Gods wil dat ik Duitsland groot zal maken. En het is Gods wil, het is naar Gods voorzienigheid, dat ik de Joden zal uitroeien, tot de laatste man en tot de laatste vrouw.’ Hij nam er ook nog het woord ‘uitverkiezing’ bij, zodat hij tot de volgende opmerking kwam: ‘God heeft mij, Hitler, uitverkoren om de Joden om te brengen.’

Gemeente, dat is niet anders dan dienst aan en dienst van de duivel. Dat is je reinste afgoderij. Het is misbruik van de naam van God en misbruik van de voorzienigheid van God.

 

Een ander voorbeeld van misbruik van de voorzienigheid van God is als er gezegd wordt: ‘In Zondag 10 staat dat je maar in alles moet berusten. Je moet het allemaal maar nemen zoals het komt. Het is allemaal naar de wil van God wat er gebeurt.’ Zo zijn heel wat mensen zoet gehouden in de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog. Er waren arbeiders die van de werkgever te horen kregen: ‘Draag het leed nu maar een poosje, straks wacht je de hemel. Het is toch naar de voorzienigheid van God?’ Dat werd dan op een sarcastische manier gezegd.

 

Mensen buiten de kerk, maar ook mensen binnen de kerk kun je soms horen zeggen: ‘Je moet er maar in berusten.’ Je komt bij iemand met ziekte, rouw of verdriet en dan zeg je: ‘Je moet er maar in berusten en je moet er maar bij denken dat het geen mensen zijn die het je aandoen.’ En dan zegt men er nog iets achter, namelijk dit: ‘Er staat in de catechismus dat alles ons toekomt van Gods hand. Wat kun je dan anders dan daarin berusten? Wie zal het opnemen tegen Gods hand?’ Misschien hebt u het ook wel eens gezegd.

Dan moeten we elkaar vandaag tot de orde roepen, want dat staat niet in de catechismus, dat ons alles toekomt van Gods hand. ‘Wat? Staat dat niet in de catechismus? Ik heb het toch altijd zo gehoord. Alles komt ons toe uit Gods hand.’ Nee, dat staat er niet en zo hebben we het ook niet gelezen. Kijkt u maar mee naar het einde van het antwoord op vraag 27: ‘Dat alle dingen niet bij geval, maar van Zijn váderlijke hand ons toekomen.’

‘Ja’, zegt u, ‘dat is spijkers zoeken op laag water.’ Nee, dat is ongeloof en geloof van elkaar scheiden. Want die vaderlijke hand is wel Gods hand, maar Gods hand is niet voor iedereen ook een vaderlijke hand. Voor wie is Gods hand een vaderlijke hand? Voor diegene die spreekt in geloof. En daar zijn we toch mee bezig? Dat is toch wat ons de weg wijst? Het is toch een zaak van geloof? Hier wordt gesproken in geloof en hier wordt gezongen in geloof en hier wordt beleden in geloof. Als je Zondag 10 er zomaar uithaalt als een los exemplaar, als je het apart gaat leggen, dan kun je het allerlei rare dingen laten zeggen.

Maar dat is met alles zo. Meisjes en jongens, wist je dat er in de Bijbel staat dat er geen God is? Staat dat er? Ja, dat staat in de Bijbel. Het staat er twee keer zelfs. Lees het maar na, in Psalm 14 en in Psalm 53. Daar staat: Er is geen God. Maar er staat wat voor: De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Hoort u? Als je zoiets er uit licht, dan krijg je de vreemdste dingen. Dus je moet het in zijn verband zien.

 

Zondag 10 mag je niet loskoppelen van Zondag 9. In Zondag 9 heeft een kind van God beleden dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, om Zijns Zoons Christus wil, mijn God en mijn Vader is. En in alles wat er gebeurt, zegt een kind van God, zie ik de vaderlijke hand van mijn God. Hier spreekt iemand die het van bovenaf mag bekijken en zo zijn geloof belijdt.

Kinderen, hebben jullie wel eens op een toren gestaan? Misschien ben je wel eens in Rotterdam geweest, op de Euromast, of heb je een kerktoren beklommen. Dan zie je gelijk alles heel anders hè, zo van bovenaf. Als je dan later weer op straat bent en je staat met beide benen op de grond, dan zeg je: ‘Mam, pap, het lijkt wel heel anders dan toen we boven waren.’

Zo is het ook heel anders wanneer iemand spreekt in geloof of wanneer iemand Zondag 10 eruit haalt en zegt: ‘Is dát nou een God om in te geloven?’ Zulke mensen blijven hangen in het horizontale. Zij komen niet verder dan een uitspraak over God, die niks te maken heeft met wat in de Bijbel beschreven staat.      

God is de levende God, de God met handen en met voeten. Zo laat Hij Zich beschrijven. De God met een hart. De God zelfs met ingewanden. Want Gods ingewanden rommelen van barmhartigheid. Dat is voor de oosterling een teken van liefde.

 

Nu moeten we wel zeggen dat als er over de voorzienigheid van God gesproken wordt, Zondag 10 nogal eens aan de orde komt in omstandigheden dat het moeilijk is. Met rampen, tsunami’s, met wervelstormen of orkanen, met epidemieën, met verdrukking, met ziekte, met zorg, met rouw… Dat is een stukje eenzijdigheid. Alsof Zondag 10 alleen maar troost zou bedoelen te geven in tegenspoed.

En natuurlijk, daar is Zondag 10 óók voor. Dat staat ook in het tweede gedeelte: in tegenspoed geduldig. Hoeveel mensen zijn er niet geweest, die in moeilijke tijden kracht hebben mogen putten uit de belijdenis dat alle dingen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen. Dat is gebeurd, en dat gebeurt nóg in dagen van ziekte, oorlog, tegenslag en noemt u maar op. Wie zal ooit zeggen hoeveel duizenden kinderen van God er troost gevonden hebben in de belijdenis dat geen schepsel ons kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, aangezien alle schepselen zo in Zijn hand zijn dat ze tegen Zijn wil zich noch roeren noch bewegen kunnen. Dus dat stellen we met nadruk vast: in moeitevolle omstandigheden kan er troost zijn vanwege de vaderlijke hand van God.

En toch doen we tekort aan de grote rijkdom van deze belijdenis als we hem alleen maar weergeven met de woorden: troost in tegenspoed. Dat hoort er wel bij, maar dat is niet alles. Want het volle leven gaat hier voor ons open. De vaderlijke hand van God openbaart zich niet alleen als het moeilijk is. In ál de omstandigheden van het geloof belijdt het geloof: ‘Die God, die Vader van de Heere Jezus Christus, is om Zijns Zoons wil, ook mijn God en Vader.’

En kijk dan eens hoe de catechismus hier uitdrukking geeft aan de openbaring van God. Dan vallen er vertroostende stralen over donkere delen van mijn levensweg. Maar dan is die vaderlijke hand van God voor een kind van God niet alleen te zien in moeitevolle omstandigheden, dan vallen die stralen over héél het leven dat de Heere gewerkt heeft. Het hele leven, hoe dan ook, wordt gesteld onder de belichting van de genade van God. En zo is er sprake van loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte... het hele leven!

Of je dan in moeite verkeert of dat het voorspoedig gaat, of je rijk bent of dat je arm bent, jong of oud, levensmoe of levenslustig, dat doet er dan in zekere zin niet meer toe. In zekere zin… Het maakt natuurlijk best uit of je rijk of arm bent. Maar als je arm bent met God als Vader, ben je dan eigenlijk wel arm?

 

Jaren geleden was er eens een vrouw die zo arm was, dat ze zelfs geen aardappelen meer had. Wel nog wat aardappelschillen. Misschien dat ze de ene dag de aardappelen opgegeten heeft en dat ze de andere dag niet anders had dan de schillen. Ze woonde wat achteraf en ze moest gaan eten. Ze had de schillen in een pannetje met water gedaan en dat stond op de kachel. Toen had je nog kachels waarin gestookt werd en waarop gekookt werd. Toen kwam de dominee op bezoek. Die wist ook wel dat die vrouw het niet rijk had. Terwijl ze even naar de keuken was, dacht hij: nu moet ik eens even kijken wat ze aan het koken is. Aardappelschillen, dat is toch niet veel… Maar toen ze over de Heere en Zijn dienst gingen praten, wat bleek die vrouw toen rijk te zijn. Rijk in God!

Dit kunnen de kinderen ook wel onthouden, één letter verschil: rijk in Gód of rijk in góud. Het scheelt maar één letter, maar die is wel bepalend voor ons leven.

 

Het is geen vloek als iemand rijk mag zijn. Abraham was ook rijk, en David en Salomo. De voorzienigheid van God beperkt zich niet alleen tot moeitevolle omstandigheden, maar gaat over al de dingen van het leven. Als het goed is, is heel het leven vol van God en dan krijgt heel je bestaan weer betekenis in de gemeenschap met Hem.

Heel je leven! Ook morgen dus. Morgen met je computer, morgen met de vrachtwagen, morgen op school, morgen in het ziekenhuis, morgen op het land, hoe dan ook en waar dan ook… al de verbanden van het leven!

In deze belijdenis wordt heel het leven gesteld onder de boog van de genade van God en onder de boog van de trouw van God. Want wie zeggen kan: ‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en van aarde, Die alles wat bestaat als met Zijn hand onderhoudt en regeert’, die belijdt daarmee niet minder dan wat David zong, en wij met hem, uit Psalm 36 vers 3:

 

Bij U, Heer’, is de levensbron;
Uw licht doet, klaarder dan de zon,
Ons ‘t heuglijk licht aanschouwen.
Wees, die U kennen, mild en goed,
En toon d’ oprechten van gemoed
Uw recht, waar z’ op vertrouwen.
Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,
Noch boze hand in ballingschap
Ellendig om doe zwerven.
Daar zijn de werkers van het kwaad
Gevallen in een jammerstaat,
Waarin zij hulp’loos sterven. 

 

2. Wat Gods voorzienigheid inhoudt

 

De voorzienigheid van God. We zagen allereerst hoe daar misbruik van gemaakt wordt. We vragen in de tweede plaats: wat is dat dan eigenlijk, de voorzienigheid van God?

Sommige mensen zijn met hun antwoord op die vraag heel snel klaar. Ze zeggen: ‘De voorzienigheid van God betekent dat God alles van tevoren ziet en dat Hij alles van tevoren weet. God weet alles wat er gaat gebeuren. Dat is de voorzienigheid van God.’

Maar we koppelen die twee dingen even los van elkaar. God weet alles wat er gaat gebeuren, dat is waar. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend (Hand.15:18). Hoewel die uitdrukking waar is: ‘God weet alles van tevoren’, is dat toch niet allereerst de inhoud, de betekenis van de voorzienigheid van God. Wat is het dan? Heel kort gezegd: God heeft van tevoren in alles voorzien.

 

Ben je wel eens op een bruiloft geweest, kinderen? Of op een receptie? Of heb je thuis wel eens een feestje gehad? Dan zeg je tegen papa of mama: ‘Mmm, er is cola en er zijn gebakjes en er zijn lekkere koeken. Alles is er!’ Ja, alles is neergezet. Als je wat groter bent, dan zul je misschien nog wel eens zeggen: ‘Een welvoorziene tafel!’ Welvoorzien, dat wil zeggen: in alles is voorzien.

De Heere heeft alles klaargemaakt. In de schepping heeft God alles doen óntstaan. En in Zijn voorzienigheid doet God alles vóórtbestaan. Hij heeft alle voorzieningen getroffen die nodig zijn om aarde en hemel te laten voortbestaan. Dát is Gods voorzienigheid!

Hoe vol van majesteit is God dan! En die God brengt u en jou vandaag in de kerk. Dat maakt alles ook heel indrukwekkend, vindt u niet? Wij vinden alles maar gewoon. Het is zondag, dus dan ben je in de kerk. Dat is Gods leiding in ons leven! God houdt Zich voortdurend met Zijn schepping bezig.

 

Er zijn ook mensen die zeggen: ‘Toen God alles geschapen had, heeft God gezegd: Nu trek Ik Mijn handen van het scheppingswerk af, nu loopt het allemaal op rolletjes.’ Dat wordt vergeleken met het opwinden van een klok. En oude klok moet je opwinden en die loopt dan op een bepaald moment af, daar kijk je verder niet naar om. Zulke mensen zeggen dat het zo ook met God en met de schepping is. Hij kijkt er verder niet naar om en als de wekker afloopt, dan is het de laatste dag.

Maar zo is het niet. God is de levende God, Die Zich bemoeit met Zijn schepping en met Zijn schepselen. Hij heeft alles opgenomen in Zijn bestek. Hij heeft gezegd: ‘Zo en zo moet het gaan.’

 

Als u aandachtig meegelezen hebt, dan is u misschien iets opgevallen. U kunt natuurlijk ook aandachtig meegelezen hebben en dat het u niet is opgevallen, maar er staat in deze Zondag 10 drie keer: de hand van God. Er is sprake van de onderhoudende hand van God, de besturende hand van God en in die tweede vraag is er sprake van de bewarende hand van God. Dat die hand van God ons zó bewaart, dat niets ons scheiden kan van Zijn liefde.

De Heere zorgt als een Vader voor Zijn kinderen. Hij brengt aan wat nodig is. In alles wat er gebeurt is geen willekeur, geen toeval, geen noodlot. Maar God openbaart Zijn hand. Ook vandaag, in alle dingen die er gebeuren.

Wie dat werkelijk gelooft, wie gelooft in de vaderlijke hand van God, wie in het geloof spreekt vanuit de Heere Jezus Christus, die kan vandaag niet zeggen: ‘O, nu snap ik ook alle dingen. Zie er nu ook maar achter te komen dat alles uit Gods vaderlijke hand komt, want dan is alles zo klaar als maar kan.’

Gemeente, zo is het niet. Een kind van God kan het ook niet verklaren. ‘Maar dan schiet je er ook niet veel mee op, als je het toch niet verklaren kunt… Dan maakt het toch niet uit of je wel of niet in Gods voorzienigheid gelooft?’ Een kind van God kijkt er anders tegenaan. Het geloof van een kind van God ziet door al die dingen heen toch zo die vaderlijke hand, dat het weten mag: dwars door dat alles heen bouwt God Zijn koninkrijk. En dan moet u niet aan mensen vragen: ‘Hoe dan? En waarom dan?’ Dat houdt God aan Zichzelf.

 

We horen in onze wereld over tsunami’s en orkanen. Wat bedoelt God daar nu mee? Daar kunnen we geweldige bomen over opzetten, daar kun je hele avonden over praten, maar het gaat hierom: wat doen we ermee in ons eigen leven? Het zijn roepstemmen van God. God roept jou daarin, meisje, jongen, tot bekering. Hij zegt: ‘Jij bent in het heden van genade. Ik heb in jouw dood geen lust.’

Er komen duizenden mensen om bij allerlei rampen. Leidt het tot bekering van één zondaar? Iemand heeft eens gezegd, en daar moet je best over nadenken: één ziel is meer waard dan heel de wereld. Hoe kun je dat nu zeggen? Ja, probeer dan ook eens wat hoger te klimmen en het van bovenaf te bekijken. Het gaat om God, het gaat om het koninkrijk van God.

Ik kan niet zeggen: ‘Kijk, nu snap je het wel, hè?’ Maar ik moet u wel wijzen op bekering, op wedergeboorte, op het geloof in Christus de Gekruisigde, opdat de hand van God ook voor u een vaderlijke hand zal zijn of zal worden.

Dus het is niet zo dat dan alle problemen opgelost zijn en dat je dan niet ziek meer bent en dat je dan geen zorg meer hebt over een diploma, of dat je geen problemen meer hebt omdat je verkering uit geraakt is, of wat dan ook. Daarom vinden we in de catechismus ook geen spitsvondig betoog van iemand die het keurig netjes allemaal op een rijtje zet. Maar de catechismus laat ons als het ware de voorzienigheid van God de Vader zien: dat is nu de voorzienigheid van God, dat God in alles van tevoren heeft voorzien. God heeft alles aangedragen.

En dan is vanuit de Schrift toch altijd weer het gedeelte dat het meest verklarend werkt, dat stukje wat we samen straks gelezen hebben: de indrukwekkende geschiedenis van Abraham, als hij zijn zoon Izak moet gaan offeren. Die geschiedenis leert ons zo duidelijk dat God in alles voorziet en dat God aandraagt en aan laat komen wat nodig is.

Als vader Abraham en zijn zoon Izak de berg Moria beklimmen, dan vraagt Izak (ik zeg het voor de kinderen maar even in mijn woorden): ‘Pap, u hebt het vuur en u hebt het mes, maar waar is het lam dat we moeten gaan offeren? We gaan toch offeren, pap?’

Zo gingen zij beiden te zamen (Gen.22:8). Ik vind dat altijd een heel indrukwekkende tekst. Zo gingen zij beiden te zamen. Dan kun je ze zien aankomen, gemeente, zodat je ze in het gezicht kijkt, maar je kunt ze ook op de rug zien. Je ziet wel eens foto’s van mensen die gefotografeerd zijn op de rug. Zo zie je Abraham. En dan zie je Izak, 17 jaar, met zijn vragen: ‘Vader, hoe zit dat?’ En dan antwoordt Abraham: ‘Zoon, God zal Zichzelf een lam ten brandoffer voorzien. God zal Zelf aandragen wat nodig is.’

Abraham zei dat niet om de werkelijkheid te verdoezelen of de waarheid te verzwijgen. Nee, hij geloofde dat God in dit onoplosbare probleem zou voorzien.

 

Want het wás iets, gemeente. Als Abraham zijn zoon offert, dan offert hij de belofte. Dan is de belofte dood. Als Abraham zijn zoon niet offert, dan is hij ongehoorzaam. En de kinderen weten: je mag niet ongehoorzaam zijn, zeker niet tegenover God. Wat een dilemma, wat een moeite, wat een probleem, nu hij zich geroepen weet om Izak te gaan offeren.

Maar zo gingen die beiden te zamen. En met dat ik dat zeg, kijk ik ook met u naar boven. Gods vaderlijke hand! God is er ook! Dat is Abrahams sterkte, dat is zijn hoop, dat is zijn verwachting, dat is zijn kracht. Hoe God in de nood zal voorzien, weet Abraham ook niet. Maar dát God het doen zal, dat gelooft hij zeer zeker. De Heere was er op berekend. Daarom zal de Heere ook aanbrengen wat nodig is.

U weet, Abraham is in zijn geloof niet beschaamd uitgekomen. Hij had geen kaartje in zijn binnenzak met: ‘Het komt wel goed.’ Maar hij geloofde God!

De Heere gaat in Abrahams leven zó ver, dat je misschien denkt: Heere, kunt U dat nu wel doen? Izak ligt op het hout uitgestrekt en Abraham heft het mes. ‘Abraham, Abraham, doe uw zoon geen kwaad!’ En dan is daar de ram in de verwarde struiken. Izak mag van het altaar afkomen en de ram wordt geslacht in zijn plaats.

Begrijpen we dat allemaal? Begrijpt Abraham dat? Het woord ‘begrijpen’ doet het niet in dit verband. Abraham heeft gelóófd en hij is niet beschaamd uitgekomen. Het is een zaak van geloof in God.

 

En dan nog een keer: wil dat dan zeggen dat er geen problemen zijn? Als het geloof echt is, als je echt een kind van God bent, als je geloof echt een gave is van God en een werk van de Heilige Geest, heb je dan op alle vragen een antwoord en valt dan alles te verklaren?

Nog een keer: het geloof is geen automatisme. Mensen kunnen het soms op die manier tegen je zeggen: ‘Ja maar, je gelooft toch?’ Kijk, als je naar een automaat gaat en je doet daar voldoende geld in en je trekt aan het laatje, dan komt de gehaktbal eruit of een Mars, net wat je hebben wilt. Dat gaat automatisch, dat gaat vanzelf. Maar, gemeente, het geloof is geen automatisme. Het geloof kent zijn strijd en zijn aanvechting en zijn moeite en zijn tegenslagen. Vraag het maar aan Abraham.

Maar het geloof weet ook van het rusten in God. Dus niet het stuk berusting van: ‘Nou ja, het moet dan maar’, maar een rusten in God. ‘Rust mijn ziel, uw God is Koning!’ Ook in de wereld van vandaag, met alles wat er overhoop ligt. Hoe komt een mens daardoor? Daar komt een mens niet door, dan alleen met God. Het geloof in God mag zeggen: ‘Zou mijn Vader niet weten wat goed voor mij is?’

Vertrouwt u zich zo toe aan deze God en Vader? En leven we zo uit Zijn hand? Dat is ten diepste leven vanuit het kruis. Vanuit het kruis van Christus, vanuit het offer van Hem. Dat is ten diepste leven vanuit de verdienste van de Zoon van God. Dan kan heel de wereld op z’n kop staan en dan kunnen er de vreselijkste dingen gebeuren. En het einde is er nog niet, er komt nog meer. En om dan het hoofd koel te houden… nee, om het hart op God gericht te houden…!

Dat deed David ook, toen hij zong. Wij doen dat ook, uit Psalm 23, het eerste vers. Hoort u wel: niet het hoofd koel houden, maar het hart op God gericht:

 

De God des heils wil mij ten Herder wezen;

‘k Heb geen gebrek, ‘k heb geen gevaar te vrezen.

Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,

Aan d’ oevers van zeer stille waat’ren leiden.

Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn naam, mijn treden

In ‘t effen spoor van Zijn gerechtigheden. 

 

De voorzienigheid van God. We zagen hoe die misbruikt wordt. Vervolgens hebben we geprobeerd onder woorden te brengen wat die nu eigenlijk inhoudt. We sluiten af met de derde gedachte:

 

3. Waartoe Gods voorzienigheid leidt

 

‘Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt?’ En let dan op, dan komt in het antwoord inderdaad heel het leven aan de orde: ‘Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles wat ons nog toekomen kan een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen zo in Zijn hand zijn (alle schepselen, de duivel dus ook!), dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren noch bewegen kunnen.’

Dat woordje ‘bewegen’ snappen de kinderen ook wel. En ‘roeren’ wil zeggen: je kunt nog geen vinger optillen buiten God om. En dan zegt het geloof: kijk, dat is nu mijn sterkte, dat is nu mijn kracht. Er kan gebeuren wat er gebeurt, maar God blijft getrouw. En als schepselen zich wél roeren en bewegen - en we zien het in heel de wereld die in beweging is - dan is dat niet buiten God om. Dan is dat niet buiten Zijn voorzienigheid om. Het hele leven valt eronder.

 

Dus waartoe dient dat, die voorzienigheid van God? Je kunt het antwoord heel zakelijk lezen: ‘Eén, twee, drie: tegenspoed, voorspoed, toekomst.’ De toon maakt de muziek, ook in dit verband. Hier is iemand aan het woord die zegt: ‘Dit gaat nu over heel mijn leven.’ Hier spreekt het diepe geloof van de heiligen van God. Dat antwoord stelt de mens met heel zijn bestaan onder Gods genade.

Het geloof doet dat in ootmoed. Dat is een woord dat we maar veel in gedachten moeten hebben: ootmoed. Dat is het tegenovergestelde van hoogmoed: ik, ik. En ootmoed is: buigen. Dat zegt: ‘Hij, Hij!’ Dat is ootmoed. Hoe meer een mens dat zegt en naar boven wijst, hoe meer hij van het wonder leeft. En als je van het wonder leeft, dan ben je verootmoedigd. Dan zeg je: ‘Heere, krijg ik dat? Mag ik mijn fiets pakken, mag ik in de auto stappen, mag ik naar de kerk?’ Meisjes en jongens, hoeveel van je leeftijdgenoten zien de kerk nooit van de binnenkant? Verwondering, ootmoed, afhankelijkheid voor het aangezicht van God… Dan is het echt wat we straks zongen: ‘Bij U Heere, dáár is de levensbron! Uw licht doet klaarder dan de zon ons ’t heuglijk licht aanschouwen.’

 

Dan zoek je het leven niet bij jezelf. Dan zoek je het niet in eten, drinken, feestjes, bijeenkomsten en uitgaan. Je zoekt het niet in gezondheid of in rijkdom of in een goede baan of in indrukwekkende diploma’s of prestaties. Maar je zoekt het leven in Hem en bij Hem. ‘Bij U alleen, o God, bij U is de bron van het leven!’ Bij die God, Wiens hand alle dingen geschapen heeft en Wiens alomtegenwoordige kracht het heelal onderhoudt en regeert.

‘Ik ben er met alles wat bestaat, o God, dóór U. En ik ben er met mijn hele leven als het goed is ook vóór U. Ik ben er óm U, om U te loven en te prijzen in deze aangevochten wereld. Heere, van U is mijn lichamelijk bestaan. Van U is bijvoorbeeld het wonder dat ik zien kan.’ Kijk, dan zit je gelijk in de problemen, als ik dat zeg. U zegt: ‘Hoezo?’ Nou, hoe moet iemand die blind is dat zeggen? Die kan niet zien. ‘Wat een wonder, Heere, dat ik gezond ben.’ Hoe moet dat dan met iemand die niet gezond is, die alle dagen op bed ligt, die weg ligt te kwijnen? Voelt u?

Een dominee zei eens op dankdag: ‘Alles wat we meer hebben dan de dood, dat hebben we niet verdiend.’ Ga dan eens na in je leven waar je de Heere voor danken kunt! Alles wat de mens meer dan de dood heeft, heeft hij niet verdiend. Als je dat steeds meer gaat zien, besef je: het is helemaal niet gewoon dat ik zien kan en het is helemaal niet gewoon dat ik goed horen kan en het is helemaal niet gewoon dat ik gezond ben. Dat is de goedertierenheid van God.

Als u zien kunt, dan zegt God: ‘Is uw oog nu ook op mij? Meisje, jongen, kun jij horen? Hoor je dan ook Mijn stem? Ik roep je tot Mij! En als je gezond bent, dan laat Ik het je horen: is je leven voor Mij bestemd, voor Mijn dienst? En als je niet zien kunt, heb je dan toch het oog van het gelóóf op Mij geslagen?’

 

En zo kijken we naar de schepping en we kijken naar ons eigen leven: ‘Heere, U zorgt voor de zon, U zorgt voor de regen, U regeert over de volken, U regeert over de enkeling. De geschiedenis van heel de wereld is niet anders dan de vervulling van Uw eeuwige raad. En in dat grote, machtige geheel van de werken van Uw handen geeft u de mens zijn roeping. Om voor U te leven. Om te leven tot de verheerlijking van Uw naam, hoe dan ook en waar dan ook.’

Want dat is de les die de Heere uit dit alles ook vandaag naar ons toe laat komen. Dat is eigenlijk waar we mee begonnen zijn: dat woordje ‘vaderlijk’. God is de God van je leven, meisjes en jongens, dat is onbetwist. Maar is die God nu ook de Vader in je leven? Daar moet je bekeerd voor zijn. Daar moet je wederom geboren voor zijn. Dat is niet een vanzelfsprekendheid.

God is allereerst Vader van Zijn Zoon, de Heere Jezus. God is Vader van Zijn kinderen. God is Vader van heel de schepping, van alle mensen. Maar is God in Christus nu uw, jouw en mijn Vader? Is heel ons leven nu op Hem gericht en staat het onder de boog van Zijn genade?

 

Misschien zit u met de vraag: wie geeft mijn leven weer aansluiting op de Levensbron? Wie brengt die verbinding tot stand? Wie geeft mijn onvruchtbaar bestaan weer betekenis voor de Heere en voor Zijn dienst? Wie brengt een zondaar weer terug in de gemeenschap met de levende God? Misschien zijn hier mensen die zeggen: ‘Ik heb tegen U, o Heer’, zwaar en menigmaal misdreven. Vergeef mij al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden.’ Hoe moet dat in het leven?

Gemeente, God heeft aangebracht wat nodig is. Dan krijgt die voorzienigheid van God een laatste, een uiterste spits, in het feit dat God Zijn eigen Zoon heeft gegeven tot op het vloekhout der schande. God heeft aangebracht wat nodig is. God heeft in alles voorzien. En als het dan gaat om de verzoening met God en u vraagt: ‘Hoe moet dat?’, zie, daar is een Lam! Daar is een Lam van God, de Meerdere van Izak. Niet ‘de meerdere Izak’, maar ‘de Meerdere ván Izak’. Hij stijgt veel hoger dan Izak!

Op Golgotha is het offer werkelijkheid geworden. Christus Jezus is het Lam van God, Dat geslacht is. Hij als Borg. In Hem is de weg terug naar de Vader. Niemand komt tot de Vader, zegt Jezus, dan door Mij (Joh.14:6). Wat heeft Hij er Zich voor geofferd. Wat heeft Hij Zijn leven er voor gegeven. Hij heeft zelfs de gemeenschap met God verloren. Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46)

Gemeente, voor Christus Jezus was er geen gemeenschap met Zijn God. Ook geen gemeenschap met de mensen. Zelfs geen gemeenschap met de natuur. Want de kinderen weten het: je kon het ook buiten zien. Wat dan? Het werd donker, aardedonker. Geen gemeenschap met de natuur. De zon hield haar stralen in.

 

Gemeente, Zijn gehoorzaamheid staat er borg voor dat zondaren zalig zullen worden. Hij is Degene in Wie we de spits zien van de voorzienigheid van God. God heeft alles aangebracht. Jezus is door de diepte van onze eeuwige verlorenheid heen gegaan. Hij geloofde het, dat geen ding bij geval plaatsvond in Zijn leven, maar dat alles kwam van Gods vaderlijke hand. Zo heeft Hij voor zondaren uit het menselijk geslacht de levensgemeenschap met God verworven. Daarom is er heil in deze heilloze wereld. Er is ontkoming in deze bedreigde wereld.

Er zijn mensen die zeggen, als ze zien op alles wat er gebeurt: ‘Hoe kan God het allemaal maar toelaten?’ Maar kunt u het niet beter van de andere kant benaderen? Ik weet het wel zeker: dan verwonderen we ons over het geduld, over de lankmoedigheid van God. We verwonderen ons over Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, dat God zelfs ook de macht van de goddeloosheid dienstbaar maakt aan de volvoering van Zijn heerschappij. God maakt de macht van de goddeloosheid dienstbaar aan de volvoering van Zijn heerschappij.

Jezus is aan het kruis gekomen, dat weet u. Onder andere door de zonde van Judas en door de zonde van Pilatus. Moet je dan zeggen: ‘Gelukkig dat Judas…’? Nee. Of: ‘Gode zij dank dat Pilatus…’? Nee. Op heel die weg tref je mensen aan met hun eigen verantwoordelijkheden. Dat geldt ook ons. En het loopt uit op het offer van het Lam van God. Hij is toch de grote Overwinnaar. Het loopt uit op de volkomen verlossing.

De macht van de antichrist zal eenmaal moeten dienen tot de verlossende wederkomst van Jezus Christus. Kijkt u de wereld er eens op aan… De macht van de antichrist zal één keer moeten dienen tot de verlossende, heerlijke wederkomst van Jezus Christus!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 99:1

 

God, de Heer’, regeert;
Beeft, gij volken, eert,
Eert Zijn hoog bestel,
Die bij Israël
Tussen cherubs woont,
En Zijn grootheid toont;
Dat zich d’ aard bewege;
Hij is Isrels zege.