Ds. D. Rietdijk - Psalmen 42 : 12

Medicijn voor een neergebogen ziel

Psalmen 42
De bestraffing die David aan zijn ziel geeft
Het geneesmiddel voor zijn ziel

Psalmen 42 : 12

Psalmen 42
12
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 8
Lezen : Job 2
Zingen : Psalm 42: 1, 6 en 7
Zingen : Psalm 116: 1
Zingen : Psalm 73: 13

Gemeente, we bedienen u het Woord van God uit Psalm 42 vers 12:

 

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

 

Onze tekst bepaalt ons bij het enige Medicijn voor een neergebogen ziel:

1. De bestraffing die David aan zijn ziel geeft.

2. Het geneesmiddel voor zijn ziel.

 

1.     De bestraffing die David aan zijn ziel geeft

Wat kan het leven onze ziel geweldig neerdrukken. Daar hebben de bijbelheiligen ook last van gehad. Dat staat tot onze onderwijzing en tot onze vertroosting in de Bijbel beschreven, zoals in Job 2, dat we net gelezen hebben.

We moeten er niet aan denken dat alles wat Job overkwam, ons zou overkomen! Eerst werden zijn bezittingen, zijn kudden weggenomen. Daarna het liefste wat hij had: zijn tien kinderen werden onder het puin bedolven. Vervolgens werd zijn gezondheid aangetast door een vreselijke ziekte (waarschijnlijk een huidziekte), zo erg dat z’n vrienden die tot hem kwamen hem niet eens herkenden. Job zit op een ashoop en hij krabt zich met een potscherf. Terwijl hij persoonlijk wegzinkt in een diepe put komt zijn vrouw tot hem, die door de satan als een instrument gebruikt wordt: Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God en sterf. Blijf je God nog dienen? Zegen – dat betekent ‘vloek’ – God en sterf. Wat heeft het voor zin om nog langer God te dienen en verder te leven?

Gemeente, dit is een aanval die je niet moet onderschatten. Want wat is het een verzoeking als je hart worstelt met het raadsel waarom God iets doet in je leven en je van de Heere niets meer ziet, als Hij Zijn aangezicht schijnbaar voor je verbergt!

 

Ten slotte wordt Jobs lijden nog verzwaard door zijn drie vrienden Elifaz, Bildad en Zofar, want zij hebben geen woord van vertroosting voor deze man. In zijn lijden en verdriet zit Job op de ashoop. Na eerst zeven dagen gezwegen te hebben, gaan de vrienden aanstonds tegen hem praten. ‘Job, er is iets niet goed met je. Je hebt wel beleden dat je God diende, maar nu blijkt dat er een verborgen zonde in je leven is geweest. Je bent een huichelaar. Je hebt wel hoog gepraat, maar nu moet je teruggeven wat je van God genomen hebt. En nu moet je eerst eens hier komen en daar komen en pas dan zal het goed zijn. Het is duidelijk dat er in je leven een verborgen zonde was, anders had God dit niet gedaan.’

 

Gemeente, als alles je aanvalt en je vrienden zelfs het heiligste wat je hebt, aantasten, als je je vrouw, je gezondheid, je kinderen, je bezittingen kwijtraakt en je niets overhoudt, wat gaat een mens dan onder in de golven en wat kan je ziel zich dan gaan neerbuigen. Je merkt niets van God, alleen dit: dat Hij Zich schijnbaar tegen je keert.

Dat was zo bij Job en hij is niet de enige waarvan dat in de Bijbel staat. We lezen ook over David, de gezalfde zanger uit het Boek van God, wiens weg door de diepte gaat. Ik denk aan de levensperiode waarin hij vlucht voor zijn zoon Absalom. Zijn troon, zijn paleis en de tabernakel: alles moet hij inderhaast achterlaten. Een paar getrouwe knechten gaan met David mee Jeruzalem uit, het Kidrondal door, naar het Overjordaanse. Onderweg wordt de koning gevloekt door Simeï. Als een hert wordt hij nagejaagd door zijn eigen kind, dat hij liefheeft. Ook daar moet je niet aan denken: een eigen kind dat op je dood uit is. Spotters komen erbij en die zeggen: ‘David, waar is God op Wie gij bouwde en aan Wie ge uw zaak vertrouwde? Je hebt geen heil bij God, want anders komt dit niet in je leven. Dit kan niet met genade gepaard gaan.’

Ook in Davids leven gingen de golven hoog. Bovendien werd de smart bij David nog verzwaard doordat hij wist waardoor dit alles in zijn leven kwam: door de zonde met Bathseba, die zwarte bladzijde in zijn levensboek. De Heere heeft tegen hem gezegd: Het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid (2Sam.12:10), vanwege de moord die hij begaan heeft op de onschuldige Uria.

 

Als je in die omstandigheden bent en er gedachten van schuld op je afkomen, wat buigt een ziel zich dan neer. De moed wordt David benomen en hij kan niet verder. Hij heeft het samen met Job en samen met al Gods kinderen door de eeuwen heen gezongen: Mijn ziel buigt zich neder.

Kunt u zich dit voorstellen? Zoals een lichaam gebogen gaat onder een last die te zwaar is, zich niet meer op kan richten, niet meer verder kan en geen moed en geen kracht meer heeft, zo buigt de ziel zich dan neer. En als onze ziel zich neerbuigt, kijken we niet vooruit. Dan kijken we niet naar boven, maar alleen naar onszelf. We zien onze moeiten en ons verdriet en zeggen met Psalm 25: ‘Duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn angstvallig hart.’ Zo heeft ook Jeremia geklaagd: Och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen! (Jer.9:1). Job vloekt zelfs zijn geboortedag. Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan (Ps.42:8).

 

De grondtoon van al die klachten van de bijbelheiligen is ten diepste niet de moeite die ze ondervinden, maar God Die ze niet meer zien. Het is God naar Wie hun ziel dorst. Het is God naar Wie ze hijgen met verlangen. Ze zitten met het raadsel van Zijn handelen en dan is de ziel niet alleen neergebogen, maar ook onrustig. U begrijpt wel wat die ‘onrustige ziel’ wil zeggen: dat je geplaagd wordt met sombere vooruitzichten.

De duivel maakt gebruik van de zwakke ogenblikken in ons leven, elke dag dat we de toekomst vrezen, elke dag dat we onrustig zijn in ons binnenste en we moe worden van onszelf. En weet u, als de zee onrustig is en de watergolven slaan, komt de modder naar boven. Zo is het ook in de onrustige mensenziel. Daarin komt die heimelijke opstand tegen God naar boven.

Ik weet niet of u hebt meegelezen uit Job 2. In het eerste hoofdstuk stond dat Job God loofde, maar dat staat in het tweede hoofdstuk niet meer. Daarin looft hij God niet. Hij zegt alleen: Zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? Dan zegt de Heere enkel dit: In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet. Maar wat er in het hart van Job omgaat, is voor ons verborgen.

 

Gemeente, onrustig is mijn ziel en neergebogen. In onze Psalm 42, die gedicht is door David in z’n vlucht voor Absalom, gaat David zijn ziel bestraffen.

Daarmee wordt niet bedoeld dat onze ziel niet neergebogen mag zijn onder de last van het natuurlijke leven en de omstandigheden; natuurlijk mag dat wel! De Schrift predikt ons nergens een ongevoeligheid onder het kruis en de smart van het leven. Maar de Heere klaagt wel: Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen, zij hebben de tucht niet aangenomen (Jer.2:30). Er is een ongevoeligheid in de mens die erger is dan je je kunt bedenken.

Het is eigenlijk onmenselijk als we de last en de druk van het leven niet voelen. Maar het kan té ver gaan en daar richt David zich tegen. Het kan zó ver gaan dat we de bemoeienissen van de goedertierenheid van God, die er in alle kruiswegen en in alle omstandigheden van het leven zijn, niet meer opmerken, zodat we aan de vertroosting niets meer hebben.

 

David worstelt in Psalm 42 en 43 – die eigenlijk één geheel vormen met elkaar – met dat neergebogen en onrustig zijn. Tot driemaal toe lezen we daar: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? David bestraft dan zichzelf. Want met zo neergebogen zijn en alleen maar op zichzelf zien, met naar de grond kijken en niet meer opzien en vooruitzien, kan een mens niet leven; daar kan een levend hart geen rust in vinden.

Het is al een herstel uit de moedeloosheid als we onze ziel gaan bestraffen en zeggen: ‘Waarom doe je dat? Waarom buig je je zo neer onder deze omstandigheden? Zijn er geen goedertierenheden van de Heere meer om op te merken in je leven?’

Gemeente, is er geen grond in Zijn uitnemende beloften om uw hoofd op te heffen? Geeft Zijn Woord ons geen moed om onze ziel op te richten uit de druk, om op te zien tot Hem Die eeuwig leeft? Wat is het goed om onszelf zo te onderwijzen, om onze ziel zo te bestraffen.

 

David vraagt eigenlijk: ‘Waarom buig je je zo neer? Wat heb je eraan?’

Wat hebben wij eraan? Het brengt ons geen voordeel! Integendeel, Satan maakt gebruik van de zwakke ogenblikken in ons leven. Elke gedachte die in onze onrustige ziel opkomt, zal hij versterken. Zo zal hij ons nog meer naar beneden trekken. Juist in die tegenheden, juist in die druk loert hij erop om je ziel tegen God in opstand te laten komen. En daar zal de satan zelfs het liefste wat je hebt voor gebruiken; kijk maar naar Job. Daar zal hij zelfs de vrienden voor gebruiken die met je aten, die je vertrouwenspersonen waren.

Maar de Heere wordt erdoor onteerd en daarom zegt David tegen zichzelf: ‘Al kun je die wegen niet begrijpen en al kun je ze niet oplossen in je leven, toch is God in die diepste wegen wijs en goed.’ Daarom zegt hij tegen zijn ziel: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hier begint het herstel van de neergebogenheid van David. Hoe groot zijn ellende ook is, dat de Heere het vertroostend licht van Zijn aangezicht niet doet schijnen, is nog geen reden om God te verdenken! Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij?

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2.     Het geneesmiddel voor zijn ziel

David zegt tegen zijn ziel: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven. Dat is hét geneesmiddel! David zegt niet: ‘Hoop erop. Misschien komt er nog wel een andere tijd.’ Nee, David zegt tegen zijn neergebogen ziel: Hoop op God.

Alleen buiten jezelf, in de Heere, de God van het verbond, ligt verwachting. Sla het oog naar boven. Dat deed David in Psalm 25 ook. Daar zegt hij: ‘D’ ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten.’

Hoop op God. Hoeveel mensen zijn er niet die te laag kijken, die alsmaar zien op wat zichtbaar is. Maar daaruit zult u nooit sterkte krijgen.

Weet u wát alleen onze ziel op kan heffen? Hoop op God. Wat is dat? Tegemoetzien wat de Heere beloofd heeft. Hopen op God is dat ik steun op Zijn Woord en dat ik uitzie naar de vervulling van Zijn Woord.

 

Hoop wordt in de Bijbel vergeleken met een anker. U weet dat een schip waarvan het anker wordt uitgeworpen, vastligt. De apostel Paulus maakt van dit voorbeeld gebruik in Hebreeën 6: Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel (Hebr.6:19).

Op Gód hopen. David, Job, Jeremia en al die anderen gingen door de golven heen, maar nu is er Eén Voorloper geweest. Die heeft ten volle kunnen zingen: Al uw baren en Uw golven zijn over Mij heen gegaan. Jézus is door al die golven heen gegaan. Hij is het binnenste heiligdom ingegaan. Hij is de Borg en Middelaar van het verbond. In het werk van Christus, in Hem Die de strijd gestreden en de overwinning behaald heeft, ligt de vaste grond dat de Kerk nooit zal omkomen. Elk levensscheepje dat verankerd is in Koning Jezus, in die Voorloper Die door al de woeste baren en gramschap van God is gegaan, zal nooit vergaan. Dan mogen de golven hoog gaan en hoog slaan, maar ‘al loopt uw pad ook door de zee, u zullen als op Mozes’ beê geen golven overstromen’.

Hoop op God, Die nooit laat varen het werk van Zijn handen!

 

God heeft een welgevallen in mensen die Hem vrezen, mensen die op Zijn goedertierenheid hopen. God heeft er behagen in als zij het anker der hoop gaan uitwerpen op die Voorloper Jezus, Die het binnenste heiligdom is ingegaan. Niet alleen dat, maar God stelt Zichzelf in het eeuwig Evangelie voor als de God der hoop in Christus. Christus Jezus heeft het gezegd: Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u (1Petr.5:7).

Hij komt tot u als de God van alle genade. Hij wordt ook de God der hoop genoemd.

Waarom laat God zich zo noemen?

Omdat het God is Die door Zijn eeuwige Geest en Woord in zo’n neergebogen, onrustig en wankelend mensenhart die hoop op Hem wil werken.

Hoeveel redenen zijn er niet om op God, Die nooit zijn Woord zal laten varen, te hopen? Hoeveel redenen heeft David niet om tot zijn ziel te zeggen: Hoop op God. Want dat is het enige geneesmiddel voor onze neergebogen ziel, als de golven slaan, als de druk ons neerbuigt en we ons hoofd niet meer op kunnen heffen om vooruit te kijken. De put kan nog zo diep zijn, maar er is altijd een opening in de put waardoor de hemel te zien is waar God leeft, de God der hoop!

 

Wat voor omstandigheden zouden er kunnen zijn waar God niet boven staat, waar Zijn wijsheid geen weg mee weet of waarbij Zijn macht ontoereikend zou zijn? Of welke schuld zou Hij niet in het bloed van Zijn lieve Zoon vergeven? Wat u ook zou willen opnoemen, is er geen reden om op God te hopen?

David zegt: Hoop op God. Hij heeft voor die hoop een vaste grond en de vaste grond van die hoop is het geloof. Ik zal God nog loven. ‘De omstandigheden zijn zo dat ik niet meer op kan gaan naar de tabernakel, me niet meer bij de feesthoudende menigte voegen kan, en verstoken ben van de dienst van God, maar er komt een dag dat ik God zal loven.’

Dat is het geloof. Terugkijkend weet David dat hij God geloofd heeft en door het geloof mag hij vooruitzien. Dan zegt hij: Ik zal Hem nog loven. Dat is een geloof in de toezegging van God, want God belooft in Zijn Woord aan al Zijn kinderen dat ze Christus zullen loven, Die gezalfd is met de Geest, opdat Hij zou geven vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest (Jes.61:3).

Christus is de Zaligmaker, Die Zijn Woord waarmaakt. Hij heeft beloofd dat Hij Zijn volk een zangtijd zal geven en dat het God zal gaan loven. Treuring en zuchting zullen wegvlieden (Jes.51:11). Dat doet de Heere in dit leven al. David heeft niet altijd gezongen vanuit de diepten. De zangtijd heeft zich afgewisseld met de tijd waarin zijn ziel is neergebogen. Maar dan nog: in die diepte daar in het Overjordaanse, in het land van Hermon, als hij vlucht voor Absalom, richt hij zijn hoofd omhoog en zegt hij: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.

 

Het is maar een verdrukking van tien dagen (Openb.2:10). Die verdrukkingen hier zullen niet altijd voortduren. Zelfs in de diepten van Job was het toch een zeer lichte verdrukking die haast voorbijgaat. Ook de druk van Job? Ja, ook de druk van Job.

De druk van Job heeft geen eeuwigheid geduurd, maar het was een zeer lichte verdrukking die haast voorbijging. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid (2Kor.4:17). Dit is oneindig veel groter dan de zeer lichte verdrukking die haast voorbijgaat. Dan komt de zangtijd. De verdrukkingen in het leven van een Job, van een David en van Paulus, die zeggen: En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen (2Kor.12:7) – die verdrukkingen zijn niet anders dan instrumenten in een liefderijke Vaderhand, een Vaderhand die in oneindige tere zorg voor Zijn kinderen zorgt. Ook voor Job? Ja, ook voor Job. Het was tot zijn nut. Ook voor David? Ook voor David, ja. En ook voor Paulus. De doorn in zijn vlees werd niet weggenomen, maar hij kreeg wel te horen: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2Kor.12:9).

 

Het zijn instrumenten in de Vaderhand, zodat we hier erin geoefend worden om de lofzang aanstonds te zingen: Ik zal Hem nog loven. Dat loven zal aanbreken. Op deze aarde wisselen loven en lijden elkaar af, maar straks zal het alleen maar loven zijn tot in eeuwigheid. Dan zal het Godsverlangen gestild zijn en dan zal God met zachte hand alle tranen afwissen die uit hun ogen druppen.

Dat is het vooruitzicht; dat is de toezegging van de Heere. Wanneer hier de afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten (Ps.42:8), is dat maar voor een kleine tijd. Aanstonds komt de eeuwige rust waarin we eeuwig God zullen mogen loven. Daarnaar gaat Davids hart uit. Dat is de hoop die hij heeft en die hij koestert. Daarom zegt hij: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.

Dat z’n mond niet meer de lof des Heeren zong en niet meer vertelde dat God goed was, was nu juist het leed dat hij droeg. Dat drukte hem terneer, maar hij richt zich op: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven. Dat komt omdat God Dezelfde blijft!

 

David spreekt hier uit een diepe zekerheid. Want ik zál Hem nog loven. Die tijd zál komen. U vraagt misschien: welke zekerheid heeft David? De zekerheid van het geloof. Het geloof is niet een wankele zaak, niet een ‘misschien’, maar het heeft zekerheid in zich. Het geloof ziet op God, op Zijn Woord en op wat God is.

Die zekerheid vindt u uitgedrukt in de woorden van onze tekst, waarmee David zegt dat God de menigvuldige Verlossing zijns aangezichts is, en omdat God dat is, zal hij op God hopen. Hij zegt dit in verschillende bewoordingen tot twee keer toe in Psalm 42. In vers 6 staat: voor de verlossingen Zíjns aangezichts en in onze tekst (vers 12) staat: Hij is de menigvuldige Verlossing míjns aangezichts.

Wat is het verschil? De ene keer zegt David: ‘De Heere heeft mij verlost door Zíjn aangezicht, dus door Zijn aangezicht weer over mij te laten lichten.’ En in onze tekst zegt hij: ‘Hij heeft míjn aangezicht verlost.’

Kijk, als onze ziel neergebogen is, is ons aangezicht beneveld. We zien dan als in de wolken; we zitten in duisternis. En dan zegt David: Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts.

 

‘Hoe menigmaal hebt G' ons Uw gunst betoogd,

't Zij G' een fontein deedt uit een rots ontspringen;

Of op een hoop de waat'ren samendringen,

Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.’

 

God gaat die beslagen vensters afwissen en ze kristalhelder maken, opdat we Hem weer zouden loven. ‘Ik zal God, mijn God, nog loven.’ Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en Mijn God.

Het gaat hier dus over de menigvuldige Verlossing van Davids aangezicht. We denken dan aan zijn leven dat achter hem ligt, toen hij geen uitkomst meer zag. Hoe dikwijls is dat niet gebeurd?

 

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel? David kijkt eerst naar beneden, en vervolgens vooruit: Want ik zal Hem nog loven. Het zál gebeuren. Hoop op God!

In het laatste gedeelte van de tekst kijkt hij terug. Hij zegt: Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts. Daar stelt hij zich voor de geest wat God voor hem geweest is. Als hij terugkijkt op de weg die God met hem gegaan is – de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts – dan gaat hij zich verwonderen. Hij is al gered uit de klauwen van de beer en de leeuw wanneer hij Goliath tegemoet treedt. Daarvan zegt hij: De Heere, Die mij van de hand des leeuws gered heeft en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn (1Sam.17:37). En hij ís verlost uit de hand van Goliath.

Hoe dikwijls heeft God zijn aangezicht niet verlost? Denk aan de geschiedenis dat hij zich in het land van de Filistijnen als een dwaas moest aanstellen om aan Achis te ontkomen. We zien menigvuldige verlossingen. Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

 

Het zijn allemaal uitwendige dingen; dat geef ik toe. Maar er is ook menigmaal in geestelijk opzicht in zijn leven een Verlossing van zijn aangezicht geweest. Ik denk aan David, de zanger, die overspel pleegde met Bathseba en Uria vermoorde. Toen was zijn aangezicht bewonden, want hij zweeg en beleed zijn schuld niet voor God. Hij sprak niet tot God en hij kende de vreugde van het heil niet meer. Hij zag zijn God niet meer, ondergedompeld in de zonde, tegen licht en beter weten in. Daar moet u niet gering over denken: David is een moordenaar en een overspeler. God heeft vergeven; Hij heeft zijn zonden weggenomen. Ook zal hij niet sterven. God verbrak zijn hart weer. Tranen gingen vloeien uit opgedroogde ogen, boetezangen werden gedicht en het benevelde aangezicht van David zag zijn God weer. Dat heeft God niet alleen die ene keer gedaan, maar ook toen hij het volk telde en zoveel andere keren. Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

 

Waarschijnlijk staat ‘Verlossing’ met een hoofdletter in uw Bijbeltje. Hij is dé Verlossing. Gemeente, dat is Christus. Die verlost ons uit de druk. ‘Menigwerf heeft Hij uw druk doen verand’ren in geluk.’ Dat is Christus. Dat is de Verlosser, die tot Sion komt en het aangezicht gaat verlossen.

 

‘Nooddruftigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ.’

 

Zo heeft David gesproken. Leest u Davids geschiedenis maar na in dat licht en dan zult u Jezus’ bloed, Jezus’ genade, Jezus’ trouw, Jezus’ geduld en Jezus’ liefde zien. Hij zag zelfs nog op een man die naar zijn God niet meer vroeg en zijn schuld niet beleed. Zijn zonden werden uitgewist door Zijn dierbaar bloed. Als je dat gaat zien, als je David hoort zeggen: Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, dan is er niemand in de kerk die redenen kan geven waarom Hij bij Jezus niet welkom zou zijn. Die zal Hij ten Redder zijn!

Als Hij dit aangezicht, dat met schaamte en schande bedekt moest zijn, verlost heeft, zal dan een ziel die tot Hem vlucht niet welkom zijn bij deze Jezus? David vluchtte tot Hem en hij was welkom. En het bleef niet bij die ene keer.

 

Je hebt mensen die verlost zijn en dat vasthouden – en ze zijn gelukkig. De pelgrims hebben telkens weer opnieuw een beneveld aangezicht, omdat ze dwaas zijn. Dat ligt niet aan God! Dat ligt aan hun dwaasheid. Ze zijn zo dwaas dat ze steeds weer naar beneden kijken. Maar dan zegt David: de menigvúldige Verlossing mijns aangezichts. Hij redt niet één keer, maar telkens opnieuw. Hij zegt: Mij aangaande, ik zal tot God roepen; en de Heere zal mij verlossen (Ps.55:17). Hoort u het? Telkens opnieuw. Dat is nu die getrouwe Vader in de Heere Jezus Christus. Dat is die getrouwe Zaligmaker, Die bij de verkregen verlossing bewaart. Als je dan terug gaat kijken, ga je de lofzang zingen, want dan krijg je Hem hartelijk lief.

We gaan het samen zingen uit Psalm 116 vers 1:

 

God heb ik lief; want die getrouwe HEER’

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts. Hij ís. Er staat niet: Hij wás, vroeger, lang geleden. Nee, Hij ís het. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid (Hebr.13:8).

Twee zijn er onveranderlijk, weet u dat? De ene onveranderlijke is de mens. Die blijft altijd maar dezelfde. Maar weet u wat nu de troost is, wat moed geeft en wat de hoop op God doet vestigen? Dat God ook onveranderlijk is en dat Jezus Dezelfde, de Getrouwe blijft. Bij Hem is geen schaduw van omkering. Hij is altijd Dezelfde voor een onveranderlijk mens.

 

Jezus is Dezelfde; de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts. Op God kun je hopen. Als je nu in nood gezeten bent en je ziel is neergebogen, dan zijn er in deze tekst veel aanknopingspunten. Zucht dan maar: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?

Wat heb je daar voor voordeel van?

Wijs je ziel maar naar boven en zeg: Hoop op God! Wijs jezelf maar op die Voorloper, Die het binnenste heiligdom is ingegaan en daar als die lieve Borg voor het aangezicht van Zijn Vader staat met de prijs die Hij betaald heeft.

Kijk maar vooruit als het kan. Ga Hem maar vast loven. Zing alvast maar met uw mond; misschien gaat uw hart erin mee: Want ik zal Hem nog loven.

Kijk eens terug en bedenk waar God je verlost heeft. De menigvuldige Verlossing mijns aangezichts houdt niet op bij de dood. ‘Menigwerf heeft Hij uw druk doen verand’ren in geluk.’ Hij houdt niet op bij de dood. Daar gaat Hij verder. Hij zal zo verlossen dat we voor eeuwig verlost zijn.

 

Job zinkt weg in een diepe put. Alles ontvalt hem. Zelfs zijn vrienden zeggen dat het zo niet kan, dat hij zich vergist. Eerst moet hij dit en eerst moet hij dat.

Diezelfde Job zegt midden in de diepte: Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan (Job19:25).

 

Mijn God. Dat zijn de laatste woorden van deze tekst: Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts, en mijn God. Die twee woorden in de Bijbel houden alles in. Dat zijn twee woorden waarvan je de inhoud nauwelijks kunt peilen: altijd overschaduwd te worden met Zijn goedheid, met Zijn gunstrijke tegenwoordigheid, altijd te rusten in de trouw van God, altijd bewaard te worden door Zijn almacht, door Zijn liefde en genade. Daar is maar één woord voor: Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is (Ps.144:15).

 

Mijn God. Dat is geluk. Al zou je net als Job niets meer overhouden en met David moeten vluchten voor je kind en je koninkrijk moeten afstaan, al zou je op een ashoop zitten – als je dan zegt: Mijn God, dan heb je precies alles. Dan heb je precies alles! Dan heeft je ziel rust en kun en wil je het zeggen: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven!

Jeremia zegt midden in zijn klaagliederen: De Heere is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen (Klaagl.3:24). Het is nooit te begrijpen dat die grote God, tegen Wie wij gezondigd hebben en telkens weer opnieuw zondigen, dat die eeuwige God mijn God is. Dat is nooit te begrijpen en toch is het waar.

 

Vraag je: ‘Hoe kan Hij mijn God worden?’ Dat kan door dat genadeverbond dat God met een zondaar sluit. Hellenbroek geeft op de vraag wat het genadeverbond is, heel simpel als antwoord dat het de weg is waarlangs een zondaar het eigendom van God wordt.

God wordt het eigendom van een zondaar. Dat is nu het verbond der genade, dat is vastgemaakt door het bloed van Jezus. Hij heeft Zijn bloed gestort en in het verbond nodigt Jezus zondaren en daalt Hij neer in hun verlorenheid, in hun zonde en ellende. Hij komt in de prediking van het eeuwig Evangelie tot hen met de lieflijke nodiging van Zijn heil: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22). Zo komt Hij neer tot een zondaar en zondares. Jezus staat met het eeuwig Evangelie in uw midden en we roepen: Hoop op God!

 

Jezus komt nodigend tot u met Zijn liefde in de bediening van het Evangelie. Dan kunt u doorleven, maar er zal niemand gespaard worden voor moeite, ziekte en verdriet. Ieder mens moet erdoor. Maar we zijn diep ellendig als we zonder deze Toevlucht die zorgen en moeite moeten dragen en het leven door moeten. Wat een ellende wanneer we nooit die diepe vreugde in God proeven, wanneer onze ziel nooit eens opspringt vanwege het heil van de Heere. Wat bent u diep ellendig wanneer u nooit verstaat wat het zeggen wil: ‘Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.’

Dan zeggen we u: Uw aangezicht is omwonden, zodat u het Koninkrijk van God niet ziet. Maar er is een Verlosser, Die uw aangezicht kan verlossen. Ga dan tot Hem uit om verlost te worden van uw natuurlijke blindheid, waardoor u geen heerlijkheid ziet in het Koninkrijk Gods en geen heerlijkheid ziet in die dierbare Koning en Zijn dienst.

Misschien zijn er hier mensen neergebogen onder de last van de schuld, die de ziel niet meer durven op te heffen en zeggen: ‘Het is voor mij niet.’ Maar ik predik u: Hoop op God!

 

Mijn God. Jezus is machtig om de zondemacht in uw leven te breken. Er kan geen schuld te zwaar zijn of Jezus’ bloed is krachtig om u te reinigen. Er is geen nood zo groot of Zijn machtige arm kan u eruit halen. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

Zelfs de banden van ongeloof kan Hij verbreken. Sluit met Hem dat verbond op Zijn voorwaarden, op voorwaarde dat Hij alles doet en dat u zalig wordt om niet. Want juist door die omhelzing van Christus gaat onze ziel het zeggen: Mijn Heere en Mijn God (Joh.20:28).

 

De Heere zegt tegen u: Ik ben de Heere uw God (Ex.20:2). U neemt de wet aan en de wet eigent zich u toe. Daarom zegt u: ‘Ik heb tegen de Heere gezondigd.’ Maar nu staat er boven die wet geschreven: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb (Ex.20:2).

 

Mijn God. Zink maar neer aan Zijn voeten. Hij zal u niet verstoten. Hij zal u niet verwerpen. Die God zal u niet weg laten gaan, maar zal met u in een eeuwig verbond treden. Christus omhelzende zult u mogen zeggen: Mijn Heere en mijn God (Joh.20:28).

Dan zult u met David zeggen:

 

Menigwerf heeft Hij uw druk

Doen verand'ren in geluk.

Hoop op Hem, sla 't oog naar boven;

Ik zal God, mijn God, nog loven.

 

Amen.

 

Onze slotzang is Psalm 73 vers 13:

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er, waar ik in kan rusten;

Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart,

Of bangen nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.