Ds. M. Karens - 1 Johannes 3 : 28 - 6

Vaderlijke liefde tot Zijn kinderen

Hun aansporing
Hun voorrecht
Hun toekomst
Hun roeping

1 Johannes 3 : 28 - 6

1 Johannes 2
28
En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.
29
Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij, dat een iegelijk, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is.
1 Johannes 3
1
Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.
2
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
3
En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.
4
Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid.
5
En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.
6
Een iegelijk, die in Hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 6: 1 en 9
Lezen : 1 Johannes 2:28 - 3:6
Zingen : Psalm 73: 14
Zingen : Psalm 31: 15 en 17
Zingen : Psalm 143: 10

Gemeente, onder biddend opzien om de hulp en leiding van de Heilige Geest vervolgen wij de overdenking van de eerste brief van de apostel Johannes. Aan de orde is Johannes 2:28 tot en met hoofdstuk 3:6, waarvan ik u alleen vers 1 van hoofdstuk 3 lees. Daar luidt Gods Woord aldus:

 

Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.

 

Gemeente, we schrijven onder dit gedeelte: Vaderlijke liefde tot Zijn kinderen.

 

We letten op vier aandachtspunten:

1. Hun aansporing. En nu, kinderkens, blijft in Hem.

2. Hun voorrecht. Namelijk dat wij Gods kinderen genaamd zouden worden.

3. Hun toekomst. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.

4. Hun roeping. En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.

 

1. Hun aansporing

Gemeente, jongelui, Johannes schrijft deze brief met apostolisch gezag, bewogenheid en liefde aan enkele gemeenten in Turkije. Waarschijnlijk aan Efeze, waar Johannes gediend heeft, Laodicéa en andere gemeenten. Het waren dagen van verwarring, verval en afval. We hebben in de vorige preek gehoord: Zij, antichristenen, zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet.

Johannes heeft vooral geschreven over de Heere Jezus Christus. Hij staat centraal in al zijn woorden. Eén van de kernwoorden van deze apostel, die ook een zoon Boanérges genoemd wordt en donderen kan in zijn geschriften, is liefde. Liefde door God uitgestort in het hart, wederliefde tot de Heere, maar ook tot de naasten en de broeders. Johannes heeft in het vorige gedeelte gesproken over mensen die de zalving van de Heilige deelachtig zijn. Dit betekent dat zij door het ware geloof mogen delen in de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus. Zij worden in beginsel weer profeet, priester en koning.

De vorige keer heeft de apostel met klem geschreven over de antichrist. Dat is de persoon die tegen of in de plaats van Christus zal komen in de dagen vóór de wederkomst. Johannes heeft gesproken over de toekomst die deze wereld wacht en heeft ook gezegd hoe laat het is. De apostel der liefde heeft de gemeenteleden gewaarschuwd: ‘Het is elf uur geweest.’ Kinderkens, het is de laatste ure (1 Joh. 2:18). Daarin sprak hij over de laatste tijd van de wereldgeschiedenis tussen Pinksteren en wederkomst. Dat is het laatste uur om aangespoord te worden! Daarom gaat hij verder om de gemeente op te wekken: En nu kinderkens, blijft in Hem, opdat wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst (1 Joh. 2:28).

Er staat in het Grieks een verkleinwoordje: kindertjes. Zo spreekt Johannes Gods kinderen in de gemeente aan. Als nieuwgeboren kinderkens zijn ze gebaard door Woord en Geest.

 

Vervolgens gaat de apostel onderstrepen dat het zo nodig is om in Hem te blijven. Iedereen die een beetje meedenkt en mee preekt, weet over wie het gaat. Natuurlijk, over Hem met een hoofdletter. Johannes benadrukt iedere keer de noodzaak om door het geloof in Christus ingelijfd te worden, maar ook om geloofsgemeenschap met Hem te oefenen. Dat staat hier centraal, de inlijving in Christus, maar ook het blijven in Hem. Johannes zegt niet dat je alleen maar moet blijven in Christus. Dat is een soort drijven naar heiligheid dat uit de mens is; en daar is onze tijd niet vreemd van. Hij belijdt ook met Zondag 7 van de Catechismus dat er aan het blijven in Hem een wonder van God voorafgaat. Zondag 7 vraagt: Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden? En het antwoord luidt: Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.

Blijft in Hem, zegt Johannes. Gods kinderen mogen weten dat zij door het geloof deel hebben aan Christus. Hij roept hen voortdurend ernstig en liefdevol op om in Hem te blijven. In zijn Evangelie heeft Johannes (in hoofdstuk 15) de bekende gelijkenis van de wijnstok en de ranken opgeschreven. Eigenlijk zie je dat beeld in deze brief steeds op de achtergrond. Wij moeten allemaal als een rank worden ingeplant, ingelijfd, in de wijnstok; en dan gaan we vruchten dragen. Is dat wonder al gebeurd in uw leven, in jouw leven? Dat is de nieuwe schepping, de levendmaking, waarin de Heilige Geest door het Woord het geloof in het hart plant. Dat is het geloof dat met Christus verenigt.

Als u de balans opmaakt van uw leven, dan is dit het allerbelangrijkste. Sta ik buiten Christus of mag ik deelhebben aan Hem? Mag ik delen in de persoon en de weldaden van de Heere Jezus Christus?

De oproep klinkt: Nu kinderkens, blijft in Hem. Kantekening 97 schrijft: ‘Namelijk Christus, dat is, bij Zijn gemeenschap en leer, die met geloof vasthoudende.’ Dus blijft in de gezegende Christus aan Wie u deel mag hebben, blijf in Zijn gemeenschap door het geloof.

 

Blijft in Hem, opdat… Er is dus een doel dat Johannes voor ogen staat. We zouden er in grote lijnen twee dingen over kunnen zeggen. Weet u het nog? Het is de laatste ure. De antichrist maakt zich op. Opdat wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst. In mijn woorden gezegd, schrijft Johannes aan Gods kinderen: Blijft dicht bij Hem, door het geloof in Zijn gemeenschap en in Zijn leer. Want als Hij straks komt, mag u met vrijmoedigheid Hem tegemoet zien en zult u niet beschaamd worden. Dat is de aansporing die Johannes hier geeft.

Er staat: Wanneer Hij zal geopenbaard zijn, [zullen] wij vrijmoedigheid hebben. Kanttekening 98 zegt: ‘Namelijk in Zijn toekomst ten oordeel.’ Christus is geopenbaard bij Zijn komst op de aarde. In de stal van Bethlehem heeft God Zich bekend gemaakt in de Zoon van Zijn liefde. Paulus schrijft daarover: En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godszaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid (1 Tim. 3:16).

Christus is geopenbaard in Zijn vernedering als de Redder en Zaligmaker. Dat geldt ook voor de openbaring van Christus in het hart. Hier gaat het over Zijn openbaring op de wolken des hemels.

Johannes spoort Gods kinderen aan om dicht bij de Heere te leven. Blijft in Hem, want als Hij komt en Zich openbaart op de wolken des hemels als de verhoogde Koning, zal Hij naar voren treden in al Zijn majesteit en glorie. Dan zal Hij niet meer de Redder zijn zoals bij Zijn geboorte in Bethlehem, maar dan komt Hij als Rechter om te oordelen de levenden en de doden.

‘Parousia’ staat er in de oorspronkelijke taal voor ‘in Zijn toekomst’. Dat woord betekent de komst van een koning en een koningin naar één van de gebieden, waarover ze heersen. Dat geeft altijd blijdschap, hoop en feestvreugde. We herkennen dat wel als onze koning en koningin naar de Caribische eilanden gaan of naar welke plaats ook.

Johannes zegt dus: Zo zal de Koning der koningen komen. Als Gods kinderen dichtbij Hem leven, zal dit een hoopvolle feestvreugde geven. Jezus komt op de wolken des hemels. Hij zal zichtbaar verschijnen. Dat is vreugde voor mensen die vrijmoedigheid hebben ontvangen; en zij zullen niet beschaamd worden.


Als de Heere Jezus wederkomt, zal er dan bij u vrijmoedigheid zijn? Zult u dan niet beschaamd worden? Mag die verwachting er zijn? Gemeente, jonge vrienden, geef eerlijk antwoord! Of doet het je helemaal niets meer? Heb je innerlijk al afgerekend met het bestaan van God? Johannes zegt: als Hij komt in Zijn toekomst, als Hij komt op de wolken des hemels. Hoe zal het dan met ons zijn? Zij die geen deel hebben aan Christus, tegen hen kan niet gezegd worden: Blijft in Hem. U zult oog in oog staan met Hem. Hier kunt u Hem wegredeneren in ongeloof. Hier kunt u het wegduwen als uw geweten klopt en zegt: Hoe zal het gaan met jouw verzondigd leven? Maar Johannes roept ons toe: Schikt u, o mens, om uw God te ontmoeten (Amos 4:12).

Hoe zal het zijn als ons laatste uur is geslagen en we onze Rechter moeten ontmoeten? Moeten we dan voor deze Rechter verschijnen als zondaren zonder Christus en zonder hoop?

Hoe zal het gaan met de dwaalleraars, loochenaars en leugenaars, die Johannes hier bestrijdt, mensen die de weg hebben geweten en niet bewandeld? Hoe zal het gaan met de mensen van vandaag, die op zand gebouwd hebben? Die het huis van hun hoop hebben gebouwd op het zand van uitwendige godsdienst, en van beschouwende godsdienstkennis?

Wanneer Christus geopenbaard zal worden bij Zijn komst, zal alles buiten Hem een vreselijke toekomst tegemoet gaan. De mensen zullen tegen de bergen en de steenrotsen zeggen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op de troon zit, en van den toorn des Lams. Want de grote dag van Zijn toorn is gekomen, en wie kan bestaan (Openb. 6:16,17)?’

Vraag je dat maar eens af, jonge vrienden, zo maar stil op bed; en dan wel offline. Rekenschap afleggen tegenover God, hoe moet dat? Hoe zal ik het maken in de dag van Zijn toekomst als de Koning komt?

Dan zal er een volk zijn, dat een volkomen feestvreugde mag hebben. Gods kinderen zullen met vrijmoedigheid toegaan en niet beschaamd worden. Zij zijn Christus’ bruid, en vormen het Sion waarvan we hebben gezongen. Dat zijn de kinderen van God in de gemeenten van Turkije, maar ook hier. Zij zullen hun Rechter tegemoet gaan als Hij komt op de wolken des hemels – met vrijmoedigheid.

 

Het woord voor ‘vrijmoedigheid’ is in de oorspronkelijke taal ‘parresia’. Ik zeg dat niet om u te vermoeien met moeilijke woorden, maar er zit een woordspeling in deze tekst, een heilige woordspeling. Ze mogen als de Parousia komt parresia, vrijmoedigheid hebben. Wat is vrijmoedigheid? Dat is voor Hem kunnen bestaan in het oordeel, met vertrouwen dat Hij ons niet zal verdoemen, maar ons vrijspreekt van schuld en straf.

Het oorspronkelijke woord geeft dat vertrouwen ook aan. Vertrouwen doe je iemand die je kent. Laat ik het zo zeggen: Gods kinderen zullen, als de Rechter komt en Zich openbaart op de grote dag van Zijn toekomst, geen Vreemde ontmoeten. Alle belemmeringen zijn dan weggenomen. Hij is Dezelfde Die Zich hier in het gericht voor hen heeft gesteld. Daarom mogen ze Hem met vreugde verwachten en mag het vertrouwen er zijn dat Hij hen zal vrijspreken, en zij niet zullen beschaamd worden.

Allen die Hem hier hebben nodig gekregen, Hem hebben leren kennen en dicht bij Hem hebben geleefd, zullen niet te schande worden. ‘Namelijk gelijk alle ongelovigen en goddelozen zal wedervaren’, zeggen onze vaderen. Alle goddelozen, in de wereld en in de kerk. Goddelozen zijn zonder God. Zij en alle ongelovigen zullen wél beschaamd en te schande worden. U moet thuis artikel 37 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis maar eens lezen. Daar wordt dit grote onderscheid heel sterk getekend. Hier is een volk in alle verdrukking en strijd, dat Hem bij ogenblikken toch met vreugde mag verwachten. Zij zullen niet beschaamd worden tegenover de goddelozen en allen die zich tegen Hem verzetten.

Waar zult u staan in die toekomst? Onderzoek u toch eens! Het is nog genadetijd om u voor te bereiden op Zijn komst, Zijn toekomst. Haast u dan toch en spoed u om uws levens wil. Let toch op Johannes in het vorige tekstgedeelte. Hij heeft gezegd: En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid (1 Joh. 2:17).

 

En nu, kinderkens, blijft in Hem, opdat er vrijmoedigheid mag zijn en u geen vreemde zult ontmoeten. Ik heb vaak verwezen naar dominee Samuel Rutherford als iemand vraagt: ‘Bent u niet bang als Jezus wederkomt en Hij op de rechterstoel zal zitten en wij allen geopenbaard moeten worden voor Zijn rechterstoel?’ ‘Nee’, zegt Rutherford dan, ‘want die Rechter is mijn Vriend en Zaligmaker.’ Rust niet voordat u, door Goddelijke genade van de hemel geschonken, mag weten dat u deze toekomst tegemoet kunt zien.

En nu kinderkens, blijft in Hem – dat is de aansporing tot Gods kinderen, klein of groot; Hij maakt hen van dat heil en die weldaân deelgenoot.

Als Gods kinderen aan Zijn toekomst denken, aan de komst van de Koning, zijn ze vaak bevreesd omdat ze geloofszekerheid missen. Ze zijn zo bang voor zelfbedrog! Maar dan roept Johannes hen toe: die in Hem gelooft, zal niet verderven (Joh. 3:16). Zij zijn in Hem door een zaligmakend geloof ingepland. Door de oefeningen van het geloof krijgen zij houvast aan Hem. Zij kunnen Hem met een gerust hart verwachten, want zij zullen niet te schande gemaakt worden. Ik zou het ook zo kunnen zeggen: Deze mensen hebben toekomst. U ook? Jij ook? Daarover heeft Jezus gezegd: Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is (Luk. 21:28). Zij mogen Hem met vrijmoedigheid tegemoet zien.

 

Johannes voegt er in vers 29 nog een zuiver en onbedrieglijk kenmerk aan toe. Indien gij weet dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij dat een iegelijk die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is. Het is nog niet zo eenvoudig om dat uit te leggen. Ik zou met Smijtegelt willen zeggen: ‘Span u een weinig in.’ Johannes zegt: ‘U weet dat Hij, namelijk God de Vader of Christus, over Wie hij in de voorafgaande woorden heeft gesproken, rechtvaardig is.’ In Hem is geen onrecht gevonden.

In Christus blijven mensen die uit Hem geboren zijn. Uit Hem geboren – dat is het laatste woord van hoofdstuk 2. Dat betekent: geestelijk wedergeboren. Het ziet op de nieuwe geboorte, het wonder uit Johannes 3, wedergeboren door water en Geest. Dan is de vrucht van het zaligmakende geloof dat men de rechtvaardigheid doet. De kanttekening zegt: ‘Dat is die godzalig leeft.’ Dat is ook een kenmerk van al degenen die in Hem zijn, van die kinderkens. Wie een godzalig leven leeft, doet de rechtvaardigheid.

 

Ziet u daar in Judea Zacharias en Elisabeth? Zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de wegen des Heeren. Die uit Hem geboren is, die doet de rechtvaardigheid, zegt Johannes. Het is een kenmerk dat in woord en daad openbaar zal komen, als een wandelaar in de wegen des Heeren gaat. Dezen wandelen rechtvaardig voor God, recht in de wegen des Heeren.

Wie zou durven zeggen dat hij godzalig leeft? Wie van Gods kinderen zou dit durven zeggen? Ja, toch ligt daar mijn nieuwe leven in getekend, in godzalig leven, in rechtvaardigheid doen.

Weet u waarin dat openbaar komt? Mag ik een beetje afdalen? ‘Rechtvaardigheid doen,’ zeggen onze vaderen, ‘is godzalig leven.’ Is er in jouw en uw hart en leven door Gods genade een haten en een vluchten van de zonde? Komt uw leven openbaar in het vluchten van de ongerechtigheid? Zijn jouw zonden je wel eens van harte leed? Liggen er tranen op uw kussen, misschien in de stilte van de kamer, omdat u het weer zo bedorven hebt voor God? Is het verlangen in uw hart gewerkt om de rechtvaardigheid te doen?

Is uw hartelijke begeerte:

 

Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!

Mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken! ?

 

Hebt u Gods geboden lief? Nee, niet uit een wettische werkheiligheid, maar uit begeerte om de rechtvaardigheid te doen. Hebt u een begeerte om te leven in de vreze Gods? Dan is er dit gebed:

 

Och, of wij Uw geboôn volbrachten!

Genâ, o hoogste Majesteit!

Gun door ’t geloof in Christus krachten,

Om die te doen uit dankbaarheid. ?

 

Johannes spoort aan. Mag u dat in uw leven door Gods genade herkennen? Ik zal Uw geboôn oprecht en welgezind beminnen. Hoe lief heb ik Uw woord. Hoe lief heb ik Uw dag! Hoe lief heb ik Uw inzettingen! Weet u met welke mensen u dan te maken hebt? Hoor maar!

 

     Welzalig zijn d’ oprechten van gemoed,

Die, ongeveinsd, des HEEREN wet betrachten;

Die Hij op ’t spoor der godsvrucht wand’len doet;

Welzalig die, bij dagen en bij nachten,

Gods wil bepeinst, en Hem, als ’t hoogste goed,

Van harte zoekt met ingespannen krachten.

 

Die de rechtvaardigheid doet. Daar zult u amen op zeggen vanuit het hartelijke leedwezen waardoor u zegt: ‘Ik heb God door mijn zonden vertoornd, zonden die ik hoe langer hoe meer haat en vlied.’ Maar dan is er ook de hartelijke vreugde in God door Christus. Dan is er een ernstige lust en liefde om naar de wil van God alle goede werken te doen. Het gaat over Gods Vaderlijke liefde tot Zijn kinderen. Dat begint met een aansporing als een toetsing van uw, jouw en mijn leven. Als de toekomst aanbreekt, zal Hij ons dan vinden bij Hem? Daarom: Blijft in Hem. Als je buiten Hem bent, rust dan niet vóór u Hem mag kennen, in Hem mag delen, zodat Hij niet alleen voor anderen maar ook voor u de Zaligmaker mag zijn.

 

We gaan naar het tweede punt, hun voorrecht. Daarvan gaan we eerst zingen uit Psalm 31: 15 en 17.

 

Hoe groot is 't goed, dat Gij zult geven
Hem, wiens oprechte geest
Op U betrouwt, U vreest!
Hoe groot is 't heil, dat G' in dit leven,
Ver boven beed' en wensen,
Reeds wrocht voor 't oog der mensen!

 

Geloofd zij God, Die Zijn genade
Aan mij heeft groot gemaakt;
Die voor mijn welstand waakt:
Zijn oog slaat mij in liefde gade;
Hij wil mij heil bereiden;
Mij in een vesting leiden.  

 

2. Hun voorrecht

We spreken over de Vaderlijke liefde tot Zijn kinderen. Als eerste punt zagen we hun aansporing. Als zij in geloofsgemeenschap dicht bij de Heere mogen leven, mag er ook vrijmoedigheid zijn als Hij komt. Er mag dan het vertrouwen zijn dat ze niet beschaamd worden.

Nu gaat Johannes spreken over hun voorrecht.

De hoofdstukindeling in de Nederlandse Bijbel is soms willekeurig. Deze perikoop begint eigenlijk met de aanspraak kinderkens in vers 28 en het loopt door tot vers 6 van hoofdstuk 3. Dan komt er een nieuw gedeelte, weer met ‘kinderkens’. Nu zegt Johannes tot deze kinderkens die hij heeft aangespoord: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Johannes roept het in verwondering uit. Dat ‘ziet’ is ook een oproep om op te letten wat hij gaat zeggen. Het is alsof Johannes zegt tegen de gemeenten in Turkije: ‘Moet u eens zien, zo groot is nu Gods liefde in uw leven geweest dat wij kinderen Gods genoemd mogen worden.’

Zie, hoe zalig is het volk dat Uw klanken kent! Zij hebben toekomst. Ziet, hoe grote liefde de Vader ons gegeven heeft! Johannes wijst naar de bron, het Vaderhart van de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, naar de innerlijke bewegingen van Gods barmhartigheid. Daar hebt u de bron van de godzaligheid, van de gelukzaligheid. De kanttekening zegt: ‘Dat is, hoe grote weldaad Zijner liefde jegens ons. Hij spreekt alzo om aan te wijzen de eerste oorzaak onzer gelukzaligheid.

 

De gelukzaligheid van verloren, goddeloze vijanden ontspringt aan de bron van Gods eeuwige, ontfermende liefde. Hoe groot de lengte, de breedte, de hoogte, de diepte van die Goddelijke liefde is, kan Johannes niet zeggen. Want de liefde van God de Vader, gemeente, jonge vrienden, is een eeuwige, onveranderlijke en volmaakte liefde. Liefde laat zich toch niet beschrijven? Is dat niet wonderlijk ook tussen man en vrouw? Er ontstaat liefde. Maar nu, zie hoe groot deze liefde is, waarmee God de Vader hen heeft liefgehad.

Er staat: gegeven heeft. Dat ziet op een gave. Het ziet op het moment dat God de Vader deze liefde gegeven heeft. We mogen zeggen dat Hij Zichzelf gegeven heeft, want Hij is het voorwerp van deze liefde naar Zijn welbehagen. Het is een gift in hun hart gegeven. De werkwoordsvorm ‘gegeven heeft’ ziet op een daad in het verleden, maar met blijvend gevolg. Dus Johannes zegt: ziet. Let er eens op, het is een onnaspeurlijke liefde, die God de Vader aan u gegeven heeft in het uur van Gods welbehagen; en die gave blijft eeuwig.

Er staat nog een woordje: ons. Dit zijn de jongeren en ouderen van nu, maar ook Gods kinderen toen en daar, in die gemeenten in Turkije. Ze waren kinderen des toorns, die in Gods rijk niet konden komen. Mensen die de eeuwige toorn Gods waardig zijn. Mensen die het aankijken niet waard zijn, die te zondig en te vuil zijn om aan te pakken.

 

Maar nu: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft. Er klinkt verwondering en aanbidding door in die woorden van Johannes. Men zegt weleens: ‘Liefde kan niet van één kant komen.’ Maar de grote liefde waarover het hier gaat, dat grote voorrecht van God de eeuwige Vader, dat Hij gegeven heeft aan verloren zondaren, komt helemaal van één kant. De Heere is mij verschenen van verre tijden. Ja, Ik heb u lief gehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31:3). Waarin komt dan deze liefde van de Vader openbaar? Namelijk dat wij kinderen Gods genaamd worden.

Ze worden kinderen Gods genaamd. Lees thuis de kanttekeningen eens rustig door. Ze geven er zoveel licht over. Het gaat over kinderen Gods die door genadige aanneming tot kinderen en erfgenamen Gods geworden zijn – mensen die tevoren kinderen des toorns waren. Dat kan alleen dankzij de gegeven Goddelijke, alles overwinnende liefde, en de onbegrijpelijke Vaderlijke liefde.

Zij waren kinderen des toorns… Wat bent u? Er zijn heel veel mensen die zich kinderen van God noemen, maar het is de vraag of ze het zijn. Het wil hier zeggen: Ze zijn het ook van God uit gezien. De kanttekening zegt: ‘Dat is, zouden zijn, namelijk zodat wij den naam met de zaak hebben.’ Ze zijn door de liefde Gods ingewonnen. Deze en die is in Sion geboren, en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen en schragen.

 

Als u een kind van God bent, is dat een ontzaglijk groot voorrecht. Daarin ligt alle godzaligheid. Er ligt een schat van zegeningen voor degenen die zeggen mogen met God verzoend te zijn. Door de arbeid van de Heere Jezus Christus, Die Zijn wedergeborenen doet delen in de Vaderlijke zegen, voorrechten, bescherming en troost, worden zij kinderen Gods genoemd. Zij hebben kinderrechten. Ze zijn niet alleen kinderen, maar ook erfgenamen. Erfgenamen van God en van Christus. Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods (Rom. 8:14).

De Catechismus zegt in Zondag 13: ‘Daarom dat Christus alleen de eeuwige, natuurlijke Zoon van God is, maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.’ Is het niet een onuitsprekelijk voorrecht om kinderen van God genoemd te worden? Dan is er een kinderlijk vertrouwen, dan bent u kinderlijk afhankelijk. Dan hoort u bij hen die in alle strijd en vragen een Vader in de hemel hebben.

 

Goedertieren Vader,

Milde zegenader,

Stel Uw vriend’lijk hart,

Op Wiens gunst wij hopen,

Eeuwig voor ons open;

Weer steeds alle smart.

 

Matthew Henry zegt in zijn verklaring: ‘Het is vreemd dat de Heilige God Zich niet schaamt om onze Vader te heten en ons Zijn kinderen te noemen.’ Wij zijn van nature en door ons gedrag kinderen van het verderf, kinderen der ongehoorzaamheid, kinderen der ondankbaarheid; maar nu schaamt God de Vader Zich niet om hen vanwege Zijn grote liefde kinderen te noemen. Hebt u het al gevoeld in uw leven?

 

Dan vervolgt vers 1 met: Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. Het lijkt misschien dat dit toch niets met het voorgaande te maken heeft. Toch heeft het er alles mee te maken. Weet u wat dit betekent? Als u door Goddelijke liefde ingewonnen bent en een kind van God mag zijn, dan kent de wereld u niet meer. De dwaalleraars daar in de Turkse gemeenten zijn uit ons uitgegaan. Ze waren van ons niet. De Gode vijandige wereld kent Gods kinderen niet. Ach ja, die mensen zijn een beetje dweperig en ze hebben zo’n fundamentalistische insteek. Ze begrijpen eigenlijk weinig of niets van de wereld. Die mensen zijn 2000 jaar te laat geboren!

Nee, de wereld kent ons niet. De wereld begrijpt niet waar het over gaat. Deze vijandschap komt soms openbaar in onverschilligheid, maar kan ook uitmonden in haat. Wereldse en ongelovige mensen, ja, al degenen die buiten Christus zijn, weten niet dat God onze Vader is. Toets het eens in uw leven. Weet u hoe het komt dat de wereld er niets van begrijpt? Omdat ze Hem niet kent. Ze kennen Christus en de Vader niet. Ze begrijpen niet dat er een hemelse Vader is Die uit liefde Zijn kinderen kastijdt.

De wereld zegt: ‘Kijk nou eens! Ze noemen God hun Vader, maar je ziet toch wel hoe diep ze erdoor moeten.’ De wereld kent God niet en begrijpt niets van het leven van Zijn kinderen. Men begrijpt niet dat Gods kinderen moeten delen in de ellende van dit jammerdal. Er is vaak zo weinig te zien voor het wereldse oog, dat alleen maar werelds geluk wil zien. Wereldse mensen zien niets van de gelukzaligheid die Gods kinderen ten deel valt. Onbekend maakt onbemind. De wereld kent hen niet en veracht hen.

 

Daarom de vraag: Zijn wij een vriend van de wereld of worden we Gods kinderen genoemd? Kent u Hem ook niet? Zoekt dan toch de Heere en leef. Zoek den Heere, terwijl hij te vinden is (Jes. 55:6).

Het is een troost voor Gods kinderen, dat ze kinderen Gods genaamd worden. Weet u waarom? Zij hebben hier geen blijvende stad. Johannes heeft gezegd: Hebt de wereld niet lief; en: de wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid (1 Joh. 2:15,17). Het is de laatste ure en daarom: verdraag maar, kinderen van God! Als de wereld zich openbaart als een vijand, weet dan: ze hebben Mij gehaat en zullen ook u haten. Alle ongelovigen, ook in de kerk, verstaan dat leven niet. Zoek daarom toch Hem te kennen, vraag maar:

 

Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw’,

’t Welk Gij, uit onbezweken trouw,

Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen.

 

3. Hun toekomst

Kinderen van God, in de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed (Joh. 16:33). Ja, Gods kinderen zijn op weg naar hun Vaderhuis, naar het Vaderhart. Ze zullen straks eeuwig bij Hem zijn. Dan zal het zijn: Doet een ring aan zijn hand en schoenen aan de voeten (Luk. 15:22), en doe het feestkleed aan. Laat de wereld hen dan maar niet kennen, laat de wereld hen maar haten, laat de wereld maar met hen spotten, maar zij die Gods kinderen genaamd worden, gaan straks eeuwig in. Want de Vader ziet bij het Vaderhuis al naar hen uit; en zij begonnen vrolijk te zijn (Luk. 15:214).

Begrijpt u nu waarom een kind van God – als de Heere Hem daar wat inleidt – zegt: Ziet, hoe grote liefde de Vader ons gegeven heeft. Wij hebben toekomst, dat zegt vers 2: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods. Het is een voorrecht om dit te mogen weten. Hier in dit leven al hebben wij het recht op het kindschap van God en de zekerheid hiervan. Nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is (1 Joh. 3: 2).

 

Nu moet u eens goed kijken naar dit vers. Nu zijn wij, nu weten wij, maar wat we zullen worden, weten we nog niet. Er is een volk op de aarde, dat door Goddelijke genade mag weten een kind van God te zijn, en een erfgenaam van de eeuwige toekomst. Gods kinderen weten, schrijft Johannes, wat ze zijn, want de dingen zijn hun door God geschonken. Ze weten echter nog niet wat ze zijn zullen, want dat is voor hen nog verborgen. Het is bedekt, zegt Johannes, terwijl juist hij zoveel heeft geleerd van deze verborgenheden. Heeft hij op het eiland Patmos niet mogen inzien in de heerlijkheid van de hemel? Heeft God daar Christus niet geopenbaard? Als Hij zal geopenbaard zijn, zullen wij Hem zien gelijk Hij is. Kanttekening 13 zegt: ‘Namelijk in Zijn volle heerlijkheid, zittende ter rechterhand Zijns Vaders; hetwelk een groot deel van onze gelukzaligheid zal zijn.’

Dan zullen Gods kinderen Hem zien gelijk Hij is. Dat is hier door het geloof, maar daar zal het zijn door aanschouwen. Nu weten ze een kind van God te zijn, maar als Hij zal geopenbaard zijn, mogen ze Hem zien in Zijn heerlijkheid gelijk Hij is. Onze vaderen zeggen: ‘Dat is nu de zaligheid voor de Kerk, dat ze Hem mogen zien, Die hun kocht met Zijn dierbaar bloed.’ Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien (Matth. 5:8). Hier mogen ze het weten door de zekere geloofswetenschap, en ze mogen steunen op Gods werk en Woord, maar dan zal het zijn: Dan zullen ze Hem zien gelijk Hij is. Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Filip. 1:6). Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet (Hebr. 11:1).

Als Hij zal geopenbaard zijn, zullen ze aan Hem gelijk zijn. Dan zal het Goddelijke beeld in hen zijn hersteld. Nee, Hij blijft het Hoofd en zij de leden. Hij blijft de verheerlijkte Christus en zij blijven Zijn kinderen, maar dan zullen ze toch aan Hem gelijk zijn. Dat heeft geen oog gezien en geen oor gehoord en is in het hart van een mens niet opgeklommen.

 

Een voorbeeld, waar je misschien niet direct jaloers op wordt. Daar zit Job op de vuilnisbelt en hij weet de dingen die van God geschonken zijn. Job mag weten wat er in zijn leven is gebeurd en mag bij ogenblikken ook weten hoe de toekomst zal zijn. Dan mag hij zeggen: Want ik weet – dat is de geloofswetenschap – mijn Verlosser leeft (Job 19:25). In alle ellendige omstandigheden, moeite en verdriet weet hij: mijn Losser, mijn Goël leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan (Job 19:25). Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot (Job 19:27), en dan zal ik Hem zien gelijk Hij is.

 

4. Hun roeping

Bij al deze voorrechten is er ook een roeping. En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. We hebben gesproken over de voorrechten om Gods kinderen genoemd te worden. Wat is het groot als we het met vrijmoedigheid van Hem mogen verwachten. Wat is het een wonder als u mag weten dat wanneer Hij komt, u niet beschaamd zult worden.

En nu, na deze bemoedigingen en bevestigingen, roept Johannes hen op tot een heilige, christelijke levenswandel.

Ieder die deze hoop op de toekomst heeft, spoort hij aan tot een heilig leven. Hij legt in de verzen 3 tot 6 de toetssteen tot heiligmaking in het leven der genade. Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal (Hebr. 12:14). Johannes zegt: Dan zullen ze Hem zien gelijk Hij is. Maar dat vraagt hier een heilig leven. Als hij schrijft: Die reinigt zichzelf, ziet dat op de innerlijke reiniging door het bloed van de Heere Jezus Christus. Dit is een doorgaand proces tot de laatste snik toe.

Gelijk Hij rein is. Er wordt dan gewezen op de Heere Jezus Christus. Hij Die zonder zonden is. In vers 5 wordt Hij genoemd: opdat Hij onze zonden zou wegnemen en geen zonde is in Hem. Daar klinkt iets in door: ‘Heilige Jezus, heilig mij; ik moet heilig zijn als Gij.’

Johannes zegt: ‘Jullie weten toch persoonlijk, bevindelijk, dat Jezus geopenbaard is in de volheid des tijds, opdat Hij jullie zonden zou wegnemen? Hij heeft ze meegedragen op Golgotha ’s kruisheuvel. Hij droeg ze weg in een zee van eeuwige vergetelheid. Hij is toch het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt?’

 

Vers 4 vervolgt: Een iegelijk die de zonde doet – merkt u de tegenstelling met vers 3? – die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid. Er worden hier twee soorten mensen tegenover elkaar gesteld. Er is een groot verschil. Het grote verschil is: de zonde heerst niet in Gods kinderen. Zij gaan tegen de zonden strijden; ze kennen verdriet en berouw over de zonden en zoeken vergeving. Als ze soms uit zwakheid in zonden vallen, zoeken ze reiniging in de Fontein die geopend is tegen de zonden. Ze zuchten onder hun zondige aard om daarvan verlost te worden.

Maar anderen doen de zonde bewust en hebben Hem nooit gekend. Ze zijn wetteloos en negeren Gods geboden. Ze leven in de zonde en gaan door in de ongerechtigheid. Ze blijven in de zonde leven als een vis in het water, maar straks zullen ze verschrikken wanneer ze voor God moeten verschijnen.

 

Wie kan God met vrijmoedigheid tegemoet zien? Die de rechtvaardigheid doet. Die zichzelf reinigt, opdat hij zijn lichaam en ziel, die beide zo uitnemend verheerlijkt zullen worden, in reinheid en heerlijkheid zal bezitten (Kantt. 17). Die heeft deze Christus nodig, niet alleen voor zijn rechtvaardiging, maar ook voor zijn heiligmaking. Ieder die christen mag heten, mag in Hem blijven.

Er zijn twee soorten personen, een iegelijk in vers 3 en een iegelijk in vers 4. Onderzoek het eens, gemeente. Bij welke van de twee hoort u?

Zoek dan de Heere terwijl Hij te vinden is. Als u nu nog zonder God en zonder Christus Zijn toekomst tegemoet gaat, zoek dan toch geborgen te zijn bij Hem. Hij laat het getrouwe Woord dat alle aanneming waardig is, nog verkondigen. Er is voor de grootste van de zondaren nog redding, verlossing. Wie zijn zonden belijdt en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. Neem Paulus als een voorbeeld. Zou het dan voor u niet kunnen? Zoekt Hem dan, belijdende uw zonden en schuld en smeek Hem om genade.

 

Kinderen van God, ziet, hoe grote liefde. Die reinigt zichzelf, staat er. Zij hebben voortdurend reiniging nodig. Gelijk Hij rein is. Nee, niet zoals Christus, want Hij is het Voorbeeld. Nooit zullen ze zo rein zijn als Christus. Want Hij is zonder zonde, deze blanke Borg.

Ik dacht nog aan het volgende voorbeeld. Ik heb altijd het idee – u misschien ook – dat schapen wit en rein zijn. Maar als je dan op een prachtig besneeuwde vlakte met de ondergaande zon bent, dan zijn daarmee vergeleken maar besmeurde beesten.

Nooit zullen ze de reinheid van Hem in zichzelf bereiken, maar door de reinheid, de heiligheid van het heilig Kind Jezus komt er een volk dat hier mag zeggen: ik ben zwart, doch lieflijk (Hoogl. 1:5) en rein in Hem.

Daarom, kinderen van God, Zijn toekomst nadert. Hij komt. Blijft in Hem. Leef dicht bij de Heere, opdat u vrijmoedigheid mag ontvangen en niet beschaamd zult worden. Laat ons afleggen allen last, en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht (Hebr. 12:1,2). Maar nu zit Hij aan de rechterhand Gods des almachtige Vaders, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

 

En dan? Wat is uw toekomst? Is het: Komt gij gezegenden Mijns Vader (Matth.25:34), die kinderen des Vaders genaamd zijn? Of klinkt het: Gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt (Matth. 7:23)? Gaat weg van Mij, gij vervloekten in het eeuwige vuur (Matth. 25:41).

 

Eeuwige vreugde of eeuwig vuur. Weet u wat het enige onderscheid is? In Hem.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 143:10

 

Leer mij, o God van zaligheden,
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;
Uw goede Geest bestier' mijn schreden,
En leid' mij in een effen land