Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 3

De oorsprong van onze ellende

Wij zijn goed geschapen
Wij zijn diep gevallen
Wij zijn totaal verdorven
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

We hopen de complete Catechismusverklaring wekelijks opeenvolgend te publiceren.

Zondag 3 :

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 1
Lezen : Romeinen 5: 12 - 21
Zingen : Psalm 51: 3, 5
Zingen : Psalm 106: 6, 24
Zingen : Psalm 70: 3

Gemeente, uit de schriftlezing en uit de psalm, die we zojuist gezongen hebben, zult u al wel opgemaakt hebben dat vandaag de derde Zondag uit onze Catechismus aan de beurt is.  

Deze gaan we samen lezen.

 

Vraag 6: Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen?

Antwoord: Neen Hij; maar God heeft den mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

Vraag 7: Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?

Antwoord: Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.

Vraag 8: Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?

Antwoord: Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.

 

Deze Zondag spreekt ons over

De oorsprong van onze ellende

 

Aan de hand van de drie vragen met bijbehorende antwoorden vragen drie gedachten onze aandacht:

1. Wij zijn goed geschapen

2. Wij zijn diep gevallen

3. Wij zijn totaal verdorven

 

Gemeente, wie kent het spreekwoord niet: De appel valt niet ver van de boom.? Als je je kinderen iets ziet doen wat niet mag en je kijkt elkaar als vader en moeder eens aan, dan zeg je: ‘Ja, wat kunnen we anders verwachten? Het is een koekje van eigen deeg.’ Vooral als ze ondeugend zijn en dingen doen die niet betamen, willen we dat nog weleens zeggen. Wij hebben ze voortgebracht en wie zal een reine geven uit een onreine, zegt de Schrift. Daarom verwondert het ons niet als onze kinderen dezelfde verkeerde dingen doen als wij. En al zou je een voorbeeldige vader en moeder zijn, die hun kinderen een voorbeeldige opvoeding geven, dan is dat nog helemaal geen waarborg, dat die kinderen ook voorbeeldig zullen leven.

 

Wij zondigen niet alleen uit navolging, maar het kwaad zit veel dieper. Hoe komt dat? Wel, omdat de wortel van ons bestaan niet deugt! Onze natuur stamt niet meer rechtstreeks uit Gods goede schepping, maar uit de zondeval. Daar is onze natuur verdorven. Daar ligt de oorsprong van alle kwaad. Daarover gaat het in deze derde Zondag.

U weet, in Zondag 2, ging het over de kennis van onze ellende. Die kennis is nodig, want anders kan het medicijn van de verlossing geen waarde voor ons hebben. Sterker nog, om het juiste medicijn te geven, moet eerst de oorzaak van de ziekte worden opgespoord. Welnu, in Zondag 3 gaat het over de oorsprong.

In Zondag 2 bleek, dat we niet alleen maar ziek of misvormd zijn door de zonde, maar dat we dood liggen in zonden en misdaden. En, gemeente, dat is geen taal naar ons hart. Dat horen we niet zo graag. Maar het is wel waar en daarom moet het gezegd worden.

De Bijbel zegt het duidelijk. Wij willen daar niet zo graag aan, want we denken: ‘Ja maar, is het echt zo erg met mij?’ Wees eens eerlijk, wie gelooft dat nu nog? In de wereld niemand. Veel mensen in de kerk geloven het ook niet meer. Maar God zegt het in de Bijbel.

 

Het ongeloof houdt trouwens niet op bij de mensen in de wereld, die zeggen: ‘Ach, dood in zonden en misdaden, dat vinden we, nu in de twintigste eeuw, uit de tijd.’ Nee, dat ongeloof leeft ook onder ons!

Je hebt iets gedaan, jongens en meisjes, dat verkeerd was. Je vader of moeder gaf je daar een berisping voor en toen zei je: ‘Nou, ik heb mezelf toch niet gemaakt? Kan ik het helpen dat ik zo ben? Ik ben nu eenmaal zo. Ik heb mezelf niet gemaakt.’

‘Wie heeft dat dan gedaan?’

‘God.’

‘O, dus dan geef je God de schuld?’

Zo ligt het wel voor de hand om onze Schepper te gaan verdenken, dat Hij ons niet goed geschapen heeft. Als we dan werkelijk zo door de zonde zijn aangetast, heeft God ons dan wel goed gemaakt? Niemand durft dat in de kerk hardop te zeggen, want daar zijn we veel te rechtzinnig voor. Maar is God toch niet de schuld van alles?

 

Schrikt u bij deze gedachte? Bent u verontwaardigd? Hoeveel mensen hoor je niet zeggen, als het gaat over hun onbekeerlijkheid: ‘Ja, God moet het doen.’ En met heel rechtzinnige woorden verschuilen ze zich achter hun menselijke onmacht en achter de goddelijke verkiezing. En wat is dat anders, dan de schuld afwentelen op God?

Daarom is het heus zo vreemd nog niet, dat de Catechismus hier begint met de vraag: Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen? Is God soms de schuld? Ja, een onzinnige vraag. Alsof zoiets mogelijk zou zijn. Alsof God, Die enkel liefde is en heilig en goed, iets zou kunnen scheppen, dat niet goed is, dat onheilig en verkeerd is. Alleen al de gedachte is goddeloos. En toch, hoe vermetel is de mens!

 

De Catechismus stelt deze vraag niet voor niets. Maar het antwoord is duidelijk: ‘Nee, God is niet de Auteur van de zonde.’ Hij haat het kwaad, laat staan dat Hij het scheppen zou. ‘Nee’, zegt de onderwijzer, ‘want God heeft de mens alzo goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid.’

God schiep ons goed. Toen God aan de avond van de zesde scheppingsdag de mens had geformeerd uit het stof van de aarde, als een kroon op de gehele schepping, overzag Hij alles wat Hij gemaakt had en ziet, het was zeer goed. Dat spreekt de Catechismus na.

God heeft ons goed geschapen. Goed en naar Zijn evenbeeld; we leken op God.

 

Zo vertonen de kinderen Adam en Eva de trekken van hun hemelse Vader. Ze lijken op God. In schepselmatige zin uiteraard. Want de mens is niet gelijk aan God. ‘Naar Zijn evenbeeld’ wil zeggen: God zag Zijn beeld terug in de mens. Toen God de mens geschapen had, zag Hij iets van Zichzelf terug in de mens. Iets van Zijn karakter.

We noemen dat met een moeilijk woord: de mededeelbare eigenschappen. Dat zijn Zijn goedheid, Zijn liefde, Zijn trouw, Zijn heerlijke deugden. De Catechismus noemt er hier twee: Zijn gerechtigheid en Zijn heiligheid.

Zijn gerechtigheid in de zin van rechtvaardigheid. Al de daden van Adam en Eva stemden overeen met de wet van God. En zoals God zonder zonde is, zo was de mens dat ook. Hij was heilig, heel zijn wezen was op God betrokken. Adam, de zoon van God, leek sprekend op zijn hemelse Vader. Het heeft God behaagd om de mens zo te maken. Om Zich te verheerlijken in Zijn grote werken, schiep God hemel en aarde. En in alles zag Hij een spiegelbeeld van Zijn grootheid, wijsheid en macht.

 

In de hemel schiep Hij de heilige engelen en op aarde de planten en de dieren, maar in dit alles was geen bewuste geest die kon communiceren met God of gemeenschap kon hebben met God. Geen schepsel kon God bewust verheerlijken en spreken met Hem. En toen schiep Hij de mens. Naar Zijn evenbeeld. Volmaakt!

Naar lichaam en ziel is de Heere Jezus Christus, als de enige en eeuwige Zoon van God, wezenlijk en volkomen het beeld van God. Hij is het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid. Dat betekent: de uitdrukking van Gods Wezen.

De mens leek als schepsel helemaal op zijn Schepper. Niet lichamelijk natuurlijk, want God is een Geest en Hij heeft geen vlees en benen, maar geestelijk was de mens het evenbeeld van God. Zijn verstand was vervuld van licht, wijsheid en wetenschap. Zijn wil was helemaal gericht op de wil van God. Het gevoel van de mens was zuiver en afgestemd op de verheerlijking van God. De begeerten waren rein en de drijfveer tot alle handelen was de liefde. Vrede en blijdschap woonden in het hart van de mens. De Heilige Geest was zijn Leidsman en zijn Leven.

De mens was volkomen geschikt om het drievoudige ambt uit te oefenen van profeet, priester en koning. Wat een heerlijk scheppingsdoel, zijn Schepper recht te kennen - daar hebt u het profetische -, Hem van harte lief te hebben - daar hebt u het priesterlijke - en met Hem in de eeuwige zaligheid te leven - daar hebt u het koninklijke -.

 

God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, in ware gerechtigheid en oprechte liefde. Hij kon de ander recht in de ogen zien. Er was geen onzuiverheid, ontrouw of bedrog op grond waarvan Adam zijn ogen voor God zou moeten neerslaan. Het ligt recht tussen God en Adam in ware gerechtigheid en in ware heiligheid. Adams liefde is onvermengd, zuiver, vlekkeloos. Voor de volle honderd procent heeft Adam de Heere lief en bedoelt hij de eer van God. Zo is Adam.

Zo heeft God hem bedoeld. Zo heeft God hem geschapen.

Adam is niet doelloos geschapen, maar ‘opdat’, zegt de Catechismus, opdat hij zijn Schepper recht zou kennen. De Heere wilde dus door Adam gekend worden. Adam mocht met de Heere omgaan en hij mocht Hem steeds meer en steeds beter leren kennen in al Zijn deugden. God was het doel.

 

Adam is geschapen voor het geluk, het ware geluk en dat is gelegen in het liefhebben van God. Dat is het tweede wat de Catechismus noemt.

Opdat hij God van harte zou liefhebben.

Kennen, liefhebben, die woorden hangen met elkaar samen, niet waar, jongens en meisjes? Als je verkering krijgt, leer je elkaar kennen en als er dan een vonkje overspringt en die verbintenis groeit, dan leer je elkaar van daaruit liefhebben. Wat was dat een heerlijk scheppingsdoel: God lief te hebben! God wilde liefde, vrijwillige liefde. Niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet anders wilt. Zo gaat alles van de liefde van God schitteren. Heel het paradijs, heel de schepping is één en al liefde.

 

Dat blijkt ook uit het derde. Dat is de uiteindelijke bedoeling van God:

opdat hij met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou.

Dus God heeft de mens niet geschapen om hem in de verdoemenis te werpen. Laat u dat niet wijsmaken. Dat bedenkt het vlees. Dat is de leugen van de duivel. God bedoelde het paradijs, waarin wij God recht mochten leren kennen en liefhebben en dan eeuwig bij Hem wonen. De eeuwige zaligheid lag in het verschiet.

Dat is, zo zegt de Catechismus, Hem eeuwig loven en prijzen. Dat is zalig! Wie de Heere vreest, weet dat. Er zijn geen zaliger ogenblikken, dan om diep te buigen voor deze heerlijke God en Hem te prijzen en te loven. God verheerlijken, dat is de zaligheid. Dat is eeuwig zingen van Zijn goedertierenheên.

 

Zo worden we door de Catechismus op de leerschool van Christus meegenomen naar het paradijs, opdat alle vragen, die beschuldigend naar God wijzen, uit ons hart zouden wegvloeien. Wat een heerlijke les, wat een levensles! In Hem is geen onrecht.

Verstaan we deze les? We hebben het er weleens over en dan zeggen we: ‘Een mens moet teruggeleid worden naar het paradijs.’ Nu, dat worden we allen in het onderwijs van de Catechismus. De Heere gaat ons het raadsel van de zonde niet verklaren, want het is niet verklaarbaar. Hij geeft praktijkles in het allerheiligste geloof. De Heere spelt ons die eerlijke belijdenis van de Catechismus voor.

Zeg het maar na, eerbiedig en hartgrondig:

‘Heere, dat is waar, U deed het niet verkeerd.’

Ja, dat denken we weleens met ons verduisterde verstand, maar dan zijn we niet op onze plaats.

‘Heere, bij mij is de schuld. U hebt het goed gedaan, Heere. U hebt mij goed en naar Uw evenbeeld geschapen. Het had niet beter gekund, het is gaaf, goed en gezond. Heilig en rechtvaardig ben ik uit Uw handen voortgekomen.’

 

O, daar stonden we in de hof van Eden, als het pronkjuweel van heel de schepping van God! In het paradijs waren wij rechtschapen. We waren goed, zeer goed in de ogen van God, naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen, in Zijn heerlijkheid gezet en in Zijn lichtval geplaatst. We waren zo op God aangewezen, aangelegd, dat maar één ding onze hartstocht was, namelijk God loven, dienen en verheerlijken. Daar was heel mijn hart en mond één loflied op Gods heilige Naam.

Hemel en aarde waren daar tot Gods eer en heerlijkheid. Het was Gods heerlijke gave, de weerschijn van Zijn aanschijn. Gods wil was onze wil. Het was onze zaligheid om Hem te dienen en uit Hem, door Hem, tot Hem en voor Hem te leven. God was onze zaligheid.

 

En toen, toen is dat vreselijke gebeurd. Toen heeft de mens tegen die volzalige, goede, heerlijke God ‘nee’ gezegd. Ik wil U niet langer dienen. Ik wil U niet kennen. Ik wil U niet liefhebben. Ik wil niet met U leven, ik wil U niet loven, ik wil U niet prijzen en ik wil Uw kind niet meer zijn. Ik wil niet meer op U lijken. Wat een les!

Ja, die vrijheid had de mens. Want hij was geen slaaf van het goede. Hij was een kind van God.

Onbegrijpelijk! Maar het is gebeurd.

En daar gaan we op letten in onze tweede gedachte: Wij zijn diep gevallen.

 

2. Wij zijn diep gevallen

 

We hebben het gelezen in de Bijbel, uit de brief van Paulus: Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood, en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan, in welke allen gezondigd hebben. De oorzaak ligt dus bij onze eerste voorouders, Adam en Eva.

Wij zouden het niet anders gedaan hebben dan Adam en Eva. We kennen allemaal de droevige geschiedenis van de zondeval uit het bijbel boek Genesis. Daar vinden we geen verklaring voor de zonde, maar het eerste Bijbelboek wijst ons wel op de oorsprong van de zonde. ‘Gij zult de dood niet sterven’, loog satan Eva voor, daarmee God verdacht makend.

 

Het proefgebod was duidelijk: ‘Van al de bomen van deze hof mag je vrijelijk eten, alleen van die ene boom niet, om te bewijzen, dat je Mij wilt dienen, dat je gehoorzaam wilt zijn.’ Niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet anders wil.

En toen gebeurde het. Zij, Eva, nam en at. En ze gaf het aan haar man Adam en hij at ook. En toen, toen was opeens alle harmonie gebroken. De vrede was weg, de heerlijkheid verduisterd. Alle geluk was in één klap geweken, het schepsel begon te zuchten, de leeuw begon het lammetje te verscheuren en te verslinden.

Adam wijst zijn vrouw aan en zegt: ‘De vrouw, die Gij mij gegeven hebt, is de schuld.’ De doodsklokken beginnen te luiden en de duivel lacht zijn satanische lach. Hij denkt: ‘Ziezo, nu heb ik het voor elkaar, ik heb het gewonnen, de wereld is van mij. De mens is van mij, God is van Zijn troon en de verhouding tussen God en de mensen is voorgoed kapot.’

 

De Heere wilde vrijwillig, uit liefde gediend worden. Niet uit dwang. Vandaar de vrijheid, die Adam had. Hij kon weigeren en dat heeft hij ook gedaan. En heus, zo zwaar was dat proefgebod niet. Het ging maar om één boom. Het ging om louter gehoorzaamheid, om liefde te bewijzen in blijdschap. En dan het vreselijke: hij nam en hij at. En daar stond Adam, ontluisterd en satan toegevallen. De rust, de vrede verdween. Hij was God kwijt als zijn Vader. De mens was verzonken in de lichamelijke dood, met alle ziekte, zwakheid, ellende en verdriet daarbij. Daarbij kwam de geestelijke dood, waardoor hij gescheiden werd van de gunst van God en de gemeenschap met God.

De eeuwige dood, waaraan wij veelal te snel voorbij gaan, maar waar we veel banger voor moesten zijn, werd realiteit. De eeuwige dood is de hel. Weg was het beeld en de gelijkenis van God. De profeet werd een onkundige dwaas. De priester kende geen liefde en geen offerbereidheid meer. De koning werd een zondeslaaf. Het is ongelooflijk, maar waar.

 

Hebt u daar ooit weleens zo bij stilgestaan? Of komt de vraag in uw hart op: ‘Ja, maar had God dat niet kunnen verhinderen?’ Ja, natuurlijk had God dat kunnen verhinderen. God kan toch alles. Hij is almachtig en volmaakt. Had Hij de mens geen liefde en gehoorzaamheid kunnen afdwingen? Ja, dat had Hij wel gekund, maar dat heeft Hij nu juist niet gewild. Hij wilde geen slaven in Zijn dienst, maar kinderen. Hij wilde kinderlijke liefde en overgave.

God wilde niet uit dwang gediend worden, maar vrijwillig. Vandaar die boom in de hof, vandaar die keus.

 

Misschien zegt iemand: ‘Ja, maar is dat eten van die ene appel, of wat het ook geweest is, nu zo erg? Is dat nu zo’n groot kwaad? Moet dat dan zo zwaar gestraft worden met de tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood?’ Let er eens op hoe de Catechismus het zegt. Waar komt het vandaan? Uit de val en ongehoorzaamheid van de mens. Er zitten twee kanten aan de zondeval. De val, je zou kunnen zeggen, dat is een beetje passief uitgedrukt, iemand die valt. Maar de Catechismus haast zich om te zeggen: ‘Ja, maar het is moedwillig, het is vrijwillig.’  Het is niet zo, dat je zeggen kunt: ‘Ze zijn nu eenmaal gevallen, zoals wij kunnen struikelen, maar eigenlijk hebben ze het niet gewild. Maar ja, je struikelt, je valt...’

Nee, val en ongehoorzaamheid, zegt de Catechismus. Ongehoorzaamheid, dat is heel actief uitgedrukt. Dat betekent dat de mens heel bewust ongehoorzaam wilde zijn. De duivel deed wat en de mens deed wat. De verleiding ging van de duivel uit. Hij verlokte en hij bracht tot zonde, tot de val, maar de ongehoorzaamheid ging van Adam en Eva uit. Het was hun eigen wil om te zondigen. Ze hadden het ook kunnen laten. Ze hadden ook staande kunnen blijven, maar dat hebben ze niet gewild. Bewust, willens en wetens, hebben ze gekozen voor het kwaad.

 

Kun je dat een klein vergrijp noemen tegen God, Die ons zo goed geschapen heeft? Nee, het is ongeloof. Ze geloofden God niet. Want God had gezegd: ‘Ten dage als gij daarvan eet, van die boom, die Ik je verbied, zult ge de dood sterven.’ Ze geloofden de duivel. Ze waren niet tevreden met de heerlijke positie waarin God hen geplaatst had. Ze verachtten Gods gebod en Gods liefde. Ze hadden het eeuwige leven kunnen verdienen, maar ze hebben het beeld van God verloren. Ze zijn openlijk van God afgevallen en satan toegevallen.

 

En weet u wat ik nog niet eens genoemd heb? Als u dat hoort, dan zult u zeker met de Catechismus instemmen, dat het eten van die verboden vrucht echt geen klein vergrijp was. Adam en Eva hebben niet alleen zichzelf, maar heel hun nageslacht de dood en de rampzaligheid ingesleurd. Dat was de consequentie. En dat hebben ze geweten. Het was de doodslag voor hun eigen kinderen. Hun gehele nageslacht hebben ze beroofd van die heerlijke gaven. Toen Kaïn zijn broer Abel doodsloeg, hebben Adam en Eva boven zijn graf gestaan. Ze hebben elkaar aangekeken, geweend, en gezegd: ‘Dat is onze schuld, dat is het gevolg van onze ongehoorzaamheid.’ Toen de boom viel, om dat beeld eens te gebruiken, vielen alle takken en bladeren mee.

 

De zondeval gaat ons ieder persoonlijk aan. Wij zijn daar op het allernauwst bij betrokken. Dat blijkt ook uit het tweede deel van antwoord 7.

Daar staat:

waar onze natuur alzo verdorven is, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.

 

Hoor ik daar weer iemand vragen: ‘Ja, maar is dat dan niet gemeen van God? Want ik ben er helemaal niet bij geweest. Ik heb die kans toch niet gehad? Ik heb toch mezelf niet gemaakt? Dat heeft God toch gedaan?’

Ik zal een voorbeeld noemen. Wij kiezen als ouders toch ook vaak voor onze kinderen? U kiest een school voor uw kinderen. Je kunt een openbare school kiezen, je kunt een christelijke school kiezen, je kunt ook voor een reformatorische school kiezen. Het is je eigen keuze waar je kinderen later terechtkomen en opgevoed worden. In de voorzeide leer, zoals we dat beloofd hebben bij de heilige doop?

Als u besluit om niet meer naar de kerk te gaan en om de wereld te gaan dienen, dan weet u toch, dat uw kinderen opgroeien in de wereld en niet in de dienst van God?

 

Wat wij doen, heeft gevolgen voor heel ons nageslacht. Nu, zo is dat ook met Adam. Toen hij koos voor de zonde en tegen God, toen deed hij dat voor heel zijn nageslacht. En dat heeft hij geweten! Hij was het hoofd van het verbond der werken. Hij vertegenwoordigde zijn nageslacht. Adam kreeg kinderen naar zijn beeld. Ja, dat bleek! De eerstgeboren mens was al een moordenaar. Er staat in Genesis: Adam leefde honderd en dertig jaren en hij gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noem de zijn naam Seth.

Nee, het was niet meer Gods beeld. Dat was kapot. Maar het was naar Adams beeld. Seth leek op de gevallen Adam, met een verdorven natuur. Hij was, zoals we gezongen hebben, in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Voortaan kwam er achter elk mensenleven een punt te staan: en hij stierf.

Ja, was het maar een punt! Want het is eigenlijk helemaal geen punt, maar het is een dubbele punt. Dan begint het pas. Dan komt de eeuwigheid. Dan komt de eeuwige dood, als we God niet dienen en vrezen.

 

Sinds Adam, zegt de Bijbel, is er niemand meer rechtvaardig, ook niet tot één toe. En uit het hart van de mens komen voort boze bedenkingen, overspel en bedrog. Ons verstand is verduisterd; we kennen God niet meer en we kennen onszelf niet meer. Onze wil is verkeerd, kromgetrokken en verdorven, zodat we niet meer instemmen met de wil van God. Onze hartstochten zijn verkeerd, we zondigen met gedachten, woorden en werken.

U en ik zijn erfelijk belast. Zo diep greep de zonde in, dat heel onze natuur werd aangetast, geslachtsmatig, zodat het overging van ouder op kind. Dat noemen wij met een moeilijk woord: de erfzonde. En die onderscheiden we in erfschuld en erfsmet.

 

De erfsmet besmet ieder kind dat geboren wordt, reeds in het uur van zijn ontvangenis. Het is een aantasting van heel ons wezen, van heel ons lichaam, van heel onze ziel. Het is onze zondige aard, die we erven van onze ouders. De Catechismus noemt dat: onze verdorven natuur. Erfsmet! Ja, want dat zondige leven is besmettelijk.

Maar ook is er de erfschuld. Dat is de verbintenis tot straf. De erfschuld hebben we van Adam geërfd en die wordt ons toegerekend omdat Adam het hoofd van het werkverbond was. Daarom zegt Paulus in het gedeelte dat we gelezen hebben: ‘Gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis...’ Alleen die schuld is al genoeg om voor eeuwig verloren te gaan. Die erfschuld is dus ontzaglijk. David zegt:

’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;
Neen, ’k ben in ongerechtigheid geboren;
Mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van Uw toren,
Reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.

 

Gemeente, wees eens heel eerlijk. Jongelui, op Catechisatie komen jullie er weleens tegenin, maar is dit nu een harde leer? Houd je daar je oor liever voor gesloten? Dat is niet goed, want de Bijbel zegt het in Romeinen 5 en Psalm 51. Gemeente, weigeren we hieronder verontrust te worden? Dat is heel erg, want we liggen dood in zonden en misdaden, zegt de Bijbel. Er komt altijd vijandschap in ons hart openbaar. We willen er niet aan.

Laten we eens persoonlijk worden, dat doet de Catechismus ook. Kijk maar. Eerst staat er: de mens. Dan komt het al dichterbij: onze eerste voorouders. Dan kom je al in je familie terecht. En vervolgens: onze natuur. En dan: wij! Het komt steeds dichterbij, ziet u wel? Wij worden in zonden ontvangen en geboren.

 

O, probeer dit mysterie maar niet met uw verstand klein te krijgen, want dat zal nooit lukken. Je kunt uren met elkaar praten over de redelijkheid en de billijkheid van de toerekening van Adams zonde, maar je komt er met je verstand toch niet uit. De enige oplossing is, dat we leren buigen voor de Bijbel, voor het gezag van de Schrift, voor God, voor het onderwijs van onze vaderen. Als dat gebeurt, door de werking van de Heilige Geest, dan zeggen we: ‘Ja, Heere, het is waar, het is niet alleen dit kwaad dat roept om straf.’

Daar worden we klein voor God en hebben we geen bestaansrecht meer voor de Heere en kost het ook geen moeite om de geschiedenis van Adam en Eva in te leven, alsof we erbij geweest zijn en alsof we het zelf gedaan hebben. Dan voelen we de schande van onze eerste voorouders als onze eigen schande. Dan breekt ons hart als we onze zondige daden zien, maar ook als we onze erfzonde zien, onze boze natuur, die een slag is in het aangezicht van God.

 

Maar hoe hartelijk belijden we dan onze schuld voor de Heere! Het blijft een gedurige smart, heel je leven lang. Nee, dat wordt er met de jaren niet beter op. De wortelzonde van onze hoogmoed gaat nopen tot een diepe verootmoediging voor het aangezicht van God, Die ons zo goed en gaaf geschapen heeft. Wat een smart! Zo goed geschapen en zo diep gevallen! Nee, God is niet de schuldige, maar wij.

En dan volgt er een heel moeilijk punt om te aanvaarden. Ook daar is weer de overredende kracht van de Geest voor nodig. Dan wordt Adams zonde mijn zonde. Wat een smart! Mijn natuur is zo verdorven dat, als ik het goede wil doen direct alweer het kwade mij bijligt. Ik ben in zonden ontvangen en geboren. Ik ken God niet meer, ik heb Hem niet lief en ik leef niet in de zalige gemeenschap met Hem, zoals Hij het heeft bedoeld.

Kent u die pijn, gemeente? Kennen jullie die pijn, jongelui? Dat is nodig! Waarom? Omdat God zegt: ‘Dan kan Ik Mijn Zoon aan je kwijt. Mijn Christus, Die Ik gaf, Mijn Kind, Mijn Eniggeborene, Mijn geliefde Zoon kan Ik dan kwijt aan mensen, die zeggen: Heere, ik ben schuldig.’

Adam niet geleerd, Christus niet begeerd. Adam en Christus horen bij elkaar. Zij, die de totale verdorvenheid van de mens niet aanvaarden, doen tekort aan de algenoegzaamheid van Christus’ kruisverdiensten.

 

Zo rijst voor ons op, temidden van al die schuld en ellende, de heerlijke gestalte van De tweede Adam, de Heere Jezus Christus. Hij is gekomen en heeft gebogen onder de gevolgen van onze zondeval. Hij heeft dieper gebogen, dan wij gevallen zijn. Van Hem roept Johannes uit: ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad...

Dat is liefde! En dat voor zulke mensen, die bewust hebben gezegd: ‘Nee, God, ik wil U niet. Ik wil de duivel. Ik wil U niet geloven, maar ik geloof de satan. Ik wil U niet liefhebben, maar ik wil de wereld liefhebben en de zonde dienen.’ Ja, voor zulke mensen! En voor hen staat er: ‘Alzo lief heeft God zulke mensen, zo’n wereld, zo’n mensenwereld verloren in schuld, gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft...’

Ja, daar hangt het van af, het geloof is nodig. Misschien dacht u bij het lezen van Romeinen 5 zojuist wel: ‘Zie je wel, de schuld van Adam komt over alle mensen en dan is Christus er ook voor alle mensen.’ Jawel, maar dan moet je doorlezen: ‘opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderven zou...’

Wie geen Borg heeft, komt eeuwig om.

 

Dat zeg ik niet uit hardheid, maar uit liefde. Weet u waarom?

Opdat u Hem zoeken zou, want is Hij er nog. Nu wordt Hij u gepredikt. In de diepte van onze val rijst de Zoon van God op. Er is verlossing, zo laat God prediken, voor diep gevallen kinderen van Adam. Er is genade voor verloren mensen. Er is een tweede Adam, Die Zich aan het kruis gaf in offerende liefde, het nieuwe Verbondshoofd. Hij nam op wat Adam liet vallen. Hij herstelde wat Adam verbrak. Christus is ingedaald en afgedaald in de diepte van onze verlorenheid. De tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood heeft Hij op Zich genomen en verslonden en overwonnen.

 

Adam koos verkeerd, maar Jezus koos goed, altijd en onder alle omstandigheden. Ook in de beproeving en verzoeking in de woestijn.

Was Adam ongehoorzaam, Jezus was de gehoorzame Zoon des Vaders, gehoorzaam tot aan de dood des kruises. Het kostte Hem Zijn leven.

Verloor Adam het beeld van God, Jezus herstelde dat beeld van God. Hij vertoont sprekend het beeld van Zijn Vader.

Was Adam hoogmoedig, Jezus zegt: ‘Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.’

Heeft Adam Gods gebod veracht en overtreden, Christus heeft Gods gebod geëerd, de wet gehouden en vervuld.

Heeft Adam schuld gemaakt, Christus heeft de schuld betaald.

Zocht Adam zijn eigen eer, Christus verheerlijkte God.

 

Gemeente, wij, die in zonden ontvangen en geboren zijn, zouden voor eeuwig moeten omkomen als Christus niet gekomen was. Maar Hij heeft alles overgedaan, ook voor onze erfzonde. ‘Hij is zonder erfzonde geboren, ontvangen uit de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria en daarin heeft Hij onze erfzonde op Zich genomen,’ zo zegt de Catechismus op een andere plaats. Hier is een Zaligmaker, Die alle verloren adamskinderen nodig hebben. Werd Hij u dierbaar? Gaat uw hart naar Hem uit? Hongert en dorst u naar deze Jezus? Zegt u het: ‘Och, dat ik Hem kenne! O, wat zou ik er veel voor over hebben, als ik voor eigen hart en leven zeker weten mocht, dat ik het eigendom ben van die trouwe Zaligmaker.’

Dan zingt u van harte mee, wat we samen gaan doen met de dichter van
Psalm 106: 4 en 24

 

Wij hebben God op ’t hoogst misdaan;

Wij zijn van ’t heilspoor afgegaan;

Ja, wij en onze vaad’ren tevens,

Verzuimend alle trouw en plicht,

Vergramden God, den God des levens,

Die zoveel wond’ren had verricht.

 

Nochtans was God met hen begaan;

Hij zag hun angst, hun tranen aan,

En hunner hateren verwoedheid.

Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond;

En had berouw, naar al Zijn goedheid,

Meedogendheid met Isrels wond.

 

3. Wij zijn totaal verdorven

 

Onze derde gedachte is: Wij zijn totaal verdorven. Onze natuur, onze aard, ons wezen, de diepste bronnen van ons leven zijn bedorven, staat hier op grond van de Bijbel.

 

Er is nog veel goeds in deze wereld. Er zijn mensen, die trouw hun werk doen, die trouw en eerlijk zijn. Gelukkig dat die er nog zijn. Er is in de algemene genade van God gelukkig nog veel goeds te vinden. Als die algemene genade er niet was, dan stortte heel de wereld in elkaar. Dan was iedereen een rover en een plunderaar. God houdt alles nog in stand door de stutten van Zijn algemene genade. En zo is er nog een natuurlijk goed, zoals we dat noemen, burgerlijk, zedelijk, uitwendig goed.

Daarom moeten we de formulering van de Catechismus in de eerste plaats beperken tot ons godsdienstig leven. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, wil vooral zeggen dat we vanuit onszelf de verhouding met God nooit meer goed kunnen krijgen.

 

Wij zijn onbekwaam om de verzoening met God te bewerkstelligen en de verbroken relatie te herstellen. Bovendien, voor God is alleen dat goed, wat voortkomt uit een waar geloof, wat in overeenstemming is met Zijn heilige wet en wat de eer van God tot doel heeft.

Dat geloof ontvangen we in de wedergeboorte uit genade. De Catechismus spreekt hier over onze aard die verdorven is. Er staat niet dat wij alle kwaad doen. Gelukkig niet!

Dat komt door Gods algemene genade.

Maar er staat wel, dat wij alle kwaad zouden kùnnen doen. Geneigd tot... We zijn ertoe geneigd.

 

We zijn ertoe geneigd. Weet u, wat u moet doen? Kijk maar naar uzelf. Neem het advies van de Bijbel ter harte en vind uzelf niet beter dan de ander. Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. We zijn geneigd om alle kwaad te doen. We zijn ertoe in staat. Maar als het niet plaats vindt, is dat de weerhoudende genade van God.

Is het dan zò erg? Ja, zò erg is het. De Bijbel zegt het en de Catechismus spreekt het na.

 

Tenzij, zegt de Catechismus, tenzij we door de Geest van God wederom geboren worden.

Hoe moet je dat ‘tenzij’ opvatten? Betekent dat: ‘Het is wel heel erg met ons gesteld, maar er is gelukkig nog een lichtpuntje?’ Nee, niet bij ons vandaan. Er is wel een Lichtpunt, een geweldig Licht, Christus. Hij is het Licht der wereld. Van God uit kan het weer goed komen, maar vanuit ons is er geen enkel lichtpuntje.

‘Ik wist wel dat het heel erg met me was, maar dat het zo erg was, dat had ik niet gedacht’, dat moet onze conclusie zijn. Een dokter staat bij een ongeneeslijk zieke patiënt. De dokter schudt zijn hoofd en zegt tegen de familie: ‘Mensen, hier is geen hoop meer, tenzij er een wonder gebeurt.’

 

Dat is het! Tenzij... Voor u en mij is er geen hoop, tenzij er een wonder gebeurt. En dat is het wonder van de wedergeboorte. Tenzij we wederom geboren worden. Dat is de herschepping, de herstelling van Gods beeld. Er is hoop voor hopelozen. Niet bij ons vandaan, niet van ons uit, maar bij God vandaan. In Zijn ondoorgrondelijke goedheid is de Heere de zonde en de dood een eeuwigheid voor geweest.

Zonde en dood hebben God niet verrast. Toen Adam viel, heeft dat God niet overvallen. Zonde en dood hebben niet het laatste woord.

Tenzij... Zeker, onze natuur is totaal verdorven. Alleen regeneratie, een totale vernieuwing van ons bestaan, herschepping, wedergeboorte kan ons redden.

En dat is geen mensenwerk. Dat is Gods werk. Hij geeft nieuw leven, dat de dood overwint. ‘Die in Mij gelooft’, zegt de Heere Jezus, ‘zal leven, al ware hij - lichamelijk - ook gestorven.

 

Hij, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is, het Licht der wereld, heeft Zijn leven afgelegd en is de duisternis van de godsverlating ingegaan. Hij is gestorven als ware Hij een misdadiger. Door Zijn dood heeft Hij alle zonden overwonnen en de dood verslonden. Hij is opgestaan. Door Zijn kracht wekt Hij, tot op de dag van vandaag, nog steeds zondaren op uit het graf van dood, zonde en schuld tot het eeuwige leven.

Daarom zitten wij nu in de kerk. De Heere werkt door Zijn levenwekkend Woord, door Zijn genadevol spreken over de wedergeboorte. De Dordtse Leerregels zeggen dat zo mooi: ‘Dat is een vernieuwing, een nieuwe schepping, een opwekking uit de doden en levendmaking, waarover zo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, die God zonder ons in ons werkt.’

 

Zie je, het komt alles bij God vandaan. O, wat is God genadig! Hij laat gevallen mensen niet liggen en Hij zegt niet: ‘Toe nou, probeer nog eens wat goeds te doen.’ Nee, uit mij geen vrucht in der eeuwigheid. En dan zegt de Heere: ‘Ik ben goed omdat Ik God ben en Ik geef u Mijn Zoon.’

In een weg van recht worden Zijn deugden verheerlijkt en kunnen zondaren zalig worden. Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden. De Geest opent het hart, vermurwt wat hard is, besnijdt wat onbesneden is, en stort nieuwe hoedanigheden in de wil, zeggen onze Dordtse Leerregels.

Wat dood was, maakt Hij levend en die boos was, wordt goed en die niet wilde, gaat metterdaad willen. De weerspannige wordt gehoorzaam.

Hoort u dat? Gehoorzaam! Mensen, in zonden ontvangen en geboren, maar door de Geest wederom geboren, worden gehoorzaam. Adams zonde was ongehoorzaamheid, maar de eerste vrucht van het nieuwe leven, die God zonder ons, in ons werkt, is gehoorzaamheid. Dan gaat God Zijn beeld herstellen en zo wijst de herschepping terug naar de schepping. Zo komen we weer opnieuw bij vraag 6. Zo alleen leren we onze Schepper recht kennen, Hem van harte lief hebben en zo zullen we in de eeuwige zaligheid met Hem leven, Hem loven en prijzen.

 

Zo komt God weer aan Zijn eer, dwars door de zondeval heen, in het geven van Zijn geliefde Zoon, de Heere Jezus Christus. Hij ziet ons aan en zegt: ‘Wilt u leven? Kom dan achter Mij aan, want wie in Mij gelooft, zal leven.’ Hij vernieuwt. Wilt u vernieuwd worden? Er is er maar Eén, Die het kan en dat is Jezus Christus, door Zijn Heilige Geest. Hij vernieuwt radicaal.

Hij vernieuwt tot in de wortel toe en dat komt naar buiten openbaar. Als de wortel goed is, ja, dan komen de vruchten openbaar. Dan komt de nieuwe levenskeus voor God en tegen de zonde openbaar. Onze nieuwe levenskoers is niet meer gericht op onszelf, maar op God: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?’

Er ontstaat een nieuwe levensstrijd. Het goede dat ik doen wil, dat doe ik niet, en het kwade ligt me bij. Maar toch, het goede wil ik doen en het kwade wil ik niet doen. Het is een strijd.

 

Gemeente, laten we maar nooit twisten over de wijze waarop een mens wederom geboren wordt door de Heilige Geest. Dat is zò verschillend. De wind blaast waarheen hij wil. De één mag van jongs af aan de Heere vrezen, zoals Timotheüs. Dan is er zonder een geweldige, opzienbarende omwenteling in je leven toch de kinderlijke droefheid over de zonde, toch dat belijden van je schuld aan de Heere en dat vragen om vergeving.

Dan is er de liefde tot de Heere Jezus, de liefde van God en de liefde tot God en Zijn Woord. Je kunt de Bijbel niet missen. Je krijgt medelijden met mensen, die God tegenstaan en Hem niet dienen.

 

Er zijn ook mensen, die op latere leeftijd tot verandering komen. Door een lieflijk woord uit de Bijbel worden ze in beslag genomen voor de dienst van God, getrokken door de liefde. Soms worden we later dieper ingeleid in de bedorven levenswortel van ons bestaan, opdat we des te meer zouden zien op de borgtocht van de Heere Jezus en Hem nodig krijgen als onze Borg en Zaligmaker.

 

Er zijn ook mensen, die diep worden ontdekt. Zij gaan door diepten heen, harde slagen zijn soms nodig om hen tot een onberouwelijke keus te brengen. De weg kan gaan langs de donder van de Sinaï en langs de afgrond van onze verlorenheid. Maar het is helemaal niet zo, dat als het zo bij u gegaan is, dat je dan een betere of een meer Schriftuurlijke bekering hebt dan iemand bij wie het vanuit de liefde begonnen is. Nee, de Heere is daarin geheel vrij. De Heere is vrijmachtig en veelkleurig in de werken van Zijn genade.

 

Maar bij elke bekering komt het toch hierop neer:

‘Heere, ledig kom ik, arm en naakt, tot de God, Die zalig maakt.’

De één kent diepere vertwijfelingen dan de ander, de één heeft meer een gelijkmatiger gang en bij de ander gaat het steeds op en neer in de kolkende golven. De wegen waarlangs kunnen zo verschillend zijn, maar er is maar één middel voor u en voor mij om de straf te ontgaan en dat is het dierbare bloed van die trouwe Zaligmaker.

 

Hij bleef trouw aan God en trouw aan Zijn opdracht, tot in de dood toe. Er is maar één Naam onder de hemel gegeven, hoe je ook geleid bent, of dat nu van jongs af aan is of pas op latere leeftijd.

God is zo wonderlijk, zo verrassend. Hij doet het zoals Hij wil. Hij is de grote Soevereine, maar voor een ieder is er maar één Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid en dat is de Naam van de Heere Jezus.

Door Hem en Zijn bloed is er vrede, vergeving, verzoening en nieuw leven.

Een leven, door Zijn dood bereid,

een leven tot in eeuwigheid.

 

Amen.