Ds. S.W. Janse - Johannes 20 : 16

De eerste verschijning van de Levensvorst

De smart van Maria
De stem van de Meester

Johannes 20 : 16

Johannes 20
16
Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 21: 4 en 5
Lezen : Johannes 20: 11 - 18
Zingen : Psalm 56: 4, 5 en 6
Zingen : Psalm 35: 1
Zingen : Psalm 116: 1

Gemeente, in opzien om licht en leiding van boven vragen we uw aandacht voor Johannes 20 de verzen 11 t/m 16. Wij lezen u alleen vers 16: Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester.

 

We vatten onze tekstwoorden samen met de woorden: de eerste verschijning van de Levensvorst.

 

We letten op twee gedachten:

  1. de smart van Maria;
  2. de stem van de Meester.

 

De eerste verschijning van de Levensvorst bepaalt ons bij de smart van Maria, de verzen 11 t/m 13. Ten tweede vragen we uw aandacht voor de stem van de Meester, de verzen 14 t/m 16.

1. De smart van Maria

Alles is voorbij. Het is over en uit. Het is zo definitief. Het graf is dicht. De steen ervoor. Het zegel erop. De wacht erbij … en haar Zaligmaker is gestorven. Ze weet niet meer hoe ze verder moet. Wat een smart, wat een gemis. Ze heeft zich blijkbaar vergist in deze Jezus. Ze kan nog één ding voor Hem doen. Nog één keer wil ze haar liefde bewijzen. Op vrijdagavond is daar niets meer van gekomen; het was immers bijna zes uur. Christus is in allerijl begraven en Maria Magdalena is naar huis gegaan, samen met de anderen. En nu, op deze paasmorgen, op deze vroege zondagmorgen – het schemert nog – gaat ze op weg om haar dode Jezus te verzorgen, te zalven, te balsemen. Ze wil Hem de laatste eer bewijzen, want Hij heeft de liefde van haar hart nog steeds, maar ze kan onmogelijk van Hem loskomen. Hij vervult haar gedachten.

 

Zo is het toch gemeente, jongelui: wat is het moeilijk om een gestorven geliefde, vriend, vriendin, man of vrouw, kind, te begraven. Van hen los te komen. Er is immers een band van liefde. Als de begrafenis heeft plaatsgevonden, is alles definitief. Het is voorbij.

 

Zo is het bij Maria Magdalena ook. Haar hoop is vergaan. Haar geloof is verward, maar de liefde brandt als een vuur. De liefde is sterker dan de dood. Vele wateren kunnen deze liefde niet uitblussen. Als laatste heeft ze op de avond van Goede Vrijdag het graf verlaten in de stille hof van Jozef van Arimathea. Nu is ze er weer. Als eerste, want ze moet haar Koning, haar Zaligmaker de laatste eer bewijzen.

 

Gemeente, misschien bent u zoals Maria Magdalena naar Gods huis gekomen. Het leeft in uw hart: Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Ik bedoel dit: een gemis in uw hart, een leegte, God kwijt, God moeten missen en Hem niet kunnen missen. Dan voelt u de afstand in uw ziel tussen God en uw hart, en toch trekt Jezus zo aan. Uw hart trekt naar Hem. Het is uw of jouw gebed: Toon ons 't lieflijk licht van Uw vertroostend aangezicht.

Zo is het bij Maria Magdalena. Haar hart gaat uit naar de Zaligmaker. Jongelui, als je iemand verliest van wie je veel houdt, voel je pas hoe sterk en innig de band was. Hoe meer liefde, hoe zwaarder het verlies valt. Dat blijkt ook bij Maria het geval te zijn.

 

Maar u zegt: ‘Waarom heeft deze Maria Magdalena Hem zo hartelijk lief? Zou het van haar uitgegaan zijn?’ Ik weet zeker van niet. Dat zegt de apostel: Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1Joh.4:19). Jeremia zegt het: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jer.31:3). Omdat Hij Maria liefhad, heeft zij Hem lief gekregen. Dat is de eerste reden, maar er is meer.

Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had (Marc.16:9). Zo wordt ze genoemd in het Evangelie. Blijkbaar is er wat gebeurd in Maria’s leven. Elke keer staat bij haar naam ‘Magdalena’. Ze komt uit het plaatsje Magdala bij de Zee van Tiberias. Daar heeft de Zaligmaker, de Verlosser, een wonder verricht.

Jongelui, Maria was vol van satan. Ze was bezeten. Haar lichaam, haar leven was bezet gebied. Satan had haar volledig in zijn greep. Ze was een willoos werktuig, een prooi van de vorst der duisternis. Alles wat hij haar influisterde, deed ze. Ze moest daar gehoor aan geven of ze wilde of niet. Bezetenheid van de ergste soort. Gods Woord heeft het over zeven duivelen. Het was een volheid. Ze was daar totaal door in beslag genomen. Een hel op aarde was het.

De Heere heeft haar echter genezen, verlost van deze bezetenheid. U gelooft toch ook wel dat haar leven veranderd is. Ze wilde Hem toegewijd leven. Haar leven wilde ze opofferen als een levend dankoffer. Overal waar Christus te vinden was, was zij ook. Ze volgde Hem op al Zijn wegen.

 

Zie je ze staan, jongens en meisjes, bij het kruis? Maria Magdalena staat er ook. Waar is ze ook te vinden? Als de Heere Jezus begraven wordt, zit ze daar tegenover; zo zegt de Schrift. Nu is ze weer in beeld, bij het graf. Nee, ze komt niet met lege handen. Ze was een vrouw die de Heere diende met haar goederen. Ze was niet onbemiddeld. Ze komt met zalf, specerijen, poeders, etcetera. Zo gaat ze naar het graf, uit liefde. Ze is niet alleen. Ze is samen met de vrouwen op weg gegaan. Toen heeft ze tot haar ontsteltenis gezien dat de steen weg was. Het graf is leeg! Christus is geroofd! Lijkschennis, grafroof. Haar Meester is spoorloos verdwenen. Toen is ze teruggegaan. Ze is niet met de vrouwen verdergegaan naar het graf. Als ze dat gedaan had, had ze de boodschap gehoord die de vrouwen gehoord hebben van de engel: Vreest gijlieden niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft (Matth.28:5,6). Maar ze is verdrietig teruggegaan naar Jeruzalem. Petrus en Johannes gingen met haar. Zo zijn ze met z’n drieën naar het graf gegaan. De vrouwen waren weer vertrokken.

 

Het is niet zo eenvoudig dat alles duidelijk te krijgen. Laten we dat maar eerlijk zeggen. Als we de evangeliën naast elkaar leggen, zien we hoe het gegaan is bij het graf. Wel is zeker dat iedereen door smart is overmand. Dat het er rommelig aan toeging, begrijpt u wel. Als je bedroefd bent, is alles niet meer zo helder en ordelijk. Wel is echter zeker: Maria staat alleen bij het graf. Ze weent. We lezen het in de woorden van onze tekst, vers elf. Terwijl op deze lentemorgen alles om haar heen spreekt van leven, zoekt zij de Levende bij de doden. Het is haar niet eens gegund het lichaam van haar Geliefde te verzorgen, te zalven. Dat wilde ze zo graag, maar het mag niet. Hij is verdwenen. Daarom weent ze. Haar Jezus is afwezig.

Begrijpt u dat? Kent u het verschil wanneer Christus dichtbij is of wanneer Hij ver weg is? Als u dat vraagt aan Gods kinderen, kunnen zij, als het goed is, daarop eerlijk antwoord geven. Ze begrijpen Psalm 63: Ik heb U voorwaar in het heiligdom voorheen aanschouwd met vrolijke ogen. Dan kennen ze iets van: Want beter dan dit tijdelijk leven is Uwe goedertierenheid. Maar als de Heere Zich in een wolk bedekt, Zijn aangezicht verbergt, als Hij wijkt met Zijn gevoelige en troostrijke tegenwoordigheid, roepen ze het uit met Job: Ga ik voorwaarts, ik zie Hem niet, achterwaarts, ik verneem Hem niet. Ze missen de omgang met de Zaligmaker. Als het goed is, lijdt hun ziel onder dat smartelijk gemis. Ze roepen met de bruid uit: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? Daarom, ze weent, ze huilt. Jongens en meisjes, ze is verdrietig, want Christus is gestorven en Hij is verdwenen.

 

Was het nodig dat ze weende? Zijn dit tranen van geloof? Nee, gemeente, dat begrijpt u wel. Het zijn tranen van ongeloof. De vijanden hadden het nog beter onthouden: deze verleider zegt dat Hij zal opstaan binnen drie dagen. Daar dacht Maria niet aan. Ze was zo overmatig bedroefd, dat er geen plaats was voor deze woorden. Maar ze is wel ongelovig, want ze kón het weten. Hoe vaak had Christus niet gezegd toen Hij Zijn lijden aankondigde, dat Hij ook zou opstaan?

 

Is het niet de praktijk van het leven, gemeente, dat we ongelovig en traag van hart zijn? Zullen we daar eens de vinger bij leggen? Ongeloof is niet goed te praten. Ongeloof houdt God verdacht in Zijn trouw, in Zijn almacht. Het ongeloof maakt God tot een leugenaar. Ongeloof zegt: ‘Zou het wel waar zijn?’ In het gewone leven zegt u toch ook niet zo snel: ‘Hij zegt dat nu wel, maar kun je ervan op aan, is het wel waar?’ Ongeloof doet dat wel. Ongeloof brengt in duisternis, strijd en aanvechting. Dat zegt: ‘De Heere heeft mij vergeten en verlaten.’ Zagen Gods kinderen maar meer op het Woord, zagen ze maar meer op de beloften die Christus Zelf gegeven heeft. Maar hoe vaak komen ze verder van de Heere af, door eigen schuld, door een slordig gebedsleven, door het Woord wel te lezen maar ook niet te lezen.

 

Maria is ook zo’n afgedwaald schaap. Ze staat daar buiten bij het graf, wenende. In vers elf staat: Als zij dan weende, bukte zij in het graf. Dat staat er heel nadrukkelijk bij. Ze kijkt nog eens in dat graf. Zou Hij daar misschien toch liggen? Ze wil zich ervan overtuigen of Hij werkelijk niet meer in het graf ligt.

Dat doe je toch ook wel eens, jongens en meisjes, als je iets kwijt bent, iets moois, en je hebt heel lang gezocht. Dan ga je nog een keer kijken, nog eens zoeken op de plaatsen waar je net ook al gezocht hebt: in de kast en onder de bank. Je kijkt nog een keer.

Zo doet Maria ook. Ze zoekt nog eens. En dan ziet ze iets. Leest u maar mee in vers twaalf: En zag twee engelen in witte klederen zitten. Ze weet precies waar ze zitten: een aan het hoofd en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. Ze ziet het scherp: twee witte gestalten, hemelboden, bij het hoofdeind en het voeteneind. Er tussenin geen lichaam, geen Jezus. Hij is weg. Het is toch vreemd dat Maria helemaal niet schrikt. Als mensen een engel zien, zijn ze meestal dodelijk verschrikt. Dan moet een engel tot hen spreken: Vreest niet! Je hebt iets gezien van Gods tegenwoordigheid. Maar het is net of Maria niet beseft wat ze ziet. Zo bedroefd is ze. Het verbaast haar niet eens. Het houdt haar niet eens bezig.

 

Die engelenverschijning alleen al predikt iets voor Maria. Die verschijning maakt haar zonder woorden duidelijk: de Heere is waarlijk opgestaan. Immers, het graf, de engelenverschijning prediken haar al dat het leven getriomfeerd heeft over de dood. De hemel heeft overwonnen over de hel, maar ze ziet het niet.

De engelen spreken haar vriendelijk aan. Leest u maar in vers dertien:  En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Wat is de reden van uw tranen? Waarom bent u zo bewogen? Wat weent gij? Wat een hartelijke, meelevende vraag, maar toch klinkt er ook een stil verwijt in door. Hij had het toch gezegd? Het is niet nodig om te wenen. Maria zegt wat er in haar hart leeft: Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar ze Hem gelegd hebben. Ze komt met haar klacht naar voren. U zegt: ‘Dat is ongeloof, dat is dwaasheid. Zo is het helemaal niet.’ Er klinkt echter ook geloof in door. Het geloof is er wel. Al is het zwak, klein, misschien onder de as verborgen. Maar de vlam brandt nog: omdat ze míjn Heere weggenomen hebben. Dat is tóch geloofstaal: mijn Kurios, mijn Regeerder, mijn Heerser, mijn Koning. De engelen gaan niet met haar in gesprek. Ze stellen haar één vraag en dan zwijgen ze. Er is maar één Iemand Die Maria troosten kan. De engelen kunnen veel woorden gebruiken, maar dat helpt niet. Hier moet een Ander aan te pas komen: Jezus, de opgestane Koning, de Levensvorst moet Zichzelf openbaren.

Al zegt heel de gemeente, heel het dorp of de stad dat Jezus leeft, dat het vandaag Pasen is, Christus moet het Zelf zeggen: Ik leef en gij zult leven (Joh.14:19). Verlangt u zo naar Zijn stem? Hij moet Zelf door Zijn Woord tot u spreken. Onze ogen zijn van nature zo gesloten. We zijn stekeblind. We zien Christus niet en kennen Hem niet. Wat heb ik nodig? Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord. Wat heb je eraan als iedereen zegt dat u bekeerd bent, maar God weet er niet vanaf? Zeg Gij tot mijn ziel in haar geween: Ik ben uw Heil alleen.

Laten we het zingen uit Psalm 35, het eerste vers.

 

Twist met mijn twisters, Hemelheer;

Ga mijn bestrijd'ren toch te keer;

Wil spies, rondas en schild gebruiken,

Om hun gevreesd geweld te fnuiken;

Belet hun d' optocht, treed vooruit;

Zo worden z' in hun loop gestuit.

Vertroost mijn ziel in haar geween,

En zeg haar “’k Ben uw heil alleen".

 

2. De stem van de Meester

Het thema was: de eerste verschijning van de Levensvorst. De eerste gedachte: de smart van Maria. De tweede gedachte: de stem van de Meester.

 

Vers 14 zegt ons: En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was.

Ze heeft haar klacht geuit tegen de engelen. Ze keert zich om, weg van het lege graf, de hof van Jozef van Arimathea in. Ineens staat Hij daar, zomaar onverwachts, ongedacht staat Hij achter haar. En zag Jezus staan en zij wist niet dat het Jezus was. Nu is Hij, de Levensvorst, zo ontzaglijk dichtbij. Ze kan Hem aanraken. Maria is in haar gedachten zo eindeloos ver weg. Ze wist niet dat het Jezus was. Ze ziet het niet eens. Het is wel bijzonder dat Christus hier staat. Hij openbaart Zich voor het eerst en dat aan haar, aan Maria Magdalena! Ze wordt wel genoemd ‘de Petrus onder de vrouwen’. Een vrouw met een gevoelig karakter. Wat was ze verward, wat was ze in de war geraakt. Ze wist het niet meer, hopeloos verloren. Christus heeft haar van de duivel genezen, van haar bezetenheid verlost. Nu openbaart Hij Zich eerst aan haar. Dat is vrije gunst, die eeuwig God bewoog. Het is oneindige liefde. De goede Herder zoekt dit afgedwaalde schaap op. Alleen, ze herkent Hem niet. Ze gelooft niet dat Hij het is.

 

Moet je maar eens vragen, jongelui, aan een vrouw die haar man is kwijtgeraakt op zee. Ze denkt dat hij verdronken is. Op een goede dag staat hij achter haar in huis. Ze kan het niet geloven. Ze denkt dat hij niet meer leeft en nu staat hij daar, levend en wel!

Zo is het hier ook. Er is echter nog iets belangrijkers: haar ogen waren nog gesloten.  Hun ogen werden gehouden dat ze Hem niet kenden (Luk.24:16). Ook van de Emmaüsgangers wordt dat gezegd. Hier ook: haar ogen waren nog gesloten. Maar Christus openbaart Zich. Vragenderwijs maakt Hij Zich bekend. Jezus zeide tot haar: vrouw, wat weent gij? Dezelfde vraag als bij de Emmaüsgangers, maar hij voegt er wel wat aan toe. Wien zoekt Gij? Niet, wat zoekt u, maar Wie? Hij weet dus dat ze een Persoon zoekt. Wat denkt Maria? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.

Zo denkt Maria erover. Wie kan er anders op de vroege morgen in deze hof bezig zijn dan de tuinman, de hovenier? Christus stelt twee vragen: Wat weent gij? Wie zoekt gij? Waarom doet Hij dat? Hij wil Zelf uit haar mond horen naar Wie ze op zoek is.

 

Zo is het nog, gemeente. Als u voor Gods aangezicht neerknielt in het gebed, wil de Heere horen waar u mee zit en wat u terneerdrukt. Leg dat maar voor Hem neer. Uw hele vuile zondaarsbestaan. Werp u neer aan Zijn gezegende voeten. Zeg wat u mist en wat u hebt: zonden, schuld, ongerechtigheid. Jongelui, de Heere wil dat je bidt. Je zegt: ‘De Heere weet alles, dan hoef ik dat toch niet meer te zeggen? Wat heeft het voor zin?’ Het heeft wel degelijk zin: de Heere wil je stem horen. Daarom moet je alles voor Hem neerleggen. Laat Hem je lege handen zien, die vuile bezoedelde handen. Roep Hem aan terwijl Hij nabij is - (Jes.55:6).

Zo gaat het hier ook: de Heere wil haar stem horen. Het is net of we in deze vraag horen: Wat wilt Gij dat ik doen zal? Het is net of we hier horen: Toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk (Hoogl.2:14). Maria is in de veronderstelling dat het de tuinman is. Wat zegt ze dwaze dingen: zo gij Hem weg gedragen hebt. Ze gaat er al vanuit dat deze ‘man’ weet waar haar hart zo vol van is;   ‘hij’ is daar zelf ook mee vervuld. Ze noemt Zijn naam niet: zo gij Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.

Zij wil het lichaam van de Zaligmaker wegnemen, zalven en begraven. Ze denkt er niet aan dat ze onrein wordt als ze een dode aanraakt. Ze moet Jezus vinden! Wat zegt Christus van zoveel ongelovige dwaasheid? Daar kan Hij tegen. Hij weet er echt wel raad mee! Hij zegt maar één ding: Jezus zeide tot haar: Maria!

Hij houdt geen lang verhaal. Hij houdt geen preek, niets ervan. Eén woord. Hij laat Zijn stem horen. Die stem verbreekt haar hart. Die stem herkent ze uit duizenden, alleen al door de manier waarop Hij haar naam uitspreekt. Zo heeft Hij haar naam meer uitgesproken: Maria. Het herinnert haar aan wie ze was: door de duivel bezeten. Het doet haar denken aan Hem Die haar verlost heeft en wie Hij daarna voor haar geweest is. In dat ene woord ‘Maria’ ligt al Zijn liefde, Zijn ontferming, Zijn genegenheid. Zijn hart klopt erin.

 

Dat is toch zo, jongens? Als je de naam van je vriendin noemt, is dat heel anders dan dat je de naam van een collega uitspreekt. Wat zit er een warmte in, in dat ene woord, in die ene naam. Het zegt veel meer dan een heel verhaal. Het zegt álles.

Gods kinderen weten daar ook van in hun leven. Als God hen persoonlijk aanspreekt. Als Hij hun naam noemt, Zich openbaart. Kent u de stem van uw Liefste? Kinderen des Heeren, wat springt uw hart op van vreugde als Hij Zijn stem doet horen. Wat trillen de snaren van uw ziel. Wat wordt uw ziel verwarmd. Wat gaat uw hart uit vanwege Zijn spreken. U roept het uit: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen (Hoogl.2:8).  Gods kinderen denken echt niet: is dat Zijn stem nu wel of niet? Ze weten het direct. Hij zegt : Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend (Joh. 10:14). Hij noemt die Maria Magdalena’s bij hun namen.

 

Weet je dat je ook bij je naam genoemd bent door de Heere,  jongelui? Hier staat een doopvont. Je bent binnen gebracht door je ouders, als je die hebben mag en nog hebt. Ze hebben daar een eed afgelegd. De Heere heeft er je naam genoemd. Denk je daar aan? Jouw zondige, schuldige en onheilige naam met de naam van God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Zo heeft de Heere je bij je naam genoemd. ‘Daar heb ik niet om gevraagd’, zeg je. Dat is waar. Dat kon je toen niet eens. Maar de Heere heeft naar jou willen vragen! Hij heeft Zijn hand naar jou uitgestrekt. Is dat geen wonder? Besef je wel wat het zeggen wil dat je op je voorhoofd Zijn naam draagt? Dat zegt heel veel. Wat zegt dat dan? Wel: Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1Joh.1:7). Het staat op je voorhoofd.

Of wil je die Naam doorhalen? Wil je dat bloed onrein achten? Wil je dat bloed vertreden? Dat gaat niet! Dat zal nooit gaan! Je blijft gedoopt. Er zijn mensen die een ontdopingsformulier invullen. Maar dat is onzin. De naam van Christus blijft op je voorhoofd staan. Die kun je nooit uitwissen. Dat doopwater droogt nooit op. Besef je dat wel, jongelui, ouderen? Denk je daaraan als je achter het beeldscherm zit, als je praat met je vrienden, als je uitgaat. Die naam staat er. Hij gaat niet weg. Op uw werk ouderen, waar spreekt u dan over met uw collega’s? We zijn bij onze naam genoemd en de Heere onderstreept dat in de Heilige Doop. Hij heeft geen lust in de dood van de goddelozen. Hij zet daar een uitroepteken achter.

Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen (Ez.33:11).  Hij zet daar een uitroepteken achter. Het is of Hij zeggen wil: ‘Ik heb je bij je naam genoemd, want Ik heb recht op je leven, op je hart.’ We zijn bij onze naam genoemd. Dat is een voorrecht, maar het is niet genoeg! Het is tekort: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh.3:3).  Wat heb ik nodig? Dat God Zelf spreekt tot je ziel. Maria!

 

Hoe gebeurt dat? Als u in Gods huis zit of als u thuis uit Gods Woord leest. De Heere spreekt niet uit de hemel of door een visioen of hoe dan ook, maar door Zijn Woord en de levendmakende Geest. Het Woord doet krácht in uw hart. Als iemand een ernstig bericht ontvangt, een ernstig ongeluk overkomt, zeggen we: ‘Dat slaat in als een bom.’ Zo is het met Gods Woord ook. Als u voor het eerst Zijn stem hoort, slaat dat in in uw ziel. Het verandert uw hele leven. Hebt u zo weleens in Gods huis gezeten, gemeente? Die stem – misschien wel veroordelend – zette u erbuiten. Die stem kunt u niet meer kwijtraken. Dat is echt zo. U leeft er misschien wel overheen, als de Heere gesproken heeft door Zijn Woord. U wilt die stem van u afschudden. U gaat door in de zonde en de werelddienst. Maar het gaat niet! U kunt er niet omheen! Die stem blijft u bij. Hij doet kracht.

Gemeente, de Heere laat alles aan onze kant omkomen. De Heere brengt ons in de onmogelijkheid. Van nature willen we daar helemaal niet komen. Hij maakt in die weg plaats, niet alleen voor de veroordelende stem van de Zaligmaker, maar ook voor Zijn vrijsprekende stem. Kent u die stem? Die stem spreekt in uw hart: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw (Jes.1:18).

 

Zie dat eens bij Maria. Wat doet die stem, dat ene woord? De schellen vallen van haar ogen. Het ongeloof gaat op de vlucht. Die stem heeft een ongekende kracht. Hij verandert alles in één ogenblik. Zo is het toch ook als Christus Zich aan uw hart openbaart, voor het eerst of opnieuw? Wat beziet u Hem dan anders. U roept het uit: Bemin’lijk Vorst, Uw schoonheid hoog te loven, gaat al het schoon der mensen ver te boven! Is die stem u al lief geworden? Dierbaar? Hij neemt uw hart in. Hij vertedert u. Hij vernedert u. Hij verootmoedigt u. Hij breekt u. Geen leed zal dat ooit uit uw geheugen wissen, toch? Schuldverslagen zondaar, als Hij spreekt, wat is dat een zaligheid, wat geeft dat een blijdschap!

 

Zo spreekt Hij tot Maria. Ze zocht een dode Jezus en ze vindt een levende Jezus. Jezus zeide tot haar: Maria! Zij zich omkerende zeide tot Hem. Ze heeft weer in dat graf gestaard en nu draait ze zich opnieuw om tot Hem. Wat zegt ze? Rabbouni, hetwelk is gezegd: Meester. Rabbi, dat wil zeggen: Leraar, Leermeester, Meester. Ze heeft van Hem onderwijs ontvangen en nu krijgt ze opnieuw onderwijs. Ze gebruikt een andere aanspreektitel, die de Joden ook wel gebruikten voor God Zelf. Eerbiediger, er klinkt nog meer hoogachting en liefde in door. Maria heeft Hem gevonden. Wat heeft Hij opnieuw de liefde van haar hart. Wat acht ze Hem hoog. Dat blijkt ook: die liefdegeur moet elk tot liefde nopen.

 

Zo is het toch als er een schuldverslagen zondaar is aan wie Christus Zich aan openbaart? Wat is het antwoord van de ziel, als Hij zegt: Gij zijt Mijn volk (Hos.2:22)? Ze roepen het uit: O, Gij zijt mijn God. Het ware geloof zegt ‘amen’ op Gods Woord. Het is waar wat hier staat. Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij. Het is de echo van het geloof: ook voor mij. Ja, voor zo één, voor zó één. Het geloof twijfelt niet. Het is vast en zeker. Het verlaat Zich op het Woord van de Middelaar. Zo zegt Maria hier met andere woorden wat Thomas ook zegt: Mijn Heere, mijn God (Joh.20:28). Wat leert Maria nu? Ze moet niet op haar gevoel leven, maar uit het geloof. Dat blijkt wel uit het vervolg, al vallen de verzen 17 en 18 buiten onze tekst. Maria leert daar echter wel dat Christus straks naar de hemel gaat. Hij vaart ten hemel en nu wil ze Hem zo graag aanraken en bij Zich houden. Dat zal echter niet zo kunnen blijven.

 

Wat moeten we leren? Het Woord blijft waar. Ook al zie ik er niets meer van. Ook al kan ik er niet bij. Ook al geloof ik er voor mezelf niets meer van, al is het onmogelijk en donker, al is de troost weg. Heere, U hebt toch Zelf gesproken? Het is toch uw eigen Woord? Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? (Job13:15). Het geloof schittert juist daarin. Als het zwart wordt in uw ziel, toch vasthouden, Hem niet loslaten: ik zal u niet laten gaan tenzij dat gij mij zegent (Gen.32:26).  Maria leert door het geloof te leven. Nu werkt ze niet meer, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt. Christus zegt tegen Maria: ‘Ik ben nu verschenen, niet alleen tot je troost, maar vooral met dit doel dat je de broeders in Jeruzalem moet boodschappen dat Ik leef.’

Dat doet ze. Hoe vindt ze daar de discipelen? Wenend en treurend, en ze zeggen: ‘Heb jij de Heere gezien?  Je kunt praten wat je wilt, Maria, maar het is allemaal onzin, ijdel geklap.’ We zouden zeggen dwaasheid, fratsen. Hoe kom je erbij? Daaruit blijkt dat Hij Zichzelf moet gaan openbaren.

 

Zo is het nog. We hebben samen de eerste verschijning van de Levensvorst overdacht. We lezen in Gods Woord dat Hij Zelf zegt dat Hij verschenen is aan allen die Zijn verschijning hebben liefgehad (2 Tim. 4:8).

De Heere is voor het eerst verschenen aan Maria Magdalena. Gelukkig is dat niet Zijn laatste verschijning geweest. Hij verschijnt nog steeds.

Het is de vraag: hebt U Zijn verschijning lief gekregen? Weet u wat het is als Hij verschijnt. Als het waar wordt: Vertoon Uw glans, vertoon Uw majesteit!

Hij verschijnt tot ulieder vreugde. Het is van tweeën één: ik heb Zijn verschijning lief of niet. Het is zwart-wit. Als ik Hem niet liefheb, haat ik Hem. U denkt: dat zal toch wel meevallen. Zo is het echter wel in het Koninkrijk der hemelen. Van tweeën één. Haten of liefhebben. Een vijand of een vriend. Wie de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking (1 Kor.16:22).

 

Haast u daarom, als u Zijn verschijning niet kent, als u nog buiten Christus leeft,  zonder God. Haast u als deze Levensvorst nooit aan uw ziel geopenbaard is, en vlucht tot deze Levensvorst. Werp u neer aan Zijn voeten. Al bent u nog zo vol van satan of voor uw gevoel bezet bent met satan. Als u satan zelf niet bent, bent u hartelijk welkom bij deze Zaligmaker. Nóg nodigt Hij; Hij spreidt Zijn armen uit en opent Zijn hart en zegt: Wie is slecht, hij kere zich herwaarts en tot de verstandeloze zegt Hij: Komt, drink van de wijn die Ik gemengd heb (Spr.9:4). Zou er voor de Heere iets te wonderlijk zijn (Gen.18:14).  

Als Hij kon verschijnen aan Maria, zou Hij dan nu niet aan u kunnen verschijnen? Noem maar iets op wat Hij niet kan. U kunt het niet. Hij is almachtig. Ga straks naar huis met dit gebed: dat toch Uw heil zich aan mij mocht openbaren.

 

Jongens en meisjes, mag ik een vraag meegeven: heb jij de Heere Jezus lief? Wat zeg je als dat aan jou gevraagd wordt? Als de Heere Jezus het Zelf vraagt: ‘Heb je Mij lief?’ Wat zeg je? Straks zing je het. Misschien wel heel hard, omdat je het heel goed kent: God heb ik lief, want die getrouwe Heer’, hoort mijne stem.

Weet je, als je de Heere liefhebt, heb je een hekel aan de zonde; dan ben je bang voor de zonde. Dan heb je verdriet, omdat je zo tegen God zondigt, elke keer opnieuw. Misschien zeg je: ‘Hoe krijg ik de Heere lief?’ Wel, lees je Bijbel, bid elke dag. Ken je dat versje nog? Doen hoor! Hij hoort en Hij verhoort.

 

Jongelui, we gaan afronden. Je hebt gehoord over Maria Magdalena. Ze heeft gezocht. Ze heeft ook gevonden. Neem dat mee naar huis. Zoekers worden vinders. Heeft de Heere veel gezegd tot Maria Magdalena? Nee, maar één woord! De Heere kan één woord spreken tot je ziel. Dan is het gebeurd! De Heere heeft geen hele preek nodig, slechts één woord! Zoekers worden vinders.

Zoek je wel of zoek je helemaal niet? Zeg je vanavond: ‘Zoeken heeft geen zin’? Is dat waar? Ik denk dat jíj er geen zin in hebt. Zoeken heeft wel degelijk zin, want wat staat er in Gods Woord? Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs (Jes. 45:19). De Heere heeft veel gezegd in de Bijbel, één ding niet: ‘Wie Mij zoekt, zal Mij nooit vinden.’ Het is nooit tevergeefs. Het is niet voor niets als je God zoekt. Kom, zoekt den Heere en leeft (Amos 5: 6)! Want Wie Hem vindt, die vindt het leven, het leven tot in der eeuwigheid. Ga naar huis en ga op je knieën. Bedel, roep, bestorm die hemelpoort en doe geweld op het koninkrijk der hemelen. ‘Heere, wilt u mij horen?’ Doe iets wat je niet kunt: bidden, roepen, zoeken. Want dan zal Hij horen … uit genade!

 

Kinderen des Heeren, het ging over de eerste verschijning van de Zaligmaker. Mag ik vragen: u kent toch Zijn verschijning? Daar weet u toch van? Wanneer is Hij voor het laatste verschenen? De bruid in het Hooglied kon Hem helemaal uittekenen. Maria Magdalena ook. Ze wist precies Wie Hij was. En u? Weet u het nog? De bruid had geen woorden meer. Ze heeft Hem van top tot teen beschreven. Aan het einde zegt ze: ‘Ik heb geen woorden meer, ik kan de juiste woorden niet vinden. Daarom: alles wat aan Hem is, noem maar iets, alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16).

Kom, kinderen des Heeren, dat is toch ook de taal van uw hart? Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5: 10).

Voor u geldt wat Jeremia zegt: De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jer.31:3). Wanneer schitterde Hij voor het laatst, wanneer glansde Hij in al Zijn heerlijkheid, in Zijn gewilligheid, in Zijn dierbaarheid? Laat het uw gebed zijn: ‘Dat toch Uw heil zich opnieuw aan mij mocht openbaren.’

Amen.

 

Slotzang: Psalm 116:1

God heb ik lief; want die getrouwe HEER’

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.