Ds. M. Karens - 1 Johannes 2 : 12 - 17

Waarschuwend onderwijs van Johannes

De rijkdom van Gods kind
De armoede van de wereld

1 Johannes 2 : 12 - 17

1 Johannes 2
12
Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.
13
Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend.
14
Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.
15
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.
16
Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.
17
En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Gebed des Heeren: 1
Lezen : 1 Johannes 2: 12 - 29
Zingen : Psalm 115: 5, 6 en 7
Zingen : Psalm 102: 14
Zingen : Psalm 73: 14

Gemeente, met de bede om licht en waarheid vervolgen wij de overdenking van de brief van Johannes. Aan de orde is 1 Johannes 2, de verzen 12 tot en met 17, waarvan ik u alleen het vijftiende vers lees:

 

Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

 

Wij schrijven onder dit gedeelte van de brief: Waarschuwend onderwijs van Johannes.


Twee aandachtspunten:

1. De rijkdom van Gods kind. Naar aanleiding van de verzen 12 tot en met `14 over kinderkens, vaders, jongelingen en kinderen. Daarin wordt de rijkdom van Gods volk getekend.
2. De armoede van de wereld. Want vers 15 tot en met 17 zegt: Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid.

 

Dus: Waarschuwend onderwijs van Johannes dat spreekt over de rijkdom van Gods kind en de armoede van de wereld.

 

Ons eerste aandachtspunt is:


1. De rijkdom van Gods kind

 

Gemeente, Johannes schrijft deze brief met apostolisch gezag en met hartelijke liefde, om herderlijk onderwijs te geven. Weet u het nog? Hij is negentig jaar oud en wandelt dan al zeventig jaar op de weg achter Christus aan. Aan de oever van de Jordaan bij Beth-Abara is Jezus hem geopenbaard als het Lam Gods en vanaf dat moment is hij Hem gevolgd.

 

Kinderkens… Wij hebben deze aanspraak al meer uit Johannes’ mond gehoord. Ons tekstgedeelte begint ermee: Ik schrijf u, kinderkens. We hebben gezien dat kinderkens ziet op de hele Gemeente met een hoofdletter, Gods kinderen. Johannes heeft door het Evangelie hen gebaard als geestelijke kinderen. Anderen spreekt hij ook wel aan als kinderkens, omdat hij op hoge leeftijd is.

In onze tekst bedoelt hij met kinderkens al Gods kinderen in de gemeente. Vier keer in dit hoofdstuk spreekt hij hen zo aan. In vers 1, 12, 18 en 28. Zij behoren tot die Kerk, waarvan onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat zij is: ‘Een heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest.’ Johannes wil nu die ware Christgelovigen pastoraal en vaderlijk onderwijs geven, en in dit gedeelte ook onderscheiden. Hij zegt namelijk: Ik schrijf u vaders, ik schrijf u jongelingen, ik schrijf u kínderkens.

 

Dit gedeelte wordt vaak aangehaald als een bewijsplaats voor het onderscheiden van standen in de genade. Toch is dat niet helemaal terecht. Laat ik me haasten om te zeggen dat we er straks over zullen nadenken. Maar onze vaderen wijzen in de kanttekeningen erop, dat het hier gaat om de ouderdom. Het is dus een indeling naar leeftijd.

Aan de andere kant mogen we ook in het licht van de hele Schrift zeggen dat er onderscheiden standen in het leven der genade zijn. U weet, wanneer u wat thuis bent op het kerkelijk erf, dat dit een zeer bediscussieerde en bestreden kwestie is. Op grond van de Schrift, op grond van wat van onze vaderen leren en de praktijk der godzaligheid, willen we zeggen dat er onder Gods kinderen kinderkens en jongelingen zijn, maar ook vaders. Want wat de een van Gods kinderen heeft mogen leren, daar staat de ander nog voor. Twee voorbeelden: Theodorus á Brakel, de vader van Wilhelmus, schreef het boek ‘Trappen in het geestelijke leven’ en Calvijn spreekt over ‘stadia in het genadeleven’.

Wanneer we dit onderscheid in het geestelijke leven gaan verliezen, en het niet meer naar voren komt in de prediking, dan gaat de separatie ontbreken. Het gaat niet alleen in de preek om onbekeerden en bekeerden.

Onder de onbekeerden zit ook veel verschil. Zeg eens eerlijk, er zijn er die met verlangen naar de kerk komen, maar niet kunnen spreken over bekering. Er zijn er die naar de kerk móéten komen. Er zijn er die werelds leven. Anderen leven als de rijke jongeling.

Er is ook onderscheid onder Gods kinderen. Er zijn bekommerden, bevestigden, en nieuwgeboren kinderkens die uitzien naar de redelijke, onvervalste melk. Ook zijn er jongelingen, die meer geoefend zijn in de genade. Zij mogen weten van zaken die de Heere hen geleerd heeft. Er zijn ook vaders – bevestigde christenen. Het gaat dan natuurlijk ook over de vrouwen in de gemeente. Zij worden ook met deze namen genoemd.

 

In Efeze 4 vers 13 en 14 zegt Paulus: Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; 0pdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer. Hij schrijft dus ook over de zojuist genoemde zaken. Nog een voorbeeld van zijn hand vindt u in 1 Korinthe 3 vers 1 en 2: En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus. Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijze.

Trouwens, in de geschiedenis van het volk Israël, getrokken uit Egypte en geleid door de woestijn naar Kanaän, liggen ook daar geen geestelijke lessen in? Mogen we het leven van Ruth – helaas mag dat van sommigen niet meer – exemplarisch voorstellen en daarin de gangen en wegen zien die de Heere met Zijn kinderen houdt? Zou het leven van de discipelen ons niet kunnen leren dat in het geestelijke leven sommige kinderen van God vóór bepaalde zaken staan?  En dat anderen door Gods genade meer hebben geleerd en bevestigd zijn in de genade? Daarom geeft dit gedeelte ons aanleiding om daarop te wijzen. Natuurlijk blijft de Geest vrij in de wijze van werken in het leven van de genade.

 

Johannes vervolgt nu: Want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil (1Joh.2:12). We mogen volgens de kanttekening 37 ook uit het Grieks vertalen: Dat u de zonden vergeven zijn. Iedereen begrijpt dat dit geen betrekking heeft op nieuwgeboren kinderkens. Het is een grote weldaad wanneer de Heere Zijn kinderen leert dat door genade al hun zonden vergeven zijn. Wat zijn zij gelukkig, die met antwoord 56 van de Heidelbergse Catechismus mogen weten: ‘Dat God, om des genoegdoens van Christus wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken.’ Zalig zijn zij die met hun hart kunnen zingen: ‘Een stroom van ongerechtigheden, had d’ overhand op mij, maar ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert Gij.’

Waarom zijn hun zonden vergeven? Hoe is dat mogelijk?

Wel, er staat zo treffend achter: Om Zijns Naams wil. Kanttekening 38 zegt: ‘Dat is, om Christus Jezus’ wil.' De zonden zijn hen vergeven om de genoegdoening van Jezus Christus, door Zijn Middelaarsarbeid, en dit wordt door de Heilige Geest toegepast aan de verloren en verkoren zondaar.

 

We hebben in een eerdere Bijbellezing de verzen 1 en 2 overdacht: Mijne Kinderkens, (…) wij hebben een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden. Degenen aan wie Johannes schrijft, mogen weten dat hun zonden vergeven zijn om Zijns Naams wil. Het is door het verlossingswerk van Jezus Christus, de Rechtvaardige.

De kanttekening verwijst naar Handelingen 10 vers 43: Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam. Dus door het zaligmakende geloof ontvangen de kinderkens in de gemeente vergeving van zonden. Kanttekening 43 zegt bij deze tekst: ‘Dat is, door Hem, of om Zijnentwil, als Die een Offerande voor onze zonden is geworden, en daardoor een eeuwige verzoening voor allen die in Hem geloven heeft teweeggebracht.’ Om de arbeid van die gezegende Middelaar Gods en der mensen is er vergeving van zonden en schuld, voor zondaren.

 

Johannes gaat verder: Ik schrijf u. Hij benoemt drie groepen, hij separeert: vaders, jongelingen, en kinderen. Matthew Henry tekent hierbij aan: ‘Alle christenen staan niet op dezelfde hoogte, en hebben niet dezelfde grootte: er zijn zuigelingen in Christus; er zijn volwassen mannen, er zijn oude discipelen.’ Dus ook Matthew Henry maakt onderscheid.

Vaders zijn volgens kanttekening 39: ‘Oude lieden, die door uw jaren grote kennis hebt verkregen.’ Dus het zijn mensen op hogere leeftijd, die meerdere kennis hebben gekregen. Dan staat er ook achter: Want gij hebt Hem gekend Die van den beginne is. Ze hebben Hem, de Heere Jezus Christus, leren kennen. Misschien hebben ze Hem nog persoonlijk gezien, maar één ding is zeker: Ze hebben Hem gekend met de doorleefde kennis van het geloof. Jezus, Wie te kennen het eeuwige leven is.

Jezus Christus is van den beginne, staat er. Dat betekent volgens de kanttekening: ‘Namelijk, der wereld, dat is van eeuwigheid.’ Hem te kennen, Die van eeuwigheid bij God was. Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met der mensen kinderen (Spr.8:31).

Mag ik eens vragen, gemeente, mogen we persoonlijk door Gods genade Hem kennen en op Hem vertrouwen?

Misschien zegt u: ‘Dominee, er is wel wat in mijn leven gebeurd en ik kan er wel een paar dingen over zeggen.’

Dat is een groot voorrecht, maar weet u waar de zekerheid ligt?

Als we door het geloof deel mogen hebben aan Christus. Als ons leven vast mag liggen, gebouwd op de Rotssteen Jezus Christus. Ik wenste dat u door het geloof alles in Hem, Die van den beginne af geweest is, mag zoeken en vinden.

 

Ik schrijf u, jongelingen… ‘Namelijk’, zegt de kanttekening, ‘die in het beste en sterkste van uw leven zijt en bekwaam tot strijden.’ Jongelingen naar de leeftijd dus, maar we mogen het ook vertalen naar het genadeleven. Jongelingen, die in de kracht van het leven staan, en door God geroepen zijn in het strijdperk van dit leven. Welke de wapenrusting mochten ontvangen uit Efeze 6 en de strijd des geloofs strijden. De apostel prijst hen. Hij zegt: Gij hebt den boze overwonnen (1Joh.2:13). ‘Dat is, de duivel’, zegt kanttekening 43. Ze hebben dus de duivel overwonnen.

Dat begrijp ik niet, want het is toch nooit voltooide tijd? Het is toch nooit klaar? Zijn er dan ware gelovigen in dit leven die de duivel hebben overwonnen? Blijft de strijd in het leven der genade dan niet: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze? Dat is volgens Zondag 52 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Dewijl wij van onszelf zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten.’

Wat bedoelt Johannes nu? Zijn zij jongelingen die krachtig de strijd des geloofs mogen strijden?

De meeste verklaarders denken dat hier een bijzondere aanslag van de duivel op de gemeente bedoeld wordt. Dat hij zijn werk heeft gedaan als een briesende leeuw en een engel des lichts. We lezen daar in het vervolg van de brief nog iets over. Een van die dingen is, dat er veel misdaan is door mensen, die de gemeente verlaten hebben. Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn (1Joh.2:19). Dit heeft heel veel impact gehad op jongeren, op die jongelingen, die genoemd worden. Mensen die de gemeente verlieten door allerlei afwijkende denkbeelden in leer en leven vormden een verleiding van de boze. In het bijzonder jongeren worden hierdoor meegesleept.

Johannes zegt dan tegen deze jongelingen: ‘Jullie zijn staande gebleven, en hebben door Gods genade de boze overwonnen. Jullie hebben die duivelse aanslagen mogen afslaan.’ Zij zijn staande gebleven door de kracht van genade, door Hem, Die met de duivel in de woestijn van Judea heeft gestreden. Zij hebben de boze overwonnen met de kracht van het Woord.

 

Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend. Er staat in vers 12 in het Grieks voor kinderen: teknia. Dat moet je vertalen met ‘kindertjes’. Het zijn hele jonge kindertjes. Vandaar dat de Statenvertaling heeft staan: kinderkens. In vers 13 staat het woord paidia. Dat zijn de oudere kinderen. Volgens de kanttekening: ‘Namelijk, die nog jong van jaren zijt, welker ambt en eer is hun ouders recht te kennen, te ontzien en lief te hebben.’

Johannes schrijft aan geestelijke kinderen, die door genade mogen weten dat ze om Christus’ wil aangenomen kinderen zijn. Welke door het wonder van Goddelijke genade kinderen mogen zijn van het geestelijke huisgezin.

Ze hebben de Vader gekend. Kanttekening 45 zegt: ‘Namelijk van onzen Heere Jezus Christus, Die ook onze Vader om Christus’ wil geworden is.Ze mogen er iets van weten een Vader in de hemel te hebben. Ze mogen weten: ‘Denk aan ’t Vaderlijk meêdogen, Heer’, waarop ik biddend pleit.’

Het zijn gelukkige kinderen, jongelingen en vaders, die weten van een kind des toorns, dat in het Rijk van God niet kon komen, door wedergeboorte deel te hebben gekregen aan weldaden van het geestelijke huisgezin. Het gaat hier om de rijkdom en het geluk van Gods kinderen. Of ze nu klein zijn of groot, vaders, jongelingen of kinderen, Hij maakt ze van dat heil en van die weldaân deelgenoot. Hij zal ze groter maken.

 

Vers 14 is een herhaling van vers 13. In vers 13, als je meeleest, valt op dat Johannes zegt: Ik schrijf u. En in vers 14 staat: Ik héb u geschreven… Het is alsof de apostel der liefde er nog een keer op terugkomt en zegt: ‘Let op, ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.

Wat valt jou nu op? Wat valt u op?

Een van de eerste dingen is, dat hier de kinderen niet meer genoemd worden. Het tweede wat opvalt is, dat er bij jongelingen twee zaken worden toegevoegd. Als eerste: Want gij zijt sterk, en als tweede: En het Woord Gods blijft in u. Johannes wil daarmee twee dingen benadrukken:

Want gij zijt sterk: Daarmee wil hij de jongelingen bemoedigen in de geestelijke strijd in dit leven. ‘Jongelieden zijn in het algemeen sterk van lichaam, zo moeten zij ook sterk zijn in het geloof, om tegen den duivel te strijden’, zegt kanttekening 46.

Het Woord Gods blijft in u. Het Woord is het zwaard om mee te strijden. ‘Namelijk hetwelk is het geestelijk zwaard waarmede gij tegen de duivel moet strijden’, zegt kanttekening 47.

 

Gemeente, hier zien we hoe jongelingen, geoefend in de strijd, in het strijdperk van het zaligmakende geloof, twee dingen ervaren: Zij zijn sterk, maar niet in eigen kracht. Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig (2Kor.12:10). Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13). Het Woord Gods is het zwaard, de sterkte. Dit is het belangrijkste wapen. Het Woord Gods niet bij u, maar in u. Zo worden deze jongelingen door Johannes hier afgebeeld.

Als je nu alles bij elkaar neemt, wat zijn er dan een rijke weldaden voor het volk van God. Al zijn ze dan onderscheiden in de standen van het genadeleven, allemaal zijn ze schatrijk. Ze mogen weten van de genade, zoals in het vijfde vers is verwoord: Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij dat wij in Hem zijn. Ze hebben allemaal dat Goddelijke, opzoekende genadewonder gemeenschappelijk. Die kinderkens, jongelingen en vaders hebben met elkaar gemeenschappelijk dat ze door het geloof in Christus zijn.

 

Mag ik het nog een keer zeggen? Leg uw leven er dan eens naast. Johannes zegt: Ik schrijf u, ik heb u geschreven. U kunt het weten. Dan noemt hij de volgende dingen: In Christus zijn, de zonde vergeven, de boze overwonnen, de Vader kennen en het Woord blijft in u. Dat zijn de weldaden die hij hier noemt in de onderscheiden standen in het geestelijke leven.

Mag u daar iets van kennen? Mag u weten in Christus te zijn? Weten van de vergeving der zonden? Durft u tussen God en uw ziel te zeggen dat u Hem kent, Die het eeuwige leven is? Ben je zo’n geestelijke strijder, die met het zwaard van het Woord de boze mag overwinnen? Mag u weten de Vader te kennen? Misschien in de stilte van uw binnenkamer het weleens uitgesnikt: ‘Denk aan ’t Vaderlijk meêdogen’, of: ‘Goedertieren Vader, milde Zegenader, stel Uw vriendelijk hart, op Wiens gunst wij hopen, eeuwig voor ons open?’ Ik kan het niet beter uittekenen. Als u dit nu mag bezitten, dan is het waar: Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent (Ps.89:16). ‘Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer, In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen; die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’!’ Wat zijn ze welgelukzalig. Of het nu kinderen, jongelingen, of vaders zijn.

 

Waarschuwend onderwijs van Johannes. Toch ligt daar, en ook hier in de gemeente, nog een aansporing in voor Gods kinderen. Maar wast op in de genade en kennis (2Petr.3:18). En: Benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken (2Petr.1:10).

Voor jou en u geldt: Óf u deelt in de rijkdom van Gods kinderen, en u mag iets van die weldaden door genade kennen, óf je hoort bij ons tweede aandachtspunt: de armoede van de wereld. Nameloos arm, zonder God, zonder vergeving, zonder Vader, zonder in Christus te zijn, zonder een strijder te zijn met het Woord van God. Daarom zegt Johannes: Hebt de wereld niet lief. Dat overdenken we in onze tweede gedachte. Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 102 vers 14:

 

’t Aardrijk en de hemelbogen

Zijn gewrocht door Uw vermogen;

Alle zijn z’, in hun verband,

’t Kunststuk van Uw wijze hand.

Doch, hoe duurzaam zij ook schijnen,

Eens zal al hun glans verdwijnen;

Maar, schoon ’t alles om zal keren,

Gij blijft staand’, o Heer’ der heren.

 

Onze tweede gedachte:

 

2. De armoede van de wereld

 

Johannes heeft iets getekend van de rijkdom van Gods kinderen, in welke stand van het genadeleven dan ook. Zij zijn zo nameloos rijk, hetzij klein of groot, Hij maakt ze van dat heil, die weldaân deelgenoot. Hij zal ze groter maken. Deze opwas moet ook de begeerte van Gods kinderen zijn. Hij moet wassen, zij minder worden.

Johannes wijst nu tegenover de rijkdom van Gods kinderen de armoede van de wereld aan. Hij geeft waarschuwend onderwijs. Hij zegt: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

 

Het woordje ‘wereld’ komt zes keer in ons tekstgedeelte voor. Het wordt meer dan honderd keer in de geschriften van Johannes vermeld. Het is een van de kernwoorden uit zijn Evangelie en zijn brieven.

Hebt de wereld niet lief. Wat bedoelt hij daar nu mee?

Het woordje wereld in het Grieks, ‘kosmos’, heeft veel verschillende betekenissen. Ik zal de drie voornaamste noemen. Het woordje ‘wereld’ betekent soms al het geschapene. Dus de hemel en de aarde, de hele wereld die God heeft geschapen, waarvan de dichter zingt in de berijmde vierentwintigste Psalm: ‘Al d’ aard’ en alles wat zij geeft, Met al wat zich beweegt en leeft, Zijn ’t wettig eigendom des Heeren.’

Op andere plaatsen in de Bijbel betekent het de mensenwereld. Johannes 1 vers 10: Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. Niet alle mensen hoofd voor hoofd, maar wel de wereld van de mensen. Zo is het ook in 1 Johannes 2 vers 2: Niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.

In de derde plaats betekent ‘wereld’ vaak: de Godvijandige wereld. De wereld, de tegenwoordige boze wereld, die beheerst wordt door de overste van deze wereld, de duivel, en waar de zondemacht heerst.  

Hier in onze tekstwoorden – hebt de wereld niet lief – wordt deze laatste, negatieve, betekenis bedoeld. De kanttekening zegt: ‘Dat is, de dingen die buiten de rechte kennis en dienst Gods in deze wereld van wereldse mensen groot geacht, begeerd en nagestreefd worden.’

 

Johannes schrijft op een andere plaats: Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft (Joh.15:18). Daar mag je in zien dat je niet meer van de wereld bent. Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben, zegt Christus in Johannes 15 vers 19.

Op verschillende plaatsen schrijft Johannes over dit liefhebben en haten van de wereld. Hij zegt in Johannes 12: Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden. Dus als het gaat over de vermaning: Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is, dan heeft dat betrekking op alles wat deze wereld te bieden heeft buiten en zonder God. Liefhebben is je hart ergens aan verliezen, of aan iemand kwijtraken. Liefhebben van de wereld, betekent dat je je hart aan de wereld hebt gegeven en verloren.

Als wij in onze kring spreken over de wereld, dan bedoelen we vaak de laatste betekenis. Heeft u al eens gezien, ervaren, dat die wereld in ons alles hart leeft? Zult u die Godvijandige wereld, waar de vorst der duisternis en de werken der bozen heersen, niet te ver weg denken? Want, gemeente, al leven we er misschien nog zo afgescheiden van – alles van die wereld leeft in ons hart. Al zou je in een klooster gaan, of scheidde je jezelf van alles af, dan nog zit deze wereld in uw hart. De verdorven menselijke natuur zal in ons hart openbaar komen. Toch zegt Johannes in zijn vermaning met liefde: Hebt de wereld niet lief. Paulus schrijft hiervan ook: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig (Rom.12:2).

 

Wat staat er tegenover liefhebben?

Verlaten. ‘De wereld verlaten, onze oude natuur doden, en in een nieuw godzalig leven wandelen’, zegt ons doopformulier. Want weet u, de kanttekening zegt het ook: ‘Namelijk overmits deze twee liefdes (de liefde tot de wereld en de liefde tot God) zich strekken tot zaken die tegen elkander strijden, tezamen niet kunnen bestaan, en de ene liefde de andere uitdrijft.’ Dus: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; want zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

Johannes wil nu zeggen: ‘Het is onmogelijk dat u de wereld met al zijn begeerlijkheid liefhebt en u tegelijk een kind van God bent.’ Johannes wil met klem op het hart binden dat dit onverenigbaar is. Onverzadigbare liefde tot de wereld en al zijn begeerlijkheden én liefde tot God, liefde tot God de Vader, zijn onverenigbaar.

Matthew Henry schrijft: ‘Het hart van de mens is eng, het kan die beide liefden niet tegelijk bevatten.’ Al vergeet je alles van deze preek, denk hier nog eens over na: Het hart van de mens is zo klein, het kan nooit de liefde tot God en tot de wereld allebei bevatten. Dat strijdt tegen elkaar.

Ik las ergens als een verklaring van deze tekst: ‘Een voorwerp kan nooit rond en vierkant tegelijk zijn.’ Het is óf ik heb door Goddelijke genade iets van die hartelijke liefde tot God, óf de liefde tot de wereld beheerst mij.

Beide kunnen nooit samengaan, zegt Johannes. Absoluut niet. Er is tegenwoordig een godsdienst en een christendom, waar dit wel schijnt te kunnen. Je kunt Christus liefhebben, God liefhebben, én de wereld dienen. Je moet niet zo bekrompen doen. Zo hoef je nu niet meer te leven. Dan kun je de wereld en de zonde aan de hand houden. Een kind van God zijn en aan het Avondmaal gaan en noem maar op. Johannes noemt dit als een waarschuwend onderwijs voor mij, voor jou en voor u.

 

Gemeente, we moeten maar niet te veel naar anderen kijken, die zeggen: ‘Jullie zien overal zonde in en het is zo bekrompen. Het kan allemaal veel ruimer.’ Moeten we niet belijden dat de grens tussen kerk en wereld ook onder ons meer en meer wordt uitgewist?

Wat is eigenlijk wereldgelijkvormigheid?

Het is eten, drinken, trouwen en werken zonder God. En dan moet u niet alleen naar anderen kijken. Heeft u dit in uw eigen leven al eens gezien? Alles doen zonder God. Dát is wereldgelijkvormigheid.

Als ik aan u vraag wat wereldgelijkvormigheid is, dan weet ik precies wat u gaat zeggen. Laat dat nu maar liggen. Wereldgelijkvormigheid is dat ik denk als de wereld, en de dingen van de wereld liefheb. Ik jaag de dingen van hierbeneden na. Mijn hart ligt ten diepste in de wereld. Ik probeer in mijn hart een beetje godsdienstig te zijn en tegelijk de wereld te dienen.

Dan zegt Johannes: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. Zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Het strijdt met elkaar.

Dit staat ook in het Evangelie naar Matthéüs. Christus heeft immers gezegd: Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten (Matt.6:24). Mag ik het zo vertalen? ‘Gij kunt niet de wereld, en tegelijk de Heere dienen.’

De hele Bijbel staat er vol van. Ook Jacobus schrijft erover: Weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn – die met zijn hart een vriend wil zijn van die Godvijandige wereld – die wordt een vijand van God gesteld (Jak.4:4). Daarom wijst Johannes dit zo nadrukkelijk aan in het leven van Gods kinderen, als hij schrijft aan die kinderkens.

Hoe meer in het leven van Gods kind de liefde tot wereldse dingen de overhand weer krijgt, des te meer verkoelt de liefde tot God, des te meer verzwakt de liefde en de ijver tot God en Christus. Het wordt steeds meer zichtbaar in het afdwalende leven; de binnenkamer blijft zo vaak leeg. Geen tijd voor een weekdienst. Dan heb ik al mijn tijd nodig voor de dingen van de tijd. Het Woord gaat meer en meer dicht. Er wordt dan zo weinig meer van gehoord. Mezelf hou ik op de been met wat er vroeger gebeurd is.

Laten we ons in het licht van dit waarschuwend onderwijs onderzoeken en neem het liefdevolle onderwijs van Johannes ter harte. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zíjn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33).

 

Vervolgens werkt Johannes het begrip ‘wereld’ in vers 16 verder uit. Hij noemt drie aspecten waaraan je kunt zien wat van de wereld is: de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens. Hij zegt: ‘Hier heb je nu de wereld ten voeten uit: Vlees, ogen, en grootsheid.’

Mag ik het zo zeggen: seks, geld en macht? Johannes zegt: ‘Dat is nu de wereld: zelfverheerlijking, materialisme, begeerlijkheid des vleses, en de verlangens van het zondige vlees uitleven.’ Het is alles waar ik m’n zinnen op heb gezet. De wereld is: drang naar genot, die ons allen in het vlees en bloed zit. Het is een manier van leven die gericht is op de dingen van het hier en nu. Gericht op jezelf. Los van God. Alles wat de mens aftrekt van God.

Paulus wist wat dat was. U ook, kinderen van God? Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom.7:14). Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Rom.7:19). Ik ellendig mens (Rom.7:24). Maar een kind van God stríjdt ertegen. Hebt de wereld niet lief. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses. ‘Dat is de wellustigheid’, zegt de kanttekening.

 

De begeerlijkheid der ogen – Kanttekening 53 zegt dan:Dat is, de gierigheid en begeerte van rijkdommen, en die hier ‘der ogen’ wordt genaamd, omdat het aanschouwen dezer goederen de begeerte derzelve opwekt, en dat de ogen der gierigaards daarmede nimmermeer verzadigd worden, maar willen alles hebben wat zij zien.’ En Johannes zegt: ‘Dat is de wereld, de begeerlijkheid van het vlees. Dat is de wereld, de begeerlijkheid der ogen.’

Jonge vrienden, de duivel weet als geen ander dat het hem via de oogpoort altijd lukt. De toegang via de oorpoort is nog weleens moeilijk, maar wanneer hij het op je netvlies krijgt, dan komt het vanbinnen vanzelf op gang. Zeg eens eerlijk of het niet waar is, wat Johannes hier zegt?

De begeerlijkheid der ogen, vind je ook in Genesis 3 vers 6: En de vrouw zag (…) een die boom begeerlijk was (…) en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar (Gen.3:6). En zie je Achan schuifelen tussen de puinhopen van Jericho? Goud, zilver en een Babylonisch kleed. Hij zag, begeerde en nam.

 

Gemeente, ik heb al vaak gezegd, dat de weg die vorst der duisternis volgt, is dat hij het eerst brengt op je netvlies. Wat heeft hij dan in onze tijd veel middelen. De hele wereld met alles wat ze te bieden heeft, ligt binnen handbereik. Eén veeg over je smartphone! We moeten wel zeggen, jongeren en ouderen, wat is de duivel erin geslaagd deze wereld heel dichtbij te brengen. Want dat vindt aansluiting in ons zondige hart.

Dit bedoelt Johannes nu met de begeerlijkheid der ogen. De begeerlijkheid wordt zelfs opgewekt bij koning David die op zijn dak stond. Want dan staat er in 2 Samuël 11 vers 2: Dat David van zijn leger opstond en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien. Daarom: ‘Wend, wend mijn oog van d’ ijdelheden af.’

 

Het derde aspect waaraan je kunt zien wat ‘wereld’ is, is de grootsheid van het leven. Er staat in het Grieks een woord dat ‘hoogmoed’ betekent, of ‘trotsheid’. Een leefstijl die belust is op pracht en praal, waarin een zucht naar macht, eer en geld openbaar komt. Een dorst naar de dingen van de wereld. Leg uw hart er maar eens naast. Durf dan maar eens te zeggen dat die liefde tot de wereld u vreemd is.

Gemeente, waarschuwend onderwijs van Johannes. Er is zoveel te genieten in de wereld. Deze heeft zoveel te bieden en heeft alles waar mijn hart naar uitgaat. Alle begeerlijkheden der ogen en de grootsheid van het leven laten ons leeg en arm. Even genot, onze verlangens bevredigd, onze ogen verzadigd en de trotsheid van ons leven gevoeld. Maar het laat ons nameloos leeg. Daarom wil Johannes, die kinderkens, die gelovigen, waarschuwen voor de zuigkracht van de wereld.

Calvijn zegt ergens dat wij van nature geneigd zijn tot een beestachtige liefde tot deze wereld. Die liefde is niet uit de Vader, zegt Johannes, en komt niet bij God vandaan. Want als de Heere door genade in uw leven werkt, dan wordt die wereld een van uw drie doodsvijanden.

Daarom nog een keer de vraag: Zijn nu de duivel, de wereld en uw eigen verdorven vlees uw vrienden of uw doodsvijanden? Wat doe je met een doodsvijand?

Die vijand ontloop je, je haat hem en ontvlucht hem. De wereld is een doodsvijand, die voortdurend haar verleidelijke stem in ons leven doet horen: ‘Wordt mij gelijkvormig, wordt mij toch gelijkvormig.’ Die wereld kan ons alleen maar aftrekken van de Heere en van Zijn dienst.

 

En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, zegt Johannes. Daarom mocht dat onderwijs ons allen persoonlijk nog opscherpen. Nee, niet om in wetticisme te vervallen, maar wel opdat de grenzen tussen wereld en kerk, tussen de buren die nergens aan doen en u, openbaar mogen komen in ons gelaat en gepraat, gewaad en daad. Let op: vooral dit laatste! En daarom zeg ik het Paulus na: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds (Rom.12:2).

U moet bekeerd worden. We hebben hartvernieuwende genade nodig. We hebben nodig om door wedergeboorte in Christus te worden ingelijfd. We hebben nodig de Vader te leren kennen, en de vergeving der zonden. Dat zijn de weldaden die Gods kind uit genade ontvangt!

Daarom, wie een vriend van de wereld is, zal met de wereld vergaan. Want, zegt Johannes aan het einde van onze tekst: De wereld gaat voorbij.

Er staat eigenlijk in het Grieks: ‘De wereld is bezig om voorbij te gaan.’ Het wil niet zeggen, dat straks de wereld in één keer voorbijgaat. Nee, het staat in een doorlopende werkwoordsvorm. De wereld is er volop mee bezig om voorbij te gaan. Het einde is nabij. Deze oude wereld bloedt uit duizend wonden en kraakt in al haar voegen.

 

Al de begeerlijkheid van de wereld gaat voorbij. Al de goederen en wellusten waartoe de begeerlijkheid zich uitstrekt is van voorbijgaande aard. Als je dat nu eens op je laat inwerken.

De eerste wereld ging ook voorbij. Wat was de oorzaak?

Wereldgelijkvormigheid! De kinderen uit het geslacht van de godvrezende Seth, vermengden zich met de kinderen uit Kaïns geslacht. De Heere had lang geduld – honderdtwintig jaar – maar toen was de maat vol. De wereld verzonk in de wateren van het oordeel. Alleen Noach en zijn acht zielen werden in Gods grondeloze barmhartigheid bewaard.

En daarom zegt Johannes: ‘De wereld is bezig voorbij te gaan.’ Zij wankelt ten dode. Er is hier niets blijvends. Deze wereld sleept je mee. Mocht het eens tot inkeer, tot bekering brengen, en tot nadenken stemmen. Want als u met de wereld meegaat, dan zult u eindigen in de eeuwige nacht. ‘Wie ver van U, de weelde zoekt, vergaat eerlang, en wordt vervloekt.’

Waarom dan zo druk bezig zijn met wereldse zaken, met de dingen van de aarde? Waarom dan wel nachten wakker liggen vanwege de grootsheid van uw leven en u nooit bekommeren om uw ziel: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’

De wereld gaat voorbij. Het gaat dan niet in de eerste plaats over de ondergang van de wereld op de jongste dag. De wereld gaat voor u voorbij als het uur van uw sterven komt en u opgeroepen wordt voor de rechterstoel. Al de begeerlijkheden van de wereld, van de ogen, en al die grootsheid van het leven, het gaat allemaal in het graf. Het is voorbij.

 

Weet je dat deze woorden een troost kunnen zijn voor een kind van God in de kerk? Zij zijn weleens blij dat de wereld voorbijgaat en straks de elementen brandende zullen vergaan. Dan zal er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waarop gerechtigheid wonen zal, waarop de Heere alles zal zijn en in allen. Zij zullen dan eeuwig God groot maken.

Maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. Bij alles wat voorbijgaat, zijn er mensen die blijven.

Wie blijven er dan?

Degenen die de wil van God doen blijven tot in der eeuwigheid. ‘Namelijk in het vlieden van deze begeerlijkheden en zonden. Die zal het eeuwige leven hebben’, zegt de kanttekening.

Het Woord en de wet vormen de geopenbaarde wil van God. Wie door genade dat Woord gaat horen en gehoorzamen, gaat de wil van God doen. Dat betekent: Bekeert u, bekeert u, (…) want waarom zoudt gij sterven? (Ezech.33:11). De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot den Heere, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen (Jes.55:7). De wil van de Heere is: Laat u met God verzoenen (2Kor.5:20).

 

Is het niet een van de eerste eigenschappen van het nieuwe leven dat je de wil van God gaat doen? Of je nu midden in de wereld leeft of aan de rand, of wat de wereld ook in je hart teweegbrengt, als de Heere door Zijn Woord en Geest in je hart begint te werken, is je eerste vraag: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand.9:6). Daar ligt Saulus van Tarsen. Daar staan de drieduizend op de Pinksterdag, getroffen in hun hart: Wat zullen wij doen, mannenbroeders? (Hand.2:37).

Christus heeft tijdens Zijn leven op aarde de wil van de Vader volmaakt gedaan. Hij is degenen die Hem zijn ingelijfd vóórgegaan. Zij delen door het geloof in Zijn weldaden. Wie de wil van God doet – dat ziet op een leven van heiligmaking uit Christus. Hij is de Verzoening, Hij is hun Voorspraak. Hem volgen door bezaaide en onbezaaide wegen.

Zulke mensen zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld. Zij zijn echt niet wereldvreemd, maar zij zijn wel vreemdelingen en gasten op de aarde. Zij zijn pelgrims en zoeken het niet meer in deze wereld met zijn begeerlijkheden van het vlees, het zien met de ogen, of de grootheid van het leven.

 

Die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk dat zij een Vaderland zoeken (Hebr.11:14). Zij zoeken een stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebr.11:10), en blijven in der eeuwigheid. Want alles wat van God is, blijft in der eeuwigheid. Zij zullen eeuwig delen in Zijn liefde, in de vergeving der zonden, en in de gemeenschap met een drie-enig God. Zij zullen eeuwig in Zijn nabijheid zijn. ‘En na kortstondig ongeneugt’, hoor je Lazarus zingen, ‘mij eindeloos verheugt.’

Maar de rijke man, met al de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, zei: Vader Abraham, (…) zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam (Luk.16:24).

 

Al wat in de wereld is, gaat voorbij. Maar voor wie nu zijn knieën buigt en vraagt: ‘O God, bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn’, is er verwachting. Want die de wil van God doet, die blijft in der eeuwigheid. Dat is de toekomst van al Gods kinderen, van al de jongelingen, kinderkens, en vaders. Zij zullen eeuwig delen in de vreugde des Heeren.

Trouwens, wie de wereld liefheeft, blijft ook tot in der eeuwigheid; vergist u zich toch niet in de eeuwige rampzaligheid. Eeuwig uitroepen: ‘Had ik maar geluisterd naar Gods Woord.’

Weet u, en daar besluit ik mee, in de Christinnereis van John Bunyan is een man op de grond bezig om met stokjes, vuil en rommel bij elkaar te graaien. Boven hem hangt de gedaante van een engel die een gouden kroon vlak boven zijn hoofd houdt...

Die man ziet die kroon niet eens…

Is dat jouw beeld? Is dat uw beeld?

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 73 vers 14:

 

Wie, ver van U, de weelde zoekt,

Vergaat eerlang en wordt vervloekt,

Gij roeit hen uit, die afhoereren

En U de trotsen nek toekeren,

Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,

Nabij te wezen bij mijn God,

‘k Vertrouw op Hem geheel en al,

Den Heer’, Wiens werk ik roemen zal.