Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 9

Het geloof in God de Vader

Deze Vader is mijn verzoende Vader in Christus
Deze Vader is de Vader van al Zijn schepselen
Deze Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 7
Lezen : Jesaja 45: 5 - 18
Zingen : Psalm 34: 1, 2 en 5
Zingen : Psalm 33: 7, 11
Zingen : Gebed des Heeren: 10

Gemeente, aan de beurt van behandeling is Zondag 9. Daar staat boven: Van God de Vader en onze schepping.

 

Laten we samen deze Zondag lezen.

 

Vraag 26: Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Antwoord: Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is; op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

 

Gemeente, het gaat over

Het geloof in God de Vader

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Deze Vader is mijn verzoende Vader in Christus.

2. Deze Vader is de Vader van al Zijn schepselen.

3. Deze Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven.

 

Gemeente, ik heb een vraag: ‘Gelooft u in God?’ En jullie, jongelui? ‘Geloven jullie in God?’ ‘Ja’, zeg je, ‘wat is dat nu voor een vraag! Dat staat hier toch niet?’ Dat is waar. Het is een geloofsuitspraak. Wij belijden: ‘Ik geloof in God.’

Gelooft u in God? Geloof jij in God? Dat betekent niet, dat je gelooft dat God bestaat, maar het betekent, dat je gelooft dat Hij ook jouw God is en dat alles wat Hij heeft, ook voor jou is en tot jouw zaligheid. Ik heb Hem lief, ik leef voor Hem en ik vertrouw op Hem. Dat zit er allemaal in. Want geloven is vertrouwen.

 

Ik geloof in God.

Als onze geloofsbelijdenis begint met de woorden: ‘Ik geloof in God’, dan moeten we dat als volgt opvatten: Ik geloof in God de Vader, ik geloof in God de Zoon en ik geloof in God de Heilige Geest.

Weet u wat het rijke is van Zondag 9? Het gaat niet zomaar over de schepping, maar over de Schepper. En dan nog wel over de Schepper, Die ook mijn God en mijn Vader is. Denkt u zich eens in! De Schepper van alle dingen is mijn Vader, mijn God.

 

Weet u wat het trieste en het povere is van de evolutieleer? Dat het in die kille, wetenschappelijke theorie niet alleen wemelt van de onwaarschijnlijkheden, tegenstrijdigheden en onbewezen veronderstellingen, maar vooral, dat in heel dat systeem geen plaats is voor de Vader, Die de bron, de bedding en de bestemming van mijn leven is. Een mens moet toch wel afgestompt en heel oppervlakkig zijn, wil hij nooit eens komen tot verwondering vanwege het diepe mysterie van het leven, van het bestaan!

Buig eens over de wieg van een pasgeboren kindje. Dan zie je zo’n baby liggen en dan is het, zeker als je er vader en moeder van bent, duidelijk, dat dat geen mensenwerk is. Daar zit Gods hand achter. Ik zou me kunnen voorstellen, dat een eerlijk en weldenkend natuurwetenschapper tot de uitspraak zou komen: ‘Ik kan binnen de grenzen van de wetenschap weliswaar geen goddelijke Schepper bewijzen, maar ik kan nog veel minder zijn niet-bestaan bewijzen.’ De dingen moeten toch een oorsprong en bestemming hebben?!

God is niet via de natuur of de natuurwetenschap te bewijzen of te verklaren, maar een natuuronderzoeker hoeft in verband met zijn werk Genesis 1 niet te schrappen. Integendeel, juist zijn werk zal hem te meer kunnen werpen op God de Schepper. Het is niet zo, dat de wetenschap ons God leert kennen, want dat doet de Heilige Geest door middel van de Bijbel. Het is best mogelijk, dat de wetenschap veel vragen stelt in de richting van God, maar een antwoord kan ze daar niet op geven.

‘Wie God is’ en ‘hoe God is’, leren we uitsluitend uit de Bijbel. God laat Zich niet verklaren, maar Hij wil Zich openbaren in het Woord.

Ook via de schepping en de natuur, als het werk Zijner handen, presenteert Hij Zich. Die openbaring is alleen maar door het geloof te aanvaarden, te ontvangen en te ervaren.

 

We hebben geen scheppingsleer, maar wel een scheppingsgeloof. En in dit geloof belijdt de Heidelberger God de Schepper. De Catechismus spreekt na wat ze gehoord heeft uit Gods onfeilbaar Woord. Daar is niets kils aan, daar is ook niets onpersoonlijks bij. Alles tintelt van liefde, leven en bewondering.

 

Het gaat over de woorden: Ik geloof in God de Vader.

Hij heeft alle dingen geschapen. De belijdenis van de schepping is voor een christen veel meer, dan alleen maar de bewering dat God alle dingen gemaakt heeft. Dat geloven de duivelen namelijk ook en ze sidderen. Een christen siddert en beeft trouwens ook, maar dan in de vreze des Heeren. Een christen beeft van verwondering en van vreugde, want deze Schepper, Die mijn oorsprong is van den beginne, is ook in het heden mijn levensbron en mijn levenskracht. Hij is mijn Leidsman, mijn Beschermer, mijn Verlosser en mijn Voleinder. Hij is mijn Vader, zo belijdt hier de Catechismus.

 

Er staat niet: ik geloof in de schepping. Er staat ook niet: ik geloof, dat God de wereld geschapen heeft. Maar de hoofdzin in het antwoord van vraag 26 is kort en klaar: Ik geloof, dat Christus’ Vader, Die alles geschapen heeft, ook mijn Vader is.

 

Hier wordt het Vaderschap van God bezongen en bejubeld. Heel Zondag 9 is een ontvouwing van dit ene kleine zinnetje. Alles wat gezegd wordt over de schepping en over de voorzienigheid staat eigenlijk tussen haakjes. Dat is een bijzin, maar het gaat in de eerste plaats om deze hoofdzin:

dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus ook mijn God en mijn Vader is.

 

Daarna werkt de Catechismus uit wat ik aan dat vaderschap heb, namelijk dat Hij mijn leven lang voor mij zorgt. Wat een troost is het om in dit leven geborgen te zijn in Hem, dat er een Vader is, Die zorgt! God is mijn Vader en Hij zorgt voor mij als een Vader. Daar komt eigenlijk heel Zondag 9 op neer.

De schepping komt ter sprake als het werk van de Vader. Hier wordt niet vanuit de schepping naar het geloof geredeneerd, maar vanuit het geloof in het Vaderschap van God wordt de schepping beschouwd. Over de schepping, zo wil de Catechismus zeggen, kunnen we alleen maar spreken vanuit het geloof. Wie dat niet doet, weet met de schepping geen raad en komt uiteindelijk bij de evolutietheorie terecht.

 

Het lijkt wel een lied, een psalm van geloofsvertrouwen, de uitwerking van Zondag 1.

Dat lied wordt gezongen in drie strofen.

Het eerste couplet bezingt God als mijn verzoende Vader in Christus.

Het tweede couplet bezingt deze Vader als de Vader van al Zijn schepselen, als de Almachtige, Die hemel en aarde geschapen heeft.

Het derde couplet bezingt deze Vader als de Verzorger en de Beschikker van mijn leven.

 

Ik geloof in God de Vader.

Gemeente, wij belijden met de kerk van alle eeuwen de almachtige Vader. De twaalf Artikelen beginnen met: Ik geloof in God, de Vader. En wat voor Vader is Hij? Hij is geen tijdelijke, aardse, menselijke vader, maar een eeuwige Vader. Hoe kan dat? Was God dan al Vader voor de tijd? Was God al Vader van eeuwigheid af, voor dat wij er waren? Jazeker! En van Wie was God dan Vader? Hij is van eeuwigheid af de Vader van Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus.

Laat dat eens tot je doordringen. God is Vader. Dat is Hij altijd al geweest. Dat Vaderschap is onafscheidelijk verbonden met Zijn Wezen. God werd niet pas Vader toen Hij de mens schiep, toen de mens Hem Vader ging noemen, maar het Vaderschap van God behoort tot Zijn Wezen.

Wij noemen God niet Vader naar analogie van het aardse vaderschap, maar het is juist andersom. Het vaderschap op aarde is slechts een herinnering aan of een weerspiegeling van Gods oorspronkelijke Vaderschap. Als u eens bedenkt, hoe een aardse vader zich ontfermt over zijn kinderen, dan hebt u nog geen miljoenste deel gepeild van hoe de Heere Zich ontfermt over degene die Hem vrezen.

God laat Zich nergens anders denken, geloven en belijden, dan als Vader. Hij is overal en altijd de God en Vader van Zijn kind. Hij is ook nooit zonder de Zoon.

 

Gemeente, deze fundamentele, Bijbelse gedachte heeft verstrekkende gevolgen. Ze houdt namelijk in, dat God alle dingen riep en schiep door Zijn Zoon, door het eeuwige Woord. Het houdt in, dat Adam en Eva in het paradijs hun God niet anders kenden dan in de Zoon. Ook voor de zondeval was er tussen Schepper en schepsel de voortdurende bemiddeling van Zijn Zoon. Zo alleen kon Adam kind zijn van deze Vader, om en in dat eeuwige Kind. U begrijpt wel, dat de noodzaak van deze bemiddelende Middelaar nog ongekend is toegenomen, toen de mens zich van zijn Maker en Formeerder heeft afgescheurd en losgemaakt.

Daar lag opeens dat kindschap van Adam, veracht, verbeurd en vertrapt. Dat heeft hij zelf gedaan. Het Vaderhuis liet hij welbewust achter zich. Dit afscheid laadde een ontzaglijke schuld op zijn ziel. Hij was het niet meer waard om een kind genaamd te worden. Hij heeft een andere vader gekozen, de vader der leugenen, de duivel. Moed- en vrijwillig heeft hij God verlaten en zich onderworpen aan die andere vader.

 

O, gemeente, het is wat, als je ziet hoe erg dat is, ook met betrekking tot jezelf, want wij zijn allemaal kinderen van Adam! We zijn allemaal verloren zonen en dochters. En het is tegen deze afschrikwekkende achtergrond, dat het lied van Zondag 9 opnieuw als een wonder van genade opklinkt. Ik, kind van Adam, ben verloren. Ik ben een schuldige zondaar, maar om Christus’ wil mag ik nochtans een kind zijn van deze Vader. Is dat geen onuitsprekelijk wonder? Dat spreekt toch niet vanzelf? Gelooft u dat ook?

Heel veel mensen spreken daar zo gemakkelijk over. Ze zeggen: ‘O, natuurlijk, God is mijn Schepper en Hij is ook mijn Vader.’ Ja maar, dat is geen vanzelfsprekende zaak. Dat heeft het leven van de Zoon gekost. Zondag 6 is aan Zondag 9 voorafgegaan. Zonder kennis van de Middelaar hebben wij God niet tot Vader. Christus is de enige Weg tot de Vader. Hij heeft gezegd: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ Bent u daar wel eens van geschrokken, dat we ons kindschap verspeeld en verzondigd hebben en dat we het niet waard zijn om God, de Schepper van hemel en aarde, Vader te noemen?

Nee, hier spreekt niets vanzelf. Alles getuigt hier tegen Adam, tegen u, jou en mij. Want hoe zal nu deze Vader, Die ik beledigd en op het hart getrapt heb, weer verzoend met me zijn? Hoe zal Hij weer goed op me zijn? Gemeente dat kan nooit om iets vanuit ons als ontaarde kinderen.

 

Er is er maar Eén, Die ons met de Vader verzoenen kan, Die het Vaderhuis weer openstelt voor verloren zonen en dochters. Dat is de eeuwige Zoon des Vaders. In Zijn liefdevolle hart heeft Hij Zich daarvoor gegeven. Dat kostte Hem letterlijk alles. Hij verliet Zijn Vaderhuis, hij verruilde Zijn hemelse paradijs voor het ballingsoord van deze wereld, dat getekend is door de zonde, de afval en de vernietiging. Hij betrad dit oord van onze Godsvervreemding en Hij nam ons vlees en bloed aan. Het vlees en bloed van mensen, die met God gebroken hebben, met de gevolgen van de zondeval daaraan verbonden. Het Woord is vlees geworden. De Zoon van God wordt het Kind van Maria. In het vlees brengt Hij het offer van de verzoening. Daar heeft Hij voor geboet en daar heeft hij voor gebloed. Hij heeft Zijn armen gewillig uitgestrekt aan het vloekhout van het kruis, zodat verloren mensenkinderen weer terug geroepen kunnen worden naar het Vaderhuis.

O, zie Hem hangen aan het kruis! Het kost Zijn leven. Hij wordt beschimpt en bespot. Het bloed druipt uit Zijn wonden. Hij is verlaten van Zijn God en Vader, omdat zondaren, die deze God en Vader leren kennen door Christus Jezus, nimmermeer door God verlaten zullen worden. In plaats van de vijanden droeg Hij de straf, die hen de vrede aanbrengt.

Zo heeft Hij door Zijn lijden en sterven heen, de weg ontsloten naar het Vaderhuis en naar het Vaderhart. Om Zijn Zoon te zenden naar deze wereld, daar zit de diepe genade van God achter, daar zit het eeuwig welbehagen van de Vader achter. Daar zit de gewilligheid en liefde van Christus achter, om Zijn leven te geven voor Zijn schapen. Daar zit de gewilligheid en het onwederstandelijke werk van de Heilige Geest achter, Die in zondaarsharten Zijn intrek wil nemen en daar plaats wil maken voor deze God en Vader.

 

Dwars door het oordeel van Gods rechtvaardige toorn heen, bleef Christus gehoorzaam aan Zijn God, aan Zijn Vader. Hij bleef kinderliefde betonen, ook toen de Vader Zich voor Hem verborg. Hij werd verlaten. Voelt u, wat Hij deed, gemeente? Dit Kind des Vaders betaalde de schuld van onze Godsverzaking en Godsverlating. Dit Kind gaf God opnieuw de eer, die Hem als enige Vader toekwam. Hij deed volkomen genoegdoening, zodat wij, verloren zonen, om Zijnentwil tot kinderen kunnen worden aangenomen. Zo alleen kan en mag er een schare, die niemand tellen kan, terugkeren en thuiskomen in het Vaderhuis.

 

Nee, dat praten we onszelf maar niet een beetje aan!

Gemeente, ik verkondig het u in de wetenschap, dat de Geest gewillig is om het te brengen in uw hart. Om een echt kind van God te zijn, moet je wederom geboren zijn door de levenwekkende kracht van Woord en Geest. O, dan worden verloren zonen en dochters getrokken tot God!

Kent u die trekkracht? Bent u al getrokken uit de wereld van zonde en duisternis? Bent u al door God getrokken met koorden van goedertierenheid? Verlangt u naar huis, zoals Jeremia 31 het beschrijft: Ze zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren. Heb je wel eens bitter geweend over je verzondigde leven en over de versmade Vaderliefde? Je leerde God kennen als Rechter. Je durfde de Vadernaam niet op de lippen te nemen vanwege je onwaardigheid, je nietigheid en je kleinheid. Je zette je er helemaal buiten en toch kon je de gunst van God niet missen. Je leerde bidden: ‘Denk toch aan het Vaderlijk mededogen, Heere, waarop ik biddend pleit.’

Wie zich dat kindschap niet meer waardig keurt, die krijgt het terug. De Schrift zegt: Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat we kinderen Gods genaamd zouden worden. De Geest richt het hoofd van een verloren zondaar op Christus Jezus in al Zijn Middelaarsgraveerselen. Dan breekt uw hart, als u zien mag, dat God u opzocht in Zijn eeuwige zondaarsliefde. Hij liet u niet liggen op de vlakte van het veld. Wat een eeuwig wonder, dat Christus kwam! Wat een eeuwig wonder, dat de Geest gewillig is om deze weldaad toe te passen in de harten van mensen! Ook het kindschap, dat Christus heeft verdiend. O, dan kun je het niet op, als je daar iets van mag zien! Daarvan zegt de dichter: ‘Mijn beker is overvloeiende.’

 

In Christus zien we de weg tot de Vader geopend, de weg van verzoening door Zijn bloed. Daar weidt mijn ziel met een verwonderend oog. Door het geloof ziet u de geopende vaderarmen en u hoort het van Zijn lippen: ‘Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochters wezen.’ De Geest, Die van de Vader en de Zoon uitgaat, zoekt ons op in onze verlorenheid. Hij brengt het Woord des Heeren tot in het diepst van ons hart. Daar verklaart Hij plechtig en ontwijfelbaar, dat we kinderen Gods mogen zijn.

Jullie zingen het wel eens, jongens en meisjes: ‘Abba Vader, U alleen, U behoor ik toe.’ Besef je dan wat je zingt? Wat is dat groot, als dat waar mag zijn in je leven!

 

U, o eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, bent om Uw Zoons Christus’ wil ook mijn God en mijn Vader.

Dat was onze eerste gedachte: God de Vader is mijn verzoende Vader door Christus.

 

2. Deze Vader is Vader van al Zijn schepselen

 

De Catechismus zegt het zo:

Dat de eeuwige Vader, Die de hemel en aarde met al wat daarin is, uit niet geschapen heeft, Die naar Zijn eeuwige raad en voorzienigheid nog onderhoudt en regeert.

 

In onze eerste gedachte hebben we gezien Wie God is. Hij is Vader van Christus en door Hem de Vader van al Zijn kinderen.

Een rechtgeaard kind ziet hoog op tot zijn vader. Daar zit dan vaak veel grootspraak in. Maar van onze Vader in de hemel kunnen we nooit groot genoeg spreken. Hij is de Almachtige, Hij heeft hemel en aarde uit niet geschapen. God heeft alles tot aanzijn geroepen. Toen God deze wereld schiep, was niemand daarbij aanwezig. Niemand zal dat ooit ook kunnen begrijpen.

 

Kunt u de schepping begrijpen? Wie dat probeert, komt altijd verkeerd uit. Dan gaan we gissen en filosoferen. Dan komt de één uit bij het materialisme, de ander bij het idealisme en een derde bij het evolutionisme.

Jongelui, laat je maar nooit imponeren door al die wetenschappelijke theorieën. Want alle pogingen om het ontstaan van de wereld, de mens en de natuur te verklaren vanuit de wetenschap zijn vruchteloos.

Lees je Bijbel en wat daar staat op de eerste bladzijde: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Dat kun je niet begrijpen, dat kun je alleen maar aanvaarden in het geloof.

 

Het geloof ziet in de schepping de hand van de Vader. Daarover gaat het hier in Zondag 9. Het gaat niet in de eerste plaats over de schepping, maar over het Vaderschap van God. Zonder het geloof in God de Vader kun je eigenlijk geen zinnig woord over de schepping zeggen. Denk maar aan Hebreeën 11. Daar staat het duidelijk: Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord van God is toebereid. Dat is de bril van het geloof, de bril waarmee we de schepping zien.

Daarom hoeven we ook de leer van de schepping niet te verdedigen. Trouwens, de wetenschap spreekt zichzelf ook op legio plaatsen tegen. Wie schiep dat oercelletje? Wanneer was die oerknal? ‘Vijf miljoen jaar geleden’, zegt de één.’ ‘Nee’, zegt de ander, ‘het is miljarden jaren geleden.’ Nou, dat scheelt niet weinig. Zo kom je er dus ook niet. Dat heeft ook allemaal geen zin.

 

Natuurlijk, gemeente, staan wij bij het onderzoek van de schepping voor ontzaglijke vragen. Dat ontken ik niet. Die vragen kan ik niet beantwoorden en u waarschijnlijk ook niet. Maar dat hoeft ook niet, want wij hebben onze Bijbel. De Bijbel is geen handboek voor de natuurwetenschap, maar het boek van Gods openbaring. Daarin komt God naar ons toe als de Vader, Die alle dingen en ook u geschapen heeft. De Bijbel zegt het overduidelijk, dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus alles uit niet geschapen heeft en dat nog onderhoudt en regeert. Dat is genoeg, meer hebben we niet nodig. Een christen zegt over het ontstaan van de wereld heel eenvoudig: ‘Mijn Vader heeft de wereld geschapen.’ 

 

Het is de Vader aan Wie in het bijzonder het werk van de schepping wordt toegeschreven. Hij deed dat niet buiten de Zoon en de Heilige Geest om. Denk maar aan de bekende tekst: Door het Woord des Heeren, Christus, zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest Zijns monds al hun heir. Daar hebt u ze bij elkaar.

Toch is de schepping het eigenlijke werk van de Vader. Daar staat de Bijbel vol van. In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De profeten herinneren het volk daaraan: Heft uw ogen omhoog en ziet Wie dit alles geschapen heeft. We hebben het ook gelezen in Jesaja 45.

De psalmdichters loven hun Schepper: De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

 

De Catechismus zegt: ‘Hemel en aarde, met alles wat erin is.’ De Almachtige riep dat tot aanzijn, door een enkel machtswoord uit Zijn mond. Hij schiep de hemel, de zon, de maan, de planeten, de sterren en de miljoenen lichtjaren. Hij schiep ook de aarde, de planten en de bomen, de kruiden en de bergen, de heuvels en de dalen, de zeeën en de rivieren. Noemt u maar op. Hij schiep ook de vogels in de lucht, de vissen in de zee en de dieren op het veld. Als kroonstuk op de schepping schiep Hij ook de mens.

Zo staat het in de Bijbel: Alzo zegt God de Heere, Die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft en wat daaruit voortkomt; Die den volke dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen die daarop wandelen.

 

Gemeente, God is krachtens de schepping ook ons aller Vader. Elk mens is als schepsel een kind van God. Maleachi zegt dat ook: ‘Hebben wij niet allen één Vader?’ Hij zegt daar direct achteraan: ‘Heeft niet één God ons geschapen?’

Adam was de zoon van God. ‘Ja’, zegt u, ‘maar daar is de zondeval tussen gekomen. Toen is alles veranderd. We zijn toch de duivel toegevallen?’ Jawel, maar ondanks onze ongehoorzaamheid hebben wij het Vaderschap van God niet teniet kunnen doen. Als uw kind tegen u opstaat en de situatie thuis onhoudbaar wordt en u jaagt uw kind de deur uit, dan blijft het toch wel uw kind, al is de relatie verstoord, verbroken en kapot. Welnu, zo is het ook met het Vaderschap van God krachtens de schepping.

In Adam hebben we onze Vader de rug toegekeerd. We zijn het huis uitgegaan; we zijn weggelopen van God. Wij zijn ontaarde kinderen geworden, maar God blijft wel onze Vader en wij blijven wel Zijn kind. Als Schepper houdt God Zijn rechten op ons aller leven, gemeente.

 

Ook op jullie, jongelui. De Bijbel zegt: Gedenk aan je Schepper in de dagen van je jongelingschap. Dat moet je doen, hoor, voordat je oud wordt en ziek en je geen gelegenheid meer hebt om God te zoeken en te dienen! Vooral het dienen is zo belangrijk. De Heere is het zo waard, dat we Hem dienen! Je kunt God beter beginnen te dienen als je nog jong bent, als je acht jaar, tien jaar of vijftien jaar bent.

 

Gemeente, zelfs de verstoktste zondaar is bij de Heere welkom. De moordenaar aan het kruis, die op aarde God niet meer dienen kon, was bij de Heere welkom. Maar gedenk aan je Schepper, in de dagen van je jongelingschap. Hij is het zo waard.

God zorgt zo goed voor ons. Hij heeft je geholpen op school, je hebt een kamer gezocht en gekregen, je hebt werk gekregen, een baan, je mag gaan trouwen en ga maar door. Zorgt God? Of niet? Hij geeft gezondheid, kracht en wijsheid.

Gemeente, zoals we hier samen in de kerk zitten, zijn we toch allemaal toonbeelden van Gods zorg? En nu is deze God het zo waard, dat we Hem niet alleen nodig hebben voor ons tijdelijk leven, voor het geld en voor ons salaris, maar Hij wil ook, dat we Hem nodig hebben voor ons hart, voor onze ziel, tot verzoening van onze zonde.

Want het Liefste wat God had, heeft Hij gegeven, namelijk Zijn Zoon, de Heere Jezus. Het beste wat Hij had, heeft Jezus gegeven, namelijk Zijn leven aan het kruis. Het zou toch beledigend zijn, als we alles van de Heere wilden ontvangen behalve een nieuw hart?

 

Ja, al de goederen voor dit leven mag je van de Heere vragen. Je mag erom bidden en je krijgt ze nog ook. Kun je dan zeggen: ‘Heere, wat dat andere betreft, dat nieuwe hart, nee, dat heb ik niet nodig. Ik dien liever de zonde.’? Zou dat niet ontzaglijk beledigend zijn?

Zou u het nemen, als u uw kind maar betaalt en betaalt voor zijn studie en hij doet er mee waar u het niet voor geeft? Zou u dat nemen? En moet God dat nu wel nemen? Eigenlijk zou Hij met ons in een keer een einde moeten maken. Maar dat doet God niet, want Hij wacht en is geduldig. Hij roept en Hij trekt nog. Ook nu roept Hij nog verloren zonen.

 

U moet eens luisteren. Een vader mag zijn ongehoorzame kind er toch altijd op aan blijven spreken dat het kind is en altijd blijft? En zo zegt de Heere dat nu ook tegen ons.

Maar, weet u, niet alleen krachtens de schepping heeft God recht op ons, maar nog veel duidelijker krachtens onze doop, krachtens het genadeverbond. U en ik, wij lopen met het teken en zegel van Gods genadeverbond over deze wereld rond. God heeft ons gestempeld, getekend voor het leven en toegewijd voor Zijn dienst.

Hij heeft recht op ons leven. Hij wil, dat we Hem dienen en verheerlijken. Daar heeft Hij zelfs Zijn Zoon voor overgehad. Wat is daarop uw antwoord? Redeneer je verantwoordelijkheid niet weg. Nee, buig voor deze God, geef uw leven over in Zijn hand en leg u neer als een verloren zondaar, als een weggelopen kind aan Zijn voeten, met de vraag: ‘Heere, kan het nog goed komen? Wat moet ik doen om zalig te worden?’

Als u het hier niet doet, gemeente, dan wordt deze Schepper straks uw Rechter. Maar dan is het te laat.

O kom! De Heere roept nog.

 

Dat was onze tweede gedachte: God de Vader is Vader van al Zijn schepselen. In de eerste gedachte hebben we gezien, dat God mijn verzoende Vader is in Christus. Wat is dat heerlijk, rijk en vertroostend om zo’n Vader te hebben! Dit alles mogen we weten door het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart.

Hieruit vloeit onze derde gedachte voort, dat God de Vader de Verzorger en Beschikker van mijn leven is.  

Daarvan gaan wij zingen uit Psalm 33 vers 7 en 11: 

 

De grote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht,

Het gans gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Waar Hij heerst als Koning,

Waar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godd’lijk’ ogen

Op al ’t mensdom neer. 

 

De grote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht,

Het gans gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Waar Hij heerst als Koning,

Waar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godd’lijk’ ogen

Op al ’t mensdom neer. 

 

3. Deze Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven. 

 

Gemeente, wat hebben de kinderen van zo’n eeuwige, almachtige Vader een geweldige rijkdom. Zij mogen leven uit Zijn hand en op Zijn kosten. Zij liggen in leven en sterven voor rekening van hun Vader. Daarover gaat het in onze derde gedachte: God de Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven.

Kijk maar naar het slot van antwoord 26. Daar staat:

Op Welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader.

 

Het lijkt wel of de Catechismus hier een lied aanheft. Het is een strofe om te zingen, wanneer Gods vriendelijk aangezicht over ons licht. Maar het is ook een strofe om het uit te schreeuwen, als het donker om ons heen wordt en de diepte van de beproeving wordt ervaren.

 

Op Wie ik alzo vertrouw, zo zeer vertrouw. Hoe zeer? Nou, zo zeer, dat ik niet twijfel. Zet daar maar eens een streepje onder. U moet zich hieraan toetsen. We hebben het gehoord, dat God ons aller Vader is. Als je twijfelt, dan is je vertrouwen aan de maat. Zo gaat dat ook met een vader en zijn kind. Jullie twijfelen er toch ook niet aan of je vader goed voor je zorgt?

U zegt: ‘Is dat niet te hoog gegrepen, als het gaat over God?’ Nee, natuurlijk is dat niet te hoog gegrepen, want het gaat hier over het geloof en twijfelen is puur ongeloof. Geloven betekent vertrouwen, dat sluit alle twijfel buiten. Geloof is vastheid. Het geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

Ja maar, hoe moet het dan, als die twijfel je aanvliegt? U herkent het misschien wel in uw leven en jullie ook wel, jongelui?

 

Je twijfelt over het stuk van de schepping. Hoe kan dat nu? Je twijfelt aan de leiding van God in je leven. Het moet maar eens anders lopen, dan je zo graag had gewild. Hoe moet het dan als de twijfel je aanvecht? Hoe moet het dan als er van de almacht en van de Vaderlijke goedheid van God in je leven even niets te zien is? Als je aan het graf van je kind staat of aan het sterfbed van je man of vrouw?

Hoe moet het in de aanklacht van je beschuldigend geweten, onder de belegering van zonde en twijfel? Hoe moet het in de opstandigheid van het verbitterde hart? Hoe is het in het gezicht van nood en dood? Als je God kwijt bent, als je hart een graf geworden is van koude onverschilligheid, hoe moet het dan? Niet twijfelen? Vertrouwen?

 

U voelt, gemeente, het blijkt steeds weer, dat het geloof een gave van God is. Het geloof hebben we nooit op zak of in voorraad. Ik weet dat al deze vragen in het menselijk hart leven. De Bijbel spreekt daar ook over. Maar hoe moet het dan? We moeten God de God van Zijn Woord laten zijn. We moeten het Woord van deze God openslaan, lezen en vertrouwen. U weet toch wel wat dat is? In het Hebreeuws betekent vertrouwen: neerzinken op de vaste rotsbodem, als alles wankelt in je leven. Dat is vertrouwen.

Zie dan maar af van alles wat je zelf kunt, voelt en vreest. Zie dan maar liever op de vaste grond van Gods beloften in Zijn Woord. Daar staat het: Want Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept; mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.

 

Er is een God, Die hoort! God helpt in nood. Hoe moet het in de twijfel? Laat je zinken op het Woord. Houd het elkaar maar voor. Als de één het kwijt is, pakt de ander zijn Bijbel. Daar staat het: De Heere hoort de nooddruftigen.

Die zo door het Woord van deze God teruggeroepen en opgehaald wordt uit de vertwijfeling en tot de hoogte van het vertrouwen op deze God en Vader gebracht wordt, die vertrouwt ook op Zijn leiding in zijn leven. Ook als het donker en moeilijk wordt. Ook als de stormen van levensleed tegen je schip slaan. Maar te midden van al die nood mag een christen nochtans belijden: ‘Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige.’

Hij is machtig om ook in uw leven te doen wat Hij wil. Hij regeert. De nood kan groot zijn, maar de Helper is groter. De vijand is sterk, maar Vader is nog veel sterker. De duivel is machtig, maar mijn hemelse Vader is almachtig. Ja, Hij zal mij met alle nooddruft van lichaam en ziel verzorgen.

 

Nooddruft is wat je nodig hebt, of liever wat God in Zijn wijsheid voor ons nodig keurt. Laat dat maar aan Hem over. Om onze nooddruft mogen we vragen, om overvloed niet. Dat heeft God niet beloofd. Dat is een extra, als Hij dat ook nog geven wil.

Hij heeft alleen beloofd: Uw brood zal zeker en uw water zal gewis zijn. In de grootste smarten zal Ik bij u zijn. Als ge zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. Het vuur van de beproeving zal u niet aantasten.

 

Gelooft u, dat dat echt gebeurd is? Daar twijfelt u toch niet aan? En die God leeft nog. Hij is nog Dezelfde. Echt waar! God zorgt! Aan die God mogen we ons toevertrouwen, zegt de Bijbel en zegt de Catechismus.

Wat denkt u van die weduwe te Zarfath? Het flesje bleef maar stromen. Zo is God! Hij zorgt als een Vader voor Zijn kinderen.

 

Hij kan het onmiddellijk, Hij doet het vaak middellijk. Waarom, gemeente, zou u op deze God niet uw vertrouwen stellen? Waarom zou u het alleen doen? Waarom zou u het zelf doen? Waarom zou u tobben en modderen, wurmen en worstelen. Vergeefs.

 

Hij zorgt in ziekte en in nood. Ook in geestelijke nood, als het gaat om de verzoening met God, om de vergeving van al je zonden. Loop je weleens over je zonden te tobben? Heb je het weleens uitgeroepen: ‘Heere, zo kan het niet langer. Hoe komt het ooit nog goed tussen U en mijn ziel?’ De Heere zorgt. Hij heeft ervoor gezorgd, dat er vergeving is in het bloed van Zijn lieve Zoon.

Hij geeft genade tot heiligmaking. De klederen des heils, de bruiloftsklederen zijn door Christus verworven. Heb toch krediet op deze hemelse Vader, Die zorgt voor onze nooddruft voor lichaam en ziel beide. Wandel aan Zijn hand! Leef op Zijn kosten en vertrouw op Zijn leiding, ook als de weg door de zee gaat en Zijn pad door diepe wateren!

 

Dan vervolgt de Catechismus: En ook alle kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt.

Misschien gaat u daaronder gebukt en hebt u het daar moeilijk mee. Het kwaad, de moeite, het verdriet, het kruis, de hevige pijn, de slapeloze nachten van beproeving, de geestelijke bestrijding en verlating, kortom, alle kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt.

Schikt Vader dat toe aan Zijn kinderen, die Hij liefheeft? Gemeente, dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.

Komt het kwaad dan van God? Nee, het kwaad is een gevolg van de zonde.

God heeft ook geen jammerdal geschapen, maar dat hebben wij ervan gemaakt door onze zonde. De aarde is een tranendal. Dat is geen zwartgallig pessimisme, maar dat is de werkelijkheid van het leven op aarde na de zondeval. En dat kwaad overkomt ook Gods kinderen, want enerlei wedervaart de rechtvaardigen en de goddelozen. Maar er is wel een groot verschil. Hier staat: De Heere schikt het Zijn kinderen toe.

Hij regeert, Hij bestuurt. Er is geen noodlot. De mensen doen het je niet aan, maar het kwaad blijft wel kwaad. Spreek daar maar nooit te luchthartig over.

 

Als we zien mogen dat het uit Zijn Vaderhand komt, dan willen we er niets vanaf hebben, integendeel. Dan zeggen we: ‘Ik dank U, Heere, dat U toornig op mij geweest bent.’ In de beproeving kun je iets leren, in ieder geval wie jezelf bent. Hoe je reageert, maar ook Wie God voor je wil zijn. In de grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust.

Nee, dan komen we niet om, dan gebruikt de Heere het kwaad tot ons nut.

 

Daarom staat er hier: ten beste keren.

Dat is de overtreffende trap. Ten beste, dus niet ten goede, maar ten beste keren. Zie je wel, dat het kruis een heiligend kruis is? De oude mens gaat erin onder en de nieuwe mens komt er gelouterd uit tevoorschijn. Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest. Zo moeten alle dingen, zelfs het kwaad, medewerken ten goede voor degenen, die Hem liefhebben.

Het kan u dichter brengen bij God.  Hij zal al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, ten beste keren.

 

Ten beste. Waarom? Omdat Hij de beste van alle Vaders is, een overvloedige Fontein van alle goed. Zo zorgt deze Vader voor Zijn volk.

Hij kan het doen, zo zegt de Catechismus, als een almachtig God. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Heft uw ogen op en zie Wie al deze dingen geschapen heeft.

Hij is de Almachtige. Hij kan het, maar Hij wil het ook als een getrouw Vader. Hij stelt Zijn almacht in dienst van Zijn liefde.

 

Zo is onze hemelse Vader! Hij kan het doen, want Hij is almachtig, Hij wil het doen, want Hij is een getrouw Vader en Hij zal het doen als de God van Zijn Woord, want Hij heeft beloofd: ‘Ik zorg voor u.’ Bent u dan niet rijk?

 

Gelooft u in deze God?

Dan is uw antwoord:

‘Ja, ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.

Hij is mijn Vader om Christus’ wil uit genade.’ 

 

Amen. 

Gemeente, aan de beurt van behandeling is Zondag 9. Daar staat boven: Van God de Vader en onze schepping.

 

Laten we samen deze Zondag lezen.

 

Vraag 26: Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Antwoord: Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is; op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

 

Gemeente, het gaat over

Het geloof in God de Vader

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Deze Vader is mijn verzoende Vader in Christus.

2. Deze Vader is de Vader van al Zijn schepselen.

3. Deze Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven.

 

Gemeente, ik heb een vraag: ‘Gelooft u in God?’ En jullie, jongelui? ‘Geloven jullie in God?’ ‘Ja’, zeg je, ‘wat is dat nu voor een vraag! Dat staat hier toch niet?’ Dat is waar. Het is een geloofsuitspraak. Wij belijden: ‘Ik geloof in God.’

Gelooft u in God? Geloof jij in God? Dat betekent niet, dat je gelooft dat God bestaat, maar het betekent, dat je gelooft dat Hij ook jouw God is en dat alles wat Hij heeft, ook voor jou is en tot jouw zaligheid. Ik heb Hem lief, ik leef voor Hem en ik vertrouw op Hem. Dat zit er allemaal in. Want geloven is vertrouwen.

 

Ik geloof in God.

Als onze geloofsbelijdenis begint met de woorden: ‘Ik geloof in God’, dan moeten we dat als volgt opvatten: Ik geloof in God de Vader, ik geloof in God de Zoon en ik geloof in God de Heilige Geest.

Weet u wat het rijke is van Zondag 9? Het gaat niet zomaar over de schepping, maar over de Schepper. En dan nog wel over de Schepper, Die ook mijn God en mijn Vader is. Denkt u zich eens in! De Schepper van alle dingen is mijn Vader, mijn God.

 

Weet u wat het trieste en het povere is van de evolutieleer? Dat het in die kille, wetenschappelijke theorie niet alleen wemelt van de onwaarschijnlijkheden, tegenstrijdigheden en onbewezen veronderstellingen, maar vooral, dat in heel dat systeem geen plaats is voor de Vader, Die de bron, de bedding en de bestemming van mijn leven is. Een mens moet toch wel afgestompt en heel oppervlakkig zijn, wil hij nooit eens komen tot verwondering vanwege het diepe mysterie van het leven, van het bestaan!

Buig eens over de wieg van een pasgeboren kindje. Dan zie je zo’n baby liggen en dan is het, zeker als je er vader en moeder van bent, duidelijk, dat dat geen mensenwerk is. Daar zit Gods hand achter. Ik zou me kunnen voorstellen, dat een eerlijk en weldenkend natuurwetenschapper tot de uitspraak zou komen: ‘Ik kan binnen de grenzen van de wetenschap weliswaar geen goddelijke Schepper bewijzen, maar ik kan nog veel minder zijn niet-bestaan bewijzen.’ De dingen moeten toch een oorsprong en bestemming hebben?!

God is niet via de natuur of de natuurwetenschap te bewijzen of te verklaren, maar een natuuronderzoeker hoeft in verband met zijn werk Genesis 1 niet te schrappen. Integendeel, juist zijn werk zal hem te meer kunnen werpen op God de Schepper. Het is niet zo, dat de wetenschap ons God leert kennen, want dat doet de Heilige Geest door middel van de Bijbel. Het is best mogelijk, dat de wetenschap veel vragen stelt in de richting van God, maar een antwoord kan ze daar niet op geven.

‘Wie God is’ en ‘hoe God is’, leren we uitsluitend uit de Bijbel. God laat Zich niet verklaren, maar Hij wil Zich openbaren in het Woord.

Ook via de schepping en de natuur, als het werk Zijner handen, presenteert Hij Zich. Die openbaring is alleen maar door het geloof te aanvaarden, te ontvangen en te ervaren.

 

We hebben geen scheppingsleer, maar wel een scheppingsgeloof. En in dit geloof belijdt de Heidelberger God de Schepper. De Catechismus spreekt na wat ze gehoord heeft uit Gods onfeilbaar Woord. Daar is niets kils aan, daar is ook niets onpersoonlijks bij. Alles tintelt van liefde, leven en bewondering.

 

Het gaat over de woorden: Ik geloof in God de Vader.

Hij heeft alle dingen geschapen. De belijdenis van de schepping is voor een christen veel meer, dan alleen maar de bewering dat God alle dingen gemaakt heeft. Dat geloven de duivelen namelijk ook en ze sidderen. Een christen siddert en beeft trouwens ook, maar dan in de vreze des Heeren. Een christen beeft van verwondering en van vreugde, want deze Schepper, Die mijn oorsprong is van den beginne, is ook in het heden mijn levensbron en mijn levenskracht. Hij is mijn Leidsman, mijn Beschermer, mijn Verlosser en mijn Voleinder. Hij is mijn Vader, zo belijdt hier de Catechismus.

 

Er staat niet: ik geloof in de schepping. Er staat ook niet: ik geloof, dat God de wereld geschapen heeft. Maar de hoofdzin in het antwoord van vraag 26 is kort en klaar: Ik geloof, dat Christus’ Vader, Die alles geschapen heeft, ook mijn Vader is.

 

Hier wordt het Vaderschap van God bezongen en bejubeld. Heel Zondag 9 is een ontvouwing van dit ene kleine zinnetje. Alles wat gezegd wordt over de schepping en over de voorzienigheid staat eigenlijk tussen haakjes. Dat is een bijzin, maar het gaat in de eerste plaats om deze hoofdzin:

dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus ook mijn God en mijn Vader is.

 

Daarna werkt de Catechismus uit wat ik aan dat vaderschap heb, namelijk dat Hij mijn leven lang voor mij zorgt. Wat een troost is het om in dit leven geborgen te zijn in Hem, dat er een Vader is, Die zorgt! God is mijn Vader en Hij zorgt voor mij als een Vader. Daar komt eigenlijk heel Zondag 9 op neer.

De schepping komt ter sprake als het werk van de Vader. Hier wordt niet vanuit de schepping naar het geloof geredeneerd, maar vanuit het geloof in het Vaderschap van God wordt de schepping beschouwd. Over de schepping, zo wil de Catechismus zeggen, kunnen we alleen maar spreken vanuit het geloof. Wie dat niet doet, weet met de schepping geen raad en komt uiteindelijk bij de evolutietheorie terecht.

 

Het lijkt wel een lied, een psalm van geloofsvertrouwen, de uitwerking van Zondag 1.

Dat lied wordt gezongen in drie strofen.

Het eerste couplet bezingt God als mijn verzoende Vader in Christus.

Het tweede couplet bezingt deze Vader als de Vader van al Zijn schepselen, als de Almachtige, Die hemel en aarde geschapen heeft.

Het derde couplet bezingt deze Vader als de Verzorger en de Beschikker van mijn leven.

 

Ik geloof in God de Vader.

Gemeente, wij belijden met de kerk van alle eeuwen de almachtige Vader. De twaalf Artikelen beginnen met: Ik geloof in God, de Vader. En wat voor Vader is Hij? Hij is geen tijdelijke, aardse, menselijke vader, maar een eeuwige Vader. Hoe kan dat? Was God dan al Vader voor de tijd? Was God al Vader van eeuwigheid af, voor dat wij er waren? Jazeker! En van Wie was God dan Vader? Hij is van eeuwigheid af de Vader van Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus.

Laat dat eens tot je doordringen. God is Vader. Dat is Hij altijd al geweest. Dat Vaderschap is onafscheidelijk verbonden met Zijn Wezen. God werd niet pas Vader toen Hij de mens schiep, toen de mens Hem Vader ging noemen, maar het Vaderschap van God behoort tot Zijn Wezen.

Wij noemen God niet Vader naar analogie van het aardse vaderschap, maar het is juist andersom. Het vaderschap op aarde is slechts een herinnering aan of een weerspiegeling van Gods oorspronkelijke Vaderschap. Als u eens bedenkt, hoe een aardse vader zich ontfermt over zijn kinderen, dan hebt u nog geen miljoenste deel gepeild van hoe de Heere Zich ontfermt over degene die Hem vrezen.

God laat Zich nergens anders denken, geloven en belijden, dan als Vader. Hij is overal en altijd de God en Vader van Zijn kind. Hij is ook nooit zonder de Zoon.

 

Gemeente, deze fundamentele, Bijbelse gedachte heeft verstrekkende gevolgen. Ze houdt namelijk in, dat God alle dingen riep en schiep door Zijn Zoon, door het eeuwige Woord. Het houdt in, dat Adam en Eva in het paradijs hun God niet anders kenden dan in de Zoon. Ook voor de zondeval was er tussen Schepper en schepsel de voortdurende bemiddeling van Zijn Zoon. Zo alleen kon Adam kind zijn van deze Vader, om en in dat eeuwige Kind. U begrijpt wel, dat de noodzaak van deze bemiddelende Middelaar nog ongekend is toegenomen, toen de mens zich van zijn Maker en Formeerder heeft afgescheurd en losgemaakt.

Daar lag opeens dat kindschap van Adam, veracht, verbeurd en vertrapt. Dat heeft hij zelf gedaan. Het Vaderhuis liet hij welbewust achter zich. Dit afscheid laadde een ontzaglijke schuld op zijn ziel. Hij was het niet meer waard om een kind genaamd te worden. Hij heeft een andere vader gekozen, de vader der leugenen, de duivel. Moed- en vrijwillig heeft hij God verlaten en zich onderworpen aan die andere vader.

 

O, gemeente, het is wat, als je ziet hoe erg dat is, ook met betrekking tot jezelf, want wij zijn allemaal kinderen van Adam! We zijn allemaal verloren zonen en dochters. En het is tegen deze afschrikwekkende achtergrond, dat het lied van Zondag 9 opnieuw als een wonder van genade opklinkt. Ik, kind van Adam, ben verloren. Ik ben een schuldige zondaar, maar om Christus’ wil mag ik nochtans een kind zijn van deze Vader. Is dat geen onuitsprekelijk wonder? Dat spreekt toch niet vanzelf? Gelooft u dat ook?

Heel veel mensen spreken daar zo gemakkelijk over. Ze zeggen: ‘O, natuurlijk, God is mijn Schepper en Hij is ook mijn Vader.’ Ja maar, dat is geen vanzelfsprekende zaak. Dat heeft het leven van de Zoon gekost. Zondag 6 is aan Zondag 9 voorafgegaan. Zonder kennis van de Middelaar hebben wij God niet tot Vader. Christus is de enige Weg tot de Vader. Hij heeft gezegd: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ Bent u daar wel eens van geschrokken, dat we ons kindschap verspeeld en verzondigd hebben en dat we het niet waard zijn om God, de Schepper van hemel en aarde, Vader te noemen?

Nee, hier spreekt niets vanzelf. Alles getuigt hier tegen Adam, tegen u, jou en mij. Want hoe zal nu deze Vader, Die ik beledigd en op het hart getrapt heb, weer verzoend met me zijn? Hoe zal Hij weer goed op me zijn? Gemeente dat kan nooit om iets vanuit ons als ontaarde kinderen.

 

Er is er maar Eén, Die ons met de Vader verzoenen kan, Die het Vaderhuis weer openstelt voor verloren zonen en dochters. Dat is de eeuwige Zoon des Vaders. In Zijn liefdevolle hart heeft Hij Zich daarvoor gegeven. Dat kostte Hem letterlijk alles. Hij verliet Zijn Vaderhuis, hij verruilde Zijn hemelse paradijs voor het ballingsoord van deze wereld, dat getekend is door de zonde, de afval en de vernietiging. Hij betrad dit oord van onze Godsvervreemding en Hij nam ons vlees en bloed aan. Het vlees en bloed van mensen, die met God gebroken hebben, met de gevolgen van de zondeval daaraan verbonden. Het Woord is vlees geworden. De Zoon van God wordt het Kind van Maria. In het vlees brengt Hij het offer van de verzoening. Daar heeft Hij voor geboet en daar heeft hij voor gebloed. Hij heeft Zijn armen gewillig uitgestrekt aan het vloekhout van het kruis, zodat verloren mensenkinderen weer terug geroepen kunnen worden naar het Vaderhuis.

O, zie Hem hangen aan het kruis! Het kost Zijn leven. Hij wordt beschimpt en bespot. Het bloed druipt uit Zijn wonden. Hij is verlaten van Zijn God en Vader, omdat zondaren, die deze God en Vader leren kennen door Christus Jezus, nimmermeer door God verlaten zullen worden. In plaats van de vijanden droeg Hij de straf, die hen de vrede aanbrengt.

Zo heeft Hij door Zijn lijden en sterven heen, de weg ontsloten naar het Vaderhuis en naar het Vaderhart. Om Zijn Zoon te zenden naar deze wereld, daar zit de diepe genade van God achter, daar zit het eeuwig welbehagen van de Vader achter. Daar zit de gewilligheid en liefde van Christus achter, om Zijn leven te geven voor Zijn schapen. Daar zit de gewilligheid en het onwederstandelijke werk van de Heilige Geest achter, Die in zondaarsharten Zijn intrek wil nemen en daar plaats wil maken voor deze God en Vader.

 

Dwars door het oordeel van Gods rechtvaardige toorn heen, bleef Christus gehoorzaam aan Zijn God, aan Zijn Vader. Hij bleef kinderliefde betonen, ook toen de Vader Zich voor Hem verborg. Hij werd verlaten. Voelt u, wat Hij deed, gemeente? Dit Kind des Vaders betaalde de schuld van onze Godsverzaking en Godsverlating. Dit Kind gaf God opnieuw de eer, die Hem als enige Vader toekwam. Hij deed volkomen genoegdoening, zodat wij, verloren zonen, om Zijnentwil tot kinderen kunnen worden aangenomen. Zo alleen kan en mag er een schare, die niemand tellen kan, terugkeren en thuiskomen in het Vaderhuis.

 

Nee, dat praten we onszelf maar niet een beetje aan!

Gemeente, ik verkondig het u in de wetenschap, dat de Geest gewillig is om het te brengen in uw hart. Om een echt kind van God te zijn, moet je wederom geboren zijn door de levenwekkende kracht van Woord en Geest. O, dan worden verloren zonen en dochters getrokken tot God!

Kent u die trekkracht? Bent u al getrokken uit de wereld van zonde en duisternis? Bent u al door God getrokken met koorden van goedertierenheid? Verlangt u naar huis, zoals Jeremia 31 het beschrijft: Ze zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren. Heb je wel eens bitter geweend over je verzondigde leven en over de versmade Vaderliefde? Je leerde God kennen als Rechter. Je durfde de Vadernaam niet op de lippen te nemen vanwege je onwaardigheid, je nietigheid en je kleinheid. Je zette je er helemaal buiten en toch kon je de gunst van God niet missen. Je leerde bidden: ‘Denk toch aan het Vaderlijk mededogen, Heere, waarop ik biddend pleit.’

Wie zich dat kindschap niet meer waardig keurt, die krijgt het terug. De Schrift zegt: Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat we kinderen Gods genaamd zouden worden. De Geest richt het hoofd van een verloren zondaar op Christus Jezus in al Zijn Middelaarsgraveerselen. Dan breekt uw hart, als u zien mag, dat God u opzocht in Zijn eeuwige zondaarsliefde. Hij liet u niet liggen op de vlakte van het veld. Wat een eeuwig wonder, dat Christus kwam! Wat een eeuwig wonder, dat de Geest gewillig is om deze weldaad toe te passen in de harten van mensen! Ook het kindschap, dat Christus heeft verdiend. O, dan kun je het niet op, als je daar iets van mag zien! Daarvan zegt de dichter: ‘Mijn beker is overvloeiende.’

 

In Christus zien we de weg tot de Vader geopend, de weg van verzoening door Zijn bloed. Daar weidt mijn ziel met een verwonderend oog. Door het geloof ziet u de geopende vaderarmen en u hoort het van Zijn lippen: ‘Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochters wezen.’ De Geest, Die van de Vader en de Zoon uitgaat, zoekt ons op in onze verlorenheid. Hij brengt het Woord des Heeren tot in het diepst van ons hart. Daar verklaart Hij plechtig en ontwijfelbaar, dat we kinderen Gods mogen zijn.

Jullie zingen het wel eens, jongens en meisjes: ‘Abba Vader, U alleen, U behoor ik toe.’ Besef je dan wat je zingt? Wat is dat groot, als dat waar mag zijn in je leven!

 

U, o eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, bent om Uw Zoons Christus’ wil ook mijn God en mijn Vader.

Dat was onze eerste gedachte: God de Vader is mijn verzoende Vader door Christus.

 

2. Deze Vader is Vader van al Zijn schepselen

 

De Catechismus zegt het zo:

Dat de eeuwige Vader, Die de hemel en aarde met al wat daarin is, uit niet geschapen heeft, Die naar Zijn eeuwige raad en voorzienigheid nog onderhoudt en regeert.

 

In onze eerste gedachte hebben we gezien Wie God is. Hij is Vader van Christus en door Hem de Vader van al Zijn kinderen.

Een rechtgeaard kind ziet hoog op tot zijn vader. Daar zit dan vaak veel grootspraak in. Maar van onze Vader in de hemel kunnen we nooit groot genoeg spreken. Hij is de Almachtige, Hij heeft hemel en aarde uit niet geschapen. God heeft alles tot aanzijn geroepen. Toen God deze wereld schiep, was niemand daarbij aanwezig. Niemand zal dat ooit ook kunnen begrijpen.

 

Kunt u de schepping begrijpen? Wie dat probeert, komt altijd verkeerd uit. Dan gaan we gissen en filosoferen. Dan komt de één uit bij het materialisme, de ander bij het idealisme en een derde bij het evolutionisme.

Jongelui, laat je maar nooit imponeren door al die wetenschappelijke theorieën. Want alle pogingen om het ontstaan van de wereld, de mens en de natuur te verklaren vanuit de wetenschap zijn vruchteloos.

Lees je Bijbel en wat daar staat op de eerste bladzijde: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Dat kun je niet begrijpen, dat kun je alleen maar aanvaarden in het geloof.

 

Het geloof ziet in de schepping de hand van de Vader. Daarover gaat het hier in Zondag 9. Het gaat niet in de eerste plaats over de schepping, maar over het Vaderschap van God. Zonder het geloof in God de Vader kun je eigenlijk geen zinnig woord over de schepping zeggen. Denk maar aan Hebreeën 11. Daar staat het duidelijk: Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord van God is toebereid. Dat is de bril van het geloof, de bril waarmee we de schepping zien.

Daarom hoeven we ook de leer van de schepping niet te verdedigen. Trouwens, de wetenschap spreekt zichzelf ook op legio plaatsen tegen. Wie schiep dat oercelletje? Wanneer was die oerknal? ‘Vijf miljoen jaar geleden’, zegt de één.’ ‘Nee’, zegt de ander, ‘het is miljarden jaren geleden.’ Nou, dat scheelt niet weinig. Zo kom je er dus ook niet. Dat heeft ook allemaal geen zin.

 

Natuurlijk, gemeente, staan wij bij het onderzoek van de schepping voor ontzaglijke vragen. Dat ontken ik niet. Die vragen kan ik niet beantwoorden en u waarschijnlijk ook niet. Maar dat hoeft ook niet, want wij hebben onze Bijbel. De Bijbel is geen handboek voor de natuurwetenschap, maar het boek van Gods openbaring. Daarin komt God naar ons toe als de Vader, Die alle dingen en ook u geschapen heeft. De Bijbel zegt het overduidelijk, dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus alles uit niet geschapen heeft en dat nog onderhoudt en regeert. Dat is genoeg, meer hebben we niet nodig. Een christen zegt over het ontstaan van de wereld heel eenvoudig: ‘Mijn Vader heeft de wereld geschapen.’ 

 

Het is de Vader aan Wie in het bijzonder het werk van de schepping wordt toegeschreven. Hij deed dat niet buiten de Zoon en de Heilige Geest om. Denk maar aan de bekende tekst: Door het Woord des Heeren, Christus, zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest Zijns monds al hun heir. Daar hebt u ze bij elkaar.

Toch is de schepping het eigenlijke werk van de Vader. Daar staat de Bijbel vol van. In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De profeten herinneren het volk daaraan: Heft uw ogen omhoog en ziet Wie dit alles geschapen heeft. We hebben het ook gelezen in Jesaja 45.

De psalmdichters loven hun Schepper: De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

 

De Catechismus zegt: ‘Hemel en aarde, met alles wat erin is.’ De Almachtige riep dat tot aanzijn, door een enkel machtswoord uit Zijn mond. Hij schiep de hemel, de zon, de maan, de planeten, de sterren en de miljoenen lichtjaren. Hij schiep ook de aarde, de planten en de bomen, de kruiden en de bergen, de heuvels en de dalen, de zeeën en de rivieren. Noemt u maar op. Hij schiep ook de vogels in de lucht, de vissen in de zee en de dieren op het veld. Als kroonstuk op de schepping schiep Hij ook de mens.

Zo staat het in de Bijbel: Alzo zegt God de Heere, Die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft en wat daaruit voortkomt; Die den volke dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen die daarop wandelen.

 

Gemeente, God is krachtens de schepping ook ons aller Vader. Elk mens is als schepsel een kind van God. Maleachi zegt dat ook: ‘Hebben wij niet allen één Vader?’ Hij zegt daar direct achteraan: ‘Heeft niet één God ons geschapen?’

Adam was de zoon van God. ‘Ja’, zegt u, ‘maar daar is de zondeval tussen gekomen. Toen is alles veranderd. We zijn toch de duivel toegevallen?’ Jawel, maar ondanks onze ongehoorzaamheid hebben wij het Vaderschap van God niet teniet kunnen doen. Als uw kind tegen u opstaat en de situatie thuis onhoudbaar wordt en u jaagt uw kind de deur uit, dan blijft het toch wel uw kind, al is de relatie verstoord, verbroken en kapot. Welnu, zo is het ook met het Vaderschap van God krachtens de schepping.

In Adam hebben we onze Vader de rug toegekeerd. We zijn het huis uitgegaan; we zijn weggelopen van God. Wij zijn ontaarde kinderen geworden, maar God blijft wel onze Vader en wij blijven wel Zijn kind. Als Schepper houdt God Zijn rechten op ons aller leven, gemeente.

 

Ook op jullie, jongelui. De Bijbel zegt: Gedenk aan je Schepper in de dagen van je jongelingschap. Dat moet je doen, hoor, voordat je oud wordt en ziek en je geen gelegenheid meer hebt om God te zoeken en te dienen! Vooral het dienen is zo belangrijk. De Heere is het zo waard, dat we Hem dienen! Je kunt God beter beginnen te dienen als je nog jong bent, als je acht jaar, tien jaar of vijftien jaar bent.

 

Gemeente, zelfs de verstoktste zondaar is bij de Heere welkom. De moordenaar aan het kruis, die op aarde God niet meer dienen kon, was bij de Heere welkom. Maar gedenk aan je Schepper, in de dagen van je jongelingschap. Hij is het zo waard.

God zorgt zo goed voor ons. Hij heeft je geholpen op school, je hebt een kamer gezocht en gekregen, je hebt werk gekregen, een baan, je mag gaan trouwen en ga maar door. Zorgt God? Of niet? Hij geeft gezondheid, kracht en wijsheid.

Gemeente, zoals we hier samen in de kerk zitten, zijn we toch allemaal toonbeelden van Gods zorg? En nu is deze God het zo waard, dat we Hem niet alleen nodig hebben voor ons tijdelijk leven, voor het geld en voor ons salaris, maar Hij wil ook, dat we Hem nodig hebben voor ons hart, voor onze ziel, tot verzoening van onze zonde.

Want het Liefste wat God had, heeft Hij gegeven, namelijk Zijn Zoon, de Heere Jezus. Het beste wat Hij had, heeft Jezus gegeven, namelijk Zijn leven aan het kruis. Het zou toch beledigend zijn, als we alles van de Heere wilden ontvangen behalve een nieuw hart?

 

Ja, al de goederen voor dit leven mag je van de Heere vragen. Je mag erom bidden en je krijgt ze nog ook. Kun je dan zeggen: ‘Heere, wat dat andere betreft, dat nieuwe hart, nee, dat heb ik niet nodig. Ik dien liever de zonde.’? Zou dat niet ontzaglijk beledigend zijn?

Zou u het nemen, als u uw kind maar betaalt en betaalt voor zijn studie en hij doet er mee waar u het niet voor geeft? Zou u dat nemen? En moet God dat nu wel nemen? Eigenlijk zou Hij met ons in een keer een einde moeten maken. Maar dat doet God niet, want Hij wacht en is geduldig. Hij roept en Hij trekt nog. Ook nu roept Hij nog verloren zonen.

 

U moet eens luisteren. Een vader mag zijn ongehoorzame kind er toch altijd op aan blijven spreken dat het kind is en altijd blijft? En zo zegt de Heere dat nu ook tegen ons.

Maar, weet u, niet alleen krachtens de schepping heeft God recht op ons, maar nog veel duidelijker krachtens onze doop, krachtens het genadeverbond. U en ik, wij lopen met het teken en zegel van Gods genadeverbond over deze wereld rond. God heeft ons gestempeld, getekend voor het leven en toegewijd voor Zijn dienst.

Hij heeft recht op ons leven. Hij wil, dat we Hem dienen en verheerlijken. Daar heeft Hij zelfs Zijn Zoon voor overgehad. Wat is daarop uw antwoord? Redeneer je verantwoordelijkheid niet weg. Nee, buig voor deze God, geef uw leven over in Zijn hand en leg u neer als een verloren zondaar, als een weggelopen kind aan Zijn voeten, met de vraag: ‘Heere, kan het nog goed komen? Wat moet ik doen om zalig te worden?’

Als u het hier niet doet, gemeente, dan wordt deze Schepper straks uw Rechter. Maar dan is het te laat.

O kom! De Heere roept nog.

 

Dat was onze tweede gedachte: God de Vader is Vader van al Zijn schepselen. In de eerste gedachte hebben we gezien, dat God mijn verzoende Vader is in Christus. Wat is dat heerlijk, rijk en vertroostend om zo’n Vader te hebben! Dit alles mogen we weten door het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart.

Hieruit vloeit onze derde gedachte voort, dat God de Vader de Verzorger en Beschikker van mijn leven is.  

Daarvan gaan wij zingen uit Psalm 33 vers 7 en 11: 

 

De grote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht,

Het gans gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Waar Hij heerst als Koning,

Waar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godd’lijk’ ogen

Op al ’t mensdom neer. 

 

De grote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht,

Het gans gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Waar Hij heerst als Koning,

Waar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godd’lijk’ ogen

Op al ’t mensdom neer. 

 

3. Deze Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven. 

 

Gemeente, wat hebben de kinderen van zo’n eeuwige, almachtige Vader een geweldige rijkdom. Zij mogen leven uit Zijn hand en op Zijn kosten. Zij liggen in leven en sterven voor rekening van hun Vader. Daarover gaat het in onze derde gedachte: God de Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven.

Kijk maar naar het slot van antwoord 26. Daar staat:

Op Welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader.

 

Het lijkt wel of de Catechismus hier een lied aanheft. Het is een strofe om te zingen, wanneer Gods vriendelijk aangezicht over ons licht. Maar het is ook een strofe om het uit te schreeuwen, als het donker om ons heen wordt en de diepte van de beproeving wordt ervaren.

 

Op Wie ik alzo vertrouw, zo zeer vertrouw. Hoe zeer? Nou, zo zeer, dat ik niet twijfel. Zet daar maar eens een streepje onder. U moet zich hieraan toetsen. We hebben het gehoord, dat God ons aller Vader is. Als je twijfelt, dan is je vertrouwen aan de maat. Zo gaat dat ook met een vader en zijn kind. Jullie twijfelen er toch ook niet aan of je vader goed voor je zorgt?

U zegt: ‘Is dat niet te hoog gegrepen, als het gaat over God?’ Nee, natuurlijk is dat niet te hoog gegrepen, want het gaat hier over het geloof en twijfelen is puur ongeloof. Geloven betekent vertrouwen, dat sluit alle twijfel buiten. Geloof is vastheid. Het geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

Ja maar, hoe moet het dan, als die twijfel je aanvliegt? U herkent het misschien wel in uw leven en jullie ook wel, jongelui?

 

Je twijfelt over het stuk van de schepping. Hoe kan dat nu? Je twijfelt aan de leiding van God in je leven. Het moet maar eens anders lopen, dan je zo graag had gewild. Hoe moet het dan als de twijfel je aanvecht? Hoe moet het dan als er van de almacht en van de Vaderlijke goedheid van God in je leven even niets te zien is? Als je aan het graf van je kind staat of aan het sterfbed van je man of vrouw?

Hoe moet het in de aanklacht van je beschuldigend geweten, onder de belegering van zonde en twijfel? Hoe moet het in de opstandigheid van het verbitterde hart? Hoe is het in het gezicht van nood en dood? Als je God kwijt bent, als je hart een graf geworden is van koude onverschilligheid, hoe moet het dan? Niet twijfelen? Vertrouwen?

 

U voelt, gemeente, het blijkt steeds weer, dat het geloof een gave van God is. Het geloof hebben we nooit op zak of in voorraad. Ik weet dat al deze vragen in het menselijk hart leven. De Bijbel spreekt daar ook over. Maar hoe moet het dan? We moeten God de God van Zijn Woord laten zijn. We moeten het Woord van deze God openslaan, lezen en vertrouwen. U weet toch wel wat dat is? In het Hebreeuws betekent vertrouwen: neerzinken op de vaste rotsbodem, als alles wankelt in je leven. Dat is vertrouwen.

Zie dan maar af van alles wat je zelf kunt, voelt en vreest. Zie dan maar liever op de vaste grond van Gods beloften in Zijn Woord. Daar staat het: Want Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept; mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.

 

Er is een God, Die hoort! God helpt in nood. Hoe moet het in de twijfel? Laat je zinken op het Woord. Houd het elkaar maar voor. Als de één het kwijt is, pakt de ander zijn Bijbel. Daar staat het: De Heere hoort de nooddruftigen.

Die zo door het Woord van deze God teruggeroepen en opgehaald wordt uit de vertwijfeling en tot de hoogte van het vertrouwen op deze God en Vader gebracht wordt, die vertrouwt ook op Zijn leiding in zijn leven. Ook als het donker en moeilijk wordt. Ook als de stormen van levensleed tegen je schip slaan. Maar te midden van al die nood mag een christen nochtans belijden: ‘Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige.’

Hij is machtig om ook in uw leven te doen wat Hij wil. Hij regeert. De nood kan groot zijn, maar de Helper is groter. De vijand is sterk, maar Vader is nog veel sterker. De duivel is machtig, maar mijn hemelse Vader is almachtig. Ja, Hij zal mij met alle nooddruft van lichaam en ziel verzorgen.

 

Nooddruft is wat je nodig hebt, of liever wat God in Zijn wijsheid voor ons nodig keurt. Laat dat maar aan Hem over. Om onze nooddruft mogen we vragen, om overvloed niet. Dat heeft God niet beloofd. Dat is een extra, als Hij dat ook nog geven wil.

Hij heeft alleen beloofd: Uw brood zal zeker en uw water zal gewis zijn. In de grootste smarten zal Ik bij u zijn. Als ge zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. Het vuur van de beproeving zal u niet aantasten.

 

Gelooft u, dat dat echt gebeurd is? Daar twijfelt u toch niet aan? En die God leeft nog. Hij is nog Dezelfde. Echt waar! God zorgt! Aan die God mogen we ons toevertrouwen, zegt de Bijbel en zegt de Catechismus.

Wat denkt u van die weduwe te Zarfath? Het flesje bleef maar stromen. Zo is God! Hij zorgt als een Vader voor Zijn kinderen.

 

Hij kan het onmiddellijk, Hij doet het vaak middellijk. Waarom, gemeente, zou u op deze God niet uw vertrouwen stellen? Waarom zou u het alleen doen? Waarom zou u het zelf doen? Waarom zou u tobben en modderen, wurmen en worstelen. Vergeefs.

 

Hij zorgt in ziekte en in nood. Ook in geestelijke nood, als het gaat om de verzoening met God, om de vergeving van al je zonden. Loop je weleens over je zonden te tobben? Heb je het weleens uitgeroepen: ‘Heere, zo kan het niet langer. Hoe komt het ooit nog goed tussen U en mijn ziel?’ De Heere zorgt. Hij heeft ervoor gezorgd, dat er vergeving is in het bloed van Zijn lieve Zoon.

Hij geeft genade tot heiligmaking. De klederen des heils, de bruiloftsklederen zijn door Christus verworven. Heb toch krediet op deze hemelse Vader, Die zorgt voor onze nooddruft voor lichaam en ziel beide. Wandel aan Zijn hand! Leef op Zijn kosten en vertrouw op Zijn leiding, ook als de weg door de zee gaat en Zijn pad door diepe wateren!

 

Dan vervolgt de Catechismus: En ook alle kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt.

Misschien gaat u daaronder gebukt en hebt u het daar moeilijk mee. Het kwaad, de moeite, het verdriet, het kruis, de hevige pijn, de slapeloze nachten van beproeving, de geestelijke bestrijding en verlating, kortom, alle kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt.

Schikt Vader dat toe aan Zijn kinderen, die Hij liefheeft? Gemeente, dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.

Komt het kwaad dan van God? Nee, het kwaad is een gevolg van de zonde.

God heeft ook geen jammerdal geschapen, maar dat hebben wij ervan gemaakt door onze zonde. De aarde is een tranendal. Dat is geen zwartgallig pessimisme, maar dat is de werkelijkheid van het leven op aarde na de zondeval. En dat kwaad overkomt ook Gods kinderen, want enerlei wedervaart de rechtvaardigen en de goddelozen. Maar er is wel een groot verschil. Hier staat: De Heere schikt het Zijn kinderen toe.

Hij regeert, Hij bestuurt. Er is geen noodlot. De mensen doen het je niet aan, maar het kwaad blijft wel kwaad. Spreek daar maar nooit te luchthartig over.

 

Als we zien mogen dat het uit Zijn Vaderhand komt, dan willen we er niets vanaf hebben, integendeel. Dan zeggen we: ‘Ik dank U, Heere, dat U toornig op mij geweest bent.’ In de beproeving kun je iets leren, in ieder geval wie jezelf bent. Hoe je reageert, maar ook Wie God voor je wil zijn. In de grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust.

Nee, dan komen we niet om, dan gebruikt de Heere het kwaad tot ons nut.

 

Daarom staat er hier: ten beste keren.

Dat is de overtreffende trap. Ten beste, dus niet ten goede, maar ten beste keren. Zie je wel, dat het kruis een heiligend kruis is? De oude mens gaat erin onder en de nieuwe mens komt er gelouterd uit tevoorschijn. Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest. Zo moeten alle dingen, zelfs het kwaad, medewerken ten goede voor degenen, die Hem liefhebben.

Het kan u dichter brengen bij God.  Hij zal al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, ten beste keren.

 

Ten beste. Waarom? Omdat Hij de beste van alle Vaders is, een overvloedige Fontein van alle goed. Zo zorgt deze Vader voor Zijn volk.

Hij kan het doen, zo zegt de Catechismus, als een almachtig God. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Heft uw ogen op en zie Wie al deze dingen geschapen heeft.

Hij is de Almachtige. Hij kan het, maar Hij wil het ook als een getrouw Vader. Hij stelt Zijn almacht in dienst van Zijn liefde.

 

Zo is onze hemelse Vader! Hij kan het doen, want Hij is almachtig, Hij wil het doen, want Hij is een getrouw Vader en Hij zal het doen als de God van Zijn Woord, want Hij heeft beloofd: ‘Ik zorg voor u.’ Bent u dan niet rijk?

 

Gelooft u in deze God?

Dan is uw antwoord:

‘Ja, ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.

Hij is mijn Vader om Christus’ wil uit genade.’ 

 

Amen. 

Gemeente, aan de beurt van behandeling is Zondag 9. Daar staat boven: Van God de Vader en onze schepping.

 

Laten we samen deze Zondag lezen.

 

Vraag 26: Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Antwoord: Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is; op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

 

Gemeente, het gaat over

Het geloof in God de Vader

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Deze Vader is mijn verzoende Vader in Christus.

2. Deze Vader is de Vader van al Zijn schepselen.

3. Deze Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven.

 

Gemeente, ik heb een vraag: ‘Gelooft u in God?’ En jullie, jongelui? ‘Geloven jullie in God?’ ‘Ja’, zeg je, ‘wat is dat nu voor een vraag! Dat staat hier toch niet?’ Dat is waar. Het is een geloofsuitspraak. Wij belijden: ‘Ik geloof in God.’

Gelooft u in God? Geloof jij in God? Dat betekent niet, dat je gelooft dat God bestaat, maar het betekent, dat je gelooft dat Hij ook jouw God is en dat alles wat Hij heeft, ook voor jou is en tot jouw zaligheid. Ik heb Hem lief, ik leef voor Hem en ik vertrouw op Hem. Dat zit er allemaal in. Want geloven is vertrouwen.

 

Ik geloof in God.

Als onze geloofsbelijdenis begint met de woorden: ‘Ik geloof in God’, dan moeten we dat als volgt opvatten: Ik geloof in God de Vader, ik geloof in God de Zoon en ik geloof in God de Heilige Geest.

Weet u wat het rijke is van Zondag 9? Het gaat niet zomaar over de schepping, maar over de Schepper. En dan nog wel over de Schepper, Die ook mijn God en mijn Vader is. Denkt u zich eens in! De Schepper van alle dingen is mijn Vader, mijn God.

 

Weet u wat het trieste en het povere is van de evolutieleer? Dat het in die kille, wetenschappelijke theorie niet alleen wemelt van de onwaarschijnlijkheden, tegenstrijdigheden en onbewezen veronderstellingen, maar vooral, dat in heel dat systeem geen plaats is voor de Vader, Die de bron, de bedding en de bestemming van mijn leven is. Een mens moet toch wel afgestompt en heel oppervlakkig zijn, wil hij nooit eens komen tot verwondering vanwege het diepe mysterie van het leven, van het bestaan!

Buig eens over de wieg van een pasgeboren kindje. Dan zie je zo’n baby liggen en dan is het, zeker als je er vader en moeder van bent, duidelijk, dat dat geen mensenwerk is. Daar zit Gods hand achter. Ik zou me kunnen voorstellen, dat een eerlijk en weldenkend natuurwetenschapper tot de uitspraak zou komen: ‘Ik kan binnen de grenzen van de wetenschap weliswaar geen goddelijke Schepper bewijzen, maar ik kan nog veel minder zijn niet-bestaan bewijzen.’ De dingen moeten toch een oorsprong en bestemming hebben?!

God is niet via de natuur of de natuurwetenschap te bewijzen of te verklaren, maar een natuuronderzoeker hoeft in verband met zijn werk Genesis 1 niet te schrappen. Integendeel, juist zijn werk zal hem te meer kunnen werpen op God de Schepper. Het is niet zo, dat de wetenschap ons God leert kennen, want dat doet de Heilige Geest door middel van de Bijbel. Het is best mogelijk, dat de wetenschap veel vragen stelt in de richting van God, maar een antwoord kan ze daar niet op geven.

‘Wie God is’ en ‘hoe God is’, leren we uitsluitend uit de Bijbel. God laat Zich niet verklaren, maar Hij wil Zich openbaren in het Woord.

Ook via de schepping en de natuur, als het werk Zijner handen, presenteert Hij Zich. Die openbaring is alleen maar door het geloof te aanvaarden, te ontvangen en te ervaren.

 

We hebben geen scheppingsleer, maar wel een scheppingsgeloof. En in dit geloof belijdt de Heidelberger God de Schepper. De Catechismus spreekt na wat ze gehoord heeft uit Gods onfeilbaar Woord. Daar is niets kils aan, daar is ook niets onpersoonlijks bij. Alles tintelt van liefde, leven en bewondering.

 

Het gaat over de woorden: Ik geloof in God de Vader.

Hij heeft alle dingen geschapen. De belijdenis van de schepping is voor een christen veel meer, dan alleen maar de bewering dat God alle dingen gemaakt heeft. Dat geloven de duivelen namelijk ook en ze sidderen. Een christen siddert en beeft trouwens ook, maar dan in de vreze des Heeren. Een christen beeft van verwondering en van vreugde, want deze Schepper, Die mijn oorsprong is van den beginne, is ook in het heden mijn levensbron en mijn levenskracht. Hij is mijn Leidsman, mijn Beschermer, mijn Verlosser en mijn Voleinder. Hij is mijn Vader, zo belijdt hier de Catechismus.

 

Er staat niet: ik geloof in de schepping. Er staat ook niet: ik geloof, dat God de wereld geschapen heeft. Maar de hoofdzin in het antwoord van vraag 26 is kort en klaar: Ik geloof, dat Christus’ Vader, Die alles geschapen heeft, ook mijn Vader is.

 

Hier wordt het Vaderschap van God bezongen en bejubeld. Heel Zondag 9 is een ontvouwing van dit ene kleine zinnetje. Alles wat gezegd wordt over de schepping en over de voorzienigheid staat eigenlijk tussen haakjes. Dat is een bijzin, maar het gaat in de eerste plaats om deze hoofdzin:

dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus ook mijn God en mijn Vader is.

 

Daarna werkt de Catechismus uit wat ik aan dat vaderschap heb, namelijk dat Hij mijn leven lang voor mij zorgt. Wat een troost is het om in dit leven geborgen te zijn in Hem, dat er een Vader is, Die zorgt! God is mijn Vader en Hij zorgt voor mij als een Vader. Daar komt eigenlijk heel Zondag 9 op neer.

De schepping komt ter sprake als het werk van de Vader. Hier wordt niet vanuit de schepping naar het geloof geredeneerd, maar vanuit het geloof in het Vaderschap van God wordt de schepping beschouwd. Over de schepping, zo wil de Catechismus zeggen, kunnen we alleen maar spreken vanuit het geloof. Wie dat niet doet, weet met de schepping geen raad en komt uiteindelijk bij de evolutietheorie terecht.

 

Het lijkt wel een lied, een psalm van geloofsvertrouwen, de uitwerking van Zondag 1.

Dat lied wordt gezongen in drie strofen.

Het eerste couplet bezingt God als mijn verzoende Vader in Christus.

Het tweede couplet bezingt deze Vader als de Vader van al Zijn schepselen, als de Almachtige, Die hemel en aarde geschapen heeft.

Het derde couplet bezingt deze Vader als de Verzorger en de Beschikker van mijn leven.

 

Ik geloof in God de Vader.

Gemeente, wij belijden met de kerk van alle eeuwen de almachtige Vader. De twaalf Artikelen beginnen met: Ik geloof in God, de Vader. En wat voor Vader is Hij? Hij is geen tijdelijke, aardse, menselijke vader, maar een eeuwige Vader. Hoe kan dat? Was God dan al Vader voor de tijd? Was God al Vader van eeuwigheid af, voor dat wij er waren? Jazeker! En van Wie was God dan Vader? Hij is van eeuwigheid af de Vader van Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus.

Laat dat eens tot je doordringen. God is Vader. Dat is Hij altijd al geweest. Dat Vaderschap is onafscheidelijk verbonden met Zijn Wezen. God werd niet pas Vader toen Hij de mens schiep, toen de mens Hem Vader ging noemen, maar het Vaderschap van God behoort tot Zijn Wezen.

Wij noemen God niet Vader naar analogie van het aardse vaderschap, maar het is juist andersom. Het vaderschap op aarde is slechts een herinnering aan of een weerspiegeling van Gods oorspronkelijke Vaderschap. Als u eens bedenkt, hoe een aardse vader zich ontfermt over zijn kinderen, dan hebt u nog geen miljoenste deel gepeild van hoe de Heere Zich ontfermt over degene die Hem vrezen.

God laat Zich nergens anders denken, geloven en belijden, dan als Vader. Hij is overal en altijd de God en Vader van Zijn kind. Hij is ook nooit zonder de Zoon.

 

Gemeente, deze fundamentele, Bijbelse gedachte heeft verstrekkende gevolgen. Ze houdt namelijk in, dat God alle dingen riep en schiep door Zijn Zoon, door het eeuwige Woord. Het houdt in, dat Adam en Eva in het paradijs hun God niet anders kenden dan in de Zoon. Ook voor de zondeval was er tussen Schepper en schepsel de voortdurende bemiddeling van Zijn Zoon. Zo alleen kon Adam kind zijn van deze Vader, om en in dat eeuwige Kind. U begrijpt wel, dat de noodzaak van deze bemiddelende Middelaar nog ongekend is toegenomen, toen de mens zich van zijn Maker en Formeerder heeft afgescheurd en losgemaakt.

Daar lag opeens dat kindschap van Adam, veracht, verbeurd en vertrapt. Dat heeft hij zelf gedaan. Het Vaderhuis liet hij welbewust achter zich. Dit afscheid laadde een ontzaglijke schuld op zijn ziel. Hij was het niet meer waard om een kind genaamd te worden. Hij heeft een andere vader gekozen, de vader der leugenen, de duivel. Moed- en vrijwillig heeft hij God verlaten en zich onderworpen aan die andere vader.

 

O, gemeente, het is wat, als je ziet hoe erg dat is, ook met betrekking tot jezelf, want wij zijn allemaal kinderen van Adam! We zijn allemaal verloren zonen en dochters. En het is tegen deze afschrikwekkende achtergrond, dat het lied van Zondag 9 opnieuw als een wonder van genade opklinkt. Ik, kind van Adam, ben verloren. Ik ben een schuldige zondaar, maar om Christus’ wil mag ik nochtans een kind zijn van deze Vader. Is dat geen onuitsprekelijk wonder? Dat spreekt toch niet vanzelf? Gelooft u dat ook?

Heel veel mensen spreken daar zo gemakkelijk over. Ze zeggen: ‘O, natuurlijk, God is mijn Schepper en Hij is ook mijn Vader.’ Ja maar, dat is geen vanzelfsprekende zaak. Dat heeft het leven van de Zoon gekost. Zondag 6 is aan Zondag 9 voorafgegaan. Zonder kennis van de Middelaar hebben wij God niet tot Vader. Christus is de enige Weg tot de Vader. Hij heeft gezegd: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ Bent u daar wel eens van geschrokken, dat we ons kindschap verspeeld en verzondigd hebben en dat we het niet waard zijn om God, de Schepper van hemel en aarde, Vader te noemen?

Nee, hier spreekt niets vanzelf. Alles getuigt hier tegen Adam, tegen u, jou en mij. Want hoe zal nu deze Vader, Die ik beledigd en op het hart getrapt heb, weer verzoend met me zijn? Hoe zal Hij weer goed op me zijn? Gemeente dat kan nooit om iets vanuit ons als ontaarde kinderen.

 

Er is er maar Eén, Die ons met de Vader verzoenen kan, Die het Vaderhuis weer openstelt voor verloren zonen en dochters. Dat is de eeuwige Zoon des Vaders. In Zijn liefdevolle hart heeft Hij Zich daarvoor gegeven. Dat kostte Hem letterlijk alles. Hij verliet Zijn Vaderhuis, hij verruilde Zijn hemelse paradijs voor het ballingsoord van deze wereld, dat getekend is door de zonde, de afval en de vernietiging. Hij betrad dit oord van onze Godsvervreemding en Hij nam ons vlees en bloed aan. Het vlees en bloed van mensen, die met God gebroken hebben, met de gevolgen van de zondeval daaraan verbonden. Het Woord is vlees geworden. De Zoon van God wordt het Kind van Maria. In het vlees brengt Hij het offer van de verzoening. Daar heeft Hij voor geboet en daar heeft hij voor gebloed. Hij heeft Zijn armen gewillig uitgestrekt aan het vloekhout van het kruis, zodat verloren mensenkinderen weer terug geroepen kunnen worden naar het Vaderhuis.

O, zie Hem hangen aan het kruis! Het kost Zijn leven. Hij wordt beschimpt en bespot. Het bloed druipt uit Zijn wonden. Hij is verlaten van Zijn God en Vader, omdat zondaren, die deze God en Vader leren kennen door Christus Jezus, nimmermeer door God verlaten zullen worden. In plaats van de vijanden droeg Hij de straf, die hen de vrede aanbrengt.

Zo heeft Hij door Zijn lijden en sterven heen, de weg ontsloten naar het Vaderhuis en naar het Vaderhart. Om Zijn Zoon te zenden naar deze wereld, daar zit de diepe genade van God achter, daar zit het eeuwig welbehagen van de Vader achter. Daar zit de gewilligheid en liefde van Christus achter, om Zijn leven te geven voor Zijn schapen. Daar zit de gewilligheid en het onwederstandelijke werk van de Heilige Geest achter, Die in zondaarsharten Zijn intrek wil nemen en daar plaats wil maken voor deze God en Vader.

 

Dwars door het oordeel van Gods rechtvaardige toorn heen, bleef Christus gehoorzaam aan Zijn God, aan Zijn Vader. Hij bleef kinderliefde betonen, ook toen de Vader Zich voor Hem verborg. Hij werd verlaten. Voelt u, wat Hij deed, gemeente? Dit Kind des Vaders betaalde de schuld van onze Godsverzaking en Godsverlating. Dit Kind gaf God opnieuw de eer, die Hem als enige Vader toekwam. Hij deed volkomen genoegdoening, zodat wij, verloren zonen, om Zijnentwil tot kinderen kunnen worden aangenomen. Zo alleen kan en mag er een schare, die niemand tellen kan, terugkeren en thuiskomen in het Vaderhuis.

 

Nee, dat praten we onszelf maar niet een beetje aan!

Gemeente, ik verkondig het u in de wetenschap, dat de Geest gewillig is om het te brengen in uw hart. Om een echt kind van God te zijn, moet je wederom geboren zijn door de levenwekkende kracht van Woord en Geest. O, dan worden verloren zonen en dochters getrokken tot God!

Kent u die trekkracht? Bent u al getrokken uit de wereld van zonde en duisternis? Bent u al door God getrokken met koorden van goedertierenheid? Verlangt u naar huis, zoals Jeremia 31 het beschrijft: Ze zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren. Heb je wel eens bitter geweend over je verzondigde leven en over de versmade Vaderliefde? Je leerde God kennen als Rechter. Je durfde de Vadernaam niet op de lippen te nemen vanwege je onwaardigheid, je nietigheid en je kleinheid. Je zette je er helemaal buiten en toch kon je de gunst van God niet missen. Je leerde bidden: ‘Denk toch aan het Vaderlijk mededogen, Heere, waarop ik biddend pleit.’

Wie zich dat kindschap niet meer waardig keurt, die krijgt het terug. De Schrift zegt: Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat we kinderen Gods genaamd zouden worden. De Geest richt het hoofd van een verloren zondaar op Christus Jezus in al Zijn Middelaarsgraveerselen. Dan breekt uw hart, als u zien mag, dat God u opzocht in Zijn eeuwige zondaarsliefde. Hij liet u niet liggen op de vlakte van het veld. Wat een eeuwig wonder, dat Christus kwam! Wat een eeuwig wonder, dat de Geest gewillig is om deze weldaad toe te passen in de harten van mensen! Ook het kindschap, dat Christus heeft verdiend. O, dan kun je het niet op, als je daar iets van mag zien! Daarvan zegt de dichter: ‘Mijn beker is overvloeiende.’

 

In Christus zien we de weg tot de Vader geopend, de weg van verzoening door Zijn bloed. Daar weidt mijn ziel met een verwonderend oog. Door het geloof ziet u de geopende vaderarmen en u hoort het van Zijn lippen: ‘Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochters wezen.’ De Geest, Die van de Vader en de Zoon uitgaat, zoekt ons op in onze verlorenheid. Hij brengt het Woord des Heeren tot in het diepst van ons hart. Daar verklaart Hij plechtig en ontwijfelbaar, dat we kinderen Gods mogen zijn.

Jullie zingen het wel eens, jongens en meisjes: ‘Abba Vader, U alleen, U behoor ik toe.’ Besef je dan wat je zingt? Wat is dat groot, als dat waar mag zijn in je leven!

 

U, o eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, bent om Uw Zoons Christus’ wil ook mijn God en mijn Vader.

Dat was onze eerste gedachte: God de Vader is mijn verzoende Vader door Christus.

 

2. Deze Vader is Vader van al Zijn schepselen

 

De Catechismus zegt het zo:

Dat de eeuwige Vader, Die de hemel en aarde met al wat daarin is, uit niet geschapen heeft, Die naar Zijn eeuwige raad en voorzienigheid nog onderhoudt en regeert.

 

In onze eerste gedachte hebben we gezien Wie God is. Hij is Vader van Christus en door Hem de Vader van al Zijn kinderen.

Een rechtgeaard kind ziet hoog op tot zijn vader. Daar zit dan vaak veel grootspraak in. Maar van onze Vader in de hemel kunnen we nooit groot genoeg spreken. Hij is de Almachtige, Hij heeft hemel en aarde uit niet geschapen. God heeft alles tot aanzijn geroepen. Toen God deze wereld schiep, was niemand daarbij aanwezig. Niemand zal dat ooit ook kunnen begrijpen.

 

Kunt u de schepping begrijpen? Wie dat probeert, komt altijd verkeerd uit. Dan gaan we gissen en filosoferen. Dan komt de één uit bij het materialisme, de ander bij het idealisme en een derde bij het evolutionisme.

Jongelui, laat je maar nooit imponeren door al die wetenschappelijke theorieën. Want alle pogingen om het ontstaan van de wereld, de mens en de natuur te verklaren vanuit de wetenschap zijn vruchteloos.

Lees je Bijbel en wat daar staat op de eerste bladzijde: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Dat kun je niet begrijpen, dat kun je alleen maar aanvaarden in het geloof.

 

Het geloof ziet in de schepping de hand van de Vader. Daarover gaat het hier in Zondag 9. Het gaat niet in de eerste plaats over de schepping, maar over het Vaderschap van God. Zonder het geloof in God de Vader kun je eigenlijk geen zinnig woord over de schepping zeggen. Denk maar aan Hebreeën 11. Daar staat het duidelijk: Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord van God is toebereid. Dat is de bril van het geloof, de bril waarmee we de schepping zien.

Daarom hoeven we ook de leer van de schepping niet te verdedigen. Trouwens, de wetenschap spreekt zichzelf ook op legio plaatsen tegen. Wie schiep dat oercelletje? Wanneer was die oerknal? ‘Vijf miljoen jaar geleden’, zegt de één.’ ‘Nee’, zegt de ander, ‘het is miljarden jaren geleden.’ Nou, dat scheelt niet weinig. Zo kom je er dus ook niet. Dat heeft ook allemaal geen zin.

 

Natuurlijk, gemeente, staan wij bij het onderzoek van de schepping voor ontzaglijke vragen. Dat ontken ik niet. Die vragen kan ik niet beantwoorden en u waarschijnlijk ook niet. Maar dat hoeft ook niet, want wij hebben onze Bijbel. De Bijbel is geen handboek voor de natuurwetenschap, maar het boek van Gods openbaring. Daarin komt God naar ons toe als de Vader, Die alle dingen en ook u geschapen heeft. De Bijbel zegt het overduidelijk, dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus alles uit niet geschapen heeft en dat nog onderhoudt en regeert. Dat is genoeg, meer hebben we niet nodig. Een christen zegt over het ontstaan van de wereld heel eenvoudig: ‘Mijn Vader heeft de wereld geschapen.’ 

 

Het is de Vader aan Wie in het bijzonder het werk van de schepping wordt toegeschreven. Hij deed dat niet buiten de Zoon en de Heilige Geest om. Denk maar aan de bekende tekst: Door het Woord des Heeren, Christus, zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest Zijns monds al hun heir. Daar hebt u ze bij elkaar.

Toch is de schepping het eigenlijke werk van de Vader. Daar staat de Bijbel vol van. In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De profeten herinneren het volk daaraan: Heft uw ogen omhoog en ziet Wie dit alles geschapen heeft. We hebben het ook gelezen in Jesaja 45.

De psalmdichters loven hun Schepper: De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

 

De Catechismus zegt: ‘Hemel en aarde, met alles wat erin is.’ De Almachtige riep dat tot aanzijn, door een enkel machtswoord uit Zijn mond. Hij schiep de hemel, de zon, de maan, de planeten, de sterren en de miljoenen lichtjaren. Hij schiep ook de aarde, de planten en de bomen, de kruiden en de bergen, de heuvels en de dalen, de zeeën en de rivieren. Noemt u maar op. Hij schiep ook de vogels in de lucht, de vissen in de zee en de dieren op het veld. Als kroonstuk op de schepping schiep Hij ook de mens.

Zo staat het in de Bijbel: Alzo zegt God de Heere, Die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft en wat daaruit voortkomt; Die den volke dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen die daarop wandelen.

 

Gemeente, God is krachtens de schepping ook ons aller Vader. Elk mens is als schepsel een kind van God. Maleachi zegt dat ook: ‘Hebben wij niet allen één Vader?’ Hij zegt daar direct achteraan: ‘Heeft niet één God ons geschapen?’

Adam was de zoon van God. ‘Ja’, zegt u, ‘maar daar is de zondeval tussen gekomen. Toen is alles veranderd. We zijn toch de duivel toegevallen?’ Jawel, maar ondanks onze ongehoorzaamheid hebben wij het Vaderschap van God niet teniet kunnen doen. Als uw kind tegen u opstaat en de situatie thuis onhoudbaar wordt en u jaagt uw kind de deur uit, dan blijft het toch wel uw kind, al is de relatie verstoord, verbroken en kapot. Welnu, zo is het ook met het Vaderschap van God krachtens de schepping.

In Adam hebben we onze Vader de rug toegekeerd. We zijn het huis uitgegaan; we zijn weggelopen van God. Wij zijn ontaarde kinderen geworden, maar God blijft wel onze Vader en wij blijven wel Zijn kind. Als Schepper houdt God Zijn rechten op ons aller leven, gemeente.

 

Ook op jullie, jongelui. De Bijbel zegt: Gedenk aan je Schepper in de dagen van je jongelingschap. Dat moet je doen, hoor, voordat je oud wordt en ziek en je geen gelegenheid meer hebt om God te zoeken en te dienen! Vooral het dienen is zo belangrijk. De Heere is het zo waard, dat we Hem dienen! Je kunt God beter beginnen te dienen als je nog jong bent, als je acht jaar, tien jaar of vijftien jaar bent.

 

Gemeente, zelfs de verstoktste zondaar is bij de Heere welkom. De moordenaar aan het kruis, die op aarde God niet meer dienen kon, was bij de Heere welkom. Maar gedenk aan je Schepper, in de dagen van je jongelingschap. Hij is het zo waard.

God zorgt zo goed voor ons. Hij heeft je geholpen op school, je hebt een kamer gezocht en gekregen, je hebt werk gekregen, een baan, je mag gaan trouwen en ga maar door. Zorgt God? Of niet? Hij geeft gezondheid, kracht en wijsheid.

Gemeente, zoals we hier samen in de kerk zitten, zijn we toch allemaal toonbeelden van Gods zorg? En nu is deze God het zo waard, dat we Hem niet alleen nodig hebben voor ons tijdelijk leven, voor het geld en voor ons salaris, maar Hij wil ook, dat we Hem nodig hebben voor ons hart, voor onze ziel, tot verzoening van onze zonde.

Want het Liefste wat God had, heeft Hij gegeven, namelijk Zijn Zoon, de Heere Jezus. Het beste wat Hij had, heeft Jezus gegeven, namelijk Zijn leven aan het kruis. Het zou toch beledigend zijn, als we alles van de Heere wilden ontvangen behalve een nieuw hart?

 

Ja, al de goederen voor dit leven mag je van de Heere vragen. Je mag erom bidden en je krijgt ze nog ook. Kun je dan zeggen: ‘Heere, wat dat andere betreft, dat nieuwe hart, nee, dat heb ik niet nodig. Ik dien liever de zonde.’? Zou dat niet ontzaglijk beledigend zijn?

Zou u het nemen, als u uw kind maar betaalt en betaalt voor zijn studie en hij doet er mee waar u het niet voor geeft? Zou u dat nemen? En moet God dat nu wel nemen? Eigenlijk zou Hij met ons in een keer een einde moeten maken. Maar dat doet God niet, want Hij wacht en is geduldig. Hij roept en Hij trekt nog. Ook nu roept Hij nog verloren zonen.

 

U moet eens luisteren. Een vader mag zijn ongehoorzame kind er toch altijd op aan blijven spreken dat het kind is en altijd blijft? En zo zegt de Heere dat nu ook tegen ons.

Maar, weet u, niet alleen krachtens de schepping heeft God recht op ons, maar nog veel duidelijker krachtens onze doop, krachtens het genadeverbond. U en ik, wij lopen met het teken en zegel van Gods genadeverbond over deze wereld rond. God heeft ons gestempeld, getekend voor het leven en toegewijd voor Zijn dienst.

Hij heeft recht op ons leven. Hij wil, dat we Hem dienen en verheerlijken. Daar heeft Hij zelfs Zijn Zoon voor overgehad. Wat is daarop uw antwoord? Redeneer je verantwoordelijkheid niet weg. Nee, buig voor deze God, geef uw leven over in Zijn hand en leg u neer als een verloren zondaar, als een weggelopen kind aan Zijn voeten, met de vraag: ‘Heere, kan het nog goed komen? Wat moet ik doen om zalig te worden?’

Als u het hier niet doet, gemeente, dan wordt deze Schepper straks uw Rechter. Maar dan is het te laat.

O kom! De Heere roept nog.

 

Dat was onze tweede gedachte: God de Vader is Vader van al Zijn schepselen. In de eerste gedachte hebben we gezien, dat God mijn verzoende Vader is in Christus. Wat is dat heerlijk, rijk en vertroostend om zo’n Vader te hebben! Dit alles mogen we weten door het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart.

Hieruit vloeit onze derde gedachte voort, dat God de Vader de Verzorger en Beschikker van mijn leven is.  

Daarvan gaan wij zingen uit Psalm 33 vers 7 en 11: 

 

De grote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht,

Het gans gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Waar Hij heerst als Koning,

Waar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godd’lijk’ ogen

Op al ’t mensdom neer. 

 

De grote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht,

Het gans gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Waar Hij heerst als Koning,

Waar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godd’lijk’ ogen

Op al ’t mensdom neer. 

 

3. Deze Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven. 

 

Gemeente, wat hebben de kinderen van zo’n eeuwige, almachtige Vader een geweldige rijkdom. Zij mogen leven uit Zijn hand en op Zijn kosten. Zij liggen in leven en sterven voor rekening van hun Vader. Daarover gaat het in onze derde gedachte: God de Vader is de Verzorger en Beschikker van mijn leven.

Kijk maar naar het slot van antwoord 26. Daar staat:

Op Welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader.

 

Het lijkt wel of de Catechismus hier een lied aanheft. Het is een strofe om te zingen, wanneer Gods vriendelijk aangezicht over ons licht. Maar het is ook een strofe om het uit te schreeuwen, als het donker om ons heen wordt en de diepte van de beproeving wordt ervaren.

 

Op Wie ik alzo vertrouw, zo zeer vertrouw. Hoe zeer? Nou, zo zeer, dat ik niet twijfel. Zet daar maar eens een streepje onder. U moet zich hieraan toetsen. We hebben het gehoord, dat God ons aller Vader is. Als je twijfelt, dan is je vertrouwen aan de maat. Zo gaat dat ook met een vader en zijn kind. Jullie twijfelen er toch ook niet aan of je vader goed voor je zorgt?

U zegt: ‘Is dat niet te hoog gegrepen, als het gaat over God?’ Nee, natuurlijk is dat niet te hoog gegrepen, want het gaat hier over het geloof en twijfelen is puur ongeloof. Geloven betekent vertrouwen, dat sluit alle twijfel buiten. Geloof is vastheid. Het geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

Ja maar, hoe moet het dan, als die twijfel je aanvliegt? U herkent het misschien wel in uw leven en jullie ook wel, jongelui?

 

Je twijfelt over het stuk van de schepping. Hoe kan dat nu? Je twijfelt aan de leiding van God in je leven. Het moet maar eens anders lopen, dan je zo graag had gewild. Hoe moet het dan als de twijfel je aanvecht? Hoe moet het dan als er van de almacht en van de Vaderlijke goedheid van God in je leven even niets te zien is? Als je aan het graf van je kind staat of aan het sterfbed van je man of vrouw?

Hoe moet het in de aanklacht van je beschuldigend geweten, onder de belegering van zonde en twijfel? Hoe moet het in de opstandigheid van het verbitterde hart? Hoe is het in het gezicht van nood en dood? Als je God kwijt bent, als je hart een graf geworden is van koude onverschilligheid, hoe moet het dan? Niet twijfelen? Vertrouwen?

 

U voelt, gemeente, het blijkt steeds weer, dat het geloof een gave van God is. Het geloof hebben we nooit op zak of in voorraad. Ik weet dat al deze vragen in het menselijk hart leven. De Bijbel spreekt daar ook over. Maar hoe moet het dan? We moeten God de God van Zijn Woord laten zijn. We moeten het Woord van deze God openslaan, lezen en vertrouwen. U weet toch wel wat dat is? In het Hebreeuws betekent vertrouwen: neerzinken op de vaste rotsbodem, als alles wankelt in je leven. Dat is vertrouwen.

Zie dan maar af van alles wat je zelf kunt, voelt en vreest. Zie dan maar liever op de vaste grond van Gods beloften in Zijn Woord. Daar staat het: Want Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept; mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.

 

Er is een God, Die hoort! God helpt in nood. Hoe moet het in de twijfel? Laat je zinken op het Woord. Houd het elkaar maar voor. Als de één het kwijt is, pakt de ander zijn Bijbel. Daar staat het: De Heere hoort de nooddruftigen.

Die zo door het Woord van deze God teruggeroepen en opgehaald wordt uit de vertwijfeling en tot de hoogte van het vertrouwen op deze God en Vader gebracht wordt, die vertrouwt ook op Zijn leiding in zijn leven. Ook als het donker en moeilijk wordt. Ook als de stormen van levensleed tegen je schip slaan. Maar te midden van al die nood mag een christen nochtans belijden: ‘Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige.’

Hij is machtig om ook in uw leven te doen wat Hij wil. Hij regeert. De nood kan groot zijn, maar de Helper is groter. De vijand is sterk, maar Vader is nog veel sterker. De duivel is machtig, maar mijn hemelse Vader is almachtig. Ja, Hij zal mij met alle nooddruft van lichaam en ziel verzorgen.

 

Nooddruft is wat je nodig hebt, of liever wat God in Zijn wijsheid voor ons nodig keurt. Laat dat maar aan Hem over. Om onze nooddruft mogen we vragen, om overvloed niet. Dat heeft God niet beloofd. Dat is een extra, als Hij dat ook nog geven wil.

Hij heeft alleen beloofd: Uw brood zal zeker en uw water zal gewis zijn. In de grootste smarten zal Ik bij u zijn. Als ge zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. Het vuur van de beproeving zal u niet aantasten.

 

Gelooft u, dat dat echt gebeurd is? Daar twijfelt u toch niet aan? En die God leeft nog. Hij is nog Dezelfde. Echt waar! God zorgt! Aan die God mogen we ons toevertrouwen, zegt de Bijbel en zegt de Catechismus.

Wat denkt u van die weduwe te Zarfath? Het flesje bleef maar stromen. Zo is God! Hij zorgt als een Vader voor Zijn kinderen.

 

Hij kan het onmiddellijk, Hij doet het vaak middellijk. Waarom, gemeente, zou u op deze God niet uw vertrouwen stellen? Waarom zou u het alleen doen? Waarom zou u het zelf doen? Waarom zou u tobben en modderen, wurmen en worstelen. Vergeefs.

 

Hij zorgt in ziekte en in nood. Ook in geestelijke nood, als het gaat om de verzoening met God, om de vergeving van al je zonden. Loop je weleens over je zonden te tobben? Heb je het weleens uitgeroepen: ‘Heere, zo kan het niet langer. Hoe komt het ooit nog goed tussen U en mijn ziel?’ De Heere zorgt. Hij heeft ervoor gezorgd, dat er vergeving is in het bloed van Zijn lieve Zoon.

Hij geeft genade tot heiligmaking. De klederen des heils, de bruiloftsklederen zijn door Christus verworven. Heb toch krediet op deze hemelse Vader, Die zorgt voor onze nooddruft voor lichaam en ziel beide. Wandel aan Zijn hand! Leef op Zijn kosten en vertrouw op Zijn leiding, ook als de weg door de zee gaat en Zijn pad door diepe wateren!

 

Dan vervolgt de Catechismus: En ook alle kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt.

Misschien gaat u daaronder gebukt en hebt u het daar moeilijk mee. Het kwaad, de moeite, het verdriet, het kruis, de hevige pijn, de slapeloze nachten van beproeving, de geestelijke bestrijding en verlating, kortom, alle kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt.

Schikt Vader dat toe aan Zijn kinderen, die Hij liefheeft? Gemeente, dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.

Komt het kwaad dan van God? Nee, het kwaad is een gevolg van de zonde.

God heeft ook geen jammerdal geschapen, maar dat hebben wij ervan gemaakt door onze zonde. De aarde is een tranendal. Dat is geen zwartgallig pessimisme, maar dat is de werkelijkheid van het leven op aarde na de zondeval. En dat kwaad overkomt ook Gods kinderen, want enerlei wedervaart de rechtvaardigen en de goddelozen. Maar er is wel een groot verschil. Hier staat: De Heere schikt het Zijn kinderen toe.

Hij regeert, Hij bestuurt. Er is geen noodlot. De mensen doen het je niet aan, maar het kwaad blijft wel kwaad. Spreek daar maar nooit te luchthartig over.

 

Als we zien mogen dat het uit Zijn Vaderhand komt, dan willen we er niets vanaf hebben, integendeel. Dan zeggen we: ‘Ik dank U, Heere, dat U toornig op mij geweest bent.’ In de beproeving kun je iets leren, in ieder geval wie jezelf bent. Hoe je reageert, maar ook Wie God voor je wil zijn. In de grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust.

Nee, dan komen we niet om, dan gebruikt de Heere het kwaad tot ons nut.

 

Daarom staat er hier: ten beste keren.

Dat is de overtreffende trap. Ten beste, dus niet ten goede, maar ten beste keren. Zie je wel, dat het kruis een heiligend kruis is? De oude mens gaat erin onder en de nieuwe mens komt er gelouterd uit tevoorschijn. Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest. Zo moeten alle dingen, zelfs het kwaad, medewerken ten goede voor degenen, die Hem liefhebben.

Het kan u dichter brengen bij God.  Hij zal al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, ten beste keren.

 

Ten beste. Waarom? Omdat Hij de beste van alle Vaders is, een overvloedige Fontein van alle goed. Zo zorgt deze Vader voor Zijn volk.

Hij kan het doen, zo zegt de Catechismus, als een almachtig God. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Heft uw ogen op en zie Wie al deze dingen geschapen heeft.

Hij is de Almachtige. Hij kan het, maar Hij wil het ook als een getrouw Vader. Hij stelt Zijn almacht in dienst van Zijn liefde.

 

Zo is onze hemelse Vader! Hij kan het doen, want Hij is almachtig, Hij wil het doen, want Hij is een getrouw Vader en Hij zal het doen als de God van Zijn Woord, want Hij heeft beloofd: ‘Ik zorg voor u.’ Bent u dan niet rijk?

 

Gelooft u in deze God?

Dan is uw antwoord:

‘Ja, ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.

Hij is mijn Vader om Christus’ wil uit genade.’ 

 

Amen.