Ds. C.G. Vreugdenhil - Psalmen 130 : 3-4

De Bijbelse drieslag

Psalmen 130
Ellende
Verlossing
Dankbaarheid

Psalmen 130 : 3-4

Psalmen 130
3
Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
4
Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 46: 1, 3
Lezen : Psalm 130
Zingen : Psalm 130: 1, 2, 3, 4
Zingen : Psalm 6: 2, 9
Zingen : Psalm 56: 5
Zingen : Lutherlied: 1, 2

Gemeente, in verband met de herdenking van de Reformatie nemen we onze tekst uit Psalm 130, de verzen 3 en 4:

 

Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

 

We zien in deze tekst: De Bijbelse drieslag.

 

Die drieslag wordt gevormd door drie kernwoorden:

1. Ellende

2. Verlossing

3. Dankbaarheid

 

Met die drie kernwoorden wil ik de tekst uitleggen. Maar ik wil het verder vlees en bloed geven met de woorden van Luther, de reformator. Hij heeft op dat punt een grote ontdekking gedaan en heeft een duidelijke visie op de drieslag ellende-verlossing-dankbaarheid.

 

1. Ellende

 

We kennen allemaal een bekende drieslag in de Bijbel: geloof, hoop en liefde. De drieslag ellende-verlossing-dankbaarheid is van de catechismus, maar die is ook Bijbels. We kennen ook de tweeslag wet en evangelie. Dat is de grote ontdekking van de Reformatie, naast de drie sola’s: door genade alleen, door geloof alleen, door de Schrift alleen. Dát hoort er ook bij.

Nu staat Luther bekend als een van de herauten van vrije genade, die in die tijd niet als eerste, maar wel heel duidelijk de trompet heeft geblazen. De verkondiging van het bevrijdende evangelie was zijn lust en zijn leven. Dát was de meest onvergetelijke ontdekking: dat Gods gerechtigheid in het evangelie geopenbaard is, als een pure genade aan een zondaar wordt toegerekend en door ons - ik hoop dat dit voor ons allemaal geldt - door het geloof wordt ontvangen.

Daar was bij Luther een lange strijd aan voorafgegaan. Waaruit bestond die strijd? De vertwijfelde levensvraag van Luther was: Hoe kom ik ooit in het reine met God? Hoe word ik aangenaam om Gods genade te mogen ontvangen?

Die weg, om in het reine te komen met God, zoekt de dichter van Psalm 130 ook. Uit de diepten van zijn nood roept hij tot God. Hij tilt daar heel zwaar aan; het moet goedkomen met God. Dat is toch voor u ook heel belangrijk, als u merkt dat het níet goed is tussen u en  God? Als het misschien nog nooit goed gekomen is met God in uw leven? Als je de Heere kent en vreest en Zijn kind mag zijn, maar er verwijdering, zonde en achteruitgang in de genade gekomen is?

Hoe komt het weer goed met God? Een vraag die ons toch allemaal als belangrijk voorkomt.

 

De dichter gaat er gebukt onder. Het is niet goed met God. Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Dringend en luid roept hij tot God. In zijn nood ziet hij reikhalzend uit naar de hulp en de goedheid van God. Want daar gelooft hij in; God alleen kan helpen en redden. Zo roept de dichter vanuit zijn nood. We weten niet precies wat dat voor nood geweest is. Hij vat het wel samen in één kernwoord: ongerechtigheden.

Het beste wat we doen kunnen, gemeente, om van onze zonden af te komen, van onze ellende af te komen, van onze nood af te komen, om verlost te worden van onze schuld, is bij de Heere terechtkomen. Wat is er dan heerlijker dan het vertrouwen op de Heere en op Zijn goedertierenheid? Dan mag je door het geloof weten dat de Heere met je is, dat Hij je draagt in Zijn sparende hand, in Zijn liefde en genade.

Met God heb je altijd toekomst. Met God hoef je nooit bij de pakken neer te zitten. Als je met God verzoend bent, ja, dan ben je écht gelukkig!

 

In zijn roepen tot God voelt de dichter van Psalm 130 een aarzeling. Ja, hij bidt wel tot God om hulp, maar… kan dat eigenlijk wel? Want wie is hij nu zelf voor God? Als God nu eens let op alles wat hij gedaan heeft? En dat is niet niks… Zo komen de woorden uit zijn mond: ‘Als u, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal voor U bestaan? Ik niet! Dan wordt het omkomen.’

Deze man heeft dus niet veel goeds over zichzelf te vertellen. Als hij onder één noemer brengt wie en wat hij is voor God, dan houdt hij eigenlijk maar één woord over: ongerechtigheid. Zelfs in het meervoud, dat betekent dat het nog erger is: ongerechtigheden…

Hij klaagt er niet over dat God zo slecht voor hem zorgt. Hij klaagt er niet over dat hij er zo diep door moet. Maar hij klaagt erover dat hij zo slecht is. Hij is het aankijken niet waard! Hij huivert. Als God met Zijn heilige ogen let op zijn ongerechtigheid, dan is hij er geweest. Dan kan hij het wel vergeten, want hij heeft geen been om op te staan voor God.

 

Kunt u dit meevoelen met de dichter en met Luther, de augustijner monnik? Luther is daar, al worstelend, achter gekomen. Hij heeft wat monnikenwerk verricht: goede werken doen, zelfkastijding, boetedoening, met blote knieën de Pilatustrap opklimmen, slapen in kettingen… Maar het hielp allemaal niets. Hij leed schipbreuk. Hoe heiliger hij probeerde te worden, hoe meer zijn onheiligheid hem verlamde. Het liep allemaal uit op een fiasco.

Luthers grondfout was de veronderstelling dat het stuk van de dankbaarheid, ofwel de heiliging, moest voorafgaan aan het stuk van de verlossing. Eérst diende hij heilig en bekeerd te zijn, en dán zou God hem als beloning wel Zijn verlossende genade schenken. Deze route was hem in zijn opvoeding meegegeven en hij was er vertrouwd mee geraakt. Maar het bleek een spoor dat niet uitliep op de verlossing van de ellende, maar juist op de verstikking in de ellende.

Totdat God voor hem het licht liet opgaan… En u weet hoe dat gegaan is in het leven van Luther: langzamerhand. Door de colleges over de Psalmen die hij als hoogleraar moest geven, begon het licht een beetje door te breken. Hij ontdekte nieuwe inzichten in de Schrift en de uitleg van de Schrift. Maar heel persoonlijk was voor hem het licht nog niet opgegaan.

Daar heeft Luther een enorme worsteling in doorgemaakt. Het was zijn grote vraag: Hóe krijg ik een genadig God? Wát moet ik doen om met God in het reine te komen? Hóe kan ik bestaan voor zo’n heilig, rechtvaardig God? Als u, Heere, mijn ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?

 

We kunnen lezen van de worsteling die Luther gehad heeft toen hij rond het einde van  1512 / begin 1513 verkeerde in de torenkamer van het klooster, en hij daar de genade van God beleven mocht. Toen de poort van het paradijs voor hem openging, zoals hij dat beschrijft. Toen hij verlost werd van zijn bange worstelingen en verschrikkingen, door het lezen van Romeinen 1 vers 17. Daar staat dat de rechtvaardigheid van God in het evangelie geopenbaard wordt. En dát snapte hij niet. De rechtvaardigheid van God is toch dat Hij de zonden moet straffen? Dat is toch geen evangelie? Dat is toch de wet, die verdoemt?

Totdat God hem liet inzien dat de rechtvaardige door het geloof zal leven. Niet op grond van menselijke verdiensten. Niet de eisende en wrekende gerechtigheid van God is in het evangelie geopenbaard, maar de réddende gerechtigheid van Christus! De Heere Jezus heeft zoveel betaald, dat u en ik allemaal zalig kunnen worden. Zo zijn we rechtvaardig, niet op grond van onze werken, maar op grond van het werk van de Heere Jezus. Hij moet hoog verheven worden, ook vandaag.

Dus de verlossing is niet het resultaat van de heiliging. Dat moest Luther leren. Maar het is omgekeerd: de heiliging is mét de verlossing gegeven, die vloeit daaruit voort. Deze genadige verlossing is dus niet gegeven voor heiligen en bekeerden, maar voor zondaars, voor onheiligen. Anders zou genade geen genade zijn, zo leerde Luther van Paulus. Goddelózen worden gerechtvaardigd; niet godzalige en vrome mensen. En wie door God gerechtvaardigd wordt, wordt ook geheiligd. De drie stukken zijn volgens Luther onlosmakelijk met elkaar verbonden.

 

Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?

Ongerechtigheid betekent vanuit de grondtaal: iets wat helemaal verdraaid is, kromgetrokken is. Verkeerd handelen, wat niet strookt met de rechte weg, met de wet van God. Onze wegen zijn maar kronkelpaden van ons boze hart, en de wrange vrucht van onze zondige begeerten. En als de Heere nu de balans van ons leven opmaakt, dan zijn we écht nergens meer. Heere, wie zal bestaan? Als de Heere mijn zonde moet straffen, dan blijft toch niemand overeind?

Ook jullie niet, jonge vrienden! Denk er eens over. Wat heb je uitgehaald de afgelopen week, of misschien gisterenavond? Als God zou doen met ons naar onze zonden, lieve gemeente, dan zaten we hier vandaag niet!

Dat kun je alleen beseffen door de liefde van God en door het respect voor Zijn heilige naam. Alleen in het licht van Gods sparende liefde kun je zien hoe groot je zonden zijn. Zo zie je pas echt je ongerechtigheid. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat…

In dat licht van de Heere zie je zoveel tekort, zoveel schuld in jezelf. Zoveel had anders gemoeten. Waarom was ik zo driftig? Waarom luisterde ik naar verkeerde ingevingen? Waarom heb ik me laten verleiden tot roddel? Waarom heb ik mijn genadetijd verspild met allerlei andere dingen? Waarom heb ik de werken van liefde nagelaten? Waarom heb ik ijdele gedachten in mijn hoofd op laten komen? Waarom heb ik zondige begeerten gevolgd? Als de Heere dat toch allemaal gadeslaat…!

En dat doet Hij, gemeente. Dat ziet Hij allemaal. Ook wat je al vergeten bent. Dat ziet God nog net zo helder als toen we dat gedaan hebben. Wie dat nu gelooft, die schaamt zich toch weg? Dan word je niet bang en hard, maar verdrietig, verbroken en zachtmoedig.

 

De dichter van Psalm 130 gebruikt de eerste keer Gods verbondsnaam: Jehova, Heere met hoofdletters. De tweede keer gebruikt hij die naam niet (dat staat fout in de Jongbloedvertaling), maar de eerste keer wel.

Weet u wat de dichter hier beseft? Hij heeft niet zomaar tegen een of andere vreemde god gezondigd, maar gezondigd tegen een goeddoend God, tegen de Verbondsjehova, Die hem in Zijn verbond had opgenomen en Die in Christus genade bewijst.

Zo valt er een heel schril licht op de zonde, op de verdraaidheid, de verkeerdheid, de ongerechtigheid, in het aangezicht van de goedertieren Vader, de Verbondsgod. Het zicht op Gods toorn én Gods liefde houdt Luther altijd bij elkaar.

Hoe bevrijdend het inzicht voor Luther ook was dat God de schuldige en niet de heilige rechtvaardigt, hij beseft terdege hoe nodig het is dat wij als onwaardigen, behoeftigen, zondaars, terechtkomen aan de voeten van de Heere. Het punt is echter dat geen sterveling daartoe genegen is. Hoe kom je daar? Luther voelde heel diep aan hoe onwillig wij zijn om zo als zondaar te buigen voor God en te blijven bij God. Wij verschijnen nu eenmaal veel liever als heilige, lieve, deugdzame en nette mensen, en niet als verwerpelijke boosdoeners. Zo ontmaskert de reformator onze hoogmoed.

Maar hoe en door wie wordt die hoogmoed dan geslecht? Hoe worden we tot ootmoed gebracht? Om dit te bewerken, zegt Luther, gebruikt de Heere de overtuigende kracht van Zijn wet. Wie voor dit vonnis valt, gaat door de knieën. Die leert het bevrijdende wonder van het evangelie verstaan. Die buigt, die bidt: ‘Genade!’ Want die ligt altijd in de diepte.

Wie het bittere niet heeft geproefd, kan het zoete niet op waarde schatten.

 

De verhouding tussen wet en evangelie ziet Luther zo: de wet eist en het evangelie belooft. De wet wijst onze kwaal aan en het evangelie geneest. Zo kan de wet aan niemand het leven schenken, maar ze drijft wel naar het leven uit. Dat is haar diepste bedoeling: om als tuchtmeester, als opvoeder, ons naar Christus heen te dringen.

De dodende werking van de wet is heilzaam, omdat daardoor de hoogmoed wordt afgebroken en de ootmoed wordt geboren. Op deze manier kunnen we de Heere Jezus leren kennen in Zijn heilsbetekenis, als Borg en Zaligmaker.

Dat is de ene kant. Eerst de wet, dan het evangelie. Maar er is nog een andere kant, en die is minstens zo belangrijk. Want niemand komt, volgens Luther, tot de heilzame bedoeling van de wet, als die wordt losgekoppeld van het evangelie. Want op zichzelf kan de wet nooit leiden tot zondekennis. Het is juist en alleen het evangelie, dat van de wet een tuchtmeester, een opvoeder tot Christus maakt.

Wat bedoelt hij daarmee? Dit: dat de zonde in haar uiterste ernst wordt onthuld, erkend, beaamd, als het evangelie van de gekruisigde Zaligmaker klinkt en weerklank vindt in ons hart. En dáárom is de prediking en de overdenking van Christus’ lijden zo nodig, volgens Luther. Om tot zelfkennis te komen, om tot verslagenheid te komen.

In het kruisevangelie treedt duidelijk aan het licht hoe groot het gewicht van de zonde is. Het is Christus, Die de last van de toorn tegen de zonden gedragen heeft. Aan het kruishout gehangen, moest Hij die vreselijke gevolgen van de zonde dragen en moest Hij tot een vloek worden in Gods ogen. Alleen in het licht van dit kruisevangelie openbaart zich de heilzame, ontdekkende kracht van de wet.

Zie je hoe het nooit losgekoppeld mag worden? Hoe onmisbaar is de plaats van de wet in de zondekennis, en hoe wezenlijk is de zondekennis in verband met het leren kennen van de Heere Jezus als Borg en Zaligmaker. Maar… beslíssend is volgens Luther altijd het evangelie.

In de eerste plaats omdat daarin het oordeel van de wet tot in zijn laatste consequentie te zien is, namelijk: het lijden en sterven, de dood van Christus aan het kruis.

In de tweede plaats is het kruisevangelie dáárom zo beslissend, omdat het niet alleen over Gods toorn gaat, maar vooral over Zijn liefde. Die komt openbaar in het evangelie. En het is die liefde die de doorslag geeft. Ook wanneer het gaat over echt berouw.

 

Luther vindt alle berouw buiten Christus om, niet echt. Verontwaardigd tekent hij aan dat het bedrog is om mensen aan te sporen tot boetvaardigheid, door hen alleen maar te wijzen op hun zonden. Weet je wat hij dan zegt? Ja, dat moet wel gebeuren, maar men moet veel meer eerst het oog op Christus slaan en vooral Zijn wonden zien en daaruit Zijn grote liefde opmerken. Dat verbreekt het hardste hart.

En dan gebruikt Luther een voorbeeld: een brok ijs blijft ijs, zolang het vriest. Je kunt erop slaan, zodat het in duizend stukjes spat, maar het blijft ijs. Maar zodra de zon erop gaat schijnen, smelt het ijs in de warmte. Een duidelijk beeld!

Volgens de zienswijze van Luther gaat de zondekennis aan de kennis van vergeving, noodzakelijk vooraf. Ellende, verlossing en dankbaarheid, kun je niet omkeren. Maar zónder het evangelie zal het nooit zover komen. Het kruisevangelie is doorslaggevend. Gods toorn en Gods liefde laat hij samenwerken. De wet en het evangelie maakt hij niet los van elkaar.

Dat doet onze tekst ook niet, want er staat: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?  Maar - daar heb je het evangelie! -  bij U is vergeving. De dichter kan zijn ellende eigenlijk alleen maar belijden omdat hij weet: God is gewillig om vergeving te schenken. Bij U is vergeving. Dat is het tweede aandachtspunt.

Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 6, een boetpsalm. In vers 2 zingen we van het boete doen en in vers 9 zingen we dat God verhoort:

 

Vergeef mij al mijn zonden,

Die Uwe hoogheid schonden.

Ik ben verzwakt, o Heer’.

Genees mij, red mijn leven!

Gij ziet mijn beend’ren beven;

Zo slaat Uw hand mij neer.

 

De Heer’ wild’ op mijn kermen

Zich over mij ontfermen.

Hij heeft mijn stem verhoord.

De Heer’ zal op mijn smeken

geen hulp mij doen ontbreken.

Hij houdt getrouw Zijn woord.

 

De drieslag: ellende, verlossing en dankbaarheid. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat… Maar dan het tweede:

 

2. Verlossing

 

Als we denken aan de zonden die we bedreven hebben, dan word je toch moedeloos? Dat vindt u toch niet vreemd? Moet je die last nu je hele leven met je meedragen? Nee, gelukkig niet! De dichter zegt: Maar bij U is vergeving. We hoeven het niet te zoeken bij onszelf. We hoeven niet te werken en te zwoegen, dit te doen en dat na te laten, om vergeving te verdienen. Het is een geschenk van Gods genade. We zoeken het bij Hem. Bij Hém is vergeving.

Vergeving betekent dat Hij onze ongerechtigheden wel ziet, maar niet straft, niet vergeldt, maar Zijn gunst schenkt. Hij delgt die zonden uit, zegt de Bijbel. Hij werpt ze weg in de diepten van de zee. Dat is een duidelijk beeld. Soms wordt atoomafval in een ton op de diepte van de zee gebracht, om daar weg te zijn. Dat komt nooit meer boven.

Vindt u dat niet een bevrijdend evangelie? God zegt niet: ‘Ik vergeef het je wel, maar zodra jij je niet goed gedraagt, dan komt het hele spul weer boven water.’ Nee, God vergeeft de zonde en komt daar niet meer op terug.

 

Om te vergeven kwam de Heere Jezus naar deze wereld, uit eeuwige zondaarsliefde. De kribbe en het kruis zijn het bewijs van Zijn liefde. Als we aan vergeving denken, dan denken we aan Jezus. Zo lief had God de wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gaf, om te sterven aan het kruis. Opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Luther heeft een schitterende preek over Johannes 3 vers 16 gehouden. Daarin zegt hij: ‘Je moet het zo zien: Alzo lief heeft God Maarten Luther gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.’ Mooi hè, als je daar zo je eigen naam kunt invullen?

Gemeente, als we geloven dat er bij God vergeving is, en we midden in onze schuld en verlorenheid, ook midden in deze psalm, Jezus ontmoeten, dan komt er echte blijdschap in je hart. Maar bij U is vergeving. Je voelt je nog onwaardiger dan je al was, als je ziet hoe Jezus uit liefde Zijn leven gaf.

Midden in de opeenstapeling van ongerechtigheden, zien we hoe deze psalm wordt vervuld in Christus. Hij nam de ongerechtigheid op Zich. De zonden van de wereld heeft Hij gedragen. Hoe heeft Hij geroepen in Gethsémané, toen die last Hem ging drukken: ‘Vader, Ik kan niet meer!’ Zijn bloed vloeide op de aarde. ‘Indien het mogelijk is, laat deze beker van lijden, van sterven, van dood en verlatenheid, voorbijgaan. Maar Uw wil geschiede.’

Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Dat heeft Christus ook gedaan. Hij riep uit de diepten van de duisternis en de verlatenheid aan het kruis: Mijn God, Mijn God, waarom…? (Matth.27:46) Wist Hij dat dan niet? Hij wist waarom Hij naar deze wereld kwam. Maar in die verlatenheid, toen Hij om Zich heen greep om steun bij Zijn God en Vader, was de Vader geweken. ‘Waarom, Mijn God?’ Daar aan dat vervloekte kruis, daar opende Hij de diepten van Gods  barmhartigheid, goedertierenheid, genade en liefde.

Op de kruisheuvel klinkt de stem van God: ‘Er is een weg van verlossing uit alle nood. Er is vergeving voor de grootste der zondaren. Ik wil komen in een geschonden leven. Uit het diepste verdriet, uit de donkerste wanhoop en de zwaarste schuld, wil Ik je redden!’

Wie bevend, met een biddend hart tot God nadert, die vindt bij de Heere gehoor. En naarmate we onze zonden belijden, naar die mate is er groter verwondering over Gods vergevende liefde. Wát een evangelie!

 

In de grondtekst staat eigenlijk: bij U is dé vergeving. De vergeving bij uitstek. De vergeving, die echt helemaal vergeving is. Wij vergeven elkaar ook, toch…? Maar wij kunnen zo moeilijk vergeten. We blijven mensen. We blijven anderen aankijken op wat ze gedaan hebben. Maar zo is God niet. Zo is Zijn vergeving niet. Dé vergeving, de enige, echte, ware vergeving, die is bij God. Hij komt er nooit meer op terug. Weg is weg. Hij vergeeft en vergeet.

 

Zo staat de vergevende God vandaag voor ons, gemeente. Hij ziet u aan in dit Schriftwoord en zegt: ‘Ja, het is waar wat er staat in die psalm: bij Mij is vergeving. Wie ben je? Wat heb je gedaan? Heb je spijt of heb je geen spijt? Of ben je van plan nog een poosje door te zondigen zonder Mij, of… Wie ben je eigenlijk? Je bent een zondaar. Weet dit: al waren uw zonden als scharlaken zo rood, kom tot Mij. Ik zal ze maken als witte wol. Bij Mij is vergeving!’

Misschien zegt u: ‘Wat moet er dan allemaal gebeuren in je leven, voordat je die vergeving ontvangt, voordat je dat mag geloven, voordat je dat zeker weet?’ Guido de Brès, die als reformator heel veel invloed gehad heeft in de Nederlanden, schrijft in artikel 22 van zijn geloofsbelijdenis over de rechtvaardiging door het geloof in Christus. En dan zegt hij dit: ‘Wij geloven dat de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, dat Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst.’

Als je elkaar liefhebt, dan omhels je elkaar. Dan trekt de een de ander naar zich toe. Christus naar je toetrekken, mag dat? Ja, dat staat in de belijdenis: ‘Omhelst, Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt.’ Dan zegt u: ‘U bent van mij. Ik heb U lief…’ Niet de werken der wet, niet dit, niet dat… Christus alleen!

En in het volgende artikel zegt Guido de Brès: ‘We mogen steunen en rusten op de gehoorzaamheid van de gekruiste Christus alleen, dewelke onze is (van ons is) als wij in Hem geloven.’

Dat is toch niet moeilijk, gemeente? Sommige mensen maken het zo moeilijk! Rechtvaardiging door het geloof, hele verhalen… Maar Guido de Brès zegt het zo eenvoudig als het maar kan, zodat iedereen het kan begrijpen. Als je in Hem gelooft, dat Hij de zonden heeft betaald aan het kruis, en je mag Hem zo met de armen van het geloof naar je toehalen, dan is het goed.

Guido de Brès beschrijft ons hier heel eenvoudig de beleving van de rechtvaardiging door het geloof. Het geloof is rechtvaardigend van aard. Alle elementen van ontdekking aan je zonden, belijdenis voor de Heere, beleving van je schuld en verlorenheid en de toevlucht zoeken in Jezus’ bloed, al die elementen zijn inbegrepen bij het rechtvaardigend geloof. Dat is één pakket.

Wie zijn zonde voor de Heere belijdt, in alle oprechtheid, die mag op grond van de Bijbel gelovig aanvaarden dat God ze om Christus’ wil heeft vergeven. Wat ik nu zeg, is de kern van de Schrift en de kern van de belijdenis van de Reformatie met betrekking tot de rechtvaardiging door het geloof.

 

Krijg je de Heere Jezus al lief? Je mag er blij en verwonderd over zijn, over zoveel genade en vergevende liefde van Gods kant. Zo eenvoudig is het. Wat verlang je daar steeds weer opnieuw naar, dat je verzékerd mag worden van de vergeving van de zonden en de vrede met God mag proeven in je hart, mag ervaren in je leven.

De kern van het stuk van de verlossing is ook voor Luther gelegen in de rechtvaardiging door het geloof. En deze genadige vergeving van zonden is onlosmakelijk verbonden met dat eerste stuk: de erkenning van je zonden. In de rechtvaardiging verhouden zich schuldbelijdenis en schuldvergeving als zijde en keerzijde; die zitten aan elkaar vast. God vergeeft de zonde om niet, uit genade alleen, maar niet achter je rug om. Dan zegt Luther: ‘Vrijspraak van het vonnis vindt niet plaats zonder de aanvaarding van het rechtmatige van dit vonnis.’ ‘Ik heb het verdiend, Heere. Als U mijn ongerechtigheden gadeslaat, dan kan ik voor U niet bestaan.’

Niet dat God nog een bijdrage zou vragen. Maar als wij met ons hart geloven dat we in staat van beschuldiging gesteld zijn, en we mogen ons vrijmoedig door het geloof tot Christus wenden, dan mogen we volgens Luther zeggen: ‘Als U mijn zonde tot de Uwe maakt, Heere Jezus, dan heb ik ze niet meer. En als Uw gerechtigheid tot de mijne gemaakt is, dan ben ik rechtvaardig, alsof ik nooit zonde had gedaan.’

 

Luther zegt: ‘Als je dat gelooft, dan zal de duivel daarop afkomen. En als je dan door de duivel wordt bestookt dat het niet waar is of dat je te makkelijk gelooft, dan moet je hem vrijmoedig van repliek dienen. Dan moet je zeggen: Heer duivel, wil toch niet zo woeden, matig je wat! Want er is Eén Die Christus heet, en in Hem geloof ik. En Deze is het Die met de wet heeft afgerekend en de zonde heeft verdoemd en gedragen, en Die de dood teniet heeft gedaan en onschadelijk heeft gemaakt!’

‘Het bloed van Jezus’, zegt Luther, ‘is het gouden genadekleed waarmee we bekleed worden. En daarin mogen we en kunnen we voor God verschijnen. Totdat Hij ons niet anders kan en wil aanzien, dan alsof wij Zijn eigen lieve Zoon zelf waren.’

Dát is mooi, gemeente! Vol gerechtigheid, vol heiligheid, vol onschuld… Luther zegt: ‘Het geheim van die rechtvaardigmaking is gelegen in die vrolijke ruil, waarin de Bruidegom al de armoede en de schuld van de bruid voor Zijn rekening neemt, en haar begiftigt met Zijn reinheid en met Zijn rijkdom.’

‘En als u vraagt’, zegt Luther, ‘waar het geloof deze wonderlijke ervaring opdoet, luister dan: alleen onder het gelezen en gepredikte Woord. Dat is de gelegenheid die de Heilige Geest verkiest om ons van de genade van God te verzekeren. Niet door te werken, te worstelen, door welke vrome inspanning dan ook, maar door te horen wordt de mens in zijn ellende opgericht en in genade aangenomen.

 

Luther legt het vuur van Gods liefde in zijn preken na aan het hart. Hij stelt zichzelf ten voorbeeld, als hij zegt: ‘Hoewel ik vijftien jaar lang de mis heb gelezen en allerlei afgoderij heb bedreven, wilde de Heere mij al mijn boosheden vergeven. En als de Heere Zijn genade bewijst aan zo’n schelm als ik ben, dan kan het voor iedereen.’

‘Neem toch’, roept Luther, ‘neem! Want God geeft Zijn gaven niet als vergif, maar tot vergeving!’

Maar is dat ook voor mij, onheilige zondaar? Als ik nu een Petrus was, of Paulus of Maria, die waren heilig. Maar hoe weet ik dat Gods Zoon ook mij, arme zondaar, wil aannemen?

Luthers antwoord is eenvoudig: ‘Al wat mensenkind heet, mag de schat aannemen. God gaf Zijn Zoon niet aan de duivel en ook niet aan de honden, maar aan de mensen.’

 

Is rechtvaardiging door het geloof voor Luther een eenmalig gebeuren? Ja en nee; de twee kanten. Aan de rechtvaardiging is de spanning eigen van het ‘reeds’ en het ‘nog niet’. In Christus zijn we compleet, maar in onszelf nog niet. In de toerekening is de rechtvaardiging een voldongen feit. Maar in de praktijk van elke dag zullen we het bij herhaling ervaren.

 

Laten we eerst zingen Psalm 56 vers 5:

 

Ik roem in God, ik prijs ‘t onfeilbaar woord;

Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.

‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord,

Wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

Mij bijstand boodt, en ‘t onheil af zoudt wenden,

Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

Door ijver aangespoord.

 

3. Dankbaarheid

 

Het derde belangrijke hoofdstuk is de dankbaarheid. De ellende - Mijn ongerechtigheden.

De verlossing - Bij U is vergeving. En nu de dankbaarheid - Opdat Gij gevreesd wordt. Alle drie komen dus voor in deze psalm. In Zijn vergevende liefde bindt de Heere mensen zo aan Zichzelf, dat ze Hem zullen vrezen. Niet zoals een slaaf zijn heer vreest, maar zoals een kind zijn vader, met respect en met liefde.

U ziet hier: Gods vergeving is niet het eindstation. Ellende, verlossing, en dan ga je in ieder geval naar de hemel… Nee! Het is het begin van het leven met God in waarachtige dankbaarheid. Een nieuw godzalig leven. Door de vergeving verandert álles in je leven. Alles wordt nieuw! Vergeving maakt sterven tot leven. Dan mag je iedere dag met een schone lei beginnen. Door Gods vergevende liefde komen we tot onze bestemming.

Dat zegt de dichter, als hij zegt: Opdat Gij gevreesd wordt. Het vrezen van de Heere, dát is het doel van ons leven! God liefhebben, de Heere dienen, voor Hem leven, onze naaste liefhebben, de boodschap van het evangelie doorgeven. Opdat het koninkrijk wordt uitgebreid, anderen worden bereikt en uit de duisternis getrokken tot het heerlijke licht van Gods genade.

Zoveel mensen leven nog in de duisternis. Ook in de gemeente nog? Ik ben bang van wel… In ons land, in de wereld, in onze woonplaats? Al die mensen komen niet tot hun doel. Want God wil dat de mensen Hem zullen vrezen. Daar kun je een hele preek over houden, gemeente, over het stuk van de dankbaarheid, over het vrezen van de Heere, maar u begrijpt dat we naar een afronding moeten.

 

Rechtvaardiging en heiliging hangen bij Luther niet alleen samen, maar ze gáán ook samen. Ze gaan gelijk op. Hij zegt: ‘Het is zoals twee tandraderen die elkaar aangrijpen. Beweegt het ene rad, dan beweegt ook het andere rad. Wie veel vergeven is, die heeft veel lief. En omgekeerd: wie heilig leeft en werkelijk liefheeft, die leeft uit Gods vergeving.’

Merkt u dat nu ook, u in uw leven en jij in jouw leven, als je de Heere lief hebt en heilig leeft voor Hem, dat je heel veel van die vrede van God in je hart mag ervaren? Christus vergeeft niet alleen de zondeschuld, ook breekt Hij de zondemacht. Hij vergeeft en vernieuwt. Luther zegt: ‘In de heiliging draagt de rechtvaardiging vrucht.’

Beroemd is de stelling van Luther dat als we gerechtvaardigd worden door het geloof alleen, dat geloof juist nooit alleen is. Dat geloof heeft altijd een metgezel, namelijk de liefde. Het geloof gaat steevast gepaard met een genegenheid tot God en de naaste. Geloof en liefde zijn niet van elkaar los te maken. In deze psalm wordt daar nog over gesproken, ik heb dat niet als tekst genomen.

 

Het is een misverstand om te denken dat Luther alleen maar van de rechtvaardiging zou weten en dat Calvijn meer de puntjes op de i gezet heeft en in twee woorden ging spreken, namelijk over rechtvaardiging en heiliging. Al moet je natuurlijk altijd het verschil in context in rekening brengen. Er is natuurlijk wel een accentverschil tussen beide hervormers, maar dat is helemaal te verstaan uit de situatie waarin zij leefden en waar ze tegen moesten strijden.

Luther heeft de confrontatie met een wettisch verdienstensysteem en laat het hoofdaccent vallen op de rechtvaardiging. Calvijn, die in Genève te maken kreeg met libertijnse wetsverzaking, heeft het meer dan Luther over de heiliging. Maar er is geen principiële tegenstelling tussen beide hervormers.

 

Het leven van de heiliging wordt door Gods wet genormeerd. De vloek van de wet is in de rechtvaardiging opgeheven, maar de normatieve betekenis van Gods wet blijft.

Luther tegenstanders wilden dat niet begrijpen. Ze zeiden: ‘Hij met zijn rechtvaardigingsleer!’ Ze maakten daar een karikatuur van. Ze zeiden: ‘Volgens Luther doet de heiliging niet ter zake als je maar in de rechtvaardiging gelooft. Maar zo is het niet! Waar blijven de goede werken, Maarten Luther?’ Uitdagend en verontwaardigd hebben ze op hem gereageerd. Er gingen pamfletten rond.

Luthers antwoord lag gereed: de goede werken zijn er, uitgerekend op grond van de rechtvaardiging! Waar die ontbreekt, is helemaal geen sprake van goede werken. Daden die verricht worden om de hemel mee te verdienen, die zijn alleen maar uit eigenbelang gedaan en op beloning gericht. Dan is het loondienst in plaats van liefdedienst.

Dat doet u toch niet, gemeente? Vervul toch niet allerlei wetjes en geboden om daarmee een stapje dichterbij God te komen. Dat zal niet werken. De voortgang van de heiliging betekent voor Luther dus niet dat wij steeds beter, steeds vromer, steeds sterker en steeds heiliger worden. Maar juist dat we dagelijks hulpelozer en afhankelijker worden, zodat we meer en meer geworpen worden op Christus alleen.

Dus op de heiliging kun je niet prat gaan. Je kunt dat zelf niet eens naar behoren inschatten. Aan de vruchten kent men toch de boom? Wie oordeelt er over de vrucht? De boom of de eigenaar van de boom? De eigenaar toch? En dat is God.

Luther zegt: ‘Díe werken zijn de beste, waarvan je je niet eens bewust bent of ze goed zijn.’ Net als in Mattheus 25: ‘Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik ben in de gevangenis geweest en gij hebt Mij bezocht. Wanneer dan, Heere? Voor zoveel je dat aan een van Mijn minsten gedaan hebt, heb je het aan Mij gedaan.’

 

Ellende, verlossing, dankbaarheid. Kent u die drieslag echt? En niet alleen met uw verstand? Natuurlijk, we geloven dat allemaal. Maar met je hart? Die levenslange behoefte om bij God te komen? Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Daar kom je toch niet bovenuit? Of kunt u wel eens zeggen: ‘Nu heb ik helemaal niet gezondigd vandaag’?

We hebben het gehoord uit de mond van Luther: de wet beukt wel, maar de wet verbreekt niet. Het evangelie verbreekt! Boetvaardigheid is een vrucht van het geloof. Ellendekennis is vrucht van het geloof. Luther zegt: ‘Als je de grootheid van je zonde wilt zien, moet je op de koperen slang zien, op de gekruisigde Zaligmaker.’ Dát verbreekt, dat smelt de ijsklomp van je hart. Maar ellendekennis is niet het één en het al. Als dat zo zou zijn, hoe zou je dan zalig kunnen worden?

Bij U is vergeving. Bij het kruis word ik bevrijd van de last van mijn zonden. Stel je toch voor, dat je de last van je zonden heel je leven moest meesjouwen. Dan zou je nooit blij kunnen zijn. Dan zou je nooit de vrede met God kunnen hebben. En daarom: de verlossing is cruciaal in het leven van een christen.

 

Als ik heel mijn leven bezig zou moeten zijn met de vraag of ik wel verlost ben van mijn zonden en of ik wel gered ben door het bloed van Christus, hoe kan ik dan tot mijn doel komen? Hoe kan ik dan de handen vrij hebben om God te dienen? Begrijpt u? De Heere verlost zijn kinderen, om Hem te dienen! Opdat ze God mogen vrezen en verheerlijken. Opdat Gij gevreesd wordt. Daar gaat het om.

Jongens en meisjes, vrezen jullie de Heere? Jongeren, ouderen, vreest u God ook echt? Daar zal blijken of het andere ook waar is; het eerste en het tweede stuk. In het vrezen van de Heere mag u leven vanuit het kruis. Hebt u de Heere Jezus lief, van ganser harte? Hebt u het volbrachte werk van Christus nodig? Telkens als het over Hem gaat, zeg je niet: ‘O, daar heb je het weer, altijd over hetzelfde…’ Nee, dan zeg je: ‘Lieve Heere Jezus, dat U dat toch voor mij hebt willen doen! Als de last niet van mijn schouders was weggenomen, hoe kon ik dan God dienen?’

Wat gaat de Heere Jezus daar schitteren, gemeente! Dan zing je zo van harte mee: ‘Zo lief had Hij zondaars, dat Hij voor hen stierf, genade bij God door Zijn zoenbloed verwierf!’

 

Maar… het gaat God uiteindelijk om de dankbaarheid. De kennis van de ellende en verlossing zijn alleen maar het middel daartoe. Het vrucht dragen voor God, dát is het doel van ons leven. God prijzen met woorden en daden. God verheerlijken. God aanbidden. God God laten zijn. God grootmaken.

 

We mogen dankbaar zijn voor wat de Heere ons in de Reformatie gaf. Anders hadden we nog gezeten in de duisternis van de aflaten en de verdienstelijkheid van de goede werken. Dan was niemand zeker van zijn zaligheid, en dát is toch een ramp! Dan was Guido de Brès niet God lovend de trap opgeklommen naar de galg. 45 jaar oud, vader van vijf kinderen… Vol goede moed zei hij: ‘We gaan het koninkrijk tegemoet!’

Kunt u instemmen met het lied van verlangen op de laatste bladzijde van onze Bijbel? Om door de Geest te roepen om de komst van de Bruidegom. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! (Openb.22:17) ‘Kom toch, Heere Jezus, want dan wordt U verheerlijkt!’ Dan zijn bruid en Bruidegom samen.

Wie dat roepen hoort en nog niet bereid is om God te ontmoeten - en die zitten hier ook - die moet ook leren zeggen: ‘Kom!’ En als u er dan nog aan twijfelt of de Heere wel bereid is om u te redden, dan zeg ik u: Zie op Jezus, want Hij nodigt u zo vriendelijk en welmenend. Hij zegt: Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet (Openb.22:17). Genade alleen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Lutherlied, couplet 1 en 2:

 

Een vaste Burcht is onze God,

Een Toevlucht voor de Zijnen.

Al drukt het leed, al dreigt het lot,

Hij doet Zijn hulp verschijnen.

De vijand rukt vast aan

Met opgestoken vaan.

Hij draagt zijn rusting nog

Van gruwel en bedrog,

Maar zal als kaf verdwijnen.

 

Geen aardse macht begeren wij;

Die gaat welhaast verloren.

Ons staat een sterke Held terzij,

Die God ons heeft verkoren.

Vraagt gij Zijn naam, zo weet

Dat Hij de Christus heet,

Gods eengeboren Zoon,

Verwinnaar van de troon.

De zeeg’ is ons beschoren!