Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 6

De Middelaar Gods en der mensen

Deze Middelaar is waarlijk mens en waarlijk God
Hij is ons van God geschonken
Hij is in het heilig Evangelie geopenbaard
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

We hopen de complete Catechismusverklaring wekelijks opeenvolgend te publiceren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 146: 3
Lezen : 1 Korinthe 1: 17-31
Zingen : Psalm 145: 2, 3 en 7
Zingen : Psalm 17: 4, 8
Zingen : Psalm 56: 5

Gemeente, aan de beurt is Zondag 6 van de Catechismus.

 

Vraag 16: Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?

Antwoord: Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde; en dat een mens, zelf een zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.

Vraag 17: Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?

Antwoord Opdat Hij, uit kracht Zijner Godheid, den last van den toorn Gods aan Zijn mensheid zou kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven.

Vraag 18: Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig, rechtvaardig mens is?

Antwoord: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is.

Vraag 19: Waaruit weet gij dat?

Antwoord: Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.

 

Gemeente, Zondag 6 gaat over

De Middelaar Gods en der mensen

 

We letten op drie hoofdgedachten:

 

1. Deze Middelaar is waarlijk mens en waarlijk God

2. Hij is ons van God geschonken

3. Hij is in het heilig Evangelie geopenbaard

 

Gemeente, misschien kent u het schitterende boek van Bunyan: De Heilige Oorlog. In dat boek lezen we hoe koning El-Schaddaï - dat betekent de Almachtige – een prachtige stad heeft gebouwd op de aarde. Bunyan noemt die stad ‘Mensziel’. Op die heerlijke, volmaakte stad is echter Diabolus, de duivel, afgekomen. Hij heeft met leugen en bedrog de stad Mensziel afgetrokken van koning El-Schaddaï. Hij heeft het zo aangelegd, dat de inwoners van de stad Mensziel geheel vrijwillig en moedwillig de poorten van binnenuit hebben opengedaan. Zo kwam het dat Mensziel viel onder het rijk van Diabolus. Koning El-Schaddaï en de stad Mensziel lijken voorgoed van elkaar gescheiden te zijn.

Heeft El-Schaddaï dan de stad Mensziel voor niets gebouwd? Zou Hij daar geen eer meer aan behalen? Al Zijn wetten zijn immers vertrapt en gekrenkt. Heeft Diabolus nu vrij spel in deze wereld? Nee, gelukkig niet! Want, na de inneming van Mensziel door Diabolus, blijkt er in de geheime kamer van het hemelse paleis van Koning El-Schaddaï al een compleet verlossingsplan voor Mensziel gereed te liggen.

Diabolus heeft namelijk Koning El-Schaddaï niet verrast. El-Schaddaï wist dat dit zou gebeuren en in het verlossingsplan stond dat de Zoon van de Koning, Prins Immanuël, Zijn Vader beloofd heeft om de stad Mensziel weer te heroveren. Hij zal de gekrenkte rechten van Zijn Vader herstellen en de stad Mensziel weer ongeschonden aan Zijn Vader teruggeven.

Maar daarvoor moest Prins Immanuël wel afdalen naar de stad Mensziel. Daarvoor moest Hij wel eerst mens worden. Anders zou Hij nooit kunnen bemiddelen tussen El-Schaddaï en Mensziel.

 

Zijn Naam zegt het ons: Immanuël, God met ons. Hij werd mens. God en mens. Daarover gaat het nu in Zondag 6, over de Middelaar Gods en der mensen, een middelaar, een bemiddelaar.

Een middelaar staat tussen twee partijen, die van elkaar gescheiden zijn, om ze weer bij elkaar te brengen. Jezus is de Middelaar tussen enerzijds de heilige God en anderzijds de schuldige, zondige mens, tussen El-Schaddaï en de door Diabolus geregeerde stad Mensziel. Daarom moest de Heere Jezus, Prins Immanuël, de Zoon van El-Schaddaï, afdalen naar deze wereld, naar het rijksgebied van Diabolus. Hij moest de mensen in alles gelijk worden.

 

Zo wordt hier de vraag gesteld:

Waarom moet Hij waarachtig en rechtvaardig mens zijn?

‘Waarachtig’ betekent echt, waarlijk, door en door.

Daarop antwoordt de Catechismus:

Omdat de rechtvaardigheid van God vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde; en dat een mens, zelf een zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.

 

De Heere Jezus moet mens worden om als Middelaar tussen de twee partijen te gaan staan en ze met elkaar te verzoenen.

De mens heeft gezondigd, de mens moet betalen. Als Hij geen mens was geweest, had Hij niet kunnen lijden en sterven, noch Zijn ziel kunnen geven tot een rantsoen voor de zonde. Wij, gemeente, hebben met lichaam en ziel gezondigd, met onze menselijke natuur en daarom moest de Heere Jezus komen en betalen. De rechtvaardigheid, de gerechtigheid van God vorderde, eiste dat. Want de Heere had gezegd tegen Adam: ‘Ten dage als gij daarvan eet, zult ge den dood sterven.’ Dat had God gezegd en dat moest uitgevoerd worden. Eerlijk is eerlijk.

Daarom kon Christus ook geen schijnmens zijn, zoals de Wederdopers leren, of een soort menselijke natuur uit de hemel meebrengen, maar Hij moest voortkomen uit het menselijk geslacht, dat gezondigd had, uit het geslacht van vader Adam. Hij moest het door de zondeval ontluisterde vlees, dat aan de vloek van de zondeval onderworpen was, aannemen om daarin te lijden en te sterven en de straf te dragen.

Echt mens, waarachtig mens, met lichaam en ziel, zo alleen kon Prins Immanuël een getrouw Hogepriester zijn over het huis van God. Door ons vlees en bloed aan te nemen, kon Hij de zonden verzoenen en ons in al onze zwakheden te hulp komen.

 

En zo komt Hij tot ons, ook nu in de prediking van het Evangelie. Hij is van hemelse komaf, uit het hof van El-Schaddaï, maar Hij werd Immanuël, God met ons. Hij werd mens, lijdend, betalend, straf dragend. Pilatus zegt van Hem: ‘Zie, de Mens’, als Hij met Zijn met doornen gekroonde hoofd en met Zijn bebloede rug te schande staat voor Zijn broeders naar het vlees.

 

Zo gaan wij dus een ogenblik tot Hem uit, als in Zijn mensheid. Hij moest mens zijn om te kunnen lijden en sterven in onze plaats.

Daar gaat Hij!

En laten we in gedachten tot Hem uitgaan buiten de legerplaats.

Hij gaat Zijn Via Dolorosa, Zijn smartenweg. Hij strompelt onder het kruis, zie Hem bezwijken onder de last van die zware kruisbalk.

Daar hangt Hij aan het vloekhout, Zijn handen en voeten zijn doornageld met de spijkers van onze zonden.

Het ergste voor Hem is, dat Hij door God verlaten wordt. Koning El-Schaddaï schijnt Prins Immanuël niet eens meer te kennen. Gods gerechtigheid vorderde, dat de menselijke natuur die gezondigd had voor de zonde zou betalen. Verlossing is er alleen maar door betaling.

Welnu, Hij betaalt in Zijn menselijke natuur voor majesteitsschenners, voor de handlangers van Diabolus. De mens heeft gezondigd en de Bijbel zegt: ‘De ziel die zondigt, die zal sterven’ en ‘De bezoldiging der zonde is de dood’. Dat eist Gods gerechtigheid. Daar valt niet mee te spotten. Kijk, tegen die donkere achtergrond staat de menswording van de Zoon van God.

Het was voor Hem geen eer, dat Hij ons vlees moest aannemen. Het is veeleer een spiegel van onze diepe verdorvenheid. Wie zou zich niet schamen bij deze aanblik? Zie de Mens! Zie Hem staan! Met deze Mens gaat God in het gericht. Hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, zo zegt de Bijbel.

 

Gemeente, weet u wat het grote wonder is? Daartoe was de Heere Jezus bereid. Van eeuwigheid af heeft Hij beloofd om dat te zullen doen. Dat hebben we gezien in Zijn omwandeling op aarde, we komen het tegen in de Evangeliën, in de zelfovergave van Zijn diepe liefde. Hij laat Zich hangen aan het kruis. We zien Zijn kostbare bloed op de aarde aflopen. O, laten we onze blik niet afwenden, maar ons hoofd naar beneden wenden omdat we ons schamen, want dat is de diepe achtergrond! Hij hing daar voor ons!

De menselijke natuur heeft gezondigd en die moet gestraft worden. Om onzentwil treedt Koning El-Schaddaï met Zijn Zoon Immanuël in het gericht. Geheel alleen laat Christus Zich vertreden door Zijn Vader in de wijnpersbak van Gods toorn. Zo alleen kon Hij de Middelaar Gods en der mensen zijn, Die tussen de twee partijen staat, Die God en de mensen met elkaar verzoent.

Gemeente, niemand is geschikter dan Hij om dat te doen, want Hij staat helemaal aan de kant van God, Hij is Zelf ook God. Maar Hij staat ook helemaal aan onze kant, want Hij werd Mens. Waarachtig, rechtvaardig Mens.

Zo zien we de Middelaar Gods en der mensen. Zijn ene hand strekt Hij uit naar de geschonden eer, de geschonden deugden en de geschonden gerechtigheid van Zijn Vader. Zijn andere hand strekt Hij uit naar ons. Hij reikt ons die aan in het Evangelie, tot ons behoud.

 

Een Middelaar, Die zondaren verzoent met God, hebben we nodig. Hebt u Hem ook nodig? Hebt u in deze Man van smarten je leven mogen vinden voor God? Hij kwam en ontledigde Zich tot in de dood. Hij werd beladen met alle ongerechtigheden. Waren de uwe daar ook bij? Mag u dat weten? Dan is uw hart niet onbewogen, als u hoort, dat Hij mens moest worden om de toorn van God over onze zonden te dragen. Dan staat u daar wel met betraande ogen bij en zegt u: ‘Voor mij moest Hij daar staan, voor mij moest Hij daar hangen, voor mij moest Hij verlaten worden van Zijn God en Vader.’

 

Prins Immanuël werd een sterfelijk Mens, maar Hij mocht geen schuldig Mens zijn. Elk schuldig mens moet voor zijn eigen schuld betalen. Wie failliet gaat, kan zichzelf niet meer helpen en zeker niet een ander loskopen. Daarom vraagt de Catechismus: ‘Waarom moet Hij een rechtvaardig mens zijn?’ Een mens, zelf zondaar zijnde, kan voor anderen niet betalen. Dat is duidelijk. Wat Adam in het werkverbond heeft laten liggen, heeft Jezus volbracht. Rechtvaardig mens. Ja, dat ook.

 

Niet alleen echt mens, maar ook rècht mens.

Voor de zondeval was dat hetzelfde, maar na de zondeval is dat veranderd. Daarom wordt het hier uitdrukkelijk genoemd. Een rechtvaardig mens zonder erfzonde en zonder dadelijke zonde. Zodanig een Hogepriester betaamt ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Iemand, Die geen zonde gekend heeft, Die volkomen gehoorzaam is geweest, in geloof, hoop en liefde.

Zelfs als Hij aan het kruis hangt, houdt Hij nog vast aan Gods Woord en legt Hij Zijn toekomst in de handen van Zijn Vader. Onder alle folteringen spreekt Hij het uit: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’

Wat dunkt u van deze vlekkeloze, rechtvaardige Middelaar? Is Hij niet blank en rood? Hij is blank vanwege Zijn onschuld en Zijn verworven gerechtigheid en rood vanwege de Hem toegerekende zonden en vanwege het bloed.

 

Prins Immanuël is waarlijk en rechtvaardig Mens, maar ook waarachtig God. We lezen in vraag en antwoord 17:

Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?

Omdat Hij, uit kracht Zijner Godheid, de last van de toorn Gods aan Zijn mensheid zou kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven.

 

Dat hele antwoord komt neer op twee begrippen, die we in de geloofsleer kennen: Zijn lijdelijke gehoorzaamheid en Zijn dadelijke gehoorzaamheid.

Daar komt eigenlijk heel deze vraag op neer.

 

Eerst iets over Zijn lijdelijke gehoorzaamheid.

Zijn Godheid hielp Zijn mensheid in het dragen van de toorn van God. Anders had Hij het geen seconde kunnen uithouden onder die oneindige last van Gods toorn tegen onze zonde. Hij had dat niet gekund, als Hij niet meer was geweest dan een zondeloos mens, als Hij niet tegelijkertijd geweest was de sterke God en de Vader der eeuwigheid. Zeker, Hij is geslagen en verdrukt, verbrijzeld als Borg, maar Hij was toch Gods Zoon, Die God was, maar die de gestaltenis van een dienstknecht heeft aangenomen.

De last van de toorn van God was te zwaar voor de menselijke schouders van de Heere Jezus. Die oneindige last is niet door een mensenkind te tillen, laat staan weg te dragen.

 

Hebt u daar wel eens iets van gevoeld? Iets maar? Van een toornend God over uw zonden, over uw schuld en over uw leven? O, dan begrijpt u het. Al voelen we er maar iets van, dan weten we dat die volle toorn van God door geen mens te dragen is. Daarom moest de Heere Jezus ook God zijn. Zo alleen kon Hij de toorn van God verdragen en wegdragen. Of, om het zo eens te zeggen, Zijn Godheid stelde Hem in staat om de eeuwigheid van de straf in de tijd te kunnen doorstaan.

 

Waarachtig God. Ja, zo wordt Hij de Overwinnaar. Al sterft Hij dan als mens aan het kruis, met Pasen is Hij opgestaan. Die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zone Gods naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden, namelijk Jezus Christus, onzen Heere. Hier valt het paaslicht over Golgotha. Hier mogen wij, door de sluier van Zijn menselijke natuur, zien tot op Zijn Godheid.

Prins Immanuël, waarlijk Mens. Ja, maar ook waarlijk God. Daarom zal straks eenmaal alle knie zich voor Hem buigen, want die eer komt Hem toe omdat Hij God is.

Zo herstelde Prins Immanuël de verbroken gemeenschap tussen God en mens. Hij betaalde de schuld en Hij droeg de straf en de toorn. Dat noemen we Zijn lijdelijke gehoorzaamheid. Daar moest Hij Mens voor zijn en tegelijkertijd God, anders had Hij die last niet kunnen dragen.

 

Dan is er ook de dadelijke gehoorzaamheid.

De Catechismus zegt:

En voor ons de gerechtigheid en het eeuwige leven verwerven en wedergeven.

Prins Immanuël betaalde niet alleen de schuld, maar Hij maakte ook alles weer goed.

Stel eens voor, dat u failliet bent. U hebt alleen maar schuld. Iemand betaalt die schuld voor u. Dat is geweldig! Maar waar moet u nu van leven? Want na het betalen van uw schuld hebt u nog geen middel van bestaan. Kijk, dat verwierf Jezus nu voor Zijn kerk door Zijn dadelijke gehoorzaamheid, door Zijn daden!

‘Lijdelijk’ heeft te maken met Zijn lijden, ‘dadelijk’ heeft te maken met Zijn daden. In Zijn lijdelijke gehoorzaamheid betaalde Hij de schuld en in Zijn dadelijke gehoorzaamheid maakte Hij door Zijn daden alles weer goed. De gerechtigheid en het eeuwige leven heeft Hij verworven.

 

Let u ook even op de volgorde in de Catechismus? Eerst gerechtigheid en daarna leven. Hoe zit dat? Wel, de gerechtigheid is de bodem waarop dat leven kan opbloeien en niet andersom.

Wat houdt die gerechtigheid in, die levensvoorwaarde voor het leven? Wel, die gerechtigheid is niets anders dan in overeenstemming zijn met Gods wet, zoals voor de zondeval. Het betekent dat het weer helemaal vlak is tussen God en onze ziel. Dit geschiedt door de vrijspraak van schuld, waardoor we vrijmoedigheid ontvangen om God weer onder ogen te komen en Hem in de ogen te zien en Zijn liefde tot zondaren te ervaren.

Maar er is ook de gerechtigheid die Christus verdiend heeft, door Zijn leven in overeenstemming met Gods heilige wet, door Zijn dadelijke gehoorzaamheid.

De Vader bevestigde dat met Pasen. Jezus is opgestaan uit de dood en zo verwierf Hij het leven. Door de dood heen is dat bevestigd.

Er is niet alleen het recht op het eeuwige leven, maar ook het eeuwige leven zèlf. Het eeuwige leven begint hier al, als Christus ons opwekt uit onze geestelijke doodsstaat.

 

En nu staat hier niet alleen ‘verwerven’ in de Catechismus, maar ook ‘wedergeven’. Is dat niet hetzelfde? Als u het Schatboek van Ursinus erbij pakt, de uitleg van de Catechismus die hij heeft opgesteld, dan schrijft hij: ‘Hij moest de verloren gegane gerechtigheid en het leven verwerven, namelijk door Zijn verdiensten en Zijn voorbidding, maar ook wedergeven door Zijn kracht en Heilige Geest.’ Hij verwerft het niet alleen, maar Hij schenkt het ook.

Voelt u aan, dat wedergeven wijst op de toepassing ervan? Hij schenkt het, Hij maakt het deelachtig in het hart van een zondaar.

 

Prins Immanuël is niet alleen, zoals we dat noemen, Middelaar van verdienste, maar Hij is het ook van toepassing. Wat zou ik aan die gerechtigheid en aan dat leven hebben, als het verdiend was, maar niet aan mij geschonken werd? Ziet u? De deelname eraan, de toepassing ervan is net zo belangrijk voor u en voor mij, als dat Jezus het verworven heeft. Hoe doet Hij dat? Wel, dat reikt Hij aan in de bediening van Zijn Woord en Geest, in de bediening van het heilig Evangelie. Hij eigent het toe, Hij geeft het weder, Hij legt het in ons hart, Hij schenkt het in de belofte van het Evangelie.

‘Ja’, zegt u, ‘maar daar is dan wel geloof voor nodig.’ Dat is zeker waar. Dat is voor al het heil, dat Christus verworven heeft, nodig. Daar gaat de Catechismus nader op in in Zondag 7, die spreekt over het geloof. Maar dat geloof geeft Hij ook. Dat is een geschenk van Hem, dat hoort bij die gerechtigheid en dat leven.

 

Herkent u het, toen u schuldig stond voor God, toen u hongerde en dorstte naar de gerechtigheid, toen u uw smekende ogen in het gebed ophief tot die dierbare gestalte van de Middelaar, in al Zijn verdiensten? Hij boog Zich tot u onder de bediening van het Evangelie. Was het niet de Heilige Geest, Die uw hart naar Hem deed uitgaan en u tot Hem deed vluchten?

Zei u toen niet door het geloof in uw hart: ‘Ja, Heere, alleen in U kan ik voor God bestaan. Hoe word ik tot Uw eigendom?’ Hij trok en u vluchtte.

Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered;
Hij heeft mij verlost van het vonnis der Wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij;
Ik boog me, en geloofde, en mijn God sprak mij vrij.

 

Herkent u het, ondanks alle strijd en aanvallen van binnenuit? De duivel roept het je toe: ‘Jij bij de Heere Jezus? Dat is onmogelijk.’ Er zijn ook aanvallen van buitenaf, van mensen die zeggen: ‘Ja, maar dat gaat zomaar niet. Een zondaar vlucht zomaar niet tot de Heere Jezus. Het begint zomaar niet bij de Heere Jezus.’

En toch, wie het kent, zegt:

‘Ja, en toch mocht ik schuilen aan de voeten van deze gekruisigde en verrezen Middelaar. En daarop heeft God zo’n vrede gegeven in mijn hart, want Hij sprak het: Ik zal niet meer op u toornen, noch op u schelden.’

Jezus is onze gerechtigheid.

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,

Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.

 

En niet alleen mijn gerechtigheid, maar de catechismus zegt: ‘Ook het leven.’ Ja, want Hij zegt: ‘Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven.’ En dat geeft Hij, staat hier. Dat neemt u niet, dat steelt u niet. Hoe zou je dat eigenlijk kunnen stelen? Nee, Hij geeft het weder aan allen, die het leven buiten zichzelf zoeken Daarmee bekennen ze, dat ze midden in de dood liggen.

Dat was onze eerste gedachte: Hij is waarlijk mens en waarlijk God.

 

2. Hij is ons van God geschonken

 

We lezen samen vraag en antwoord 18:

Maar Wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig, rechtvaardig mens is?

Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.

 

Hij is ons van God geschonken.

Wat staat het daar rijk, hè! Vindt u niet? Onze Heere Jezus Christus! Voluit. Wat een rijke Naam! Wat een rijk Evangelie! Wat een rijke Catechismus en wat een heerlijk antwoord!

Hier breekt het volle licht van de Zon der gerechtigheid door.

Er is maar één Naam onder de hemel gegeven, waardoor u, ik en jullie, jongens en meisjes, moeten, mogen en kunnen zalig worden.

Daarover zing je met de dichter:

Uw Naam is voor ’t oprecht gemoed
Van al Uw gunstvolk goed.

 

Op die éne Naam komt ten diepste heel het antwoord van de Catechismus neer.

In die éne Naam ligt alles opgesloten: onze Heere Jezus Christus.

Hij is ons van God geschonken om ons terug te brengen bij de Heere God, om ons te verzoenen met God. Die Middelaar is een geschenk. Dat staat er: de Gegevene van de Vader. Hij kwam op uit het liefdehart van de Vader.

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Hoe bedroefd was de Vader toen de mens viel in de zonde. Maar toch was Hij Diabolus al voor geweest. Want Zijn verlossingsplan lag al van eeuwigheid klaar. Prins Immanuël had beloofd om naar deze aarde te gaan en de stad Mensziel te heroveren en te herstellen wat door de zonde was vernield.

Dat is één woord samen te vatten. Wat was er vernield? Het beeld van God in de mens. Dat beeld van God bestaat in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Die drie zaken hebben wij verloren in het paradijs en die heeft Christus, als de Middelaar Gods en der mensen, weer hersteld.

 

Deze drie eigenschappen zien we terug in het antwoord van vraag 18.

Want daar staat:

Hij is ons gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid en heiligmaking.

 

Wijsheid is kennis. Rechtvaardigheid is gerechtigheid. Heiligmaking is heiligheid.

In deze drie trekken van het beeld van God is Christus dus de van God geschonken Middelaar, de Borg. Want Hij is van God geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid en heiligmaking. Je kunt ook zeggen, dat Jezus geschonken is tot herstelling van het beeld Gods in ons.

 

Maar er is nog meer. Je mag het ook zo zeggen: Het beeld van God wordt niet alleen door Christus in ons hersteld, maar het wordt in Christus weer volmaakt geschonken.

Hij is de Borg en Middelaar. Hij is geworden wat wij voor de zondeval waren en wat wij na onze wedergeboorte weer behoren te zijn. Volmaakt!

Wie is dat? Wie haalt dat? Wie kan er zonder zonde leven? U? Nee! Ik ook niet. En daarom is Christus geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid en volkomen verlossing. In Hem ziet u de Plaatsbekleder. Dat is het eerste wat de Catechismus hier bedoelt.

 

Het tweede is, dat Christus ons maakt wat we behoren te zijn. Hij herstelt Zijn beeld in ons, Hij maakt ons wijs tot zaligheid. Hij leert ons te doen wat God wil, namelijk rechtvaardig te zijn voor Hem. Hij leert ons te zijn zoals de Heere ons hebben wil, namelijk heilig voor God. Dat doet Hij door Zijn drie ambten: Profeet, Priester en Koning. Let maar op!

Wijsheid heeft te maken met Hem als Profeet, Die ons onderwijst.

Rechtvaardigheid heeft te maken met Zijn priesterschap.

Heiligheid heeft te maken met Zijn koningschap.

 

Als Profeet onderwijst Hij de weg der zaligheid en opent Hij de Schriften, net als bij de Emmaüsgangers. Hij leerde hen uit de Schriften de Christus der Schriften kennen.

En zo doet Hij het nog. Gaat uw hart niet branden, als u in uw stille tijd de Bijbel openslaat, of als u onder het Woord van de prediking zit? Als Christus u begint te onderwijzen, dan mag u de verbanden in de Schrift zien en mag u dat met uw hart bijvallen. Gaat uw hart dan niet branden van liefde tot deze gewillige Zaligmaker, Die van God is geschonken als de Verlosser en Middelaar?

Als Priester brengt Hij het offer tot onze rechtvaardiging, tot vergeving der zonden. En door Zijn dadelijke gehoorzaamheid verwerft Hij het leven.

Als Koning regeert Hij in de harten van Zijn kinderen, zodat u gaat zingen met de dichter:

’k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

Zo herstelt Hij, de Middelaar Gods en der mensen, het beeld Gods in het hart en in het leven van Zijn kinderen.

 

U zegt misschien: ‘En die volkomen verlossing dan?’ Wel, dat is eigenlijk de samenvatting van deze drie zaken. Want in wijsheid, rechtvaardigheid en heiligmaking ligt ten diepste de verlossing besloten.

Het herstel van Gods beeld is het eigenlijke doel van de verlossing. Christus wil van ons niet alleen maar zalige mensen maken voor straks in de hemel. Hij maakt vooral nieuwe mensen hier op aarde, opdat we Zijn beeld gelijkvormig zouden zijn en opdat anderen in ons Christus zouden zien.

Zo loopt heel het verlossingsplan uit op het rijk van God. Dat komt, dwars tegen alle menselijke berekeningen in. Eenmaal komt het in volmaaktheid, als de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde komen, waarop gerechtigheid wonen zal.

 

Wat is nu precies de bedoeling van vraag 18? Waarom horen we hier over de Zaligmaker, Die geschonken is tot...? Gemeente, de bedoeling is, dat deze Middelaar, Prins Immanuël, Die van zo hoge komaf is, dat Hij God Zelf is, ook mens werd, echt mens, recht mens, heilig mens, dat deze Middelaar voor ons zondige, twijfelmoedige mensen niet onbereikbaar, niet ongenaakbaar is.

 

God brengt Hem nabij u, ook in deze dienst. God buigt zo laag neer met Zijn genadig Evangelie, zodat de armste zondaar erbij kan. Hij legt Hem aan uw voeten. God schenkt Hem.

‘Ja’, zegt iemand, ‘ook aan mij?’

‘Zeker! Ook aan u!’

‘Wat moet ik daar dan voor doen?’

‘Eén ding: God voor betrouwbaar houden in wat Hij zegt in het Woord van Zijn belofte.’

 

We moeten ons verlaten op Zijn Evangeliewoord.

Want dat is de kern van heel de preek over Zondag 6. God schenkt ons deze Middelaar in de belofte van het Evangelie. We hebben het uit betrouwbare bron, want straks bij de behandeling van vraag 19 zal het blijken als klinkt: ‘Waaruit weet ge dat?’ ‘Uit het Heilig Evangelie.’ Daarin belooft de Heere aan een ieder, die in deze gekruisigde Middelaar gelooft, dat hij niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven zal hebben.

 

Nu nog iets over dat ‘schenken’.

Want daar is wel eens wat verschil van mening over. Maar ik zal u zeggen wat onze vaderen daarover geschreven hebben en zo bedoelt Ursinus het ook in de Catechismus. Ik zal een citaat aanhalen van een bekende oudvader, die de Catechismus uitlegt, Theodorus van der Groe. Hij zegt in zijn verklaring van deze zesde Zondag het volgende:

Wij hebben allemaal deze Middelaar en Verlosser nodig, zullen we behouden, met God verzoend en uit onze ellende verlost zijn. Hij wordt ons allen in de aanbieding en de voorstelling van het Evangelie geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Wij worden allen door het Evangelie als arme, naakte, blinde, doemwaardige, onmachtige zondaars tot Hem geroepen en genodigd en het is het gebod en de raad van God, dat wij tot Hem zullen komen en Hem als een vrij genadegeschenk van Gods eeuwige oneindige liefde zullen aannemen en dat wij ons door Hem wederom met God laten verzoenen.

 

Is dat duidelijk? En dan vermaant Van der Groe degenen die nog buiten de gemeenschap met Christus leven, dat ze in hun ongehoorzaamheid en verharding niet zullen voortgaan. Hij spoort ze aan om te vluchten tot de Heere Jezus.

Hij zegt:

Sluit u niet buiten de zaligheid en de verlossing, die daar is in Christus Jezus! Wij zijn getuigen en gezanten van onze Heere Jezus Christus, om Hem door het Woord der prediking alle zondaren voor te dragen en aan te bieden tot een Middelaar en Verlosser, tot een Profeet om hem te leren, tot een Hogepriester om hun zonden bij God te verzoenen en tot een Koning om hen te heiligen.

‘Ach, mensen’, zo verzucht hij, ‘wie of hoedanig gij ook mocht zijn, veracht en verwerpt dit heerlijke geschenk van Gods vrije genade toch niet! Erken toch uw geestelijke armoede en blindheid, open uw harten toch eens voor deze grote, algenoegzame Zaligmaker en Middelaar Jezus Christus en laat u door Hem uit enkel vrije genade behouden en verlossen.’

 

Hij is van God geschonken. Aan u! Aan jou! Aan mij!

Kan het nog duidelijker, gemeente, Wie de Heere bedoelt met deze Middelaar?

En dan zegt Van der Groe:

Uit oneindige liefde en uit onbegrijpelijke goedertierenheid biedt God Hem aan allen aan en Hij schenkt Hem ons ‘om niet’, uit enkel liefde en genade.

 

Dan vraag ik u: ‘Wie zit hier dan nog in de kerk, die zeggen kan: Ik heb geen Middelaar om mij met God te verzoenen, Ik heb geen Verlosser?’ Wie durft dan nog te zeggen: ‘Hij is aan mij van God niet geschonken?’

Voelt u de ernst? Voelt u hoe schuldig we zijn, als we van deze Middelaar, deze geschonken Verlosser, geen gebruik maken?

God openbaart ons dit in het heilig Evangelie.

 

Dat is onze derde gedachte, maar we gaan eerst zingen uit Psalm 17 vers 4 en 8:

 

Maak Uwe weldaân wonderbaar,

Gij, Die Uw kind’ren wilt behoeden

Voor ’s vijands macht en vreeslijk woeden,

En hen beschermt in ’t grootst gevaar.

Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;

Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;

Bewaar m’ als d’ appel van het oog;

Wil mij met Uwe vleug’len dekken.

 

Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!)

Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,

U in gerechtigheid aanschouwen,

Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

3. Hij is in het heilig Evangelie geopenbaard

 

Het gaat in Zondag 6 over de Middelaar Gods en der mensen.

We hebben eerst gelet op Hem, Die waarlijk Mens en waarlijk God is. In de tweede plaats hebben we gezien, dat Hij ons van God geschonken is. En in de derde plaats zien we, dat Hij geopenbaard is in het heilig Evangelie.

 

We lezen nog een keer vraag en antwoord 19:

Waaruit weet gij dat?

Uit het heilig Evangelie, hetwelk God eerstelijk in het paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremonieën der wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.

 

Hij is ons van God geschonken.

Hoe weten we dat? Uit een betrouwbare bron. God zegt het Zelf. Het staat in het heilig Evangelie.

We zien dat de Vader, want Die schenkt het, de bewegende oorzaak van de zaligheid is.

Jezus is de verdienende oorzaak van de zaligheid, want Hij gaf Zijn leven aan het kruis.

De Heilige Geest is de bewerkende oorzaak van de zaligheid. De Geest leert het ons verstaan door Zijn toepassende kracht, als Hij het Woord en de kracht van het Woord in ons hart brengt.

Al die rijkdommen heeft God geopenbaard, bekend gemaakt, onthuld, in het heilig Evangelie.

 

Jezus is van God geschonken tot een Middelaar. Dat is wat!

Gemeente, als dat waar is, en dat ìs waar, dan is het heel wat als je nog steeds aan deze Middelaar voorbij gaat! Weet u, hoe de Bijbel dat noemt? Dat is Zijn bloed onrein achten. Kijk, als Hij ons niet geschonken was, dan zouden we Zijn bloed ook niet onrein kunnen achten. Het één houdt verband met het ander. Daar hebt u onze verantwoordelijkheid.

Waarom zijn er zoveel mensen, die geen gebruik van deze Middelaar maken? Ga maar na bij uzelf.

Omdat ze Hem blijkbaar niet nodig hebben, omdat ze het zelf nog kunnen.

Omdat ze met hun godsdienst, zonder de Heere Jezus, nog op de been kunnen blijven.

Omdat ze hun vloekwaardigheid niet aanvaarden.

Omdat ze God niet geloven op Zijn Woord, dat Hij waarachtig en rechtvaardig is.

Omdat ze de beloften van het Evangelie niet geloven.

Omdat ze de zonde niet vaarwel willen zeggen, maar met een vroom praatje en een vroom draaitje hun oude leven willen voortzetten.

 

In deze preek heeft God het u gezegd: er is een Middelaar van God geschonken. Dat zegt God ons, dat maakt Hij ons bekend in het heilig Evangelie, in Zijn beloftewoord. En dat wordt ons nu gepredikt.

Het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.

 

Het Woord werkt en versterkt het geloof.

Dat is een woord van belang in dit verband. Want alleen de wetenschap dat die Verlosser ons geschonken is, kan ons niet helpen, als we niet als reactie daar op ook werkelijk tot Hem uitgaan en ons als een onmachtige zondaar ter zaligheid aan Hem overgeven en ons aan Hem toebetrouwen.

Zo verkrijg je de ware vereniging en gemeenschap met Hem door het geloof, waarover het in Zondag 7 gaat.

 

U voelt wel, gemeente, wat er nodig is. Het probleem is niet dat deze Middelaar ons wel of niet geschonken zou zijn. Hij is ons geschonken! God openbaart het in het Evangelie. Dat is een voorwerpelijke schenking. Maar wij hebben ook de onderwerpelijke toepassing daarvan nodig. Dat kan alleen in geloof en dat werkt de Geest in ons hart. Dat werkt de Geest juist onder het Woord des geloofs, hetwelk wij u prediken.

Dat Woord beweegt tot het geloof, beweegt om uit te gaan tot deze bereidwillige Zaligmaker, Die ons van God geschonken is.

Door dat geloof roept u het uit:

‘Heere, mag ik tot U komen?’

‘Ja’, zegt Hij, ‘kom maar zoals u bent, want Ik ben een volkomen Zaligmaker.’

 

Wie is Jezus voor u? Hebt u al deel aan deze Middelaar gekregen? Is Hij u al begeerlijk geworden?

Gemeente, als ik het over de Heere Jezus heb en ik zo Zijn rijkdommen uitstal, leeft dat dan van binnen bij u? Gaat er dan iets branden van liefde, van verlangen, van begeerte? Is het dan echt waar, dat u zegt: ‘O Heere Jezus, zou ik U ook mogen leren kennen.’?

U hebt een Middelaar nodig om met God verzoend te worden. Hoe kunt u ooit voor God bestaan? Gaat het al branden van verlangen in uw hart om Hem te mogen leren kennen? Is Hij zo alles voor u geworden?

 

Want de heerlijkheid van deze geschonken Middelaar gaat pas echt voor ons open, waar onze pogingen om met God verzoend te worden op niets zijn uitgelopen en we waarde in Hem leren zien. Dat maakt ons heilig jaloers en begerig om Hem te kennen en omhelzen.

Heb je dat nooit, dat Hij zo tot je komt, dat je bijna je armen om Hem heen zou kunnen slaan en dat je zegt:

‘O Heere Jezus, mag ik me vastklemmen aan U.’?

‘Ja’, zegt Hij, ‘dat mag.’

Dat heeft alles te maken met de omhelzing van het geloof, met de omhelzing van Christus als Zaligmaker, al is het maar heel even, al is het maar vijf minuten, om het zo eens te zeggen, al is het maar één dag.

 

Natuurlijk moet dat een gestadige lijn worden in het leven van een christen, maar ik heb het nu over het begin, dat u voor het eerst vol verwondering en met een verbroken hart mag zeggen:

‘Heere, zo’n Middelaar, en dat voor mij, ik kan het niet op, Heere.’

 

Dan word je klein en verbroken en je buigt diep voor de Heere. Wat is dat groot, om zo in de nood van je leven en in de smart en droefheid over je zonden, je oog te mogen opheffen tot deze dierbare Middelaar! Daar wordt Hij alles voor ons. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Dan mag je het wel eens zeggen: ‘Nu heb ik voor al mijn zonden een Middelaar gevonden.’

 

Gemeente, jongelui, als u de Heere Jezus wilt kennen als uw Middelaar, door het geloof, dan moet u veel onder het Woord zijn, want dat is de werkplaats van de Geest. Diabolus zegt tegen u: ‘Wacht maar af, hoor, het is niet voor alle mensen! Het Is maar voor een enkeling en daar zal je naar alle waarschijnlijkheid niet bij horen, dus brandt je vingers er maar niet aan.’ Waarom zegt hij dat? Omdat hij wil, dat u bij Jezus vandaan blijft.

 

En wat zegt de Heere? Onze Heere Jezus Christus is de Middelaar, geschonken van God, tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing.

Hoe weet ik dat? Uit het heilig Evangelie.

Daar openbaart God dat. De Heere zegt: ‘Zoek Mij maar in Mijn Woord, want daarin zult u Mij vinden.’ Het heilig Evangelie is net zo heilig als God, dat is net zo heilig als de Heilige Geest, dat is net zo heilig als het Heilig Avondmaal, dat is net zo heilig als de Heilige Doop. Dat Evangelie is er altijd al geweest. Reeds voor de grondlegging der wereld heeft Prins Immanuël aan Koning El-Schaddaï beloofd, dat Hij mens zou worden om zondaren zalig te maken.

 

Nee, God bedacht dat heilig Evangelie niet pas toen Adam in de zonde viel. Toen openbaarde Hij het, maar het was er al. Koning El-Schaddaï was Diabolus al een eeuwigheid voor. Het Evangelie lag al gereed. Wat een eeuwig wonder!

Zodra stad Mensziel zich aan Diabolus had uitgeleverd, bleek Koning El-Schaddaï al een kant-en-klaar evangelieplan tot redding van zondaren achter de hand te hebben. De Catechismus zegt: ‘God openbaarde dat al in het paradijs, in de moeder belofte: Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en uw zaad en haar Zaad, het slangenzaad.

En door middel van de patriarchen, de aartsvaders en de profeten heeft God deze heerlijke evangelieboodschap verkondigd.’ Daar gaat Abraham met zijn zoon de berg Moria op. ‘Waar is het lam, vader?’ vraagt Izak. Dan zegt Abraham: ‘God zal Zichzelven een Lam ten brandoffer voorzien.’

Izak is met zijn stille godsvrucht en voorbeeldige leven één-en-al heenwijzing naar Christus.

Jakob roept op zijn sterfbed uit, terwijl zijn zonen om hem heen staan: ‘Op Uw zaligheid wacht ik, Heere.’ Gezegende kinderen, als zo je vader of je moeder mag heengaan.

Jesaja en Jeremia en al de profeten verkondigden de komende Koning, Die het lijdende Lam zou zijn, de Middelaar, de Verlosser.

De ceremoniële eredienst, met al de altaren en priesters, was één uitgestoken wijsvinger naar Christus, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld weggedragen heeft.

 

Ten slotte is heel die verkondiging van de komende Middelaar en Verlosser vervuld met Zijn komst in het vlees. Hij werd mens. Hij, de Middelaar in al Zijn heerlijkheid, kwam op aarde.

De Catechismus zegt dat zo diepzinnig: ‘Ten laatste.’ Ziet u dat staan? ‘Ten laatste.’ Daar klinkt iets in door van de eindtijd. Een laatste aankondiging, een laatste signaal. Vlak voor de voleinding! Ten laatste zond God Zijn Zoon. Hij schonk ook Zijn Heilige Geest, Die Christus verheerlijkt en de onderwerpelijke toepassing schenkt.

 

Gemeente, dat is alles. Meer is er niet, meer is niet nodig en meer doet God niet.

Mijn vraag aan u, aan het eind van deze Zondag, is: ‘Kent u deze Middelaar?’

Kent u Hem, hebt u Hem lief? Al is het met die eerstbeginnende kennis, die eerste uitgang van uw hart naar de Heere Jezus.

Hij is uw Middelaar. Mocht u wel eens een ogenblik aan Zijn voeten zinken met Thomas en belijden: ‘Mijn Heere en mijn God.’?

God openbaart Hem zo duidelijk in het heilig Evangelie en Hij schenkt Hem in de belofte van het Evangelie. Juist als het bij u ontbreekt aan wijsheid, aan rechtvaardigheid en aan heiligmaking, dan is deze Middelaar u geschonken als Plaatsbekleder, als Borg.

 

Neem de toevlucht tot Hem, ook al hebt u niet veel zekerheid in het geloof. Als de Heere Jezus maar bij u is. Als u het zicht maar op Hem hebt.

Ziet u Hem staan? Zo hoog rijst Hij op in het heilig Evangelie, dat wordt nagesproken en samengevat door onze Heidelbergse Catechismus. Ziet u Jezus staan? Hij buigt naar u toe  om u te helpen. Hebt u geen geloof? Hij wil het u schenken. Durft u niet op Hem te vertrouwen? Hij wil u, stukje bij beetje, overreden door Zijn Heilige Geest. Het hoeft niet met grote sprongen. Dat gebeurt wel eens, maar de Heere doet het vaak stapje voor stapje.

 

Gemeente, mag ik zo deze lieve Zaligmaker, deze Middelaar, Die gewillig is om u te zaligen, bij u achterlaten? Kon Hij nog lager tot u afdalen, dan dat Hij in deze preek deed? Belijdt Hem uw onmacht, uw gebrek aan vrijmoedigheid en aan geloof. Hij weet hoe ons hart in elkaar zit.

Maar als Hij tegen u zegt:

‘Vertrouwt u Mij dan niet?’

wat zegt u dan?

Vertrouwt u de Heere Jezus niet, als Hij zegt, dat Hij uw Middelaar wil zijn voor God?

Vindt u Hem dan zo onbetrouwbaar?

Durft u Hem dan nog langer tegen te staan?

Is Hij dan echt te hoog voor u?

Daalde Hij niet juist zo laag tot u af in Zijn zondaarsliefde en in Zijn gewilligheid om u te redden? Val Hem dan te voet, deze Middelaar Gods en der mensen.

 

Hij is ons van God geschonken in de belofte van het Evangelie. Als u dat Evangelie aanneemt, dan neemt u daarin ook Jezus aan. Dan komt ook uw leven tot zijn doel en komt u bij God.

Zou u dat niet willen? O, die gekruisigde Middelaar daalt zo laag tot ons af! Hij buigt diep neer tot verloren zondaren.

De plooien van Zijn kleed hangen laag, binnen handbereik. Buk maar, dan kunt u Hem zo aanraken, net als die bloedvloeiende vrouw.

 

Of is het geen nood in uw leven?

Wie in nood is, raakt Hem aan.

Jezus’ ogen kijken u aan en Hij zegt: ‘Ik wil vrede met u en met jou.’

Zijn handen strekken zich naar ons uit, nodigend en zegenend.

Zijn hart is vol liefde.

 

Wat een Middelaar is onze Heere Jezus Christus!

Die in deze gekruisigde Middelaar gelooft, die Hem gelooft op Zijn Woord, zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben.

 

Amen.