Ds. P. van Ruitenburg - Mattheüs 22 : 1 - 14

Het komen tot de Bruiloft

Genodigd tot de bruiloft
De nodiging afgeslagen
Tot de bruiloft gebracht
Van de bruiloft verwijderd

MattheĆ¼s 22 : 1 - 14

Mattheüs 22
1
En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:
2
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had;
3
En zond zijn dienstknechten uit, om de genoden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.
4
Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.
5
Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap.
6
En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.
7
Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken.
8
Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het niet waardig.
9
Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.
10
En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.
11
En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed;
12
En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.
13
Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
14
Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 95: 4 en 5
Lezen : Mattheus 22: 1 - 22
Zingen : Psalm 2: 6 en 7
Zingen : Psalm 78: 9
Zingen : Psalm 23: 3

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Mattheüs 22, de verzen 1 tot en met 14, waar het gaat over de gelijkenis van de koninklijke bruiloft. We lezen nu alleen nog de verzen 5 en 6.

 

Maar zij zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap. En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan en doodden hen.

 

Het komen tot de bruiloft. Vier gedachten:

1. Genodigd tot de bruiloft;

2. De nodiging afgeslagen;

3. Tot de bruiloft gebracht;

4. Van de bruiloft verwijderd.

 

1. Genodigd tot de bruiloft

Gemeente, Bunyan schrijft in zijn mooie boek ‘De Christenreis naar de eeuwigheid’ over mensen die vlak voor de poort staan. Zij zijn heel dicht bij het Koninkrijk Gods, maar vlak voordat ze naar binnen zullen gaan, worden ze doodgeschoten. Ook Christen gaat door die poort, wordt door die poort getrokken, krijgt de genade om door die poort heen te stappen en vraagt dan: ‘Waarom trok u mij door die poort heen?’ En het antwoord is: ‘Kijk eens om en kijk eens naar die burcht daar! Daar schieten ze. En er zijn er al velen die voor de poort gesneuveld zijn.’

En zo is het ook vandaag mogelijk, gemeente, dat ernstige mensen bezig zijn met de dingen van Gods Koninkrijk. Ze hebben, om zo te zeggen, de stad van het verderf verlaten, zijn door de vlakte gekomen tot de poort; ze zijn vlakbij Christus, maar hebben nooit in Christus leren geloven. Het is bij hen nog nooit tot een ‘overslag’ gekomen; ze zijn nog nooit gekomen tot een hartelijke overgave aan de Heere en Zijn dienst, in het kennen en geloven van de Heere Jezus Christus. Wat een ernstige zaak, gemeente, ook vandaag. De Heere Jezus heeft daarover ook gesproken in de gelijkenis van de koninklijke bruiloft. Er zijn er die genodigd worden, maar er zijn er ook die komen en toch niet echt komen.

 

Het gaat over een bruiloft. Het gaat in Gods Woord vaak over een bruiloft; dat is iets wat we allemaal herkennen. Misschien zijn er onder ons ook wel die zich aan het voorbereiden zijn voor een bruiloft. Wat een organisatie is dat! Wat gaat er veel tijd in zitten, veel geld inzitten. Je bent er maanden mee bezig om alles voor te bereiden. De kaarten moeten gedrukt worden en de maaltijd moet worden besproken. Het menu moet worden samengesteld. De bruidsjurk moet worden gekocht. Daar is een ontzaglijke organisatie mee gemoeid.

Stel u eens voor dat er op die bruiloft niemand in de kerk is, dat er niemand op de maaltijd komt en dat je op de receptie daar samen staat, want er komt niemand opdagen. Wat zou je je dan ellendig voelen! Is er dan niemand die ons wil komen feliciteren? Is er niemand die om ons geeft? O, ik denk dat je in tranen zou uitbarsten als er niemand zou komen. Ik denk dat je woedend zou worden. Wel, in deze gelijkenis gaat het om iets dergelijks.

 

Het is in dit geval een koninklijke bruiloft. Dat is nog wat anders! Veel rijker dan onze bruiloften, zouden we zeggen, veel meer organisatie. Er zijn veel mensen door de koning uitgenodigd om op de bruiloft van zijn zoon aanwezig te zijn. Kosten noch moeiten zijn gespaard! Als we een kijkje nemen in het gebouw van de bruiloft, zien we al die tafels staan. Daar zien we de kostelijkste spijzen op de tafel. In dit geval is er ook vlees. Het gebeurde niet zo vaak dat men vlees at, maar nu zijn de gemeste ossen en de kalveren geslacht. Er is gekookt, er is gebraden. De heerlijkste en de kleurrijkste gerechten staan op de tafel.

De uitnodigingen gaan uit, herhaalde uitnodigingen, tot een aanvankelijk selectief aantal mensen. Allen zij mogen op deze speciale koninklijke bruiloft komen. Ja, later worden nog veel meer mensen uitgenodigd, maar aanvankelijke wordt die uitnodiging verstuurd aan speciale mensen, de gegoede burgerij in de omgeving. Gemeente, dat is het beeld dat de Heere Jezus ons schildert van de Evangeliemaaltijd.

 

Het gaat hier niet over het Heilig Avondmaal. Bij het Heilig Avondmaal worden alleen Gods kinderen uitgenodigd. Die maaltijd is alleen voor hen die geen vreemdeling zijn van Gods genade. Daar wordt niet iedereen gevraagd om te komen.

Maar hier, bij deze maaltijd, bij deze Evangeliemaaltijd wordt de uitnodiging heel breed verspreid. Zo is het ook met de Evangelieprediking, hier vandaag, deze zondag en de vorige zondagen. De Evangelieprediking komt tot allen. Vandaag is er een maaltijd aangericht voor jullie, jonge vrienden, en voor u, ouderen. Er is een maaltijd aangericht, er is een Evangeliemaaltijd aangericht. De Koning heeft alle dingen gereed gemaakt. En de Koning zegt: Alle dingen zijn gereed: komt tot de bruiloft (vers 4).

U behoort tot degenen die een speciale uitnodiging krijgen vandaag, onder de prediking van het Evangelie. Er zijn er velen die zo’n bijzondere uitnodiging niet krijgen. Maar de Heere heeft u uitgekozen om in het bijzonder deze uitnodiging te ontvangen: Kom, want alle dingen zijn gereed.

 

U zult zeggen: Maar waarom is dat zo belangrijk? Wel gemeente, er staan op de Evangelietafel zulke kostelijke spijzen. Daar hebt u geen idee van als u dat zelf nooit hebt geproefd. Gods kinderen proeven niet alleen de bittere kruiden van de zonde, want ze hebben een mishagen, een hekel, aan zichzelf; ze verfoeien zichzelf in stof en as. Maar ze gaan ook leren eten van het Brood des levens en van het Lam Dat geslacht is.

Als ze dat proeven, worden ze vervuld met ootmoed. Dat is de kostelijke smaak van het Evangelie. Dat is leven voor hun ziel. Dat is zaligheid voor zondaren. Dat is het leven voor hen die midden in de dood liggen. Dat is de heel bijzondere smaak van het Evangelie.

Daartoe worden zondaren uitgenodigd om te komen zonder geld en zonder prijs; ze mogen komen om te eten en te drinken, wijn en melk. Ja gemeente, aan die tafel zien we de gemeenschap van de Kerk. Daar zien we de nabijheid van God. Daar zien we de Koning en de Zoon van de Koning. Dat is een heel goede plaats om te zijn. Dat is een levende plaats, want ze is vol van verzadiging van vreugde voor Uw aangezicht! Liefelijkheden in Uw rechterhand. In één woord: het is zaligheid.

 

Wat een wonder dat de Heere ons op zo’n eerlijke en welmenende wijze roept. U weet wel dat we helemaal niet ingenomen zijn met het standpunt van de remonstranten. We weten dat de Arminianen zeggen dat je die keuze zélf kunt maken. Daar geloven we helemaal niets van. Maar er staat wel in de Dordtse Leerregels: ‘Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen.’ Wie is er zo ernstig? De Heere. De Heere roept ons allen heel ernstig: ‘Mijn zoon – Mijn dochter – geef Mij uw hart’ (Spr. 23:26).

‘Want God betoont ernstig en waarachtig in Zijn Woord, wat Hem aangenaam is – wat Hij zo graag zou willen – namelijk, dat de geroepenen tot Hem komen. (En) Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven’ (Dordtse Leerregels, Hoofdstuk 3-4, artikel 8).

 

Er zijn er onder ons die voor de deur staan, voor de poort, en zij zeggen: ‘Maar mag het wel? Mag ik wel binnen komen? Moet ik niet eerst weten of ik een uitverkorene ben? Moet ik niet eerst aan bepaalde voorwaarden voldoen? Ik durf niet. Ik durf niet te geloven in de Heere Jezus Christus. Ik heb zoveel gezondigd. Ik heb zo’n ellendig hart. Ik ben het absoluut niet waard. Ik ben het waard om ter helle te varen. Maar om nu te geloven in de Heere Jezus Christus… Dat is toch voor Gods kinderen? En ik ben geen kind van God.’

Gemeente, ik weet wel dat ik zulke tobbers niet echt kan helpen. Dat moet de Heere doen. Maar als dienaar van het Evangelie mag ik wel langszij komen en zeggen: Ik begrijp u, ik begrijp het. Het is niet zo eenvoudig als u midden in de dood ligt, als uw zonde als een berg voor u staat, en als u iets ziet van de heiligheid van God tegen Wie u gezondigd hebt.

Ik kan het me voorstellen, ik begrijp het. Het is niet vanzelfsprekend om te zeggen: ‘Ik geloof toch gewoon! Ja natuurlijk, vanzelfsprekend, God is genadig….’ Zo ligt het bij u niet. Ik begrijp het, het is voor u niet zo vanzelfsprekend! Maar toch, in de Naam van mijn Zender mag ik u dit gedeelte uit het Woord Gods voorhouden en zeggen: Maar u bent wel hartelijk uitgenodigd! U mág komen. U hoeft niets mee te nemen.

De Heere zegt het waarachtig en ernstig. Hij meent het! Denk nu niet dat de Heere het niet meent of dat er kleine lettertjes onder het contract staan. Het is waarachtig en welmenend dat de Heere zegt: Kom maar! Kom maar met al uw zonden, met al uw vervloeking tot Mij! U mag de toevlucht nemen tot de Heere.

 

Nogmaals, ik zou die twijfelmoedige mensen die daar voor de poort staan te dralen, graag willen helpen, maar ik kan het niet, echt! Dat kan alleen de Heilige Geest doen; Die kan alleen de hand nemen. Maar deze prediking zou die hand kunnen zijn.

 

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; En zond zijn dienstknechten uit om de genoden ter bruiloft te roepen, en zíj wílden níet komen.

Zie, gemeente, de Evangelieprediking, de uitnodiging. Jong en oud zijn uitgenodigd. En het zal tegen ons getuigen in de dag des oordeels, als we niet gekomen zijn.

We gaan naar onze tweede gedachte.

 

2. De nodiging afgeslagen

Wederom  – u ziet, het is een herhaalde nodiging – Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt de genoden: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed: komt tot de bruiloft (vers 4). En daar gaan die knechten, gemeente. De uitnodigingen werden niet per kaart en per post verstuurd, maar men ging persoonlijk uitnodigingen brengen. Waarschijnlijk niet op papier, maar gewoon mondeling. En daar zien we de dienstknechten bij de deur komen en aankloppen. En de deur gaat open. ‘U bent uitgenodigd om op de bruiloft te komen van de zoon van de koning. Alle dingen zijn gereed: gemeste ossen, gemeste kalveren. Alles is gereed. Kom tot de bruiloft!’

 

En daar ziet u de gezichten; niet gelijk boos, maar toch wat onverschillig. Toch wat verveeld. Die gezichten spreken boekdelen. Die zeggen eigenlijk: Daar heb ik helemaal geen zin in. Daar heb ik helemaal geen tijd voor. Ik heb wel andere dingen aan mijn hoofd. Ik ben zo druk met andere dingen. Moet dat nu echt?

Op een heel vriendelijke manier worden er verontschuldigingen naar voren gebracht. Maar zij zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap. Misschien hebben ze gezegd: ‘Ik zal er over denken.’ Misschien hebben ze gedacht: We zullen zien. Maar als het erop aankomt, gaan ze de andere kant op: Deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap.

 

Wat betekent dit? Dat er voor hen belangrijker dingen waren, gemeente! Belangrijker dingen dan die bruiloft. Het was wel een kóninklijke bruiloft. Je zou zeggen: Als de koning een bruiloft voor zijn zoon geeft en je bent voor die bijzondere bruiloft uitgenodigd, wie zou daar niet heengaan? Het gebeurt maar één keer in je leven dat er zo’n bijzondere bruiloft is. En dan toch voor iets anders kiezen?

O, dat is ons hart. Dat is door onze diepe val in Adam gekomen. Daardoor hebben we onszelf liever dan God en is deze wereld ons meer waard dan de dienst des Heeren. Ten diepste zijn we allen als de rijke jongeling, die ernstig met de dingen in Gods Koninkrijk bezig was. Hij wilde best bij de Heere Jezus komen, en natuurlijk wilde hij het Koninkrijk Gods beërven en straks naar de hemel gaan. Hij vroeg: ‘Wat moet ik ervoor doen? Wat moet ik nog méér doen?’

Maar als het erop aankomt, zijn de dingen van deze wereld toch nog net iets belangrijker. Er komt niet één van de genodigden. Die ‘overslag’ komt er niet. Er is geen wil om zich over te leveren en tot het allerbelangrijkste te komen. Er is geen hartelijke begeerte naar God en Zijn dienst en naar de zaligheid en het Leven – met een hoofdletter. Wat verveeld klinkt het: Niet achtende, zijn heengegaan…

 

Zo is het met u en met jullie, jonge vrienden, als u en als jij nog voor eigen rekening leeft. U bent door de dienaren hartelijk uitgenodigd namens de Koning en Zijn Zoon. Maar heel grof eigenlijk klinkt het: Ik heb geen zin! Het hoeft voor mij niet. Ik kan daar niet toe komen. We houden ons liever met andere dingen bezig.

Ik ben ervan overtuigd dat er velen onder ons zijn, die het zondags soms voelen, die klop op de deur. Soms voelen ze: er móet wat gebeuren! Soms zijn zij héél ernstig en gevoelig. Soms moeten ze een traan wegpinken en zeggen ze: Ik moet bekeerd worden.

En toch gaan ze daarna weer over tot de orde van de dag en zijn ze weer met de dingen van de wereld bezig. Het komt er niet van. Op een heel vriendelijke manier, maar toch….

Als ouderlingen op huisbezoek gaan, komen ze gelukkig heel veel meelevende mensen tegen. Hartelijke mensen, die er helemaal achter staan. Achter de leer, achter het leven, zoals we dat op grond van de Bijbel voorstaan. Maar toch… daar stopt het. Soms met verontschuldigingen. Deze niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap. Het leven is zo druk! Er komt niet van.

 

Maar bij sommigen is het nog veel grover. En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan en doodden hen. Moet je eens voorstellen! Ziet u het gebeuren? Kinderen, zie je het gebeuren? Daar komt een dienaar van de koning; je kunt aan zijn kleren zien dat hij bij de koning vandaan komt; een soort lakei. Hij klopt op de deur. En dan moet u eens kijken wat er gebeurt! Daar doet iemand open en die hoort de uitnodiging: U bent genodigd tot de bruiloft van de zoon van de koning…!

Maar die man wordt boos….!  ‘Hoe durf je aan mijn deur te komen? Wat doe je eigenlijk hier? Ik heb jullie helemaal niet nodig. Wat denk je wel, dat ík daar naartoe kom? Ik denk er niet over!’ En… daar steekt hij zijn hand uit. Die dienstknecht van de koning krijgt een klap… En hij krijgt een stomp… En hij krijgt een schop… Het gaat er hard aan toe…! Ik zie dat die lakei van de koning op de grond valt en kreunt… Hij krijgt nog een paar trappen tegen zijn hoofd aan. En misschien komen er nog wapens aan te pas… Ze slaan die man dood. En anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.

 

Wat is dat toch, die vijandschap? Die vijandschap kun je op het zendingsveld tegenkomen of op de evangelisatiepost. Mensen willen beslist niet naar de kerkdienst of de bijeenkomst komen. Ze worden echt boos! Daar zijn heel wat voorbeelden van: mensen die op straat bereikt worden met een evangelisatiefolder en die je bijna een klap geven. Dat gaat niet alleen over mensen in Arabische landen die absoluut niets van de dienst des Heeren en van de Heere Jezus Christus moeten hebben. Nee, dit gaat ook over mensen die graag naar de kerk willen komen. Maar over één ding moet je niet preken: dat de Heere Jezus hen uitnodigt. Dan worden ze kregel, dan worden ze boos. Dan worden ze onrustig. Dan zeggen ze: Dat is helemaal geen goede dominee. Ik hoor liever wat anders. Ik hoor liever: gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig (Jesaja 28:10). Daar voel ik me veel beter bij! Ik voel me er veel beter bij als ik achterover kan gaan zitten en zeggen: God moet het doen! Ik kan er niet tegen als het te dichtbij komt. Dan word ik boos!

 

Kijk er niet op neer als dat bij mensen zo is, want dat leeft ten diepste bij ons allen. Wij zijn vijanden van God geworden, vijanden van de Heere Jezus en vijanden van onszelf. De Joden hebben de Heere Jezus gekruisigd en Pilatus is daaraan schuldig geweest, maar in zekere zin wij ook. Het hoeft voor ons niet! O, die vijandschap in onze harten tegen de Heere en Zijn dienst, soms gepolijst, soms heel vriendelijk, soms heel netjes en heel degelijk en heel farizeïstisch. Maar ten diepste, gemeente: vijandschap tegen God. O, moge de Heere die vijandschap wegnemen.

 

Ik denk nog weleens aan die man in één van de Amerikaanse gemeenten, een onbekeerde man. Natuurlijk kreeg hij op huisbezoek de vraag: Hoe staat het er nu met u voor? Dan zei hij: ‘Ja, ik moet het Woord aannemen, maar ik ben onbekeerd. En ja, wat kun je eraan doen, hè? Maar ik ben ermee bezig, hoor! Ik lees en ik ben ermee bezig. Ja, ik zal maar hopen dat het een keer gaat gebeuren in mijn leven.’ Hij vertelde het me zelf; de man leeft al niet meer. Hij vertelde verder: ‘Dominee, toen was ik thuis in Gods Woord aan het lezen. En daar las ik: Maar gij hebt niet gewild dat Ik Koning over u zou zijn (naar Lukas 19:27). En hij zei: ‘De Heere arresteerde me daarmee. De Heere zei: Jij wilt niet!’

Toen werd hij de grootste van de zondaren. Toen keek hij terug op zijn keurige Gereformeerde-Gemeente-leventje, en hij dacht: niet gewild, niet gewild. Al die jaren niet gewild. Al die jaren mezelf schrap gehouden. Al die jaren onbekeerd willen zijn. Al die jaren vijandschap gehad in mijn hart. Netjes in de kerk gezeten en geknikt dat ik het ermee eens was. En toch en vijand van God.

 

Gemeente, als u dát niet leert, komt er nooit ruimte voor genade. Dat is essentieel. Dat is heel belangrijk en wezenlijk om te verstaan: dat wij onwilligen zijn, dat we vijanden zijn. Wij werken tegen, we werken nooit mee. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zei: ‘Ja, ik heb altijd meegewerkt.’ Nee, Gods kinderen leren dat ze altijd tegengewerkt hebben.

Als u straks naar huis gaat, moet u dat voor uzelf – laten we zeggen – tien keer herhalen in de auto of op de fiets. Ik heb alleen maar tegengewerkt! Alleen maar tegengewerkt! Alleen maar tegengewerkt! De Heere mocht u eronder verootmoedigen.

Maar dit mag ik ook zeggen: Al hebt u zoveel jaren tegengewerkt en altijd de Heilige Geest wederstaan, gelijk uw vaders alzo ook gij – er is toch nog een mogelijkheid van zalig worden. De Heere zegt nógmaals dat Hij nodigt tot de bruiloft. Het kan nog. U bent nog in het liefelijke heden der genade.

 

Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield en hun stad in brand gestoken. Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het niet waardig. Daarom gaat op de uitgangen der wegen.

Daarover spreken we in onze derde gedachte.

 

3. Tot de bruiloft gebracht

Wat denkt u, gemeente, zou die zaal niet vol worden? Zullen daar lege plaatsen zijn? Denk dat maar niet. Er zullen er komen van oosten en van westen en van noorden en van zuiden (Lukas 13:29). Dat Koninkrijk zal vol worden. Er zal er niet één gemist worden. Want de Heere is een God, Die zegt: Ik wil (…), en zij zullen. U dacht toch niet dat de Heere een machteloze God is?

Daarom, gaat op de uitgangen der wegen en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. En ze vergaderden ze allen, en ze vonden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.

Daar komen ze. De Heere Jezus zal de heidenen bedoeld hebben, velen van de heidenen. Als dan die genodigden, die bijzondere gasten van het Joodse volk, niet willen komen, zullen de plaatsen door anderen worden ingenomen. Want dat Koninkrijk zal vol worden.

 

O, we zien de dienstknechten nu niet in de stad of in het dorp, maar ze gaan naar de wijde omgeving. Daar zien we hen gaan over heuvels en smalle weggetjes, daar in het achterland. Ze komen in huisjes, in hutten waar bijna nooit iemand komt. Daar gaan ze aankloppen. En ze zeggen tegen die heel eenvoudige mensen, die absoluut verbaasd zijn over die uitnodiging: ‘De koning heeft een bruiloft van zijn zoon, en u bent uitgenodigd.’ De mensen begrijpen er helemaal niets van! Zij uitgenodigd? In de heggen en in de steggen, beide kwaden en goeden. Gezonden en minder gezonden, lammen en blinden, mensen met een gebrek – ze worden allemaal uitgenodigd.

Gemeente, daar zien we ze komen. Daar zie ik mensen bij de hand genomen worden. Daar zie ik mensen, gewillig gemaakt, die over de smalle paadjes aan komen lopen.

Ze krijgen straks gratis een bruiloftskleed aangereikt en mogen dan in de feestzaal komen. Hun mond valt open van verbazing. Ze hebben nog nooit zoiets gezien! Moet je eens kijken naar het voedsel dat daar bereid is, en al dat vlees. Wat een grote hoeveelheid, wat een schakering van kleuren, wat een rijkdom! Hun mond valt open van verbazing. Daar mogen zíj binnen komen! Daar mogen zíj zitten. Ze worden als een koning vereerd. Ze mogen daar eten en genieten en verblijd zijn.

 

Gemeente, dat is het werk Gods. De Heere zal ervoor zorgen dat er een volk is dat zich in Hem verheugt. De Heere zal ervoor zorgen dat er een volk is dat juicht met beving, recht kinderlijk gevreesd. Recht kinderlijk gevreesd, met dat heerlijke, zoete, heilige beven. Met vreugde beven voor de hoge God. Verbaasd dat je daar mag zitten en dat je zo nabij God mag zijn. En dat de Heere zo goed wil zijn voor zo’n mensenkind, dat het absoluut niet waardig was om hier genodigd te worden.

 

Mag ik vragen, gemeente, weet u iets van die koorden van liefde, die mensentouwen, die mensenzelen? Weet u ervan dat de Heere u meeneemt, dat de Heere u gewillig maakt? De Heere zegt: En nu kom je binnen! De Heere zegt: Ik wil, en u zúlt. Weet u daarvan? U wordt meegenomen en de Heere laat het zien, die zaal en het voedsel. Weet u ervan? De Heere zegt – met eerbied gesproken: ‘En nu ga je zitten, nu ga je eten.’ Verzadigd met God. U mag proeven en smaken dat de Heere goed is. Weet u daar nu van? Want u kunt wel wat geloven. U kunt wel geloven dat u naar de hemel gaat en u kunt wel geloven dat uw zonden vergeven zijn en u kunt zoveel geloven. U kunt zoveel geloven als u wilt.

Maar mijn vraag is niet of u gelooft dat uw zonden vergeven zijn, of dat u naar de hemel gaat. Mijn vraag is of u hebt gezeten aan de Evangeliemaaltijd en daar hebt gegeten. Thuis las u uit het Woord, en de Heere bereidde de maaltijd voor u terwijl u aan het Bijbellezen was. Tijdens de dienst, een gewone eredienst, bereidde de Heere de maaltijd voor u. Hij zei: ‘Kom, ga maar zitten.’ De Heere overtuigde u niet alleen van zonde, maar ook van Zijn genade. En daar hebt u tijdens een gewone dienst beleefd dat de dominee als het ware een stukje brood uitdeelde. En uw hand pakte het aan, waarna u het mocht eten.

Weet u daarvan, gemeente?

 

Weet u wat dat betekent? Het is hopelijk niet de eerste keer dat u dit meemaakt, want daar gaat het om in de prediking. Dat het brood wordt uitgedeeld. Er zijn er die hun geestelijke arm – door Gods genade – mogen uitsteken en die het aanpakken, het opeten, het proeven en smaken. Zij mogen naar huis gaan, verblijd, verheugd, bemoedigd, omdat de Heere zo dichtbij was en omdat de Heere tot hun ziel gesproken heeft: ’Ik ben uw Heil alleen.’

Dan heeft de Heere de prediking toegepast aan het hart. De Heere maakte het precies geschikt voor u en het wel leek alsof dat Bijbelvers precies voor u in de Bijbel stond. Ja, dan scheurt het voorhangsel. Weet u wat dat is? U staat voor een dichte deur, en dan scheurt het voorhangsel van boven naar beneden. Dan zegt de Heere: ‘Kom maar binnen.’ U staat daar voor dat voorhangsel met daarop die geborduurde engelen. Dat wil eigenlijk zeggen: ‘U kunt hier zomaar niet binnenkomen! Wie bent u eigenlijk wel?’ Maar toch scheurt dat voorhangsel vanwege de dood van Christus. Zo betuigt de Heilige Geest dat de deur van het Evangelie openstaat.

 

Gemeente, het is nodig om te geloven in de Heere Jezus Christus. Ziet u hen daar voor de deur staan? Zij zien de poort, ze zien iets van de Heere Jezus. Ach ja, wie ziet dat niet met zekere uitwendige kennis? Maar het zal tot een werkelijk zien moeten komen, gemeente. Het is immers heel erg om nabij het Koninkrijk Gods te komen en er toch buiten te staan. Ze zullen met vele slagen geslagen worden. (Lukas 12:47).

Ik ga terug naar die bruiloftszaal, en daar zie ik iemand zitten, zonder bruiloftskleed. Daarover gaat onze vierde gedachte. Laten we er eerst van zingen uit Psalm 78:9:

 

Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden,

Nog pleegden z’ in ’t vervolg de snoodste zonden;

In ’t woest gewest uit vetter land getogen,

Vergramden zij des Allerhoogsten ogen;

Verzochten God, en eisten, ten bewijs

Van Zijne macht, naar hunne lusten, spijs.

 

4. Van de bruiloft verwijderd

Gemeente, we lezen in 2 Koningen 10:22 over een ‘klederhuis’. Veel koningen hadden zo’n kledinghuis. Als er mensen op bezoek kwamen, werden ze eerst naar dat huis gebracht. Dan konden ze zich omkleden, en daarna naar binnen, bij de koning. Want het was een heel protocol om bij de koning binnen te komen. En natuurlijk konden mensen niet in hun gewone kleren binnen, maar moest dat heel bijzonder en heel koninklijk gebeuren.

En zo zien we dat ook hier in deze gelijkenis. De mensen krijgen kleding. Er is een heel huis vol. Al die mensen krijgen gratis kleding uitgereikt. Ze doen die aan, en dan mogen ze binnen. Maar er is iemand, die zegt: Ik kan zo ook wel naar binnen, in mijn eigen kleren. Ik heb die feestkleding niet nodig. Ik kom zoals ik ben. En ze moeten me maar nemen zoals het is. Ik ga me niet houden aan de voorwaarden. Ik kom gewoon zó. En als het niet goed is, dan maar niet. Zo ongeveer. En deze brutale man gaat gewoon naar binnen toe. In zijn gewone kleren.

Als de koning de gasten overziet, valt zijn oog op deze man. En hij vraagt: Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen? Nu heeft deze man ineens niets meer te zeggen, want hij begrijpt wel dat het verkeerd is.

Dan worden de dienstknechten geroepen om deze man naar buiten te brengen. Er wordt geen woord meer over vuil gemaakt. En hij kan weg, naar buiten, in de kerker, naar de buitenste duisternis. Daar zal zijn wening en knersing der tanden. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren, staat er in vers 14.

 

Gemeente, wat moeten we daar nu van denken? Wat is het ineens ernstig, wat is het ineens moeilijk in deze gelijkenis! Eerst was het zo ruim, en nu is het ineens toch wel een beetje benauwd en eng. Deze man kwam zoals hij was. Ja maar, zo mag het toch ook? Je mag toch tot de Heere komen zoals je bent? Ja, in zekere zin mogen we komen zoals we zijn. Zonder geld, zonder prijs, zonder onszelf op te knappen. Ja… Maar deze man heeft zichzelf toch niet opgeknapt en al die anderen wel.

Gemeente, het is waar dat er een onvoorwaardelijk Evangelie is. En het is waar dat een mens mag komen zoals hij is. Maar toch… Toch moeten we hier even met elkaar over nadenken. Er zijn toch bepaalde dingen die wél nodig zijn. Eén van de dingen die nodig zijn, is dat u moet gehoorzamen en al uw pretenties moet verliezen. In die zin kunt u niet komen zoals u bent. U moet alles kwijt. U mag komen in die zin dat u uzelf niet hoeft op te knappen. Maar anderzijds, het kan niet in uw trotse, onbekeerde staat, fier rechtop. Nee, die gebrokenheid is wel nodig!

 

Als mensen dus zeggen: U mag komen zoals u bent, is dat wel waar, maar u mag het niet verkeerd uitleggen. Het is niet zo dat een waar zaligmakend geloof is: gewoon komen, gewoon geloven, zonder ook maar iets in te leveren, zonder een verlorene te zijn en zonder overkleed te willen worden… Want dat eigenwijze moet er wel af! Dat eigenwijze denken in de trant van: ik ben die ik ben, en ze moeten me maar nemen zoals ik ben. Dat geloven houdt geen stand en is niet het ware zaligmakende geloof. Daarom zijn er in zekere zin – u moet me goed begrijpen, hoor – toch wel voorwaarden. Nee, geen voorwaarden van verdiensten, maar wel voorwaarden van noodzakelijkheid.

Als hier in dit gebouw geen zuurstof was, zouden we allemaal sterven. Zuurstof is dus noodzaak, een voorwaarde voor ons leven. Daar verdien je niets mee, maar ja, dat is nu eenmaal wel nodig. Dat is een voorwaarde. Zuurstof is een voorwaarde voor ons om te leven; anders sterven we.

In die zin is het een voorwaarde. Waarvoor? Om als een verlorene te komen. De pretenties moeten eraf. Dan wordt u een goddeloze, met lege handen, onbekeerd in uzelf, een vijand van God, gebroken van hart en verslagen van geest. Dat is wél nodig. En als mensen dan zeggen dat wij het moeilijk maken of dat we voorwaarden stellen, dan interesseert het me niet hoe men het noemt. De Heere heeft in Zijn Woord gezegd dat wij dat bruiloftskleed nodig hebben. U kunt niet zomaar naar binnen lopen en zomaar gaan zitten, zonder te luisteren. Dat zal niet gaan!

Daarom heeft de Heere Jezus zoveel gelijkenissen gesproken. In bijna alle gelijkenissen gaat het over hetzelfde onderwerp. Weet u wat dat is? Wat het nu wél is en wat het nu net níet is. Daar gaat het vaak over. De Heere Jezus was zó bewogen met het heil van Zijn hoorders, dat Hij niet wilde dat ze zich zouden bedriegen voor de eeuwigheid. Daarom was de Heere Jezus soms scherp en precies, en wordt die scheidslijn getrokken. De twee huizen, het ene op het zand gebouwd en het andere op de rots, lijken zo op elkaar. Het zaad valt op de grond, op de weg, op een laagje aarde dat geen diepte heeft, tussen de doornen, en in een goed toebereide akker. Er zijn vijf wijze en vijf dwaze maagden. Gaat u zo maar door.

 

Waarom sprak de Heere Jezus zo? Om Zijn discipelen te leren ook duidelijk te zijn en niet alles zomaar te accepteren. Om ook het snode van het kostelijke te scheiden. Dat hoort er ook bij. In deze ruime gelijkenis met de boodschap van het Evangelie tot allen is de Heere Jezus toch ook heel duidelijk, want Hij zegt als het ware: Dat eigenwijze zal eraf moeten.

Nogmaals, het gaat hier niet over het Avondmaal, maar ik kan het er wel even op betrekken. Iemand kan aan het Avondmaal komen en zeggen: ‘Het is toch voor onbekeerden; het is toch voor mensen die niets hebben? Je mag toch komen zoals je bent?’ Ja, maar wees toch even voorzichtig!

Zo is het ook als het over de Evangelieprediking gaat. Het Evangelie komt tot allen, hartelijk en welmenend. Maar vergeet niet dat er ook dingen zijn die gekend moeten worden. Dat is geen voorwaarden stellen. Dat is Gods Woord preken.

 

Mag ik vragen: heeft de Heere weleens alles ondersteboven gegooid. Dan zegt u: ’Ik kan zo niet voor God verschijnen.’ Heeft de Heere het al eens een eeuwig wonder gemaakt dat u ook binnen mag komen? Heeft de Heere uw pretenties al van u afgenomen? Werden al uw gerechtigheden een wegwerpelijk kleed en was u toen werkelijk onbekeerd?

Zó werkt de Heere. De Heere werkt altijd op zo’n manier dat Hij al de eer krijgt en de zondaar in verwondering neerzinkt en zegt: ‘Door U, door U alleen.’ De Heere rukt alle zelfgemaakte gerechtigheid van Zijn kinderen af, en dat doet Hij steeds weer en steeds meer, opdat het wonder des te groter zal worden. Zo komt God aan Zijn eer. Het is een goede plaats als u niets bent in uw eigen oog voor God. Dan is de Heere goed voor een alles bedervend slecht mens.

 

Wie heeft deze gelijkenis verteld? De Heere Jezus. Hij heeft de dingen heel eerlijk bij de naam genoemd. Er is niemand die zoveel over de hel gesproken heeft als de Heere Jezus Zelf. Wening en knersing der tanden. En daar zie ik iemand, die zo gemakkelijk geloofde zonder bruiloftskleed. Die zie ik daar zijn tanden knersen, eeuwig verloren. Dan zie ik ook nette Gereformeerde-Gemeente-mensen, die zichzelf niet willen bedriegen en voor de poort zijn blijven staan. Die zie ik op dezelfde plek! Mensen die zich bedrogen hebben, maar ook mensen die zich absoluut niet hebben willen laten bedriegen. Ze zijn op dezelfde plaats. Ze worden op één hoop geveegd. De mensen die boos werden toen hun het Evangelie gepredikt werd én de mensen die vriendelijk de boodschap van zich afhielden. Ze gaan naar dezelfde plaats. O, dat is de prediking van de Heere Jezus geweest. Het staat op scherp. Heel vriendelijk, heel hartelijk, maar o zo duidelijk wat er gekend moet worden.

 

Gemeente, moge de Heere ons bewaren bij dat Evangelie waar God op het hoogst wordt verheerlijkt en de mens op het diepst wordt vernederd. Ik weet het, er zijn mensen die zeggen: Ja, dat is mijn leven. Mijn beste plek is als ik niets heb, als ik alleen maar verlorenheid heb en als ik buiten mijzelf mag zien op de Heere Jezus Christus. Want Hij is de Zoon van de Koning; Hij heeft een bruiloft.

Ik wil de dingen niet door elkaar halen, maar ik wil u toch één ding zeggen: er zal een bruiloft zijn, de Bruiloft des Lams, waarvan de apostel Paulus zegt: Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste (Fil. 1:23) Dat is de weg die Gods Kerk gaat. Hier door het tranendal heen gaan Zijn kinderen naar huis. En straks zijn ze op de Bruiloft. Dan mogen ze de bruid zijn. Dat staat hier natuurlijk niet – dat is een ander beeld – maar ik wil het toch even zeggen. Dan zijn zij de bruid en is Hij de Bruidegom. Dan zullen zij altijd bij de Heere zijn. Zult u erbij zijn? Of… wordt u vlak voor de poort neergeschoten?

Amen.

 

Slotzang: Psalm 23 vers 3:

Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien,

En van Uw heil mijn beker overvloeien.

Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven,

Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven;

Zodat ik in het heilig huis des Heeren,

Een lange reeks van dagen, blijf verkeren.