Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 12

Christus en de christen

Christus' Naam en Zijn ambt
Onze naam en onze roeping
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 1
Lezen : Johannes 4: 4 - 30, 39 - 42
Zingen : Psalm 108: 1, 2
Zingen : Psalm 145: 2
Zingen : Psalm 79: 7

Gemeente, aan de beurt van behandeling uit de Catechismus is vandaag Zondag 12.

 

Vraag 31: Waarom is Hij Christus, dat is, een Gezalfde, genaamd?

Antwoord: Omdat Hij van God de Vader verordineerd is, en met de Heilige Geest gezalfd, tot onze hoogste Profeet en Leraar, Die ons de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft; en tot onze enige Hogepriester, Die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met Zijn voorbidding steeds tussentreedt bij de Vader; en tot onze eeuwige Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.

Vraag 32: Maar waarom wordt gij een christen genaamd?

Antwoord: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.

 

Het gaat in deze Zondag over

Christus en de christen

 

Twee gedachten vragen onze aandacht:

1. Christus’ Naam en Zijn ambt

2. Onze naam en onze roeping

 

Gemeente, we hebben gelezen in Johannes 4 wat er gebeurde in de landstreek van Samaria, in het dal aan de voet van twee bergen, de Ebal en de Gerizim. Daar lag de oude jakobsbron op nog geen kwartier lopen van het dorpje Sichar. Daar had vader Jakob in vroeger jaren een put gegraven om zijn gezin, zijn kinderen en zijn vee van water te voorzien. Het was de zesde ure, staat er. Dat is midden op de dag, op het heetst van de dag. Jezus zit vermoeid bij de jakobsbron. Zijn discipelen zijn nog even doorgelopen naar het dorpje om wat eten te kopen. En dan gebeurt het. Daar komt een vrouw aan, met een kruik op haar hoofd, om water te putten op dit zeer ongebruikelijke uur.

Gewoonlijk kwamen de vrouwen in de namiddag, als de zon niet meer op zijn heetst stond. Dan kwamen ze met elkaar en dan hielpen ze elkaar. Maar deze vrouw zoekt het moment op om alleen te zijn. Ze wil liever niet samen met de andere vrouwen. Waarom niet? Ze is een slechte vrouw. Haar naam staat slecht bekend. Ze leeft aan de zelfkant van de samenleving in Sichar. Iedereen kent haar.

 

Maar, gemeente, Jezus kende haar ook, al van eeuwigheid af. Hij is gekomen voor tollenaren, zondaren en hoeren, zegt de Schrift. Zij kunnen zelfs nette mensen nog voorgaan in het Koninkrijk der hemelen.

Hij begint een gesprek met haar. Hij heeft dorst en zij waarschijnlijk ook. De Heere Jezus begint te spreken over het water uit de put en vervolgens klimt Hij op tot het water des levens. Hij spreekt over de dorst van ieder mens, de levensdorst, de dorst naar de zonde, de dorst naar het verloren geluk, naar het verloren gegane paradijs. Daarna wijst Hij haar op de gave Gods, op de zaligheid, de Zaligmaker, op Zichzelf.

Maar voor Hij Zich aan haar openbaart als de Christus, vindt de Heere Jezus het nodig om haar te ontdekken aan wie ze is. Vandaar dat Hij zegt: ‘Roep uw man en kom hier.’ U kent de geschiedenis. Ze antwoordt: ‘Ik heb geen man.’ ‘Ja’, zegt Christus, ‘u hebt er vijf gehad en nu leeft u samen met iemand die uw man niet is.’ Dan zegt ze: ‘Heere, hoe kunt U dat weten? Ik zie, dat Gij een Profeet zijt.’

Daarop legt ze de Heere Jezus de vraag voor naar God en Zijn dienst. Tot wie moeten we bidden en waar moeten we bidden? Vervolgens stelt ze Christus de vraag: ‘Ik weet dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zal zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.’

 

Tenslotte openbaart de Heere Jezus Zich aan deze vrouw als de Christus: ‘Ik ben het, Die met u spreek.’ En wat zien we dan? Die vrouw gelooft wat Jezus zegt. Zij ontving op één dag zoveel onderwijs, dat ze tot geloof kwam. U ziet, dat het geen jarenlang hoeft te duren, al wil de Heere ons wel levenslang onderwijs geven.

Zij gaat direct, nadat ze gezien en geloofd heeft dat Jezus de Messias, de Christus is, terug naar Sichar en ze verstaat haar profetische roeping. Daarom is deze geschiedenis u voorgelezen. Ze gaat Zijn Naam belijden voor de mensen. Nog maar net is ze tot enige klaarheid gekomen, of ze gaat beginnen met het belijden van Zijn Naam: ‘Komt en ziet, een Mens, Die mij gezegd heeft, alles wat ik gedaan heb, is Deze niet de Christus?’ Zo mag zij haar dorpelingen leiden tot Jezus. 

En dan staat er, dat veel Samaritanen geloofden om het woord van die vrouw. Ze komen tot de Heere Jezus, ze horen Hem en dan geloven ze in Hem. Ze getuigen: ‘Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; maar wij zelf hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.’

 

Gemeente, hebt u Hem al gehoord? Als hier het Woord van God opengaat en verkondigd wordt, dan hoort u Christus. Dit is Zijn stem, Zijn boodschap aan ons. Zou u durven zeggen, dat u Hem nog nooit gehoord hebt? U voelt waar het op aankomt, op het geloof in Zijn Naam. Bent u daar mee bezig? Zoekt u Hem? Is het uw verlangen om Hem te kennen of hebt u geen Zaligmaker nodig?

 

Deze is waarlijk de Christus, de Zaligmaker der wereld.

Wat een heerlijke geloofsbelijdenis van die mensen uit Sichar!

 

Gemeente, over de Naam Christus gaat het nu in Zondag 12.

Door middel van Zijn drie ambten toont Hij, dat Hij de Zaligmaker der wereld is.

In de apostolische geloofsbelijdenis zijn we gekomen bij het tweede artikel: ‘Ik geloof in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heere.’ Over de naam Jezus ging het in Zondag 11. Over de naam Zoon en Heere gaat het in Zondag 13. Vandaag gaat het over de naam Christus.

 

We lezen in vraag 31:

Waarom is Hij Christus, dat is Gezalfde, genaamd?

Jezus is Zijn persoonsnaam. Die betekent Zaligmaker. Maar dat werk doet Hij ambtelijk. We zouden kunnen zeggen: Hij is Zaligmaker van beroep. Hier gaat het Evangelie al open, gemeente. Of niet? Wilt u zalig worden? Het gaat hier over Iemand, Die Zaligmaker van beroep is. Bij Hem moeten we zijn. Zijn ambtsnaam is Christus, de Gezalfde.

Onder het Oude Testament werden priesters, profeten en koningen gezalfd. Denk maar aan Elisa, die gezalfd werd door de profeet Elia. Ik denk, dat dat gebeurd is toen hij de profetenmantel over de schouders van Elisa heeft geworpen, toen hij aan het ploegen was in Abel-Mehola, op het erf van zijn ouders. Aäron, de hogepriester, werd gezalfd door Mozes. Koning David werd gezalfd door Samuël en zo zijn er nog wel meer voorbeelden uit de Bijbel te noemen.

 

Wat hield die zalving eigenlijk in? Het zegt ons eigenlijk niet zoveel. We moeten vooral bij de oosterling in de leer, als het gaat over het gebruik van zalf. In die warme, stoffige landen wordt veel olie gebruikt, bijvoorbeeld de kostelijke nardis. Deze had een verfrissende en verkwikkende uitwerking. Bij bijzondere gelegenheden, zoals bijvoorbeeld bij de aanstelling van profeten, priesters en koningen, werd van die dure zalfolie gebruik gemaakt.

 

Gezalfd betekent: aangewezen en aangesteld. Wij kennen ook nog wel zoiets. Als er een nieuwe koning of koningin komt, dan is er een kroningsplechtigheid, een inhuldigingsplechtigheid. Als een kandidaat een beroep naar een gemeente heeft aangenomen en voor het eerst bevestigd wordt tot predikant, dan moet hij knielen op de knielbank en dan krijgt hij de handoplegging. Zo werden ook bijzondere ambtsdragers in Israël gezalfd. Israël had een teken om hen aan te stellen en dat was de zalving. Iedereen kon dat zien. Daar gaat het ook om. Kijk, dat is hij. Wie? De door God uitgekozene, de door God gewilde.

Maar er zat nog een betekenis aan vast. De zalving was ook het teken, het middel van de bekwaammaking. De zalving was een symbolische handeling voor het schenken van de Heilige Geest. De olie des Geestes en de zalfolie wezen op de bekwaammaking door de Heilige Geest. Hij schenkt gaven, die nodig zijn om het ambt, waartoe de Heere roept, uit te oefenen. Dat is een bemoediging van God. Hij wilde door Zijn Geest de bijzondere gaven meedelen, die de gezalfde nodig had om getrouw zijn ambt te vervullen. Het betekende eigenlijk: Hij Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.

 

‘U kunt uw werk niet doen in eigen kracht, zoals God dat van u vraagt, maar de Heere zal u helpen en bijstaan. Hij zal met Zijn Heilige Geest op u komen en door die Geest zult u vaardig en bekwaam zijn om het moeilijke werk, waar de Heere toe roept, uit te oefenen.’

Daar mochten in Israël de profeten en de koningen op terugvallen, daar mochten ze op pleiten. Juist ook in moeilijke situaties van hun leven mochten ze zeggen: ‘Heere, ik heb het zelf niet gezocht, maar U hebt me aangesteld. U hebt beloofd om mij bekwaam te maken en me te helpen in mijn dienstwerk.’ Ze mochten terugvallen en pleiten op hun zalving: ‘Heere, bij U vandaan moet het komen.’

 

Ongetwijfeld zijn de profeten, priesters en koningen uit het Oude Testament door hun zalving voorbeelden, afschaduwingen van de Messias. Ze wezen allemaal naar Hem. Hij is door de Vader verordineerd, uitgekozen, aangesteld. Hij is ook met de Heilige Geest gezalfd en bekwaam gemaakt om onze Middelaar te zijn.

Gemeente, we zouden in gedachten moeten opklimmen tot de hoogte van de eeuwigheid. Dat zou niet kunnen, ware het niet, dat de Heere daar iets van geopenbaard heeft in Zijn Woord. Hij heeft daarin een tipje van de sluier opgelicht. In de eeuwigheid heeft de drie-enige God raad gehouden over de verlossing van gevallen mensen.

 

Het woordje verlossing komt tot drie keer toe aan de orde in dit antwoord van de Catechismus. In de eeuwigheid heeft de Vader gesproken: ‘Wie is hij die met zijn hart borg worde om tot Mij te genaken?’ Toen heeft de Zoon gezegd: ‘Vader, dat zal Ik doen. Zie, Ik kom om Uw wil en Uw welbehagen te doen.’ In de eeuwige vrederaad, toen God in Zijn verkiezende liefde Zijn raadsplan tot verlossing van verloren zondaren overlegde, heeft Hij tot de Zoon, Die Zich in al Zijn gewilligheid aanbood, gezegd: ‘Gij zijt de Christus, Ik verordineer U om de Gezalfde te zijn.’ Hij moest verloren zondaren weer terugbrengen tot de Vader. Maar de eeuwige vrederaad van God moest in de tijd verwerkelijkt worden. Daarom is Christus niet alleen verordineerd en aangewezen, maar Hij is ook bekwaamgemaakt en met de Heilige Geest gezalfd, zo zegt de Catechismus.

 

Christus is nooit letterlijk met zalf gezalfd zoals de koningen en de priesters. Christus ontving direct de betekende zaak van de zalving, de Heilige Geest. Zonder mate, zonder enige beperking ontving Hij Die. Hij is immers samen met de Vader en de Geest één God! O ja, Hij is wel eens gezalfd door een zondares. Zij maakte Zijn voeten nat met haar tranen en met haar haren droogde ze die af. Maria heeft Hem gezalfd als voorbereiding op Zijn begrafenis. Maar het gaat nu over de zalving tot het ambt. En die heeft Hij niet letterlijk ontvangen, maar Hij kreeg de Geest niet met mate. Hij werd geroepen tot het ambt. Hij getuigt er zelf van: ‘Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang, van de oudheden der aarde aan.’ Alleen de werkelijke bekwaammaking tot Zijn ambt kon toen nog niet plaatsvinden omdat Hij Zijn menselijke natuur nog niet had aangenomen. Zijn goddelijke natuur behoefde geen bekwaammaking van de Heilige Geest te ontvangen. Dat geldt alleen voor Zijn menselijke natuur. Daarom staat er: Hij is gezalfd met de Heilige Geest, bekwaamgemaakt tot Middelaar.

 

Daarbij mag u denken aan Zijn zalving met de Heilige Geest tijdens Zijn doop. Toen Hij omhoog kwam uit het water van de Jordaan, daalde de Heilige Geest op Hem neer in de vorm van een duif. Jezus was toen dertig jaar oud en Hij stond aan het begin van Zijn openbare optreden op aarde. Naar Zijn mensheid wordt Hij rijkelijk bedauwd met de Heilige Geest om Zijn werk als Zaligmaker te kunnen verrichten in deze wereld. Bij Zijn doop sprak God: ‘Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.’

 

Gemeente, dat geldt ook ons. Het is alsof de Vader deze woorden vandaag tot u en tot mij spreekt, door de verkondiging van het Evangelie. Hoor Hem! Hoor de Zaligmaker! Buig voor Jezus! Hij is de Enige, Die u en jou gelukkig kan maken. Hij komt voort uit het hart van de Vader en Hij gaat voort in de kracht van de Geest. De Vader lokt en roept tot Hem, de Geest nodigt en trekt tot Hem.

Hij kan u zalig maken en Hij wil u ook zaligmaken. Gelooft u dat? Hij is daartoe gezalfd; Hij is gewillig om het te doen; Hij is ertoe aangesteld, ertoe bekwaamgemaakt. Hij is Zaligmaker van beroep en daarom wijs en prijs ik u Hem aan: ‘Zie het Lam van God, Dat de zonde der wereld weg neemt.’

Is Deze niet de Christus? Kom, belijd het maar mee met de Samaritanen, die het uit de mond van die vrouw gehoord hebben: ‘Wij weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.’

 

Het ambtswerk van Christus is veel omvattend, veelzijdig. Er zitten zoveel kanten aan Zijn ambtswerk om zondaren zalig te maken, dat je het niet in één woord kunt zeggen. Daar zijn minstens drie woorden voor nodig. Calvijn heeft die woorden voor het eerst gebruikt in zijn Institutie en in navolging van hem heeft de gereformeerde theologie steeds gesproken over het drievoudige ambt van Christus. Hij is Profeet, Priester en Koning.

De oudtestamentische ambtsdragers hadden maar één ambt en daar hadden ze hun handen aan vol. Een enkele uitzondering was er van mensen, die twee ambten hadden. David was koning en profeet. Melchizedek was koning en priester.

Maar drie ambten? Nee, dat kom je nergens tegen.

 

Christus bediende alle drie ambten volkomen.

Als Profeet wees en onderwees Hij de weg tot verlossing.

Als Priester baande Hij de weg om zondaren te verzoenen met God.

Als Koning regeert Hij in harten van mensen, zodat ze naar Hem luisteren en met Hem tegen de zonde strijden.

Hij bewaart bij de verworven verlossing. De bijvoeglijke naamwoorden, die de Catechismus hier gebruikt, zijn echt niet overdreven. Er staat: Hij is onze hoogste Profeet, onze enige Hogepriester en onze eeuwige Koning.

 

Tenslotte moet u ook het woordje ‘onze’ niet over het hoofd zien. Mag u daarmee instemmen? Daar komt het natuurlijk op aan. Je kunt overal ‘ja’ op zeggen, maar het gaat erom of Hij het ook voor ons, voor u is. De Catechismus belijdt dat hier: ‘Hij is de onze.’

U moet eens kijken hoe vaak in het antwoord het woordje ‘ons’ voorkomt. Het gaat om de toe-eigening van het heil. Het gaat erom, dat we deze Profeet, Priester en Koning als de onze kennen en belijden. Hij is onze hoogste Profeet en Leraar, Die ons de verborgen wil van God tot onze verlossing volkomen heeft geopenbaard.

 

Een profeet is een man, die de wil van God bekend moet maken aan het volk. De oudtestamentische profeten hebben vaak een onmiddellijke roeping gehad. Zij moesten het volk vaak bestraffen en terugroepen van hun dwalingen.

Er zijn grote mannen onder hen geweest. Denk eens aan Mozes. Wie was er als Mozes in de tijd van de woestijnreis? Denk eens aan Elia. Hij ontving van God de vrijmoedigheid om alleen te staan op de Karmel en vuur van de hemel te bidden. Denk eens aan Jesaja en Jeremia, de boetprofeet.

 

Zij hebben vaak diepe en verstrekkende profetieën voortgebracht. Zij luisterden naar de influistering van God, want ze mochten nooit op eigen gezag spreken. Ze mochten alleen maar spreken wat de Heere ze gaf te spreken. Alleen het gegevene, het ingegevene mochten ze doorgeven. Zij waren immers de mond van God tot het volk! Hoe diep hebben ze gezien in de heilgeheimen van God tot onze verlossing.

Denk eens aan Jesaja 53. Daar staat: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Welk een diep inzicht heeft Jesaja hier door de Geest in het Borgwerk, in het verlossingswerk van Christus!

Groot waren die profeten! Maar Christus is meer, Hij is hoger, Hij is de hoogste. Hij is onze hoogste Profeet en Leraar der gerechtigheid.

Al de oudtestamentische profeten spraken door Hem. Christus bediende Zijn profetische ambt dus al lang voor Hij op aarde kwam. Al lang voor Zijn omwandeling sprak Hij door de profeten. Zij ontvingen alles van Hem. Christus is de hoogste Profeet. Hij brengt het Woord van God rechtstreeks uit het hart van de Vader. Hij alleen kan ons de Vader openbaren en de rijkdom van de eeuwige Godsgedachte ontvouwen. Want Hij is erbij geweest in de eeuwige vrederaad.

 

Wie kan ons de raad van God beter openbaren dan de Heere Jezus? Tot Wie zullen we anders heengaan, dan tot Jezus? Hij weet alles en Hij kan alles. Hij heeft de woorden van het eeuwige leven. Hij heeft het eeuwige leven verworven en Hij schenkt het eeuwige leven. Hij openbaarde de raad en de wil van God onder het oude verbond door de profeten. In de volheid des tijds trad Hij op de voorgrond als de hoogste Profeet en Leraar der gerechtigheid. Hij predikte het Koninkrijk der hemelen. Hij ontving zondaren en zondaressen aan Zijn voeten. Denk aan de vrouw uit Sichar, die Samaritaanse vrouw. Hij ontving haar en maakte haar zalig.

Gemeente, dat doet Hij nog. Hoe het ook is in uw hart en wie u ook geweest bent in uw leven, Hij wil u ontvangen.

En na Zijn hemelvaart doet Hij dat nog. Ook nu gaat Hij nog door met Zijn profetische bediening, door middel van de ambten in de gemeente. En daarom bidden wij u van Christuswege: ‘Laat u met God verzoenen.’ Want wie de prediker van het Evangelie hoort, hoort Hem.

 

Gemeente, jongelui, kinderen, de Heere Jezus kijkt ons vandaag aan vanuit het Woord, vanuit de prediking van het Evangelie. Hij roept jullie toe: ‘Kom tot Mij, geef je hart aan Mij.’ Wil je gelukkig zijn? Geloof dan in de Heere Jezus. Geef je hart aan Hem. Hij vraagt erom: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart.’

Geef je hart niet aan de wereld en doe niet zoals die Samaritaanse vrouw, die vrede en geluk zocht in losbandige seksualiteit. Genieten van het hier en nu, lol en plezier maken, dat geeft een bittere nasmaak. Dat maakt niet zalig, dat geeft maar even een fijn gevoel. Daarna is het weer over. Maar wie aan Jezus’ voeten buigt, wordt zalig, net als die vrouw.

Wie je ook bent, je mag komen tot Hem, want Hij is de Zaligmaker.

 

Christus bedient Zijn profetische ambt nu vanuit de hemel, door middel van Zijn dienaren. Hebt u dat wel eens ervaren?

U zat aan Zijn voeten onder de bediening van het Woord. De Schrift ging voor u open. Uw hart ging open en er kwam een verlangen om Hem te kennen. U ging heerlijkheid in Hem zien.

Kent u het?

Dat is allemaal Zijn werk, door de Heilige Geest. Hij opent harten, Hij verlicht het verstand, Hij verbreekt, Hij verbrijzelt, Hij maakt klein, ootmoedig en boetvaardig.

Gemeente, als dat gebeurt, dan gaan we luisteren naar het Evangelie, zoals we nog nooit geluisterd hebben. Dan worden we, net als de pinksterlingen, verslagen in het hart vanwege onze zonden. Die gaan pijn doen. Wij hebben Hem verworpen, wij hebben Hem door onze zonde gekruisigd. Dan gaan we verlangen naar Zijn profetisch onderwijs. We gaan hunkeren naar Zijn gemeenschap en we leren inzien en beseffen wie we eigenlijk zijn voor God. Dan voelen we ons zo klein, zo schuldig, zo verloren en daarin wordt Hij zo groot.

 

Profeet.

Hij is de hoogste Profeet. Hij onderwijst het Evangelie, zoals niemand dat kan. Dan gaat het Woord niet meer het ene oor in en het andere oor uit. Het Woord raakt ons, het doet iets, er komt reactie op. We komen in onze schuld voor God te staan.

Daar is Hij, Jezus, de Leraar der gerechtigheid. Weet u, wie er bij Hem in de klas zitten? Dat zijn de zachtmoedigen en de ellendigen, de armen en de blinden, de gebondenen en de gevangenen, de verslagenen van geest en mensen die voor Zijn Woord beven.

Wat wordt die hoogste Profeet dan dierbaar in uw leven! U kunt Hem niet meer missen, u hangt aan Zijn lippen, u hunkert naar Zijn woord. Je kunt niet meer buiten je Bijbel. Nee, niet als een plicht van het moet nu eenmaal, maar je krijgt honger en dorst naar het Woord van God.

Jongens en meisjes, dan kan je niet meer buiten je Bijbeltje. Dan zeg je niet: ‘Ik zal het lezen maar eens overslaan vanavond, want ik heb zo’n slaap.’ Nee, dan buig je je knieën, je opent je Bijbeltje en je zegt: ‘Heere, is er nog een kruimeltje van Uw genade voor deze arme zondaar of zondares, want ik kan buiten U niet gelukkig zijn. Ik kan buiten U niet leven.’ Met een gebroken hart zoek je de Heere Jezus als de Zaligmaker van zondaren, want Hij heeft gezegd: ‘De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonde om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart, Om den gevangenen te prediken loslating.’

Herkent u er iets van uzelf in?

Moede kom ik, arm en naakt,
tot de God, die zalig maakt.

Ik ben gebroken van hart, maar Hij kan het helen. Ik zit gevangen in duizend banden, maar Hij kan ze verbreken. Gemeente, u kunt zalig worden! Want Jezus is waarlijk de Christus, Hij is gezalfd tot onze hoogste Profeet.

 

Priester

Maar dat niet alleen, want Hij is ook gezalfd tot onze enige Hogepriester. Dat is het tweede aspect wat de Catechismus noemt. Dat wijst op Zijn offer en op Zijn voorbidding.

Er waren veel priesters in Israël. Er zijn ook veel hogepriesters geweest. Maar wie van hen is er met Hem te vergelijken? Als Aäron op de grote verzoendag het heiligdom binnentrad, dan moest hij niet alleen offeren voor het volk, maar ook voor zichzelf, want hij was en bleef ook een zondaar.

Het dierenbloed, het offer bracht nooit echt verzoening aan, want het was een heenwijzing naar Christus, het Lam. Het was een afschaduwing van Hem. Maar Christus is de enige Hogepriester, naar Wie al de priesters, hogepriester, offers en altaren heen wezen. Het bloed van stieren en bokken kan u niet verzoenen. Brandoffers voor de schuld voldeden niet aan Zijn eis en eer.

Christus heeft Zich door de eeuwige Geest onstraffelijk opgeofferd. Hij was Priester en Offerlam tezamen. Hij is het Lam Gods, het door God gegeven Lam, dat de zonde der wereld wegneemt. Met één offer heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. Het is niet zoals in de schaduwendienst telkens weer een offer. Nee, het is eens en voorgoed.

 

O, hier zien we het kruis verrijzen, als het gaat over Christus, de enige Hogepriester! Hij hangt daar tussen twee moordenaars. We zien Hem Zijn hoofd buigen, we zien Zijn handen doornageld worden met de spijkers van onze zonden en we horen Hem roepen met grote stem: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Hij werd verlaten opdat wij nooit van God verlaten zouden worden, hoewel wij dat wel verdiend hebben door onze zonde. We horen Hem roepen: ‘Het is volbracht.’ Hij bracht het offer van Zijn lichaam. Waarom deed Hij dat? ‘Wel’, zegt de Catechismus, ‘hij heeft ons verlost van de schuld, die wij hebben bij God.

 

Drukt u dat wel eens? Loopt u nog met een onverzoende schuld? Beleven we dat ook? Waarvan verlost Hij? Van de vloek van de wet, die op ons rust. Van de eeuwige ondergang, van de toorn van God. Hij heeft Zijn gezegend lichaam aan het kruishout laten nagelen, opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan zou hechten.

Gemeente, dat enige offer is voldoende. Laat niemand het wagen tot God te gaan met zijn eigen offer, met zijn eigen gerechtigheid, met zijn eigen vrome werken. Dan zult u een gesloten deur vinden bij God.

Maar wanneer zult u een geopende deur vinden? Als u komt in de Naam van de Heere Jezus, de enige Hogepriester.

De Schrift getuigt het:

‘Dewijl we nu een grote Hogepriester in de hemel hebben, Die de hemelen is doorgegaan, en Die met het offer van Zijn bloed tot voor het aangezicht van Zijn Vader gekomen is, laat ons daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.’

 

Christus wijst niet alleen de weg als de hoogste Profeet, maar Hij heeft die weg ook gebaand als de enige Hogepriester. Zijn offer is zo volkomen, Hij heeft zo’n oneindige waardij, dat de grootste zondaar, zalig kan worden. Hoor Hem eens roepen: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.’

 

Christus houdt die weg ook open door Zijn gezegende voorbede. Hij weet wat ons steeds weer in de weg staat. Hij weet, dat wij de toegang tot God altijd weer afsluiten door onze zonden en dat satan niet ophoudt om ons aan te vechten en ons te wijzen op onze zonden. Dan kan de vrijmoedigheid ontvallen, zodat wij denken: ‘Zie je wel, als ik een kind van God zou zijn, dan zou ik dat en dat niet meer hebben in mijn leven.’ De vrijmoedigheid om tot God te gaan valt weg. Maar nu is Christus daar met Zijn gezegende voorbede.

Satan begeert wel te ziften als de tarwe, maar Christus houdt niet op om te bidden. Hij houdt Zijn doorboorde handen voor aan de Vader en zegt:

‘Vader, dit offer heb Ik gebracht. U hebt het aanvaard. Daarom, Vader, ontvang ook deze zondaar of zondares en schenk vergiffenis van al zijn of haar zonden.’

 

Zo treedt Hij tussen bij de Vader als Borg. Wat is dat rijk! Zo is Hij nog steeds, gemeente.  Ook vandaag. Ook nu is Hij nog priesterlijk bezig voor Zijn gemeente. Onze onvolmaakte gebeden reinigt Hij, anders zouden ze het Vader-oor niet bereiken. ‘Kinderkens, indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak, Iemand, Die een goed woordje voor ons doet, bij de Vader, op grond van Zijn volbrachte offer.’

 

Koning.

Christus is niet alleen door Zijn Vader gezalfd tot Profeet om ons de weg van de zaligheid te onderwijzen en te wijzen. Hij is ook niet alleen gezalfd tot Priester, om die weg te banen door Zijn bloed. Maar hij is ook gezalfd tot Koning, om ons bij die verlossing te bewaren.

Als Koning regeert Hij door Zijn Woord en Geest. De Heere zegt het Zelf: ‘Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid.’

Hij is door de profeten als Koning aangekondigd. In het theocratische koningschap onder Israël is Hij als Koning voorafgeschaduwd. Maar Zijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Je kunt het niet op de kaart aanwijzen. Het is geestelijk, het is daar waar mensen Hem kennen, dienen en vrezen. Hij vestigt Zijn Koninkrijk niet door het bloed van Zijn onderdanen te vergieten, maar Hij gaf Zijn eigen bloed.

 

Door Woord en Geest doet Hij Zijn Koninkrijk komen. Dat zijn de middelen waarmee Hij Zijn onderdanen regeert, trekt, wint en beschermt. En al is dan Zijn Koningschap geestelijk, het is niet minder werkelijk. Het is wel verborgen voor de wereld. De Joden zagen het niet en daarom verwierpen ze Hem. Jezus’ Koningschap op aarde staat in het teken van het kruis. Hij is de Kruiskoning.

‘O, dan zie ik Hem staan voor Pontius Pilatus, bloedend, geslagen, gegeseld en met een doornenkroon op Zijn hoofd!’

Er wordt met Hem gespot. En dan vraagt Pilatus in deze omstandig heden: ‘Zijt Gij dan een Koning?’ Daarop antwoordt Christus: ‘Gij zegt, dat Ik een Koning ben.’

Aan Hem, Die zwijgende Man, is gegeven alle macht in de hemel en op aarde.

 

Hij is opgestaan, maar dat weet de wereld niet, die heeft het niet gezien. Want Christus heeft Zich geopenbaard aan de Zijnen. Hij is opgevaren ten hemel en zit aan de rechterhand van God. Vanaf die plaats vergadert en beschermt Hij Zijn gemeente.

Bent u Zijn onderdaan al? Door Zijn Woord en Geest vergadert Hij Zijn onderdanen. Door Zijn Woord en Geest trekt Hij zo, dat u wel moet buigen voor Hem.

Hij verbreekt harten, Hij verbrijzelt zondaren.

 

Als dat gebeurt, dan raak je alle vreugde en plezier in de zonde kwijt. De Heere gaat regeren in je leven en er komen totaal nieuwe verlangens en begeerten in je hart. Je gaat deze Koning zien in Zijn schoonheid, je gaat Hem dienen en liefhebben, je gaat voor Hem leven en je leert voor Hem te buigen.

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens
 U toch lusten?

Dan wordt Hij mijn Koning.

Hij is onze Koning, onze eeuwige Koning. Hij beschut en behoudt bij de verworven verlossing. Dat is nodig, want er zijn vele vijanden.

Maar Christus zegt: ‘Ik heb de wereld overwonnen.

Luther zong:

Ons staat de sterke Held terzij,
dien God ons heeft verkoren,
Vraagt Gij Zijn naam? Zo weet,
dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
Verwinnaar van de troon!
De zeeg' is Hem beschoren. 

 

Laten we van deze Koning zingen, voor we nog iets zeggen over ‘Onze naam en onze roeping’.

 

We zingen samen uit Psalm 145 vers 2:

 

Ik zal, o Heer’, Dien ik mijn Koning noem,

Den luister van Uw majesteit en roem

Verbreiden, en Uw wonderlijke daân

Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.

Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,

De grote kracht van Uwen arm verhogen;

Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,

En overal Uw grootheid openbaren.

 

2. Onze naam en onze roeping

 

We lezen vraag en antwoord 32:

Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?

Het antwoord luidt:

Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben; opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.

 

Als je het over een profeet hebt, dan denk je ook aan het volk, aan wie hij de Godsopenbaring overbrengt. Een priester is niet denkbaar zonder een schuldig volk, voor wie hij de verzoening aanbrengt. Bij een koning horen onderdanen, die hem dienen en prijzen.

Gemeente, bent u een christen? Daar gaat het over, over het christen-zijn, over het christenambt, over onze naam en onze roeping.

Bent u een christen? Denk eens even na. U zegt misschien: ‘Ja, daar hoeven we niet lang over na te denken, want we zitten hier in de kerk en we zijn allemaal christenen.’ Ja, dat is natuurlijk waar. We zijn geen heidenen.

Maar waarom bent u een christen? ‘Nou’, zegt iemand, ‘omdat ik gedoopt ben en later heb ik belijdenis gedaan.’ Hoe hebt u belijdenis gedaan?

De Catechismus gaat uit van de werkelijkheid. Hoe het zijn moet en wat de Bijbel ervan zegt. We lezen:

Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en Zijn zalving deelachtig ben.

Dat is een christen.

 

In de vorige vraag ging het over onze Profeet, onze Priester en onze Koning. Is Hij al de uwe? Dan bent u een christen.

Weet u, wat Ursinus hiervan zegt? Hij zegt: ‘Het gaat hier niet over naamchristenen, die gedoopt zijn en het christelijke geloof met de mond belijden en uiterlijk tot de kerk behoren, maar zonder boetvaardigheid en geloof. Het gaat hier over echte christenen.’

Ja, het is best pijnlijk, maar hier valt een scheiding. Maar de bedoeling is niet om u te beledigen, hoor! De bedoeling is, dat die pijn u uitdrijft tot Christus, om het bij Hem te zoeken. Wat dat betreft, laat het dan maar eens pijnlijk zijn.

Een christen is iemand, die van Christus is en Hem navolgt. De Catechismus zegt: ‘Door het geloof ben ik een lidmaat van Hem en Zijn zalving deelachtig.’ Christen-zijn is dus niet zomaar een etiket, maar het houdt een levende geloofsverbondenheid met Christus in.

 

Door het geloof ben ik Hem ingelijfd, zoals een rank verbonden is met de wijnstok. De zalfolie van de Heilige Geest, waarmee de Heere Jezus Christus gezalfd is, daalt van Zijn hoofd neer op Zijn lichaam. Zijn lichaam is Zijn gemeente en daarvan ben ik door het geloof een levend lidmaat.

Dan deel ik ook, zo vervolgt de Catechismus, in die zalving.

Dan ontvang ik die zalving, die vervulling, dat verbonden-zijn met Hem.

Dan leef ik, bij de gratie van de ambtelijke bediening, uit Zijn volheid.

Dan wordt Christus ook zichtbaar in mij.

In alle bescheidenheid ga ik op Hem lijken. Dat komt door die zalving.

Mijn leven krijgt dan iets profetisch, iets priesterlijks en iets koninklijks.

Ik ga Zijn Naam belijden, mij tot een levend dankoffer aan de Heere offeren en koninklijk tegen de zonde en de duivel strijden.

Daar hebt u de drie ambten van de christen. Herkent u ze in uw eigen leven? Belijden, wijden, strijden. Als we de zalving van Christus deelachtig worden, dan herstelt de Heere Zijn beeld in ons.

 

In Zondag 3 hoorden we, dat God ons zo geschapen heeft, dat we dat drievoudige christenambt konden waarnemen. ‘Opdat we onze Schepper recht kennen’, dat is het profetische. ‘Hem van harte liefhebben’, dat is het priesterlijke en ‘met Hem in de eeuwige zaligheid leven zouden, om Hem te loven en te prijzen’, dat is het koninklijke.

Door de zondeval is daar een streep doorgezet.

Maar als we de zalving van Christus weer deelachtig worden,

dan brengt God Zijn beeld weer terug in ons,

dan komen we weer tot ons doel, dan gaan we Hem belijden en ons leven wijden aan Hem,

we strijden tegen alles wat Hem mishaagt,

dan belijden we Christus, Wie Hij is en Wie Hij voor ons is.

 

Dat kan best smaadheid met zich meebrengen. Dat zie je al in het begin in Antiochië. Daar worden de discipelen voor het eerst christenen genoemd. Vroeger heten ze leerlingen, broeders, maar daarna christenen.

‘Christianen’ staat er in de grondtaal. Dat was beledigend bedoeld, dat was een scheldnaam. Dat zijn de ‘christianen’, de gehate volgelingen van die gehate Jezus van Nazareth. Maar de christenen vatten dat op als een erenaam. Ja, zij horen bij Hem. Zo zelfs, dat ze, als het eropaan kwam en voor de leeuwen geworpen werden, Zijn Naam niet verloochenden.

 

Zijn Naam belijden in woord en daad, daar komt het op aan. Doen we dat? Komt u altijd en onder alle omstandigheden uit voor wie uw Koning is? Komt u voor Hem op, zowel binnen als buiten de kerk? Is dit jouw levenshouding in het bedrijf waar je werkt, op school, aan boord, in militaire dienst, in het zakenleven? Overal? Ja, dat zou best wel eens wat minder winst op kunnen leveren, maar Christus zegt: ‘Wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemel is.’ Is dat geen eeuwige winst? David zegt: ‘Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.’

 

Ons tot een levend dankoffer Hem opofferen.

Als het goed is, zijn we ook priesters. Een dankoffer, want Hij bracht het zoenoffer. Wij brengen een dankoffer. We offeren niet iets, maar alles, onszelf, zegt de Catechismus. Heel ons leven moet een voortdurend naar boven stijgende altaarvlam zijn.

Lukt dat gemeente? Kunt u dat? Nee? Dat wil Christus ons leren, als we bediend worden uit Zijn priesterlijke bediening. Hij leert me mijzelf aan de Heere op te offeren. Dan is alles voor Hem. Mijn stem, mijn leven, mijn krachten en mijn geld.

Ook mijn kinderen. Hebt u het wel eens gezegd: ‘Heere, neemt U ze allemaal maar in Uw dienst, want dat is tot verheerlijking van Uw Naam?’

Jongelui, het is zo’n heerlijk leven om God te dienen. Begin er maar vroeg mee om God te zoeken. Geef je jeugd niet aan de wereld, om straks! Gods Naam wordt verheerlijkt als je in je jeugd al begint om de Heere te dienen.

 

Laat je krachten, gemeente, niet opteren in je werk, in je zaak, op je boerde rij. Ik bedoel niet, dat je niet moet werken, hoor! Doe dat maar heel getrouw. Maar doe het als een christen, laat dat de ondertoon zijn, laat dat u drijven.

Neem mijn leven, laat het, Heer’,

toegewijd zijn aan Uw eer.

De Heere is het zo waard, dat we voor Hem leven, nu en straks tot in alle eeuwigheid.

 

We zijn niet alleen profeet en priester, maar als het goed is ook koning. U strijdt met een vrije en goede consciëntie tegen de duivel en de zonden. Dat kan niet anders, want wie de Naam van de Heere Jezus noemt, wie de Naam van de Heere Jezus liefheeft, die sta af van ongerechtigheid. Christus neemt ons in Zijn dienst. We worden een christenstrijder in de wapenrusting Gods. Dan staan we in deze wereld midden in de vuurlinie, maar onze Koning weet waar we staan en Hij heeft de overwinning behaald.

Het is overwonnen land. De kerk op aarde is een strijdende kerk, waarlijk strijdend tegen de zonde en tegen de duivel.

Dat betekent, gemeente, dat het om een waarachtige, diepe levensheiliging gaat, vanuit het geloof in deze Profeet, Priester en Koning, Jezus Christus.

 

Dat is moeilijk, vindt u niet? Satan is zo machtig en listig, hij verleidt zo vaak. Maar midden op het slagveld staat het kruis en dat predikt ons, dat het overwonnen land is. De vijand loopt er nog wel, maar het is nog maar even en dan zal hij zijn hielen lichten. Dan zal heel dit aardrijk voor Christus en voor Zijn Koninkrijk zijn. Het kruis predikt ons:

‘Houd moed, christenstrijders, het bloed van Jezus reinigt van alle zonden. Als u gevallen bent, sta op. Kom tot Mij, vermoeiden en belasten en ontvang de overwinning uit Mijn handen.’

Zo alleen, met het zicht op het kruis, kunnen we met een goede en vrije consciëntie strijden tegen de zonde. Een goede en vrije consciëntie betekent: ‘Niet diep in je hart de zonde nog aanhouden, als je de Naam van de Heere belijden wil.’ Nee, wees vrij van de macht van de zonden en goed in de zin van dapper, vroom. Het doopformulier zegt het zo: ‘Dat we vromelijk tegen de zonde en de duivel en zijn ganse rijk strijden en overwinnen mogen.’

 

‘Met een goede en vrije consciëntie’ betekent, dat we niet bezwaard hoeven te zijn vanwege onverzoende schuld. Dat zou verlammend werken in de strijd tegen de zonde en in het getuigen naar anderen toe. Als je niet weet dat je zonden vergeven zijn, dan is dat iets waar je telkens mee bezig bent. Je loopt nog onder die last en je kan niet al je krachten aanwenden in de dienst van Gods Koninkrijk.

Daarom is het zo noodzakelijk, dat we weten, dat Hij voor mij aan het kruis gestorven is, dat ik vrede met God heb en verzoend ben met Hem. Daar moet u naar staan en u moet geen genoegen nemen met minder, want dat is het leven van een christen.

 

Tenslotte, in het hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeren. Dat is het uitzicht, een koninklijk uitzicht. Vindt u niet? Bent u een christen? U kunt u toetsen aan de volgende drie woorden: belijden, wijden en strijden.

Onze Koning heeft een zeer gewillig volk op de dag van Zijn heerkracht. Zonder de zalving met de Geest zal het niet kunnen. Buig u daarom voor Hem neer. Volhard in de strijd en laat de zalving van Christus heel uw leven doordringen.

Hij is zo gewillig, Hij is zo priesterlijk bewogen met uw lot.

 

Als de strijd u soms zwaar is, zie dan op het kruis! Zie op Hem, de Kruiskoning!

Hij zegt: ‘Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon.’

Ja, onze Koning is van Israëls God gegeven.

Wij gaan ten hemel in en erven Koninkrijken.

 

Amen.