Ds. J.J. van Eckeveld - Johannes 18 : 1 - 2

Christus naar Gethsémané over de beek Kidron

Op historische grond
Op priesterlijke grond

Johannes 18 : 1 - 2

Johannes 18
1
Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.
2
En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 11
Lezen : Johannes 18: 1 - 11
Zingen : Psalm 40: 3 en 4
Zingen : Psalm 56: 1 en 2
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in Johannes 18 vers 1 en 2. Daar lezen wij: Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kidron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen. En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.

 

Het thema van de prediking is:

Christus naar Gethsémané over de beek Kidron:

  1. Op historische grond;
  2. Op priesterlijke grond.

 

  1. Op historische grond

Gemeente, wanneer wij de vier Evangeliën naast elkaar leggen, valt ons altijd weer het verschil op tussen het Evangelie van Johannes en de drie andere Evangeliën. Dat verschil valt ook op als wij lezen over wat er gebeurd is in en rondom de hof van Gethsémané. Mattheüs, Lukas en Markus schrijven over de ontzaglijke zielenstrijd van Jezus, zozeer zelfs dat Zijn zweet werd als grote droppelen bloed – zoals Lukas dat beschrijft – die op de aarde neer druppelden. Johannes schrijft daar helemaal niets over. Johannes zegt echter weer andere dingen. We lezen alleen bij Johannes – zoals in onze tekst – dat Jezus met Zijn discipelen gegaan is over de beek Kidron. We lezen alleen bij Johannes dat de bende achterovervalt, als ze in de hof komt om Hem te grijpen. We lezen alleen bij Johannes de naam van de discipel die met zijn zwaard het oor van het hoofd van Malchus afsloeg: Simon Petrus.

 

Er zijn dus duidelijke verschillen tussen Johannes en de drie andere Evangeliën. Al die verschillen hebben ongetwijfeld een doel: ze zijn door de Heilige Geest ingegeven en de verschillende evangelisten laten allen hun eigen licht over Christus en Zijn werk vallen. Zo komt de volheid van het werk van de Zaligmaker – voor zover de Heere ons dat heeft willen openbaren – duidelijk aan het licht.

 Zo lezen we dan in onze tekst: Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit. De woordjesDit gezegd hebbende’ slaan op het voorgaande: in de voorgaande hoofdstukken lezen we hoe Jezus met Zijn discipelen in de paaszaal gezeten heeft. Hoe daar het laatste Pascha overging in het eerste Avondmaal. Hoe Jezus daar met Zijn jongeren gesproken heeft over Zijn komend lijden en sterven, maar ook gesproken heeft over Zijn opstanding en de komst van de Heilige Geest, de Trooster. Het is altijd weer bijzonder indrukwekkend om die gesprekken tussen Jezus en Zijn discipelen te lezen. Op de gesprekken volgt het hogepriesterlijke gebed, waarvan het meest waarschijnlijk is, dat Jezus dat ook in de paaszaal heeft uitgesproken en dat de discipelen Hem hebben horen bidden.

 

Jezus dit gezegd hebbende. Wat hebben de discipelen in de paaszaal veel uit de mond van de Zaligmaker gehoord en wat hebben ze er weinig van begrepen! De Heere Jezus heeft echter ook tot hen gesproken over de Heilige Geest, Die hen indachtig zou maken wat Hij gezegd had. Het was deze Heilige Geest, Die de woorden van Christus later heeft teruggebracht in hun herinnering, in het hart van de discipelen. Toen hebben ze het begrepen en konden ze uitgaan als predikers van het Evangelie.

Die indachtigmakende Geest is nog steeds nodig! Gods kinderen weten daar iets van, hoe de Heilige Geest oude Schriftwoorden – die we al vaker hoorden – in ons hart brengt, ons indachtig maakt. Dan gaan die oude Schriftwoorden zo bijzonder in het hart spreken, dat het is alsof ze nieuw zijn.

Zo is het ook met de discipelen geweest, toen de woorden van Christus in hun herinnering terugkwamen. Maar hier hebben ze het nog niet begrepen. Zo zijn ze de paaszaal uitgegaan, Jezus met Zijn discipelen. Ze hebben gelopen door de donkere straten van Jeruzalem. We lezen niet dat er iets gesproken is. Het is het meest waarschijnlijk dat ze daar zwijgend door de straten van Jeruzalem gelopen hebben, ieder vol van zijn gedachten. Jezus vol van de ontzaglijke weg, die nu heel dicht voor Hem lag. De discipelen vol van indrukken na al de woorden die Jezus tot hen gesproken had. Zo zijn ze daar gegaan door die donkere straten van het nachtelijk Jeruzalem.

 

Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit. Onder de woorden ‘ging uit’ mogen we wel een grote streep zetten: Hij wist zó goed wat er komen zou. Hij besefte dat de hel door Hem heen zou gaan. Dat begon al in Gethsémané, toen Hij droevig en zeer beangst begon te worden en toen Zijn zweet werd als grote droppelen bloed. Jezus wist het ontzaglijke dat voor Hem lag, maar Hij is niet weggekropen, Hij is niet weggevlucht. Zó gewillig ging Hij de weg. De weg die de Vader wilde dat Hij zou gaan. De weg tot eer van God, tot zaligheid van zondaren, door de Vader aan Hem gegeven.

Hij ging uit. Gemeente, dat wijst erop dat het een daad van Jezus is. Hij ging naar de hof van Gethsémané, wetend wat er nog zou volgen: het kruis op Golgotha. Maar Hij ging omdat Hij wílde gaan. Onbegrijpelijk, de gewilligheid van de Zaligmaker! Hij was geen willoos slachtoffer, Die tegen Zijn wil meegesleurd werd op een weg die Hij niet wilde gaan. Nee, Jezus was van het begin tot het einde toe gewillig, terwijl Hij zó goed wist wat Hem zou wachten. Zijn liefde tot de Vader was zó groot, dat het Zijn spijze, Zijn vreugde, Zijn leven, Zijn blijdschap was om de wil van Zijn Vader te doen. Tot in de diepte van de hel. Zó lief had Hij ook allen die de Vader Hem gaf. Ook al liepen ze Hem in de weg...

Dat is nog steeds zo. Dat is nog steeds niet anders. Wie zijn en blijven Gods kinderen in zichzelf? Maar uit onbegrijpelijke liefde tot verloren zondaren, Hem gegeven, ging Hij uit. Dát is Zijn gewilligheid!

 

Wij zijn zo gewillig niet. Wat een opstand, wat een tegenstand, wat een verzet tegen de wegen die de Heere gaat! Als je jezelf leert kennen bij het licht van de Heilige Geest, kom je dat in je eigen hart allemaal tegen. Maar nu ging Christus in Zijn volkomen gewilligheid uit de paaszaal, uit de stad Jeruzalem, naar de plaats van het lijden. Zo heeft Hij verzoening willen doen over de onwilligheid, de opstandigheid en het onverenigd zijn met Gods weg in het hart van al de Zijnen. Die gewilligheid van Christus wordt in onze tekst nog eens benadrukt, wanneer we lezen dat Judas ook de plaats wist waar Jezus heenging. Jezus besefte heel goed, dat Judas het ook wist. Toch nam Hij geen andere weg. Hij ging naar de plaats die Judas ook kende en waar Hij Judas ontmoeten zou. Judas, Zijn eigen discipel. Geworden tot Zijn verrader! Dat álles wetende, ging Hij uit.

 

Weet u wat het zaligmakende geloof leert? Het leert Jezus te volgen. Het leert Zijn voetstappen te drukken. Het leert de weg goed te keuren die Hij gaat. In Hebreeën 13 staat: Zo laat ons dan tot Hem uitgaan (Hij ging uit!) buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende (Hebr.13:13). Dan zullen ook de Zijnen iets dragen van de smaad van Christus.

Hier in ons land valt het nog wel mee. Maar denk eens aan de vervolgde christenen op zoveel plaatsen op deze wereld. Zij moeten de smaad wel heel bijzonder dragen van een Jezus, Die vervolgd, verdrukt, gesmaad en gedood werd. Wat hebben wíj echter voor deze lijdende en gesmade Jezus over, Die zo gewillig de weg van het lijden ging? Laat ons tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende (Hebr.13:13).

We lezen dat Hij uitging mét Zijn discipelen. Hij wilde niet zónder Zijn discipelen zijn. Waarom niet? Wel, omdat Hij hen liefhad! Hij heeft hen altíjd mee genomen. Hij heeft hen altíjd bij Zich gehad, die laatste drie jaar van Zijn aardse leven, toen Hij rondwandelde door het land. Hij had hen lief.

Als je de diepten van het lijden in moet, kan het een verkwikking zijn als degenen die je lief zijn, om je heen staan en met je meeleven. En Jezus was ook ten volle mens. Als mens had Hij er óók behoefte aan dat degenen die Hem lief waren, bij Hem zouden zijn, met Hem mee zouden lijden en mee zouden strijden. Daarom nam Hij ook hier Zijn discipelen mee. Maar wat is Hij in Zijn discipelen teleurgesteld! Toen Jezus streed, sliepen zij.

 

Jezus gaat hier de hof in met Zijn discipelen. Ze zijn erbij, omdat Zijn discipelen getuigen moeten zijn van Zijn bitter lijden en van Zijn gewilligheid onder het lijden, zodat ze later des te beter kunnen verkondigen wie Jezus is. Dat heeft Jezus tegen Zijn discipelen gezegd, vóórdat Hij opvoer ten hemel: Gij zijt getuigen van deze dingen (Luk.24:48). De discipelen moesten getuige zijn van het lijden van Christus om daarvan te kunnen getuigen. Hoe zal iemand die Jezus niet kent, voor wie Jezus een vreemde is, het Evangelie van Christus kunnen prediken?

Hij heeft Zijn discipelen ook in de hof van Gethsémané meegenomen, omdat zij hun zwakheid moesten leren. Petrus had gezegd: Ik zal mijn leven voor U zetten (Joh.13:36), maar hij sliep in de hof. En dat gold al de discipelen. Jezus heeft Zijn strijd alleen gestreden. Petrus en de anderen, ze lagen allemaal te slapen, ze konden niet één uur met Hem waken. Als het aan Petrus gelegen had, had hij met dat zwaard het hoofd van Malchus aan stukken geslagen en daarmee heel de zaligheid aan stukken geslagen. En dát waren nu Zijn discipelen...

 

Jezus heeft hen meegenomen, opdat ze de gewilligheid van de lijdende Christus zouden leren, maar ook wie zij in zichzelf waren en bleven. Iemand zei eens: ‘Mijn bekering kan ik in een paar woorden samenvatten: de Heere heeft alles gedaan, ik heb alleen maar tegengewerkt.’ De Heere gaat met Zijn kinderen wegen die ze zelf niet uitgekozen zouden hebben, zodat ze daardoor hun eigen zwakheid en onverbeterlijkheid zouden leren kennen. En zodat ook het wonder van het werk van Christus des te groter zou worden! Zo lezen we: Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kidron. Jezus trekt de stad Jeruzalem uit en gaat naar beneden, naar het Kidrondal. Hij trekt over de beek Kidron. Waarschijnlijk waren daar ook wel bruggen. Misschien is hij over zo’n brug gegaan. Maar dat is niet zo belangrijk. In ieder geval trok Hij over de beek Kidron, naar de Olijfberg, waar aan de voet van de Olijfberg de hof van Gethsémané lag.

 

Die beek Kidron zou ik historische grond willen noemen. In de geschiedenis van Israël, in het Oude Testament beschreven, komen we steeds weer die beek Kidron tegen. De beek stroomde aan de oostkant van Jeruzalem, tussen de stad, nu de oude stad van Jeruzalem en de Olijfberg. Aan de kant van Jeruzalem was dat dal heel steil, als een ravijn. Aan de kant van de Olijfberg ging het geleidelijk weer omhoog. In dat dal stroomde de beek Kidron. Het was een winterbeek: het grootste deel van het jaar stond de beek Kidron droog, maar in de winter, als de regens vielen, stond de beek vol water en stroomde ze vanuit het oosten van de stad in de richting van de woestijn van Juda en ze mondde zo uiteindelijk uit in de Dode Zee. De beek Kidron was een wadi: alleen in de regentijd water, voor de rest droog. De geschiedenis van onze tekst vindt plaats in de tijd van het Pascha. De maand Nisan, half maart tot half april. In die tijd stond er nog maar weinig water in de beek Kidron.

 

Historische grond, zo heb ik gezegd. In 2 Samuël 15 lezen we dat David, als hij Jeruzalem uit vlucht voor Absalom, ook deze weg neemt. Op zijn vlucht voor Absalom gaat hij de stad uit door het Kidrondal en dan in oostelijke richting. Jezus, Davids grote Zoon, neemt nu ook de weg die David eeuwen geleden ging.

Dat David die weg ging, was vanwege zijn eigen zonde. Dat heeft hij gevoeld toen Simeï hem vloekte en toen zijn mannen zeiden: ‘Zullen we hem doden?’ David zei toen: ‘Laat hem vloeken, het is vanwege mijn zonde’. U weet het wel: de zonde met Bathséba, waarna Nathan gezegd had: Het zwaard zal van uw huis niet wijken (2 Sam.12:10). ‘Laat hem vloeken, het is vanwege mijn zonde dat ik die weg moet gaan.’

Maar als Davids grote Zoon die weg gaat, is het niet vanwege Zijn zonden, want Hij is het onschuldige Lam van God. Het is vanwege de zonden van al de Zijnen, die Hij droeg en dragen wilde tot het einde toe. Als David die weg gaat, vlucht hij voor zijn vijanden, voor zijn eigen kind Absalom. Als Jezus echter die weg gaat, vlucht Hij niet voor Zijn vijanden, maar loopt Hij hen tegemoet en zal Hij zeggen: ‘Hier ben Ik. Grijp Me dan maar. Bind Mij, maar laat deze discipelen heengaan.’ Want uit degenen die Gij Mij gegeven heeft, heb ik niemand verloren (Joh.15:8).

 

Historische grond. Eeuwen geleden David, nu toch zó anders: Davids grote Zoon. Er zijn veel verklaarders die hier de vervulling lezen van wat er staat in Psalm 110 vers 7: Hij zal op de weg uit de beek drinken. Men denkt dan ook aan die beek Kidron. Volgens een oude Joodse overlevering – en daar is veel voor te zeggen – was de weg die Jezus hier ging, dezelfde weg waarlangs op de grote verzoendag de zondebok gezonden werd naar de woestijn. U weet wel, dan legde de hogepriester zijn hand op de kop van die bok en daarmee werd de schuld van het volk als het ware op die bok overgedragen. Zo werd die bok dan naar de woestijn gezonden.

Als je kijkt waar de tempel in Davids dagen stond en als je kijkt waar dat dal van Kidron ligt, zie je dat het helemaal voor de hand ligt dat de zondebok langs die weg ging. Die zondebok wees op het komende Lam van God, Dat de zonden zou dragen en wegdragen. Welnu, hier gaat het Lam van God, Jezus, met Zijn discipelen dezelfde weg waarlangs die zondebok naar de woestijn werd gejaagd. Die zondebok wees naar Hem heen, maar Hij is de vervulling Zelf. Hij moet de woestijn van de godverlatenheid in om al Zijn kinderen eeuwig Thuis te brengen!

 

Historische grond. We lezen dat koning Asa van Juda daar de asjera, die vreselijke afgod van zijn goddeloze moeder, de koningin-moeder, heeft verbrand. We lezen dat koning Hizkía alle afgodstuig, toen hij het opruimde, wierp in de beek Kidron. Weer later lezen we dat koning Josía al de afgodsverfoeiselen geworpen heeft in de beek Kidron, toen hij het Pascha heeft ingesteld. We zien dat alles vervuld is in Hem, Die hier met Zijn discipelen over de beek Kidron gaat. Hij is gekomen om al de afgoden te overwinnen en teniet te doen en om Zijn gemeente daarvan voor eeuwig te bevrijden!

Er is ook veel voor te zeggen dat op die plaats de doden werden begraven. Dat is nu zo: in het dal waar de Kidron door loopt, zijn ontzaglijk veel graven. Dat heeft te maken met het feit, dat velen geloven dat Jezus bij Zijn wederkomst zal terugkomen op de Olijfberg. Maar ook in de tijd van de Heere Jezus – er zijn duidelijke aanwijzingen in de Schrift – waren daar al veel graven. Het is heel goed mogelijk dat Jezus tussen de graven door liep, het Kidrondal door, naar de hof. Een begraafplaats is de plaats van de dood. Jezus zal uitgaan om straks de dood te ondergaan in zijn volle verschrikking, maar óók om de dood te overwinnen.

 

Nog één ding, voordat we gaan zingen: ik heb nog eens heel goed die oude kaarten van Jeruzalem bekeken. Je ziet dan dat de tempel aan de oostkant van de stad ligt en dat aan de oostkant naast de tempel het ravijn steil naar beneden gaat, waar het dal van Kidron in ligt. Het kan eigenlijk niet anders dat Jezus op die steilte gestaan heeft bij de verzoeking door de satan. Op de tinnen van de tempel, op de dakrand van de tempel. Dat Hij zo naar beneden kon kijken, langs die steilte, in het dal van Kidron. Dat de satan toen gezegd heeft: ‘Spring naar beneden!’ Daar heeft Jezus gestaan op de plaats van de verzoeking van de satan en Hij blééf staan. Hij heeft de verzoeking van de satan weerstaan. Met het: daar staat geschreven, met het Woord van God: Gij zult de Heere uw God niet verzoeken. Dat was drie jaar geleden.

 

Drie jaar later loopt Hij op diezelfde plaats en gaat Hij naar beneden door het dal op weg naar de hof. Daar zal Hij de satan weer ontmoeten in de persoon van Judas, van wie Johannes zegt: de satan voer in hem. In de bende die komt om hem te vangen, zal Hij de satan weer ontmoeten. Op dat moment zal het gaan naar de laatste slag. Dan zal Hij de satan voorgoed en voor eeuwig overwinnen en daardoor zal er straks een schare zijn uit alle geslachten, natiën, tongen en talen, die eeuwig Jezus en door Hem de drieënige God zal loven en prijzen. Zo zien we Hem hier op weg naar Gethsémané gaan, op historische grond. Maar ook op priesterlijke grond.

 

We willen echter eerst gaan zingen:

 

Psalm 56 vers 1 en 2:

 

            Gena, o God, bescherm mij door Uw hand;

Zie, hoe ik ben omringd aan allen kant;

Zie, hoe de mens zijn boze netten spant,

om mij daarin te jagen.

Den gansen dag is 't oog op mij geslagen;

zijn list legt mij op al mijn wegen lagen;

zijn macht vergroot mijn ongeluk en plagen;

ontroert mijn ingewand.

 

Maar word' ik ooit met bange vrees belaân,

dan zal op U mijn vast betrouwen staan.

Ik prijs in God Zijn woord; ik steun voortaan

op Hem; zou vlees mij deren?

Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeêren;

mij, dag op dag, door lastertaal onteren;

mijn woorden in een valsen zin verkeren;

arglistig mij verraân.

 

  1. Op priesterlijke grond

Dus: Christus naar Gethsémané over de beek Kidron. We zagen Hem op historische bodem, maar we zien we Hem ook op priesterlijke bodem.

 

Aan de andere kant van de beek komt Jezus met Zijn discipelen aan de voet van de Olijfberg. Dan lezen wij het: waar een hof was, in welke Hij ging en Zijn discipelen (Joh.18:1b). We moeten bij die hof denken aan een olijfboomgaard met een grot erin als opslagruimte. Lukas en Johannes noemen die naam niet, maar we weten de naam van die hof uit Mattheüs en Markus: het is Gethsémané. Dat betekent: oliepers. Daar werden olijven geperst en nu zal Christus daar geperst worden: door de toorn en de gramschap van God vanwege de zonde. Niet vanwege Zijn zonden, maar vanwege de zonden van al de Zijnen!

We weten niet of Gethsémané een openbare hof of een privé-hof was. Dat is ook niet zo belangrijk. We weten ook dat er een andere hof was. Zo lees ik in het begin van de Bijbel over de hof van Eden. Daarin woonde de goed geschapen mens. Maar hier, in de hof van Gethsémané, is ook een Mens, dé Mens! Hij kruipt als een worm en Zijn zweet wordt als grote droppelen bloed. Wat een verschil tussen de hof van Eden en de hof van Gethsémané! Gemeente, de zondeval ligt ertussen! De eerste Adam had in de hof van Eden alles wat goed en heerlijk was, maar toch viel hij. Bij de tweede Adam was het net andersom. In de hof van Gethsémané was alles wat verschrikkelijk en huiveringwekkend is, maar toch bleef Hij staande. Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! Doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matth. 26:39). Hij bleef staande in die hof. Daarom zal er straks een verloste, ontelbare schare zijn uit alle volken, die eeuwig God zal grootmaken.

 

We lezen van die hof van Gethsémané: in welke Hij ging. Hoort u het? Weer die gewilligheid. Ik zou zeggen: die priesterlijke gewilligheid! Hij zal straks als Priester het offer brengen op Golgotha. Dat begint hier al in Gethsémané. Met die priesterlijke gewilligheid gaat Hij de hof in, gedreven door onbegrijpelijke liefde. Hij is er met Zijn discipelen: twaalf min één. Jullie weten wel waarom ik dit zeg, kinderen: Judas was er niet meer bij. Zouden de discipelen Judas al dóórgehad hebben? Waarschijnlijk nog steeds niet. Dan lezen we in de tekst: En Judas die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen (Joh.18:2).

 

Ik merk dat ouders hun kinderen vaak Bijbelse namen geven, maar je zult als vader en moeder je kind niet de naam Judas geven, want Judas was de verrader. Een geroepen discipel. Het kan dus! Op een gegeven moment lezen we dat de satan in hem voer. Judas, die hoge verwachtingen had van Jezus, maar ook zulke aardse gedachten van Jezus had, net als de andere discipelen: Jezus zou een Koning zijn, Die de Romeinen verjagen zou. Het grote verschil was echter dat de andere discipelen Jezus liefhadden. Ondanks al hun opstandigheid en verzet hadden ze Jezus toch onuitsprekelijk lief. Maar Judas niet! Toen het met Jezus zo anders ging dan hij gedacht had, kwam er haat in zijn hart. De satan voer in hem.

Dat kan dus! Judas was een verrader, maar werd zó vertrouwd dat hij zelfs de beurs droeg. Terwijl hij in het verborgene stal uit de kas! Judas, vol haat! Judas, vol verzet, als een instrument van satan! Jezus verraden om dertig zilverlingen!

Gemeente, wat moeten we bang zijn voor onszelf. Judas had zoveel voorrechten gekregen, was zo dicht bij Jezus. Wij hebben ook zóveel voorrechten, zijn zó dicht bij Jezus. Je bent gedoopt, je hebt het teken en zegel van Zijn bloed ontvangen. Je zit in de kerk. Onder de prediking druppen de tranen van een wenende Jezus in de gemeente, zoals Hij wenend stond voor Jeruzalem dat Hem kruisigen zou. Zó dichtbij, net als Judas. En toch, zó ver weg.

 

De bekende Engelse prediker Ryle zegt: De voorrechten die ons ten deel vallen, kunnen het gebeente verlammen. Hetzelfde vuur dat was doet smelten, maakt klei keihard. Voorrechten kunnen ons verlammen. Voorrechten die ons als de zon beschijnen, kunnen ons hart uiteindelijk keihard maken en kunnen het verzet tegen God en Christus alleen maar aanwakkeren.

Als u zegt dat dit niet met u zal gebeuren, wijs ik u op het Schriftwoord: Zo dan, die meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Kor.10:12). Als je jezelf leert kennen, word je bang voor jezelf en kun je alleen maar zeggen: ‘O, God houdt u me vast en bewaar me voor mezelf en trek me toch tot U met de koorden van Uw goedertierenheid en met touwen van Uw liefde!’

 

Judas wist ook de plaats. Hij werd gebruikt als een instrument van satan. De duivel weet waar hij zijn moet. Dat weet hij heel goed! Hij weet precies waar hij ‘s zaterdagsavonds moet zijn: op plaatsen waar jongelui van de gemeente komen, terwijl ze daar helemaal niet moeten zijn. De duivel weet het en hij is erbij! De duivel weet wie er hier in de kerk verslingerd is aan pornografische sites. Het schermpje dat je bij je hebt of in je kamer: de duivel weet het en is erbij! De duivel weet heel goed welke vrienden het meest geschikt zijn, laat ik het zo zeggen, welk netwerk het meest geschikt is om je van God en van Zijn Woord af te trekken. Ook in de kerk. Waar zijn je gedachten al heen gezworven onder de preek? Heb je echt geluisterd? Of was je met heel andere dingen bezig?

We moeten altijd bedenken: waar het Woord van God verkondigd wordt, daar is de duivel ook. De duivel weet waar hij zijn moet! Het staat hier niet voor niets: en Judas die Hem verried, wist ook de plaats. De plaats waar hij zijn moest. Waarom staat het er zo uitdrukkelijk bij? Om de zonde van Judas des te meer te tekenen tot onze waarschuwing. Judas was zó dicht bij Jezus geweest!

 

Het staat er ook om de liefde van Christus des te meer te laten uitkomen. De liefde trekt Hem naar die plaats en zo is Hij Priester. Priesterlijke liefde loopt uit op Golgotha, maar het begint hier al in de hof: het is priesterlijke grond. Uit liefde tot de Vader en tot allen die de Vader gaf, zou Hij Zich als Priester offeren. Uit priesterlijke liefde gaat Hij naar de plaats waarvan Hij weet dat Judas die ook weet. Waarom wist Judas dat zo goed? Dat staat erachter: Dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest, met zijn discipelen.

Jezus was met Zijn jongeren vaak in Gethsémané geweest om Priester te zijn. Priesters moesten bidden, moesten offeren, maar ook onderwijzen! We komen dat ook tegen in het Oude Testament: onderwijzen was een onderdeel van het priesterambt. Jezus is vaak in Gethsémané geweest om Zijn discipelen te onderwijzen, om met hen als die grote Priester te spreken.

Het is voor Jezus ook steeds een plaats van het gebed geweest. Een priester moest namelijk niet alleen onderwijzen, maar ook bidden. Zo deed Jezus met Zijn discipelen.

Een priester moest offeren. Jezus gaat de hof in, op weg om het grote offer te brengen tot verzoening van de zonden, aan de kruispaal van Golgotha.

Dan komt het nog dichterbij, want ik lees in het Evangelie van Lukas dat Jezus de eerste nacht na Zijn intocht in Jeruzalem in Bethanië was, bij Martha, Maria en Lazarus. Maar de volgende nacht was Hij met Zijn discipelen in de hof van Gethsémané. We lezen in Lukas 21 en 22 dat Judas er die vorige nacht ook was geweest. Verschíllende nachten, kort hiervoor, was Judas hier geweest, met de andere discpelen, toen Jezus hen onderwees en met hen bad. Dan krijgt het nog meer inhoud: dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.

 

Gemeente, Jezus is als Priester werkzaam geweest in het midden van de discipelen. Hij gaat naar de hof om de laatste gang naar de offerplaats van Golgotha te maken. Zie de gewilligheid van Jezus! Zie de liefde van Jezus! Zie de diepte van uw zonden! Zó diep zijn wij gevallen, dat Jezus die weg moest gaan, om te kunnen verlossen. Zó diep zijn wij gevallen dat Judas ook in mijn hart zomaar de kop kan opsteken. Maar zó groot is ook Zijn liefde, dat deze plaats priesterlijke grond is.

 

Hebt u deze Christus? We hebben enkele gangen van Hem getekend. Dat we door het zaligmakende geloof ook leren de gangen van die God en Vorst te volgen. Ik sprak in deze lijdenstijd iemand die de Heere vreest. Ze zei: ‘Dominee, ik heb het zó goed, maar tegelijk zit ik zó laag aan de grond, want ik mag de lijdensgangen van Jezus overdenken.’ Hebt u dat al gedaan in deze lijdensweken? Of denkt u, als u zondagsmorgen in de kerk zit: ‘O ja, het is lijdenstijd’? De Heere wil het overdenken van de lijdensgangen van de Heere Jezus zegenen. Ik heb bij Luther gelezen, dat de Heere Zijn kinderen wil oefenen door aanvechtingen, maar ook door mediteren. Als je de lijdensgangen mag overdenken en als de Heilige Geest erin meekomt, dan kom je zelf zo laag aan de grond: míjn zonden deden Hem die smarten aan! Ik zie mezelf: in Petrus, in de discipelen. Als God me niet vasthoudt, kan ik ook een Judas worden! Dan kom je laag aan de grond en dat vervult het hart ook met onuitsprekelijke wederliefde: We hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1 Joh. 4:19). Dan wordt Hij zo groot en ik zo klein!

 

Zouden we de gangen van die God en Vorst niet overdenken? Dáár ligt de grond waarop een zondaar hopen kan. Dáár ligt de enige grond van het behoud! Buiten Jezus, buiten deze gewillige, liefdevolle, lijdende Priester, Koning en Profeet is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Want wie Hem vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van de Heere (Spr. 8:35). Zouden we dan die lijdensgangen niet moeten overdenken en vragen: ‘O God, breng ook mij aan Jezus voeten’?

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 89:8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;

Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen,

door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,

en onze Koning is van Isrels God gegeven.