Ds. G.J. Baan - Lukas 24 : 5b - 6a

De Levende

Lukas 24
Gezocht
Gemist
Gevonden

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 45: 7 en 8
Zingen : Psalm 32: 1
Lezen : Lukas 24: 1 - 10
Zingen : Psalm 118: 12, 13 en 14
Zingen : Psalm 130: 4
Zingen : Psalm 95: 4
Zingen : Psalm 111: 5

Gemeente, hoewel het Oude Testament niet vaak concreet spreekt over de opstanding van de Heere Jezus, vinden we toch heel veel teksten die dat heerlijk Evangelie verkondigen. Juist onder de schaduwen van de oudtestamentische eredienst. Want wat was er niet een uitzien naar de komst en de geboorte van Christus? Werd er niet helder geprofeteerd over het lijden en sterven van de Middelaar? Denk maar aan Jesaja 53: Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.

Hoeveel te meer mogen we dan verwachten van een opgestane, van een levende Heiland! Want wat moeten we met een dode Jezus doen? Stel u voor, dat de Zaligmaker in het graf zou zijn gebleven. We zien dan ook in het Oude Testament niet alleen een verlangen naar Zijn komst, naar Zijn geboorte, een hoop op Zijn lijden en sterven, maar zij verwachtten ook Zijn opstanding.

Het is opmerkelijk dat we daarover vooral in de Psalmen lezen. We zongen ervan met Psalm 118: Gezegend zij hij die daar komt in den Naam des Heeren. De Kerk van het Oude Testament heeft daarin op Zijn heerlijke opstanding gezien. Of denk aan Psalm 72, de psalm van David aan Salomo gericht: Hij zal leven. Ik denk ook aan Psalm 22. Hierin wordt gesproken over de dood en verdrukking van de Levensvorst. U kent deze psalmen wel. We zullen in deze dienst ook uit andere psalmen enkele verzen zingen.

 

Het leven in Christus! Wat hebben de oudtestamentische vromen en de psalmdichters daar veel van gezien! Wat hebben ze er vast op vertrouwd! Wat hebben ze er dichtbij geleefd! Ook voor hun eigen leven. Want dat de Heere Christus is opgestaan uit de doden, ervaart iedere gelovige. Ze geloven dat ze in navolging van Jezus zullen opstaan uit het graf van de dood.

Jezus heeft die twee dingen – Zijn opstanding en de opstanding van zondaars uit het graf van de dood – op voortreffelijke manier bij elkaar gebracht toen Hij vlak voordat Hij ging lijden sprak: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh.14:6). En in hetzelfde hoofdstuk van het Johannesevangelie: Want ik leef, en gij zult leven (Joh.14:19). Dat is in deze dienst, op deze eerste paasdag, het Goddelijk Evangelie en ook mijn boodschap.

 

Gemeente, we lezen in Lukas 24 vers 5b en 6a over twee zaken die heel dicht bij elkaar liggen: wat het leven in Christus is, en wat het leven in de Heere Jezus geeft. Het heilsfeit en de heilsvrucht. Er staat namelijk:

         Wat zoekt gij den Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan.

 

Wij letten op: De Levende.

 

Deze Levende wordt:

1. Gezocht.

2. Gemist.

3. Gevonden.

 

Wat zoekt gij den Levende bij de doden? Hij wordt ten eerste gezocht. Het is een vraag die eigenlijk direct door de engelen wordt beantwoord, want er staat: Hij is hier niet. De Levende wordt ten tweede door de vrouwen gemist. Ze vinden Hem niet meer in het graf. En ten derde wordt de Levende gevonden. In onze tekst nog in de aankondiging: Hij is opgestaan, maar kort daarna ontmoeten ze Hem daadwerkelijk.

 

1. Gezocht

 

Gemeente, nog meer dan bij Jezus’ lijden en sterven, is de volgorde van wat er gebeurd is bij de opstanding ontzettend moeilijk vast te stellen. Ik heb daar voor mezelf – al lang geleden – eens een paar dagen bij stilgestaan, erover nagedacht en gelezen. En ik kwam erachter, hoe meer ik erover las, en hoe meer ik erover nadacht, hoe moeilijker het werd. Tot je dan op verklaringen stuit die goede oplossingen geven en vragen beantwoorden. Maar helaas zijn er ook heel veel tegenstrijdige verklaringen. Een knappe, schriftuurlijke, maar ook geestelijke verklaring, is die van Dr. J. van Bruggen. U kunt die uitleg vinden in het kortgeleden uitgegeven Commentaar (op het) Nieuwe Testament.

Daar lezen we wat er eerst gebeurde en wat er zich daarna afspeelde. Hoe is het gegaan met de vrouwen bij het graf? Wie waren zij? Hoeveel waren het er? Wat hebben de discipelen gedaan en wie van hen kwam als eerste bij het graf? We laten liggen hoe de volgorde precies door hem beschreven wordt, maar hij biedt veel oplossingen.

 

De loop van de gebeurtenissen op de paasmorgen is niet zo gemakkelijk te begrijpen. Hoe komt dat? Jongens en meisjes, je zou kunnen vragen: ‘Waarom heeft de Heere dat nu niet heel duidelijk laten opschrijven? Wat gebeurde er eerst en wat daarna? Wie waren er precies bij het graf? Over welke discipelen ging het in Johannes 20 en 21 en Mattheus 28?’

Nu moeten we zeker bij de opstanding van Jezus bedenken dat elk van de bijbelschrijvers, geïnspireerd door de Heilige Geest, het op zijn eigen manier heeft verwoord en juist die dingen heeft opgeschreven die hem het meest hebben getroffen. Zo lezen we bij Johannes meer over de discipelen en bij Lukas wat meer over vrouwen.

In vers 10 wordt een aantal namen genoemd: Maria Magdalena, Johanna, Maria, de moeder van Jakobus, en de anderen met haar.

Eén ding is zeker: bij alle namen die genoemd worden door bijbelschrijvers gaat het uiteindelijk altijd weer om Hem, om de opgestane Zaligmaker. Om de Koning, over Wie de oudchristelijke kerk, als een groet op de eerste dag van de week, al zei: ‘De Heere is waarlijk opgestaan!’ Hoe moeilijk verklaringen soms kunnen zijn of lijken, over één ding mogen we het eens zijn: Jezus is opgestaan!

 

De opstanding is het enige heilsfeit waarvan niemand getuige was. Geen van de discipelen of de vrouwen stond erbij toen Jezus verrees. Jongens en meisjes, dat was wel het geval toen de Heere Jezus geboren werd. Jozef en Maria waren erbij. Dat was ook het geval toen Hij leed aan het kruis. Heel veel mensen waren er toen bij. Toen Hij stierf stonden Johannes en Maria, de moeder van de Heere Jezus, bij het kruis, en anderen met hen. Toen Hij begraven werd, waren er twee mensen bij: Jozef van Arimathea en Nicodemus. En toen Hij opvoer naar de hemel stonden alle elf discipelen om Hem heen.

Maar toen Jezus opstond was er niemand bij. De wachters, die bij het graf stonden, zijn op het laatste moment allemaal gevlucht. Het was zo’n heilig en heerlijk en voor de mens onbevattelijk heilsfeit, dat toen de Heere Jezus opstond uit het graf er niemand bij aanwezig kon zijn. Dat had ook geen mens kunnen verdragen.

 

Gemeente, we hebben met een Koning te doen, met een heerlijke en zalige Heiland. Met Hem Wiens Naam is Jezus, Zaligmaker, Christus, Messias. Er waren wel ontzagwekkende tekenen. En zie, er geschiedde een grote aardbeving, want een engel des Heeren, nederdalende uit de hemel, kwam toe en wentelde de steen af van de deur en zat op dezelven. En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden en werden als doden (Matth.28:2-4). Op dat moment ‘zeer vroeg in de morgen’, nog voordat de zon opging, vertrokken enkele vrouwen vanuit de stad Jeruzalem, waar ze woonden, naar een van de buitenwijken wellicht, waar het graf was. Het was een korte wandeling van een minuut of tien en zo kwamen ze bij het graf. Een graf waarin ze een dode Jezus dachten aan te treffen.

 

Lukas duidt de vrouwen aan in vers 55 van het voorgaande hoofdstuk: Ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galilea, volgden na en aanschouwden – bekeken nauwkeurig – het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd. Ze zijn erbij geweest, bij of vlak na de begrafenis. Ze namen alles in zich op. Wat was er allemaal gebeurd? Wat had er zich afgespeeld? Hun Zaligmaker, hun Jezus, hun Heiland begraven! En ze begrepen het niet.

Daarna staat over hen geschreven: En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven (Luk.24:56). Dus ze dachten, we gaan proberen het lichaam van Jezus te balsemen, om het te bewaren, zodat we het zo lang mogelijk bij ons hebben en het nog lang kunnen bezoeken. Zo wordt zo lang mogelijk uitgesteld dat het lichaam ontbindt. Ja, ze hebben hun herinnering verbonden aan een dode Jezus.

 

Wie waren deze vrouwen? Markus noemt drie namen: Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus, en Salome (Mark.16:1). Maria Magdalena was een vrouw uit wie zeven duivelen waren uitgeworpen. Een vrouw van het wonder. Maria de moeder van Jakobus en Joses; ook een vrouw van het wonder. Ook in haar leven was de Heere gekomen. De moeder van de zonen van Zebedeus, Jakobus en Johannes, eveneens een vrouw van het wonder. Lukas noemt nog een vierde: Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes. Ook zij is een vrouw van het wonder. En ‘nog anderen’, want in vers 10 staat: de anderen met haar.

Wat is er een geweldige overvloed bij God! Vier vrouwen, of meer – vult u maar een aantal in – zijn allen welkom bij het graf, hoewel ze met verkeerde gedachten erheen gingen.

Lukas schrijft eerder al over deze vrouwen: Sommige vrouwen dienden Jezus van haar goederen (Luk.8:3). Ze waren allen aan de Heere Jezus verbonden. Wat hadden ze een hartelijke liefde tot Hem! Ze kenden Hem en ze waren door Hem gekend. In hun aller leven was het wonder van genade gebeurd. Bij de één wat duidelijker dan de ander. Denk aan Maria Magdalena: in één keer zeven duivelen uit haar leven weg. Bij de ander meer geleidelijk zoals bij Maria, de moeder van de zonen van Zebedeus. Je leest over haar niet zoveel, maar het waren allen mensen van het wonder.

 

Gemeente, zijn wij ook zo samengekomen op de deze paasdag? Als mensen van het wonder; mannen, vrouwen, kinderen en jongeren van het wonder? ‘God begon in mijn leven’, zegt u wellicht, ‘en de Heere ging ermee door, Hij heeft mij geleid, geleerd en onderwezen. Ik ben aan de Heere Jezus Christus verbonden.’

Deze vrouwen verkeerden aan Zijn voeten, zij leefden dus heel dicht bij Hem. Ze waren Hem gevolgd. Mattheus schrijft over hen: En aldaar waren vele vrouwen van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa om Hem te dienen, (Matth.27:55). Heel hun hart ging naar de Heere Jezus uit. Alles hadden ze voor Jezus over. Ze hebben Hem niet verlaten tijdens Zijn kruisiging. Ze waren Hem gevolgd, helemaal vanuit de provincie Galilea, en zagen het aan. Een zwaard ging ook door hun ziel. Ook voor deze vrouwen gold dat ze met pijn in het hart bij het kruis van Jezus stonden. Zij waren met innige liefde aan Hem verbonden, juist ook toen Hij Zijn laatste woorden uitsprak: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest, en Zijn laatste adem uitblies.

Ze konden niet zonder Jezus. Ze zoeken Hem, zoals de bruid uit het Hooglied. Ze vinden hem niet, en zeggen toch: ‘We zullen Hem zoeken, Die onze ziel liefheeft.’ En ze zoeken Hem maar vinden Hem niet, en ze zeggen tegen anderen: ‘Heb je Hem gezien, Die mijn ziel liefheeft?’ Alles in hun hart gaat uit naar Jezus.

        

De vrouwen, ze gingen naar het graf. Ze gaan, actief. Ze blijven niet wachten. Het geloof slaat altijd de weg in naar Jezus. Ze dragen de specerijen die ze hebben klaargemaakt. Ze doen er alles aan om het lichaam van de Heere Jezus te bewaren.

Zij vonden de steen afgewenteld van het graf. Hoe kan dat nu, die steen? Het was hun grootste bezwaar: ‘Hoe zullen we de steen van het graf weghalen?’ Wat een wonder, de steen is weg! Nou, dan zal het toch allemaal wel makkelijk gaan.

En ingegaan zijnde. Weer zo’n woord. Weer een geloofsdaad. Het geloof gaat, het zoekt, het blijft niet talmen, het gaat door.

 

Ze vinden het lichaam van de Heere Jezus niet. Zij zijn twijfelmoedig, we zouden zeggen: ongelovig. Hoe moet het nu toch verder?

Misschien bent u wel met verwachting naar de kerk gekomen op deze paasdag, en u hebt Jezus nog niet gevonden. Twijfelmoedig! Zou mijn Jezus er niet meer zijn? Zal ik Hem nooit meer vinden? Ook niet in herinnering als een dode? Want dat proberen ze. Dat blijkt wel als de engel zegt: Wat zoekt gij de Levende bij de doden? Het is een wonderlijke uitdrukking. De engel bedoelt ermee te zeggen: ‘Je zoekt een dode Jezus. Jullie denken dat Jezus dood is.’

 

Als ze zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden. Ze kijken naar beneden in plaats van omhoog. Ze kijken ook niet eens meer om zich heen. Dat hadden ze eerst gedaan, maar daar zien ze toch niets meer. Alle verwachting om hun Koning te vinden is verloren, alle hoop om te doen wat ze nog zouden kunnen doen. Het aangezicht is naar de aarde gericht. We zouden met de dichter zeggen: ‘Ik ben al mijn hoop en moed verloren.’

 

Maar dán zien ze de engel. We lezen niet hoe hun reactie was op dat moment. Maar u kunt zich wel voorstellen, gemeente, dat ze geweldig schrokken. Hebben ze beseft dat het een engel was? Of dachten ze dat het één van Gods kinderen was? Misschien wel. Maar één ding was zeker, het was hun Jezus niet.

Dan klinkt er een beschamend woord: Je zoekt Jezus helemaal verkeerd. Je bent helemaal op de verkeerde manier bezig. Je zoekt Hem in je herinnering. Je zoekt Hem in je gevoel. Je zoekt Hem in wat je hebt meegenomen: specerijen en dure zalven. Je zoekt Hem in wat je met Hem hebt meegemaakt. Je zoekt Hem zonder de belofte te geloven dat Hij zal opstaan. Hoe vaak heeft Hij het niet tegen jullie gezegd? Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden (Matth.16:21). En pas dan worden hun die woorden weer indachtig, herinneren zij Zijn woorden weer.

 

Gemeente, het zou kunnen dat u vanmorgen Jezus ook zo aan het zoeken bent. Maar op een heel verkeerde manier. Dat u zich koortsachtig probeert te herinneren wat u ooit ervaren hebt. En gaat daar kracht vanuit? Dan staat u bij een graf waarin geen leven is. Dan heeft u misschien van alles meegenomen wat van uzelf is, maar wat geen leven is. Dan hoort u ook nog de teleurstellende boodschap dat u op een verkeerde manier zoekt.

En toch, u zoekt verkeerd, er heerst ongeloof in uw hart, maar uw hart verlangt wel naar Jezus.

 

We zingen van dat verlangen uit Psalm 130 het vierde vers:

 

         Hoopt op den Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot;

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!

 

En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij de Levende bij de doden?  Eén van de engelen nam het woord – het waren er twee – maar het was als het ware één stem van die beide troongeesten: ‘Wat zoeken jullie?’

Je zou denken, gemeente, dat de uitdrukking ‘de Levende bij de doden’, hun hart in één keer sneller zou doen kloppen, het ongeloof in één keer zou hebben verdreven. De Levende! Maar ze hebben de woorden ‘de Levende’ niet eens gehoord. Pas in vers 8 staat: Ze werden indachtig Zijn woorden. Er wordt nog eerst van alles gezegd. De engel wijst hen nog een keer op de profetie: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden.

Het brengt hen weer terug naar het kruis; ze zien in gedachten het kruishout weer. En gekruisigd worden, en ten derden dage weder opstaan. En ze werden indachtig zijn woorden. Dus het woord ‘Levende’ had hun hart op dat moment nog helemaal niet veranderd.

 

Wat hebben we het geloof nodig! En wat is het werk van de Heilige Geest nodig om aan de opstandingsboodschap waarde te hechten. Want wij prediken u niet alleen nú een opgestane Jezus, maar wij hebben dat al het hele jaar lang gedaan.

Dat woord ‘de Levende’, of die twee woorden zo u wilt, heeft u en jou al zo vaak bereikt. Het heeft ons hart al zo vaak door elkaar geschud. Het heeft naar uw hart gewezen en gezegd: ‘Geloof het toch: Jezus leeft!’

Elke zondag spreekt over ‘de Levende’ en ook een begrafenisdienst spreekt over ‘de Levende’. En als nu zelfs bij deze vrouwen het geloof nog niet doorbreekt, wat laat het ons dan zien hoe nodig, hoe broodnodig levend geloof is! Een geloof dat gewerkt is door de Heilige Geest, een geschonken geloof, een geoefend geloof. Want het is het geloof dat de hand legt op het levende Offerlam.

 

De Levende. In het Grieks staat er heel nadrukkelijk: ‘De enige levende, Degene die de Levende ís.’ De engel gaat nog een stapje verder. Wij zouden kunnen zeggen dat hij er nog een schepje bovenop doet: Hij is hier niet.

Moet dat nu zo? Moet nu alles afgebroken worden, geestelijk bedoel ik, wat die vrouwen nog dachten te hebben? Want ja, nu zijn die specerijen waardeloos, en de manden met de doeken ook. Ze kunnen er niets meer mee.

Als je dit even als een beeld ziet van alles wat wij voor de Heere proberen te doen, dan kunnen wij er ook helemaal niets mee. Het is niet verkeerd om uit liefde Jezus te zoeken, om na te denken over wat Hij in ons leven gedaan heeft, maar nu kunnen we er niets mee.

 

Hij is hier niet. Het zijn maar vier woorden, drie in het Grieks. Dat ene ontkennende woordje verandert alles in één keer: Hier, in het donkere graf, is Hij niet.

 

De Levende wordt in de tweede plaats:

 

2. Gemist

 

We zien zoekende vrouwen, maar ze zijn ook missend. Wat is het een bittere teleurstelling! Al hun verwachting en al hun hoop wordt afgesneden. Wat doe je soms met een plant of met een bloem waaraan wat dode bladeren of dode gedeelten van takken hangen? Die snijd je eraf. En waarom? Nou, wanneer je die laat zitten is dat niet alleen een lelijk gezicht maar ook niet goed voor de plant en voor de bloem. De kiemkracht wordt erdoor verstoord. De verwachting van die zoekende vrouwen, hun hoop, en alles wat ze hebben meegebracht, wordt hier radicaal afgesneden. Hij, Jezus, is hier niet.

 

De vrouwen hebben wat om zich heen gekeken. In de ingang van zo’n graf in Israël kun je hoogstens met zijn tweeën of drieën, maar niet met meer dan vier personen staan. Het graf zelf is nog kleiner. Als ze daar nu met z’n allen staan, zo opgepropt in het donkere graf, en ze kijken om zich heen is het enige wat ze zien, de kale wanden van een lege grafruimte, maar geen Jezus.

In Mattheus 28 leest u, dat tegen de vrouwen gezegd wordt: Ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was (Matth.28:5). Het woordje ‘was’ hebben ze niet eens gehoord. Ze waanden Hem nog dood.

 

Gemeente, wat leren we hieruit nuttige lessen. Niet altijd aangenaam. Alles wat nuttig is, is geestelijk gezien vaak onaangenaam. We leren hier om heel veel van ons, om alle hoop en alle verwachting in onszelf, te verliezen. Als de Heere in uw leven werkt kan er zoveel zijn wat Jezus niet is. We kunnen over Hem spreken, en we kunnen aan Hem verbonden zijn, we kunnen denken alles voor Hem over te hebben, maar mag ik u en mijzelf de vraag stellen: ‘Hebben wij Hem ontmoet en gezien?’

De engel zegt tegen ons: ‘Hier is Hij niet.’ Met al uw inspanning zult u Hem niet vinden. Maar het Evangelie is: Buiten het graf vind je Hem wel. Alle verwachting buiten Jezus wordt afgesneden.

Misschien bent u bezig uzelf wat op te knappen en put u daaruit verwachting. U denkt: ‘Ja, de Heere is in mijn leven gekomen. Ik kan de zonden niet meer doen. Ik probeer netjes en heilig voor God te leven; ik probeer mee te wandelen in de stoet van Gods kinderen.’ Goed, geweldig, want de Heere vraagt om op Zijn Woord en waarheid te letten.

Het kan ook wat meer activistisch zijn. Ik bedoel dat niet in de negatieve zin. Maar wat actiever in de dienst van God. Je probeert je leven hier en daar te veranderen en wat op te knappen. Of het ligt wat emotioneler en we drijven op emoties en gevoel.

 

Ik zeg niet dat die vrouwen aan het graf dat allemaal doen, maar de boodschap is wel: Hij is hier niet. Ze hadden zo veel van Jezus geleerd. Denk aan Maria Magdalena, die Hem leerde kennen als de almachtige Levensvorst. Maria, de moeder van Jakobus en Joses, Hij was haar Heiland. Hoe vaak kwamen Johanna en anderen niet bij Hem om Zijn liefelijke stem te horen. Maar het lijkt wel alsof het allemaal weer weg is.

Heeft u daar ook wel eens last van? Dat is geen kenmerk van genade. Je kunt niet zeggen: 'Nou ja, mijn geloof is wel eens een keertje weg, dus het zit wel goed.' Het is juist tegenovergesteld: 'Hoe komt het toch, dat het weg lijkt te zijn, dat het soms zo donker is, dat ik zo twijfel? Zou het wel waar geweest zijn?' Dan ga je het zoeken in je tranen, in je bekering, in je ijver voor God, in je ambt. En ook Ik in mijn preken. Ik zoek dan bemoediging en vertroosting in allerlei teksten. Je neemt er preken van anderen bij, en je denkt erover na. En eigenlijk, zonder dat je het door hebt, sta je te zoeken in het lege graf. Daar is Jezus niet.

 

Ik preek vandaag niet alleen voor mensen die aan het begin van het geestelijk leven staan, maar ook voor hele oude, geoefende christenen. Ik houd niet zo van dat woord ‘geoefend’, maar u begrijpt het wel. Mensen die al lang op de weg van de genade wandelen. Ook bij hen kan het geloof in één keer, of misschien meer geleidelijk, weg zijn. Nu, dan hoop ik dat de engel vanmorgen tegen u zegt: Hij is hier niet. En dat je Hem grondig gaat missen.

Waarom? Als een levensvoorwaarde? Als een stap in de goede richting?

Nee, dat niet. Maar als de weg om Jezus zonder uitstel op de juiste plaats te zoeken. Want als mijn gerechtigheden zijn als een gans wegwerpelijk kleed (Jes.64:6), dan is Hij de enige waarheid, het leven en de vervulling van de wet, zegt Jesaja. Er is geen kracht in onze gebeden, onze bekering en kerkgang, maar we vinden alles alleen in Jezus, onze Levensvorst.

We moeten ons zoeken, onze teksten, onze vertroosting en bemoediging, onze ervaring, bevinding en godzaligheid allemaal inleveren. Paulus zegt het zo, we moeten alle dingen schade en drek achten – hij gebruikt het woord voor uitwerpselen: weg ermee! – om Jezus te gewinnen (Filip.3:8).

Laten we dan dat alles maar in dat graf achterlaten, het zo gauw mogelijk verlaten om te ervaren, wat Jezus, onze Koning wil.

We gaan daarvan zingen Psalm 95 het tweede vers.

 

         De Heer’ is groot, een heerlijk God,

Een Koning, Die het zaligst lot,

Ver boven alle goôn, kan schenken.

Het diepst van ’s aardrijks ingewand,

Het hoogst gebergt’ is in Zijn hand;

’t Is al gehoorzaam op Zijn wenken.

 

De Levende gezocht en gemist. Je kunt iemand zoeken, maar je zoekt alleen als je Hem mist. En dan te ervaren dat Hij niet in het graf is. Maar, de Levende wordt ten derde ook:

 

3. Gevonden

 

Want, gemeente, we moeten altijd proberen in balans te blijven. Als je op de weg rijdt dan probeer je het midden van je baan te houden. Niet te ver naar rechts, niet te ver naar links. Dat kunnen we geestelijk ook zeggen, we moeten evenwichtig blijven. We kunnen natuurlijk zeggen: ‘Ja, als we nu maar van alles missen en niets hebben, dan is het wel goed.’ Die vrouwen waren geen missende vrouwen in de zin van dat ze Jezus niet kenden. Het waren gelovige christenen. Als je aan hen gevraagd zou hebben wie Jezus voor hen was, dan had je zeker een hele avond naar hen kunnen luisteren. Hij is onze Heere en Heiland!

‘Deze vrouwen hebben hier voor het eerst Jezus leren kennen’, hoor je nogal eens zeggen. Of: ‘Als wij Hem nu maar genoeg missen.’ Gemeente, dat zijn loze voorwaarden, want als u Hem werkelijk mist, dan hebt u het echt niet breed. De vrouwen ook niet. Het werd hoog tijd voor hen dat de boodschap verder ging. En dat gebeurt. Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Wat een troost! Dit is het ‘maar’ van Gods trouw; de wending van Gods trouw.

 

Als je met mensen spreekt die psychische zorgen hebben, dan kan het ook wel eens lijken alsof het geestelijk leven helemaal is weggezakt. Tijdens een pastoraal bezoek kan dan zomaar het ‘maar’ van Gods trouw baan breken. Het ‘maar’ van het Evangelie komt altijd van Gods kant. Dan openbaart de Heere Jezus Zich. Bij deze vrouwen gebruikt de Heere hiertoe twee engelen; zij zijn de boodschappers van het Evangelie. Engel betekent immers: ‘bode’.

Ambtsdragers zijn ook Gods dienaren, Zijn engelen. Zij verkondigen u elke zondag vanuit dat Woord het ‘maar’ van Gods trouw; het kantelpunt waarop de deur van Gods genade scharniert. Deze deur gaat hier open voor de vrouwen. Zouden ze het verwacht hebben? Het was in hun hart echt zonder hoop. Dat beseft die engel. Hij is een troongeest; hij is de boodschapper van wat de Heere hem heeft ingefluisterd.

 

Gemeente, het kan echter niet blijven bij dat ‘maar’. De trouw van de Heere is wel groot als je die ervaart in je leven, maar kun je daarmee blijven leven? Nee, want het gaat de vrouwen om de opgestane Heiland, de Levensvorst.

Verlangt u ook naar Hem? Zegt u: ’Ik moet Jezus hebben tot mijn deel.’ Of een ander: ‘Het is mij altijd om Jezus te doen, geef mij Jezus.’

Nu geeft de engel, de heilsboodschapper, het antwoord op deze vraag: Hij is opgestaan. Eigenlijk staat er: Hij is opgewekt. De Vader heeft Hem uit het graf opgewekt. Jezus is ook Zelf opgestaan, maar hier wordt het woord ‘opgewekt’ gebruikt.

Waarom zou de engel dat hier nu zo zeggen? Als er staat ‘opgewekt’, dan ziet die boodschap vooral op het werk dat Zijn Vader gedaan heeft. Als de engel zegt: ‘Hij is opgewekt,’ dan zegt hij eigenlijk: ‘Er is genoeg betaald.’ Het wijst terug naar die voorafgaande vrijdagavond: tetelestai – het is volkomen volbracht.

De engel zegt tegen die vrouwen, daar in het graf, en vanmorgen tegen allen die Jezus zoeken en die het om Jezus te doen is: ‘Er is genoeg betaald.’ Hij zegt tegen ons allemaal: ‘Er is genoeg betaald.’ Aan het kruis heeft Hij genoeg gedaan. Hij is begraven, Hij is opgestaan, opgewekt door Zijn Vader. Er is nu alles gedaan tot uw zaligheid.

Daarmee valt de nadruk uiteindelijk toch op Hem. Niet direct als het onderwerp – als er zou staan: Hij is opgestaan – maar als het voorwerp; Hij is door Zijn Vader als de opgewekte Zaligmaker in het middelpunt geplaatst. Hij is uit het graf verrezen. In Handelingen 2 wordt dat op een prachtige manier gezegd: Deze Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn (Hand.2:32).

 

Gemeente, heeft u het vandaag tegen elkaar gezegd? Misschien niet letterlijk, maar met uw hart: ‘De Heere is waarlijk opgestaan! Mijn Heere, mijn Koning, mijn Jezus, mijn Zaligmaker, Hij is uit het graf verrezen!’

Zou het hart van deze vrouwen zich niet hemelwaarts gericht hebben? Zouden ze niet in plaats van het aangezicht naar de aarde te neigen, hun gezichten naar de hemel opgericht hebben?

En zou u geen moed, geen verwachting, geen hoop vatten, al was het dan in je doodstaat? Onbekeerde hoorder, vijand van God, verlaat het graf van uw zonden en leg u neer voor de levende Jezus. Het paasevangelie is niet alleen voor Gods kinderen. God de Vader heeft de weg gebaand waardoor u de zonden kunt verlaten en het graf van de dood achterlaten. Legt u neer voor de levende Middelaar! Verlaat het graf van uw boosheid! Laat Hem maar uw banden, waardoor u aan de zonden verbonden bent, en uw boeien, uw kettingen, uw ketenen, zien. Laat u zaligen! Jezus wordt u verkondigd! Christus de Zaligmaker, Die is opgestaan, Die alle macht heeft in hemel en op aarde.

 

Dan horen we engel zeggen: Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was. Er komt nog een kroon op het werk van God. Dan weet je: ‘Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord.’ Dat is altijd het gevolg als je Jezus weer ontmoet. Daar kun je het aan toetsen. Dan gebruikt Hij Zijn Woord, en bemoedigt Hij je hart: ‘Hij is van Mij.’ Je twijfelt er ook niet meer aan. Het kan later nog wel weer worden ingeleverd, zodat je moet zeggen: ‘Hoe is het nu?’ Maar nu weet je: ‘Hij heeft tot mij gesproken.’

 

Daarna spreekt de engel nog even verder: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage weder opstaan.

Hoort u het verschil? Zondige mensen tegenover deze vrouwen. Zij zijn kinderen Gods, zij horen van een Heiland die leeft. Zij behoren Hem toe.

En ten derden dage weder opstaan. Hij zou op de derde dag in eigen kracht, actief, opstaan, deze Jezus, deze Zoon van de mens. Treft het u niet dat er staat: Zoon des mensen? De engel neemt dan eigenlijk alle heilsfeiten samen. Advent, we verwachten Hem Die komen zal. Kerstfeest. Hij is geboren in Bethlehems stal, als de Zoon des mensen. Hij heeft geleden en Hij, de Zoon des mensen, moest lijden, moest sterven. Hij, de Zoon des mensen werd ook begraven.

Maar nu krijgt deze Zoon van de mens, de opgestane Levensvorst, de kroon van eer op het hoofd gedrukt. Hij, Jezus, leeft. Deze Heiland is onze Koning!

Zoekt u deze Jezus als uw Heiland, als uw redder? Op feestdagen als Goede Vrijdag en Pasen valt het altijd op dat er meer mensen in de kerk zijn dan op andere zondagen. Maar weet u, het is iedere zondag opstandingsdag van de Heere Jezus en dan mogen we elkaar toeroepen: ‘De Heere is waarlijk opgestaan!’

 

Gemeente, zoek de Heere Jezus, deze opgestane Heiland. Hij wil uw Heelmeester zijn.  Of zoekt u in uw eigen leven? ‘Wat is er in mijn leven gebeurd?’ U denkt wellicht terug; misschien hebt u voorheen wel een en ander opgeschreven? Maar heeft het niet alles zijn kracht verloren? U voelt: ik heb niets meer. Zie dan met de vrouwen in het lege graf en belijd: ik heb alles verloren, maar ik heb Hem overgehouden, deze Jezus, de opgestane Levensvorst.

Of bent u nog aan het zoeken in het graf van uw godsdienstig bestaan? U zult er Jezus nooit vinden. Leg alles maar in het graf. Maar dan ook álles! Niet alleen uw zonden, niet alleen uw schuld, niet alleen uw ongeloof, of uw twijfel, maar alles wat er in uw leven is gebeurd. Want met de doeken en de specerijen die die vrouwen hebben meegenomen kunnen ze niets meer voor Jezus doen. Zij en wij moeten alles in het lege graf achterlaten.

Ga het graf dan maar uit. Daarbuiten schijnt de zon van Gods trouw, het ‘maar’ van Gods trouw. Daar blinkt de Koning van Gods genade: de Heere Jezus Christus.

Hij zegt tegen Martha: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven. Gelooft gij dat? En dan zegt zij: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus – de Zoon van de mens, maar ook – de Zone Gods, Die in de wereld komen zou (Joh.11:25-27).

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 111 vers 5.

 

         ’t Is trouw, al wat Hij ooit beval;

Het staat op recht en waarheid pal,

Als op onwrikb’re steunpilaren;

Hij is het Die verlossing zond

Aan al Zijn volk; Hij zal ’t verbond

Met hen in eeuwigheid bewaren.