Ds. M. Karens - 1 Johannes 3 : 7 - 10

Kenmerk en werk

Het kenmerk en werk van een kind van de duivel
Het kenmerk en werk van de Zoon van God
Het kenmerk en werk van een kind van God

1 Johannes 3 : 7 - 10

1 Johannes 3
7
Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.
8
Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.
9
Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.
10
Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft,

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 108: 1
Lezen : Johannes 8: 30 - 47
Zingen : Psalm 1: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 17: 4
Zingen : Psalm 138: 4

Gemeente, met de hulp van de Heere overdenken wij 1 Johannes 3 vers 7 tot en met 10. We lezen nu alleen vers 10, het eerste gedeelte.

 

Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar.
 

De kanttekening vermeldt bij ‘openbaar’: ‘Dat is, kennelijk om de één van de ander te onderscheiden en te onderkennen.’

 

We overdenken naar aanleiding van onze tekst: Kenmerk en werk.

 

1. Het kenmerk en werk van een kind van de duivel.

2. Het kenmerk en werk van de Zoon van God.

3. Het kenmerk en werk van een kind van God.

 

Dus eerst het kenmerk en werk van een kind van de duivel. Zie vers 7a: Kinderkens, dat u niemand verleide en vers 8a: Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne.

Ten tweede het kenmerk en werk van de Zoon van God. U begrijpt, dan gaat het over vers 8b: Hiertoe is de Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.

Ten derde het kenmerk en werk van een kind van God, vers 7b: Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is en vers 9: Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.

 

  1. Het kenmerk en werk van een kind van de duivel

Gemeente, Johannes is de schrijver van deze vaderlijke brief. Dan valt ons de aanspraak op: Kinderkens. Dat doet hij vaker in zijn brieven. Er zijn verschillende redenen waarom hij dit doet. In de naam kinderkens, kindertjes, klinkt iets liefdevols door, iets pastoraals, iets van de innige band die er is tussen Johannes en zijn gemeente.

Johannes preekt niet alleen over liefde en vrede. Hij is naar die kinderkens toe eerlijk. Een getrouw herder troost, waakt en waarschuwt, opdat de schapen niet verleid worden. Dat klinkt ook hierin door: Kinderkens, dat u niemand verleide. Hij zegt tegen de mensen in de gemeente en in het bijzonder tegen Gods kinderen: dat u niemand verleide. Kanttekening 27 zegt: ‘Namelijk u wijsmakende dat een waar geloof zou kunnen bestaan met een kwaad en zondig leven.’ Johannes zegt eigenlijk: ‘Laat je niets wijs maken, of op een dwaalspoor brengen. Laat je niet afbrengen van het getrouwe Woord van de zaligheid en door een leugenleer meeslepen.’ Er waren namelijk in de gemeente dwaalleraars, verleiders, die de mensen misleidden. En hun leer vond ingang.

 

Die misleiders – Johannes noemt ze ‘instrumenten van de vorst der duisternis’ – brengen een andere leer. Ze doen hun werk als grijpende wolven in schapenvachten, die loeren op de kudde van de Heere Jezus Christus.

In hoofdstuk 2 vers 4 noemt Johannes deze mensen leugenaars. In hoofdstuk 2 vers 18 noemt hij ze antichristen. In hoofdstuk 4 vers 1 spreekt hij over valse profeten die de mensen misleiden.

Zij blijken een grote invloed te hebben. Johannes zegt over hen: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet (1Joh.2:19). Het werkt zo aanstekelijk, wanneer er iets nieuws is; de één sleept de ander mee. Die verleiders staan uiteindelijk onder invloed van de grote verleider, de duivel. Daarom spreekt de apostel Johannes hier als de apostel der liefde, maar ook als de zoon des donders, wanneer hij de gemeente waarschuwt en oproept: Kinderkens, dat u niemand verleide.

Johannes gaat hiermee in het spoor van Zijn Meester met Wie hij drie jaren heeft gewandeld en bij Wie hij zo nauw betrokken was. Johannes heeft Jezus horen zeggen: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen (Mark.13:22). Het gaat dan over de tekenen die het einde van de wereld inluiden. In dat lange hoofdstuk komt het woord verleiden vaak voor. Johannes heeft dit van zijn Meester geleerd: Zie, Ik heb het u voorzegd (Matth.24:25).

Gemeente, deze boodschap komt ook tot ons. Het Woord van God spreekt ons aan. In die lieflijke roepstem, maar ook in de ernstige waarschuwing. Opdat we zouden beseffen dat het over twee soorten mensen gaat: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg (Ps.139:23,24).

 

In vers 7 staat: dat u niemand verleide. Weet u, uit dit gedeelte blijkt zo duidelijk, dat die dwaalleraars het niet zo nauw nemen met de zonde en de Tien Geboden. Het is opvallend, alle eeuwen door, dat dwaalleraars die de naam Christus roemen, soms zo’n zondig en werelds leven hebben. De dwaalleraars, tegen wie Johannes waarschuwt, verkondigen een leer naar het vlees. Ze spreken geringschattend over de zonde. Ze verkondigen dat zonde met genade gepaard kan gaan. We hebben dit zojuist in kanttekening 27 gelezen: ‘Namelijk u wijs makende dat een waar geloof zou kunnen bestaan met een kwaad en zondig leven.’ Dat is de kern van die misleiding. Johannes heeft al in hoofdstuk 1 gezegd: Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet (1Joh.1:8). Ook hier staat het woord verleiden op de voorgrond.

Daarom is de grote vraag: Hoe sta ik tegenover de zonde? Want er staat: Die de zonde doet, is uit de duivel. Want de zonde is de ongerechtigheid. Die de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt van den beginne. Daarin wordt een kind van de duivel aangewezen.

Laten we eerlijk zijn, we denken vaak zo gemakkelijk en zo licht over de zonde. We verstaan eigenlijk niet wat zonde is. We spreken misschien over zwakheid en gebrek, of: ‘Ach, ik heb ook m’n fouten en ben niet volmaakt.’ Maar hebben we weleens beseft door het licht van Gods Geest, hoe Godonterend en zielsverwoestend elke zonde is? Zonde is eigenlijk hoogverraad. Wij mishagen daardoor de allerhoogste Majesteit, onze Schepper en Formeerder. Beseffen we dat er vijandschap tegen God openbaar komt in elke zonde en dat we de Heere aanranden in Zijn eer? Wij miskennen Zijn goedheid, heiligheid en barmhartigheid en slaan Hem daarmee in het aangezicht. Zonde, een aangrijpende zaak!

 

Er staat in 1 Petrus 4 vers 18 een aangrijpende tekst. En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen? Petrus zegt eigenlijk: ‘Als Gods kinderen, de rechtvaardigen, nauwelijks zalig worden – nee, niet aan de kant van de Heere, want daar is een ruim zalig worden – waar zal dan de goddeloze en de zondaar zijn?

Daarom houdt Johannes in zijn brief ons tot toetsing en beproeving als het ware een ontdekkende spiegel voor. Want hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Kinderen van de duivel hebben kenmerken en kinderen van God ook. Die komen openbaar. Het zijn onbedrieglijke kenmerken, zegt Johannes, waarin uitkomt of je een discipel van Christus bent of een dienstknecht van de satan. Kanttekening 43 zegt: ‘Dat is, kennelijk om de ene van de andere te onderscheiden en onderkennen.’ Dus daarom leggen we hen in deze brief naast elkaar.

Hoe kun je nu het verschil weten tussen deze twee soorten mensen?

Het verschil, zegt Johannes, zit in het wel of niet doen van de zonde. Leven in de zonde of leven als een rechtvaardige. Ook in Psalm 1 zie je dat onderscheid tussen kinderen van God en kinderen van de duivel. We hebben het samen gezongen: ‘Noch nederzit, daar zulken samenrotten, die roekeloos met God en godsdienst spotten; maar 's Heeren wet blijmoedig dag en nacht, herdenkt, bepeinst, en ijverig betracht.’

 

Maar nu de vraag: Tot wie behoor ik? Gemeente, geef dan in het licht van de allesbeslissende eeuwigheid niet te snel antwoord. Want de dood kan soms zo dichtbij zijn en we worden niet allemaal 80 of 90 jaar oud.

Er zijn maar twee soorten mensen: kinderen van de duivel of kinderen van God. Waar ligt ons burgerrecht? Reizen we naar de plaats van de buitenste duisternis, de poel van het verderf? Of mag u door Goddelijke genade weten wedergeboren te zijn – al is het misschien dikwijls met veel strijd– en mag u geloven toekomst te hebben?

Waar is mijn burgerrecht? Ligt dat in de hemel of in de eeuwige duisternis? Daarom zegt Johannes: U kunt het weten. Want een kenmerk van een kind van de duivel is: Die de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt van den beginne.

De apostel der liefde is scherp wanneer hij mensen in de gemeente kinderen van de duivel noemt. Het valt niet mee om dat zo scherp te zeggen.

 

Drie karaktertrekken noemt Johannes van een kind van de duivel: het is iemand die de zonde doet, die de rechtvaardigheid niet doet en die zijn broeder niet liefheeft.

Zij doen de zonde. Dit staat in de vorm van voortdurend zondigen; een leven leiden in de zonde en liefhebben van de zonde. De zonde als water indrinken, met je hele hart de wereld en de duivel dienen. Het ziet ook op een geleid worden door de vorst der duisternis. Zij staan aan zijn kant en behoren tot de grote familie van de duivel. De kanttekening zegt: ‘Dat is, die aardt naar de duivel, gelijk de kinderen naar hun vader.’

Dus wie de werken des duivels doet, zondigt. Want, zegt Johannes, de duivel zondigt van den beginne.

 

De duivel, diabolos, de grote tegenstander van God, zondigt van het begin. Iedereen begrijpt, waar we dan aan moeten denken: zijn opstand tegen God in de hemelse heerlijkheid. Als goed geschapen engel begon hij in de Hof van Eden zijn duivelse werk van het begin der wereld af. Hij is bezig om het werk van God kapot te maken. De duivel haat God met een brandende haat. Hij haat Christus en ook de levende Kerk.

De duivel heeft maar één doel: Alles wat van God is te vernietigen, te verwoesten en te verstoren. Hij doet en weet niets anders dan te verleiden tot zonde. Ziet toe, dat u niemand verleide. Dit is een waarschuwing voor de vorst der duisternis. Daarom heeft Christus ons geleerd: Gij dan, bidt aldus: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid (Matth.6:9,13).

 

De satan gaat ermee door om mensen, jong en oud, aan te zetten en te verleiden tot zonde, ongerechtigheid, en om de zonde gering te achten: ‘Dat doen ze allemaal hoor, het is niet zo erg. Jij bent ouderwets, wanneer je daarop tegen bent.’

En als je dan in de zonde gevallen bent, zegt de satan: ‘Nu is er geen vergeving meer.’ Eerst de zonde verkleinen en dan vergroten.

Van den beginne zondigt hij, staat er. Nu is de ernst van deze verzen, dat wij van nature allemaal kinderen van de duivel zijn. Dat is een harde, maar ware boodschap. We zijn hem vrijwillig toegevallen. We hebben moed- en vrijwillig ons hart en leven uitgeleverd aan de vorst der duisternis en daardoor regeert hij ons. De duivel is net een roofdier, dat nooit ophoudt met verscheuren en verwoesten. De duivel is de mensenmoordenaar van het begin en doet om mensenzielen te verwoesten niets anders dan verleiden tot zondigen, verderven en verslinden. Hij wil mensen naar de eeuwige buitenste duisternis slepen.

 

Wanneer je zondigt, laat je zien, dat hij je vader is. Wij zijn geen stokken en blokken geworden en kunnen niet alles op rekening van de duivel schrijven. Maar in elke zonde komt wel volgens Johannes de aard van de vader van de zonde openbaar. Daaraan kun je zien, dat wij dienstknechten en werktuigen van de vorst der duisternis zijn. In het doen van de zonde en de ongerechtigheid, zegt Johannes, blijkt dat je geen discipel van Christus bent. Je kunt dan geen zaligmakend geloof bezitten en kennis van Christus hebben. Kijk maar in het zesde vers: Een iegelijk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend.

Kinderen van de duivel worden hier getekend. Daarom de vraag: hebben we nog hoge verwachtingen van onszelf? Zoeken wij deze satanskinderen alleen bij criminelen en  terroristen, die levens wegmaaien? Zeker, dat zijn afschuwelijke werken van de duivel. Maar Johannes zegt: ‘Het komt dichtbij. Ieder die zonde doet, is een kind van de duivel.’

 

We hebben horen lezen uit Johannes 8 vers 34 dat Christus dit ook heeft gezegd tegen farizeeën en Schriftgeleerden: Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde. Het klinkt scherp en hard, maar het is de waarheid van Gods Woord.

 

Gemeente, weet u wat ds. Wilhelmus à Brakel zegt tegen een onbekeerd mens in de kerk? ‘De duivel houdt u menigmaal uit de kerk, hij weet dat dit het middel tot bekering is. De duivel probeert u onder de prediking af te leiden om met andere gedachten en zaken bezig te zijn, waaraan u veel meer lust hebt. Bedenk dit eens met bedaardheid en pas dit eens op uzelf toe: Ik ben een slaaf van de duivel. Hij is mijn heer en meester en beheerst mij en zal mij eerlang als een prooi naar de hel meevoeren om daar eeuwig door hem gepijnigd te worden. Wat is dat een gruwelijke staat onder deze tiran. En daarom: Bekeert u, bekeert u! Begeef u onder de zoete, zachte, lieflijke en eeuwige, zalige dienst van de Heere Jezus Christus. Och, dat gij naar mij hoorde. De Heere redde u en bekere u.’

Zo zegt Brakel het. Hij tekent daarmee duidelijk een kenmerk van de kinderen des duivels. En dit is zeker: de duivel gunt zijn kinderen alles. Hij gunt ze alle geluk van de wereld, alle voorspoed, blijdschap en vreugde in deze wereld. Eén ding echter niet: het echte geluk, troost, zalige vrede en rust van je hart voor tijd en eeuwigheid.

 

Kenmerk en werk. We spraken over een kind van de duivel. Is het uw vraag geworden: Hoe kan een kind van de duivel een kind van God worden?

Het antwoord is: door het wonder van Hem, de Zoon van God! Daarover denken wij in onze tweede gedachte. Over Hem, Die machtiger is dan de duivel en Die zijn werken kan verbreken en verstoren.

Weet je hoe dat kan?

In het doopsformulier staat dat een kind des toorns, een slaaf van de zonde, door Goddelijke genade, door Zijn grondeloze barmhartigheid nog een kind van God kan worden. Dankzij het werk van een drie-enig God. Dat zal blijken in onze tweede gedachte.

 

Zingen we nu eerst Psalm 17 vers 4:

 

Maak Uwe weldaân wonderbaar,

Gij, die Uw kind'ren wilt behoeden

Voor 's vijands macht en vrees'lijk woeden,

En hen beschermt in 't grootst gevaar.

Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;

Uw zorg bewaak' mij van omhoog;

Bewaar m' als d' appel van het oog;

Wil mij met Uwe vleuglen dekken.

 

Onze tweede gedachte:

  1. Het kenmerk en werk van de Zoon van God

We overdachten: Hierin zijn de kinderen des duivels openbaar. Johannes zegt dan: ‘Laat u niet misleiden, of verleiden! Hieraan kunt u het weten: Wie zonde doet, zijn lust en vermaak hierin heeft, is uit de duivel. Die voortgaat in de zonde, de rechtvaardigheid niet doet, en zijn broeder niet liefheeft, is uit de duivel.’ De Heere schenke u en jou ontdekkend licht in het hart om dat te zien en te belijden voor God.

 

In de tweede gedachte willen we nu spreken over het werk van de Zoon van God. In het achtste vers staat: Hiertoe is de Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. Nu mag Johannes te midden van al deze dingen wijzen op de grote tegenstelling. Tegenover het optreden van de duivel, stelt hij ons nu het Vrouwenzaad voor, de Zoon van God, de enige, eeuwige, natuurlijke Zoon van God, Die vanuit de eeuwigheid is toegezegd. Van Hem heeft geklonken: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb (Matth.3:17).

Johannes zegt over Hem: ‘Hij is geopenbaard.’ Dit betekent, dat Hij is verschenen op de aarde, en onze menselijke natuur heeft aangenomen. Eigenlijk beschrijft hij hier het heilsfeit van Kerst; dat de Zoon des mensen, de Zoon van God, is geopenbaard om de werken van de duivel te verbreken. Geopenbaard, ziet op iets dat verborgen was. Hij is gekomen in de kribbe van Bethlehem als een hulpeloos Kind. De geloofsogen van de wijzen uit het oosten hebben een Koning gezien. De ogen van Simeon en Anna hebben de Beloofde der vaderen gezien, de Leeuw uit de stam van Juda, de Held bij Wie hulp besteld is. Zijn naam is Wonderlijk, Sterke God, want Hij zal de werken van de satan verbreken.

 

Hebben wij door genade, door een oog des geloofs, die geopenbaarde Zoon van God mogen zien? Heeft de Heere het deksel weggenomen? Heeft Hij de verborgenheid geopenbaard dat nu Gods Zoon, Die gekomen op deze aarde, sterker is dan alle schepselen, waarachtig mens, maar ook waarachtig God?

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem (1Joh.4:9). Christus is gekomen om de eer van de Vader te verheerlijken en zondaren zalig te maken. Maar het doel van Christus’ komst is ook, zegt Johannes, om de werken des duivels te verbreken.

Daarom de vraag: Hebben we dit door het geloof mogen zien?

Johannes wel. Hij heeft mogen zeggen: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid (Joh.1:14). Johannes heeft Hem gezien, aanschouwd en getast. Hij mag met het oog op de werken van de duivel zeggen: ‘De Zoon van God is gekomen in de volheid van de tijd om de werken van de duivel te verbreken.’ Hij is gekomen om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis, om alle treurigen te troosten (Jes.61:1,2).

 

Eén van de dingen waartoe Hij kwam met Kerst, is: verbreken. Het Griekse woord betekent: losmaken, vernietigen, ontbinden, wegdoen.

Gemeente, wie zou dat kunnen?

Simson was er te zwak voor. De sterksten der aarde waren er te zwak voor. Maar nu is de Zoon van God gezonden op deze wereld om de werken van de duivel te verbreken. Kanttekening 36 zegt: ‘Het Griekse woord betekent ontbinden, of ontdoen; hetwelk Hij gedaan heeft als Hij de straf derzelve voor de gelovigen heeft geleden.’ Hij heeft dus de werken des duivels verbroken toen Hij hing aan het vloekhout en de brandende toorn van God op Hem rustte. Hij droeg de schuld en de straf. Toen zich de macht van de duivel openbaarde in de drie uren duisternis, heeft Hij deze gebroken. Het is waar geworden: En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen (Gen.3:15).

Christus heeft de werken van de duivel voor Zijn Kerk verbroken om Zijn kinderen te verlossen uit de macht en de heerschappij van de zonde. ‘Dat is de zonde waarvan de duivel de eerste auteur is,’ zeggen onze vaderen in kanttekening 35, ‘de zonde waartoe de duivel aanzet en waartoe hij verleidt.’ Op de heuvel van Golgotha heeft geklonken dat de kop van de slang vermorzeld is.

Ds. Philpot, een Engelse schrijver, zegt: ‘Houdt dit dus voor uw aandacht, dat de werken des duivels van ontzaglijke grootte moeten zijn geweest. Wat moet het onmogelijk zijn geweest, dat er geen andere weg was dan dat God Zijn Zoon naar de aarde moest zenden om die werken van de vorst der duisternis te verbreken.’ En met John Bunyan in zijn boek De heilige Oorlog, zou je kunnen zeggen: ‘Prins Immanuël kwam tot de stad Mensenziel en stond voor de poort om Diabolos te verslaan.’

 

Maar Christus gaat door met het verbreken van de werken des duivels in het hart van zondaren. Weet u wanneer dat gebeurt?

Als Hij het zaad van Zijn Woord, door de kracht van Zijn Geest, vrucht doet dragen in het wonder van de wedergeboorte, de levendmaking of nieuwe schepping. Dan gaat de Zoon van God door Zijn Geest in het huis van die sterk gewapende en ontrooft hem zijn vaten.

Als de liefde van God in het hart wordt uitgestort, het geloof geplant en de hoop gewekt, gaat Hij de Zijnen verlossen uit de macht van de duivel en de slavernij van de zonde. Hij begint in de zondaar Zijn genadewerk te verheerlijken en ontstaat er verwachting, dat de Zoon van God de werken des duivels in het hart zal verbreken. We lezen dat in kanttekening 36: ‘Hetwelk Hij gedaan heeft als Hij de straf hiervan voor de gelovigen heeft geleden en doet dat ook als Hij hen wederbaart door Zijn Geest, waardoor Hij hen verlost van de heerschappij en slavernij der zonden, en van hen maakt een volk, dat ijverig is in goede werken.’

 

Maar de werken van de duivel zijn toch nog niet verbroken? Hij gaat toch rond als een briesende leeuw en een engel des lichts?

De duivel is er nog. Ja zeker! Hij heeft nog een kleine tijd en daarom gaat hij zo tekeer. Hij heeft zoveel middelen. Wij kunnen zijn werken rondom ons, in onze gezinnen, in de gemeente en in de wereld zien. ‘Hij draagt zijn rusting nog van gruwel en bedrog’, en verspreidt zijn helse gif onder ouderen en jongeren. Als een briesende leeuw verscheurt hij de één in de modder van de zonde en de ander verleidt hij als een engel des lichts.

Daarom zegt Johannes: Kinderkens, dat u niemand verleide, want de duivel loert op ons, op onze gezinnen en op Gods kinderen. De duivel kan iemand in de zonde laten verdrinken, zoals de maanzieke knaap. Bij een ander kun je er ook de bekering onder rekenen. Want de duivel bekeert ook mensen, als hij ze rust geeft buiten God en Christus, en hen laat rusten buiten de wetenschap van een wonder van God in hun leven. De duivel bekeert mensen door ze toe te spreken dat ze het er toch netjes vanaf brengen in hun leven, en zij door de werken der wet proberen gerechtvaardigd te worden. De duivel geeft mensen rust buiten de enige Steenrots.

 

De werken des duivels zijn verbroken, maar gaan nog voort onder de toelating van de grote Overwinnaar, Jezus Christus.

Wat gebeurt er als Hij die werken van de duivel in uw leven gaat verbreken?

Kijk bijvoorbeeld in de Bijbel bij Legio. Tweeduizend duivelen die in hem woonden, worden in de zwijnen gevoerd. Als Christus Zijn machtswoord spreekt door Woord en Geest, dan worden de werken des duivels in uw hart verbroken. Dan worden we van nieuws geboren. Maria Magdalena mocht zich haar gehele leven verwonderen in de Goddelijke daad dat Hij zeven duivelen uit haar had geworpen. Hij had de werken des duivels in haar leven gebroken.

Nog een keer Philpot: ‘Maar er is nog een andere openbaring welke zij nodig hebben, maar welke zij ook genieten zullen wanneer Hij Zichzelf aan hun zielen openbaart en door Zijn liefde inwendig en bevindelijk de werken des duivels verbreekt, welke zij zo diep gevoelen.’ Philpot wil zeggen: ‘Nu komt Christus nog door Zijn Geest in het hart van zondaren die gebogen gaan en de werken des duivels zo gevoelen in hun leven. Nu gaat Hij ze verbreken als Hij Zichzelf aan de ziel gaat openbaren en door Zijn liefde inwendig de werken des duivels gaat verbreken.’

 

We overdachten het kenmerk en werk van een kind van de duivel, het kenmerk en werk van de Zoon van God en nu het derde:

3. Het kenmerk en werk van een kind van God

Johannes zet twee dingen tegenover elkaar. Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Wit-zwart, leven-dood, God-duivel, licht-duisternis. Twee wegen, twee soorten mensen op weg en reis naar de eeuwigheid. Maar nu mag Johannes ook zeggen: Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Nu gaat Johannes ons een kind van God voorstellen.

Wat betekent uit God geboren?

Nu moet je goed opletten: die geboorte komt uit God. Dat is een wonder van boven, waarvan God de Bron en de Werkmeester is. Het is het wonder van de wedergeboorte, het wonder van de nieuwe schepping. Wat schrijft Johannes daar veel over in zijn Evangelie en in zijn brieven. Hij wijst er telkens op, denk maar aan het gesprek met Nicodemus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan (Joh.3:5).

 

Johannes noemt twee kenmerken: degene die wedergeboren is doet de zonde niet, maar doet de rechtvaardigheid.

Het is wel opmerkelijk dat een nieuwgeboren kind de zonde niet doet… Doen Gods kinderen dan geen zonde meer? Lezen we niet over de zonden van Abraham, Noach, David, Petrus?

Gemeente, u moet het zo lezen: hij of zij kan niet meer leven in de zonde. Een kind van God gaat de zonde haten en vlieden en – door het ware geloof aan Christus verbonden – goede vruchten voortbrengen. Een kind van God gaat door het geloof leven, in betrekking tot Christus de Rechtvaardige, en wandelen in de wegen des Heeren. Een kind Gods wordt vernieuwd naar het beeld van God en krijgt kennis, gerechtigheid en heiligheid. Dus ‘die doet de zonde niet’ betekent niet, dat een kind van God zondeloos is, maar dat hij of zij het in de zonde niet kan houden. Daarin ligt nu het grote verschil met een kind van de duivel: zo iemand leeft in de zonde en ademt in de zonde. Zoals een vis in het water!

 

Eenieder, die uit God geboren is, jaagt de rechtvaardigheid na. Die wandelt in de wegen des Heeren en heeft een hartelijke lust en liefde om in de rechtvaardigheid te wandelen, zoals Jezus Christus de Rechtvaardige is. Over dat ‘rechtvaardigheid doen‘ zeggen onze kanttekeningen dat dit ziet op een Godzalig leven, op de vreze des Heeren, en op een leven van heiligmaking. Kinderen van God gaan Hem door het geloof navolgen. Er komt iets van de Imitatio Christi, het navolgen van Christus openbaar: ‘Och of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’

Het leven van iemand die uit God geboren is kenmerkt zich door het haten en vlieden van de zonde, door een liefhebben van de Heere, door een volgen van Christus en in een Godzalige levenswandel.

 

Gemeente, wat een troostvol Evangelie, dat op deze scherpe woorden volgt. Want een kind van God, hoe arm, walgelijk en melaats ook in zichzelf, mag door het geloof in Christus zijn en weten: Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing (1Kor.1:30). Want, zegt Johannes: Zijn zaad blijft in hem.

Zijn zaad… De uitleggers hebben er moeite mee wat met dit zaad bedoeld wordt. Verschillende verklaringen worden genoemd. We houden ons maar aan de kanttekening: ‘Gods zaad, waardoor hij wedergeboren is, namelijk het Woord Gods.’ Dus het onvergankelijk zaad van het Woord blijft in de nieuwgeboren kinderkens, die uit God geboren zijn.

Je zou ook kunnen zeggen dat het nieuwe levensbegin, dat God gewerkt heeft door het zaad van Zijn Woord en Geest, blijft in hem.

Weet je wat dit betekent?

Wanneer de Heere het nieuwe leven gewerkt heeft, houdt dat nooit meer op. Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden (2Kor.5:17). Dit leert ons: God houdt Zijn werk in stand, Hij bewaart het nieuwe leven en zorgt ervoor.

Zijn Zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen. Nee, dat betekent niet dat Gods kinderen zondeloos worden. Het is geen pleidooi voor perfectionisme, dat leert, dat in de heiligmaking Gods kinderen zo kunnen opklimmen, dat ze niet meer zondigen. Ik noemde al Noach, David en Petrus. Zij zijn menigmaal uit zwakheid in zonden gevallen. En toch: Zijn zaad blijft in hem. Het werk, dat God begonnen is in de wedergeboorte, zal blijven. Hij kan niet zondigen betekent: zoals in het vroegere leven, vóór de wedergeboorte. Hij kan zijn hart niet meer ophalen in de zonde en vindt zijn vermaak er niet meer in.

 

Als een kind van God in de zonde valt of afdwaalt van de weg van de rechtvaardigheid, zal het er smart over kennen. Dan zal de Heere berouw erover werken. Die oude mens kan zo zuchten onder zijn verdorven bestaan. Daar hebt u het grote verschil. Gods kind begeert ervan verlost te worden.

Is het jouw hartelijke begeerte weleens geworden om overeenkomstig Zijn Goddelijke wil heilig voor de Heere te leven? Is het voor u een hartelijke lust en liefde om in Zijn wegen te wandelen?

‘Zijn zaad’ is het Woord van God met Zijn licht en Zijn kracht. Zoals in 1 Petrus 1 vers 23 staat: Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods. De zonde zal over hem niet heersen, de zonde zal hen uitdrijven naar de Heere.

 

Kinderen van de duivel en kinderen van God komen openbaar in hoe ze staan tegenover de zonde en de rechtvaardigheid. Hoedanig is uw leven? Nog een keer Matthew Henry. Hij schrijft: ‘Want hij is uit God geboren, het wordt hem daardoor belet en verhinderd. Hij heeft het licht in zijn ziel, dat hem het kwaad van de zonde toont. Op zijn hart is beslag gelegd, waardoor hij de zonde haat en verafschuwt. Er is een beginsel van geestelijk zaad, dat de kracht en de volle openbaring van de zondige daden verbreekt. (…) Er is een neiging tot verootmoediging en berouw over de zonden wanneer ze bedreven zijn.’

Daar hebt u een kenmerk van een kind van God. Christus woont in zijn hart, het wordt geleid door Zijn Geest en een Vader in de hemel zorgt voor hem. Het mag door de oefening van het geloof zeggen: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20). Omdat zij uit God geboren zijn, want door de genade der wedergeboorte wordt de heerschappij van de zonde in hen weggenomen, zodat ze niet samen kunnen bestaan.

Johannes zegt: Kinderkens, dat u niemand verleide. Wedergeboren te zijn en een zondig leven te leiden of de zonde te dienen, kunnen niet samengaan. Jong en oud, moge de Heere u door het licht van Zijn Geest doen inkeren tot uzelf. Want wat ben ik?

 

Jongeren, twee onbedrieglijke kenmerken leiden tot zelfonderzoek. Je kunt ze naast je neerleggen, maar onderzoek toch wie je bent. Ben je nog steeds een kind van de duivel? Zijn de zonden nog steeds de lust van je leven? Wandel je nog naar de begeerlijkheden van je zondige vlees? Is de duivel je vader?

Vraag dan of de Zoon van God, de almachtige Verlosser, de werken van de duivel in je hart en leven wil verbreken. Bedel maar om het wondere werk van die nieuwe geboorte. Vraag maar of Christus, Die de opstandingskracht verwierf, leven wil schenken aan je ziel. Want het is een kenmerk van genade dat we de zonde haten en dan rechtvaardigheid gaan doen. Zie het in Jozef, zie het in Gods kinderen in de Bijbel en in de beoefening van de vreze des Heeren.

 

Ouderen, onderzoek het eens, is het zaad Gods in u? Ligt het nieuwe levensbeginsel, dat door de Heilige Geest gewerkt wordt, ook in uw hart? Weet u iets van de openbaring van Christus Jezus? Hij is geopenbaard om de werken van de duivel te verbreken. Mag u Hem kennen, het Vrouwenzaad, door de Vader gezonden? Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing (1Kor.1:30). Dan is te midden van alles wat erop afkomt, de werken des duivels om u heen en in uw hart, dit de troost: Zijn Zaad blijft in hem, hij kan niet zondigen. Want: ‘De Heer’ is zo getrouw, als sterk; Hij zal Zijn werk, voor mij volenden.’ En, zegt de Heere Jezus: Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:31,32).

 

Zijn zaad blijft in hem… Dit levensbeginsel zal Hij onderhouden. Want, staat er in de Filippenzenbrief: Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Fil.1:6).

‘Als ik omringd door tegenspoed, bezwijken moet, schenkt Gij mij leven.’ Hoe klein, hoezeer ook in beginsel, Hij zal Zijn werk voor mijn volenden. Daarom bidden Gods kinderen: ‘Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden.’

 

Kenmerk en werk… om uzelf te onderzoeken! Want er zijn maar twee soorten mensen. Een derde soort, waartoe u misschien denkt te horen, bestaat niet. Je bent of een kind van de duivel of een kind van God.

Zoekt den Heere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jes.55:6).

Welgelukzalig zijn zij, die naar Zijn reine leer, in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen; die Sions Vorst erkennen voor hun Heer. Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen… Kinderen van God, en dan eeuwig gelukzalig te zijn, door de liefde van de Vader, door het werk van de Zoon, en door de inwoning van de Heilige Geest.

 

Amen.

 

Psalm 138 vers 4:

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven;

Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

Zal redding geven.

De Heer is zo getrouw, als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volen - den,

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.