Ds. M. Karens - 1 Johannes 1 : 1 - 4

Johannes schrijft over Jezus

Een betrouwbare kroongetuige
Een rijke boodschap
Een tweevoudig doel

1 Johannes 1 : 1 - 4

1 Johannes 1
1
Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens;
2
(Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard.)
3
Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.
4
En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 49: 1
Lezen : 1 Johannes 1
Zingen : Psalm 56: 5, 6
Zingen : Psalm 36: 3
Zingen : Psalm 68: 2

Gemeente, het is mijn gedachte om in een aantal preken met u na te denken over de eerste brief van de apostel Johannes. Ik wil uw aandacht vragen voor 1 Johannes 1, de eerste vier verzen, waar het Woord van God aldus luidt:

 

Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens; (want het Leven is geopenbaard, en wij hebben Het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard). Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij.

 

Gemeente, we schrijven onder deze vier verzen: Johannes schrijft over Jezus.

 

Wij letten op drie aandachtspunten:

 

1. Een betrouwbare kroongetuige. Naar aanleiding van het eerste vers.

2. Een rijke boodschap. Die vindt u in vers 2 en 3a: Het leven is geopenbaard, we hebben Het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige.

3. Een tweevoudig doel. Dit zien we in vers 3b en 4.

 

Twee keer vindt u het woordje ‘opdat’. Waarom getuigt en verkondigt Johannes? Opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. En: Opdat uw blijdschap vervuld zij.

Dus het gaat over Johannes die over Jezus schrijft, met als aandachtspunten: een betrouwbare kroongetuige, een rijke boodschap en een tweevoudig doel.

 

1. Een betrouwbare kroongetuige

 

Gemeente, jongelui, er staat boven dit Bijbelboek: ‘De eerste algemene zendbrief van de apostel Johannes.’ Dit staat niet in het geïnspireerde Woord van God. Als wij deze brief doornemen komen wij nergens zijn naam tegen. Daarom is de eerste vraag: Wie schreef eigenlijk deze brief?

Trouwens, het lijkt helemaal niet op een brief. Als je hem in het Nieuwe Testament vergelijkt met de brieven van Paulus en die van anderen in de Grieks-Romeinse tijd, dan ontbreken alle kenmerken van een brief: geen afzender, geen adres aan het begin, geen groet en geen zegenbede. Daarom zou je in de eerste plaats kunnen zeggen dat het meer een verhandeling, een preek, of een herderlijk schrijven is. Wij vinden dit ook in de Hebreeënbrief. Deze brief is qua vorm vergelijkbaar met die van Johannes.

 

Het lijdt echter geen enkele twijfel dat deze brief, die geïnspireerd is door de Heilige Geest, geschreven is door Johannes, de apostel der liefde. Hij was al jong door de Heere getrokken en geroepen in Zijn dienst. Hij mocht getuigen: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1Joh.4:19).

Maar weet u hoe de Heere Jezus hem ook noemde?

‘Een zoon des donders!’ Want ik lees in Markus 3 vers 17: En Jakobus, de zoon van Zebedéus, en Johannes de broeder van Jakobus, en gaf hun toenamen, Boanérges, hetwelk is zonen des donders. Deze naam werd hun gegeven vanwege de bijzondere ijver en de doordringende kracht in het prediken, zoals men dat kan zien in de geschriften van Johannes.

Wanneer wij onder biddend opzien om de leiding van de Heilige Geest samen deze brief overdenken, ontmoeten wij Johannes als een apostel der liefde. Maar we zien ook dat hij, als een zoon des donders, met bijzondere ijver aandringt op de noodzaak van bekering.

 

Ik zei al: Er wordt veel gediscussieerd, vooral door de moderne theologie, wie de schrijver van deze brief is. Men bestrijdt dan met allerlei argumenten dat het Johannes is. Wij sluiten ons aan bij de inhoudsopgave boven dit hoofdstuk. De apostel en evangelist Johannes heeft deze zendbrief geschreven, en dit is nooit onder de christenen in twijfel getrokken. Het staat in de Christelijke kerk vanaf het begin vast dat hij de schrijver is. Matthew Henry voegt er nog toe: ‘De apostel verzwijgt zijn naam en zijn hoedanigheid; hetzij uit nederigheid, of omdat hij wenst dat de christelijke lezer zal overtuigd worden, meer door het licht en het gewicht van de daarin geschrevenen dingen, dan door de naam van de schrijver.’

Ik zou even stil willen staan bij wat Matthew Henry hier zegt. Is dat ook voor ons niet een behartigenswaardige opmerking dat de schrijver wenst dat de lezer ‘meer door het geschrevene overtuigd zal worden’ dan door de naam van de schrijver? Dat is de begeerte van Johannes. Kijkt u altijd alleen maar naar de schrijver? Of mag u het door genade weleens zoeken in het geschrevene?

We gaan er dus vanuit dat Johannes de schrijver van deze brief is. Trouwens, hij is bij de lezers bekend, want zij kennen en herkennen de stijl en de taal van de apostel der liefde.

Als wij de brief van Johannes vergelijken met zijn Evangelie, dan zie je dezelfde stijl en woordkeus. Veel woorden komen met elkaar overeen. Johannes kenmerkt zich door heel diepzinnige gedachten en een bloemrijk en beeldend taalgebruik.

 

Dan volgt het adres. Aan wie schrijft hij deze brief? Er staat boven: ‘De eerste algemene zendbrief.’ Dit betekent dat de brief niet aan één gemeente of aan een bepaalde persoon is gestuurd. Deze brief is vermoedelijk geschreven aan de zeven gemeenten in Klein- Azië.

We weten dat Johannes na de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus naar Efeze is vertrokken. Op hoge leeftijd is de apostel Johannes als een dienstknecht van Christus gesteld over de gemeenten in Klein-Azië, het tegenwoordige Turkije. Waarschijnlijk schrijft hij in ongeveer 80 na Christus deze zendbrief.

We komen de zeven gemeenten ook in de Openbaring aan Johannes weer tegen. Ook deze brief is waarschijnlijk aan hen gezonden. Daar was wel reden toe. De ware apostolische leer, de leer die naar de godzaligheid is, werd aangevallen en bestreden. Valse leerstellingen drongen de gemeenten binnen, en dwalingen werden geloofd.

 

Johannes schrijft deze leerrede met een drievoudig doel. Ik lees nog een keer met u de samenvatting boven dit hoofdstuk: ‘Het voornemen en het oogmerk – dat is het doel – dat de apostel heeft in deze brief, is, gelijk hij zelf aanwijst in hoofdstuk 3 vers 23, om eensdeels de gelovigen te versterken in de waarheid van de Evangelische leer.’ Dat is zijn eerste doel: Gods kinderen te versterken in de leer die naar de godzaligheid is.

Dan volgt als tweede doel: ‘En hen te vermanen tot een Godzalig leven, en inzonderheid tot betrachting van liefde.’ Johannes begeert, als de apostel der liefde, Gods kinderen in Turkije te versterken in de leer der waarheid, in de rijkdom van het Evangelie. Er waren allerlei meningen opgekomen; in het bijzonder over de menswording van de Heere Jezus Christus. Die werd geloochend. Er waren allerlei gedachten, uitspraken en ideeën over de Heere Jezus Christus, net als in onze tijd.

Johannes wil nu de waarheid van het Evangelie bij Gods kinderen versterken, maar hen ook vermanen tot een godzalig leven. Leer en leven. U weet toch wel dat die beiden bij elkaar horen? Daar vergist u zich toch niet in?

Als derde noemen onze Statenvertalers in de inhoudsopgave de beoefening van de liefde. Dat betekent: de beoefening van de liefde tot God en de naaste. Johannes wijst aan dat het zaligmakende geloof door de liefde werkt. Dit is het gedeelte dat wij voor ons hebben liggen en de inleiding op de brief vormt.

 

Johannes begint met een getuigenis: U hebt van kinds af de Schriften geweten. Daarom zult u, toen dit gedeelte aan u voorgelezen werd, direct al de overeenkomst hebben gezien met het Evangelie naar Johannes. De woorden ‘hetgeen van den beginne was’ brengen ons immers terug bij het begin van het Evangelie naar Johannes.

Johannes begint hier met een hele moeilijke zin. Eén van de verklaarders zegt: ’Hij wil zo veel zeggen, dat hij eigenlijk over zijn woorden struikelt.’ Johannes wil ons zo veel tegelijk meedelen, dat het in de oorspronkelijke taal een bijna onontwarbare zin is. Gelukkig is er overeenkomst met de Evangeliebeschrijving: Hetgeen van den beginne was… Wat bedoelt Johannes dan?

Genesis 1 vers 1 zegt: In den beginne schiep God. In Johannes 1 vers 14 staat: En het Woord is vlees geworden…

Gemeente, het gaat hier over het Woord des levens. Dat staat centraal, en dat is de Heere Jezus Christus: Dat Woord, zegt vers 2, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard. Johannes wijst hier op Jezus Christus, de Zaligmaker, als het Woord des levens; het waarachtige Leven, dat van eeuwigheid bij God was. Hij was van den beginne, van voor alle eeuwen af, bij God de Vader. Ik lees in kanttekening 1: ’Waarmede de Goddelijke natuur van Christus beschreven wordt, gelijk met de volgende woorden Zijn menselijke natuur, naar welke Hij gehoord, gezien en getast is, en in dewelke Hij ook door wonderen en anderszins Zijn heerlijkheid soms (somwijlen) heeft geopenbaard.’

Dus als Johannes zegt: Hetgeen van den beginne was – het Woord des levens – bedoelt hij ons de Heere Jezus Christus aan te wijzen.

In zijn beschrijving van het Evangelie zegt hij: In den beginne was het Woord. Dat is bij Johannes altijd de Heere Jezus. Als Johannes spreekt over het Woord, bedoelt hij niet de Bijbel, niet de prediking van het Woord, maar de Heere Jezus Christus. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God (Joh.1:1).

 

In het eerste vers staat: Hetgeen van den beginne was … van het Woord des levens. Johannes begint zijn boodschap in de eeuwigheid. Daar ligt de oorsprong van de zaligheid. Johannes verkondigt geen theorie of een leer, maar een Persoon: Jezus Christus, het Woord des levens, de Bron des levens, het ware levende Water.

Christus is het Leven, Hij verwekt het leven, Hij verwierf het leven, Hij geeft het leven, het geestelijk leven, het eeuwige, zalige hemelleven. Hij zegt in het Evangelie naar Johannes in hoofdstuk 11 vers 25: Jezus zeide tot haar (tot Martha); Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.

Het Woord des levens is Christus, Die gezegd heeft: Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven (Joh.14:6). De kanttekening zegt: ‘Deze titel wordt het Woord, dat is, de Zoon van God, toegeschreven, omdat Hij dat eeuwig levende Wezen Gods in Zichzelf heeft, en de schepselen het leven geeft, en ons het eeuwige leven niet alleen heeft verkondigd, maar ook verworven heeft en meedeelt.’ Dat mag Johannes aan de ware gelovigen in Turkije schrijven over dat Woord des levens, over de gezegende Christus, Die voor Zijn kinderen het leven heeft verworven en ook meegedeeld heeft.

 

Het Woord des levens is het vleesgeworden Woord, Die van eeuwigheid bij God was, maar in de tijd is geopenbaard in de kribbe van Bethlehem. Het is alsof Johannes aan het begin van deze brief zegt: Deze Jezus Christus is echt Mens geworden. Dit Woord des levens was bij de Vader van eeuwigheid, en is Mens geworden. Want ik heb Hem zelf gezien. Ik ben er getuige van geweest. Want, zegt hij: Hetgeen wíj. Hij zegt dertien keer ‘wij’ en ‘onze’ in deze eerste vier verzen. Daar spreekt hij namens alle medegetuigen; de apostelen van wie de meesten inmiddels overleden zijn. Johannes is nog de oudste getuige en waarschijnlijk bijna negentig jaar oud. De andere discipelen hebben de Naam en de zaak van de Heere Jezus Christus vaak met de dood moeten bekopen.

 

Hetgeen wij – de apostelen – gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, schrijft Johannes. In de brief aan de Korinthiërs zegt Paulus dat in de mond van twee of drie getuigen alle woord zal bestaan. Ik noem Johannes daarom een kroongetuige. Iedereen in de kerk weet wat een getuige is, en wat een kroongetuige is. Als we denken aan een rechtszaak, dan moet vaak iemand getuigen wat hij gezien heeft. Daarom moet hij een eed afleggen op de waarheid die hij zal spreken. In Israël was het in rechtszaken zo, ook voor het Sanhedrin, dat er minstens twee mensen moesten zijn, die dezelfde verklaring aflegden. Volgens de rabbijnen moest de getuige met twee zintuigen kunnen getuigen. Dus hij moest zeggen, wat hij gehoord en gezien had. Nu zegt Johannes namens de apostelen: ‘Over het Woord des levens, deze dierbare Christus, kan ik met volkomen zekerheid getuigen. Want wij hebben Hem gehoord, en gezien. Wij hebben Hem aanschouwd, en met onze handen getast. Het gaat niet over een droom, niet over één of ander religieus gevoel, of visioen.’ Johannes bedoelt hier in de eerste plaats de natuurlijke ogen en oren.

Valt u de opklimming hierin op? We zien hier de opklimming in van de ‘standen in de genade’. Daar kunnen we natuurlijk ruzie over zoeken, maar laten we de Schrift maar laten spreken. Johannes zegt: Hetgeen wij van Hem gehoord hebben, hetgeen wij van Hem gezíen hebben, hetgeen wij van Hem aanschouwd hebben, hetgeen wij met onze handen getast hebben. Daarin ligt opwas in van het geloof.

 

Heeft u weleens iets van Hem mogen zien, gehoord, of aanschouwd vanuit het Evangelie?

Misschien zegt u: ‘Aanschouwen is toch hetzelfde als zien?’

Wel, dat verschil hoop ik straks uit te leggen.

Johannes zegt dat hij met zijn handen getast heeft van het Woord des levens. Van het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, zegt Johannes als een ooggetuige dat Hij, die de Levensbron is, bij de Vader vandaan geopenbaard is in de kribbe van Bethlehem.

Petrus zegt het als volgt: ‘Want wij zijn geen kunstiglijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekendgemaakt hebben de kracht en de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit (2Petr.1:16). Laat die dwaalleraars maar roepen dat wij u kunstig verdichte fabelen voorhouden. Maar wij zijn oor- en ooggetuigen van Wie Jezus was, getuigen van het Woord des Levens.’ Matthew Henry zegt erover: ’Het Leven nam een mond en tong aan om woorden des Levens te kunnen spreken.’

 

Christus is vleesgeworden. De discipelen hoorden niet alleen van Hem, maar zij hoorden Hem Zelf. Meer dan drie jaar mochten zij van Zijn bediening genieten, en hoorders zijn van Zijn openbare redevoeringen en van de bijzondere gesprekken. Johannes mag getuigen dat hij de Christus heeft mogen horen. Dat hij de stem van de levende Zoon van God, het levende Woord, heeft gehoord.

Gemeente, u begrijpt dan de vraag: Hebben wij weleens meer gehoord dan de verkondiging van het Woord? Hebben wij weleens met onze oren, met een doorboord hart, de boodschap van het Woord des levens gehoord? Zijn deze woorden, voor jou en voor u, zoals in Johannes 6 vers 68 staat, ‘woorden des eeuwigen levens’ geworden?

 

Hetgeen wij gezien hebben met onze ogen. Het staat drie keer in deze verzen. Dat is meervoud. Het is een wonder als je er iets over kunt horen. Johannes mocht erover horen aan de oevers van de Jordaan toen hij zelf nog heel jong was. Hij heeft in al zijn schuldverslagenheid mogen horen: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). Dan springt de vreugde toch op in je hart, kinderen van God? Als je in al je verlorenheid en schuld voor het eerst die Evangelieklanken mag horen? Altijd gehoord, en toch nooit ‘echt’ gehoord. Altijd gepredikt en toch nooit verstaan. Maar als die Naam in het Evangelie gaat blinken, dan wordt het werkelijk horen.

Maar Johannes zegt nog meer: Hetgeen wij gezíen hebben. Wat is meer? Als je van iemand gehoord hebt, of als je hem hebt gezien? Daarin ligt toch een nadere oefening van het geloof? Ik denk aan Johannes 2. De Heere Jezus heeft in Kana het wonder gedaan om water in wijn te veranderen. Dan staat er: Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem (Joh.2:11).

Hetgeen wij van Hem gezien hebben met onze ogen. Zij mogen aanschouwen. Matthew Henry zegt: ‘Wij zagen Hem in Zijn leven, in Zijn bediening; zagen Hem in Zijn verheerlijking op de berg; zagen Hem hangende, bloedende, stervende en gestorven aan het kruis; en zagen Hem na Zijn terugkeer uit het graf door Zijn opstanding uit de doden.’

Hetgeen wij gezien hebben met onze ogen. Hier hebben we een oor- en ooggetuige, al zegt iedereen dat het niet waar is en dat het een illusie is. Johannes zegt: ‘Hoor eens, ik heb Hem zelf gezien, zelf ontmoet, en Zijn stem gehoord.’

 

En wij hebben Hem aanschouwd, staat er daarna. We lezen in Kanttekening 2: ‘Dat zegt meer dan gezien; want dat geschiedt dikwijls terloops, maar hetgeen men aanschouwt, daarop let men met aandacht.’ Daar heb je het verschil. Wij zien veel dingen vluchtig. Als je op weg naar school bent zie je allerlei dingen. Vluchtig gaan ze aan je voorbij. Maar ‘aanschouwen’ is meer. Als je in een museum komt, loop je door bepaalde galerijen of langs afdelingen met schilderijen. Dan kijk je even, en denkt: Het zal wel. Maar soms hangt er een schilderij waar je voor stilstaat. Als je verwonderd bent over wat de schilder heeft mogen uitbeelden. Die andere schilderijen zie je, maar deze ga je aanschouwen.

Daarom zegt Johannes: ‘Wij hebben de woorden van Christus, het geopenbaarde Woord des levens, Die mens geworden is, niet alleen gehoord, maar ook aanschouwd. Wij hebben naar Zijn prediking geluisterd en Zijn wonderlijke woorden gehoord toen Hij sprak: Zalig zijn de armen van geest (Matth.5:3); Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden (Matth.5:4). Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Matth.11:30). Wij hebben met onze oren en met ons door de Heilige Geest geopende hart Hem niet alleen gehoord en gezien, maar Hem ook mogen aanschouwen. Meer dan drie jaar zijn we dag en nacht met Hem omgegaan. Wij hebben Hem mogen aanschouwen met heilige eerbied en diep ontzag. Wij hebben Hem aanschouwd in Zijn daden, en leven.’

 

Johannes zegt in zijn Evangelie: Het Woord is vleesgeworden … en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeboren van den Vader, vol van genade en waarheid (Joh.1:14). Wij hebben Hem aanschouwd met onze natuurlijke ogen, maar ook met onze geestelijke ogen. En daarom de vraag: Hebben wij weleens iets mogen zien van Hem, Die het Woord des levens is? Zijn uw ogen geopend voor Hem, Die in de Schriften ons wordt voorgesteld?

Kinderen van God, heeft u Hem weleens mogen aanschouwen, met geloofsogen mogen zien? Zag u Zijn heerlijkheid, Zijn dierbaarheid, Zijn getrouwheid en Zijn gewilligheid?

Wij hebben Hem aanschouwd. Misschien heeft u Hem zo wel bij het laatste Avondmaal mogen aanschouwen. Blank en rood; Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10).

 

Johannes zegt verder: En onze handen getast hebben. Wij hebben Hem, het Woord des levens, Jezus Christus, zelfs aangeraakt, getast.

Is er een jongere in de kerk, die zegt: ‘Ja, ik begrijp, wat Johannes hier bedoelt?’ Na de opstanding komt Jezus bij Zijn discipelen en Hij zegt tegen hen: Ziet Mijn handen en Mijn Voeten; want Ik ben het Zelf. Tast Mij aan en ziet, want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet dat Ik heb (Luk.24:39).

Hij heeft gezegd tegen Thomas (en al Zijn discipelen): Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde (Joh.20:27). Toen hebben ze getast, en Hem aangeraakt. Doen hebben ze de wonden, de littekens, gezien op de opstandingsdag. Toen hebben ze iets geproefd en getast dat Hij de prijs heeft betaald. Het Woord des levens is gekomen in deze wereld, is de dood ingegaan en heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht.

 

Die gelovigen in Turkije hebben het gehoord, gezien, aanschouwd en getast. Ben je dan een betrouwbare kroongetuige, of niet? Zijn ook wij, u en ik, zulke betrouwbare kroongetuigen, die er iets over kunnen vertellen?

Dergelijke kroongetuigen zijn er nog! Nee, het zijn geen mensen die met hun natuurlijke ogen Christus gezien hebben, maar zij mogen van het Woord des levens, van de gezegende, vleesgeworden Christus zeggen: ‘Ik heb Zijn stem gehoord. Met een geopend oor en hart heb ik Zijn nodiging mogen verstaan.’ Zij zeggen: ‘Ik mag niet ontkennen dat mijn geloofsogen voor Hem zijn geopend en ik Hem van verre heb gezien en aanschouwd in al Zijn Middelaarsheerlijkheid. Ik heb Hem weleens getast met mijn geloofsogen, toen ik het stukje brood nam. Zo heb ik mogen proeven en smaken dat Christus de prijs ook voor mij heeft betaald. Johannes spreekt dus niet over Jezus maar eruit, uit de geloofsbeleving. Er is veel beschouwend spreken, ook in onze dagen, maar Johannes mag uit bevinding spreken. Johannes zegt: ‘Hetgeen van den beginne geweest is. Ik heb het gehoord en gezien, getast en aanschouwd.’

In Jezus’ tijd verzamelden zich veel Joden om Hem heen. Soms duizenden. Ze hebben Hem gehoord, en gezien als Hij Zich door de schare drong. In de nauwe straatjes hebben ze Hem getast, zijn tegen Hem aangelopen, maar ze hebben er niets van begrepen; zich alleen uiterlijk verwonderd, maar nooit geloofd.

 

In dit eerste gedeelte ontmoeten wij een betrouwbare kroongetuige. Opdat het waar mag worden, wat wij hebben gezongen:

 

Gij, volken, hoort; waar g’ in de wereld woont,

‘t Zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond,

‘t Zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord.

Mijn mond brengt niets dan lout’re wijsheid voort.

 

Ik zei al: ‘Die verschillende standen in het genadeleven, of trappen in het geestelijke leven zijn er ook vandaag omdat de Heere Zijn kinderen wil oefenen. Mogen we iets kennen van dit Woord des levens? Mag u, door genade, de apostel hier nastamelen dat u iets van Hem hebt gezien?

Er zijn weleens jongens en meisjes in de kerk, misschien jij ook wel, die zeggen: ‘Als nu de Heere Jezus hier door ons dorp of stad liep, dan zou ik wel geloven. Als nu volgende week, net als in Kapernaüm, de consistoriedeur openging, en hij kwam en preekte, dan zou ik het geloven.’

Wat een misvatting! Hij heeft in Kapernaüm, in Nazareth en in veel andere plaatsen gepreekt. Maar ze hebben Hem verworpen in ongeloof, vanwege de hardheid van hun harten. De Steen Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is tot een Hoofd des hoeks geworden (Luk.20:17).

Weet u, alleen Gods Geest kan door genade ons iets leren van het Woord des levens. Hij wil Zichzelf door het Woord openbaren in Zijn Middelaarsheerlijkheid. Nu zijn er vandaag geen kroongetuigen meer als Johannes, maar wel mensen die mogen nazeggen, dat ze bevindelijk iets van Jezus mochten leren kennen. Ze hebben met het oor van het geloof Zijn stem mogen horen: Dat is de stem mijns Liefsten, zie Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen (Hoogl.2:8). Met het oog des geloofs mochten ze Hem aanschouwen en iets van Zijn heerlijkheid zien. Vandaag is het nog zo: Zalig, zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben (Joh.20:29).

 

Onze tweede gedachte spreekt over een rijke boodschap. Maar we gaan eerst zingen. Psalm 36 vers 3 gaat over dat Woord des levens, over die Levensbron:

 

Bij U, Heer’, is de levensbron;

Uw licht doet, klaarder dan de zon,

Ons ’t heug’lijk licht aanschouwen.

Wees, die U kennen, mild en goed,

En toon d’ oprechten van gemoed

Uw recht, waar z’ op vertrouwen.

Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,

Noch boze hand in ballingschap

Ellendig om doe zwerven.

Daar zijn de werkers van het kwaad

Gevallen in een jammerstaat,

Waarin zij hulploos sterven.

 

2. Een rijke boodschap

 

Johannes schrijft over Jezus. Hij is een betrouwbare kroongetuige. In een rechtszaak kan dit heel anders gaan. Een kroongetuige kan een verklaring afleggen en zeggen: ‘Ik heb hem zelf gehoord, gezien en aanschouwd; ik heb hem zelfs met mijn handen vastgehad.’ Terwijl het toch niet de waarheid is. Maar Johannes, de apostel der liefde, mag dit wel met recht zeggen. Heeft hij niet gelegen, daar in de Paaszaal, aan de borst van Jezus?

Johannes verklaart vervolgens waarom hij deze boodschap schrijft aan de gemeenten in Turkije. Er komt een tussenzinnetje. Onze Statenvertalers hebben dat tussen haakjes gezet, want eigenlijk gaat in vers 3 het betoog van Johannes verder. Hetgeen wij dan gehoord en gezien hebben. Johannes wil met dit tussenzinnetje zeggen: ‘Als jullie het nu nog niet begrijpen, van dit Woord des levens, dan zal ik het toelichten, verduidelijken. Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben Het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard.’

Johannes gaat nog een keer spreken hoe nu Christus van eeuwigheid bij de Vader was. Hoe Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid God is. Hoe Hij volgens Spreuken 8 geboren was als er nog geen fonteinen waren, zwaar van water. Hoe Hij was spelende voor het aangezicht van Zijn Vader, en Zijn vermaking was met de mensenkinderen.

En verder staat er: Hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard. Johannes zegt: ‘De eeuwige Zoon van God heeft vlees en bloed aangenomen. Want het leven is geopenbaard.’ Paulus, schrijft in 1 Timotheüs 3 vers 16: En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.

 

God is geopenbaard in het vlees. In de Mens Jezus Christus heeft God Zich geopenbaard. Johannes heeft Zijn Godheid gezien in Zijn almacht en Zijn wonderen. Wat natuurlijke ogen niet hebben gezien, mocht het geloofsoog wel zien. Want Christus heeft Zijn heerlijkheid en Godheid verborgen achter het voorhangsel van Zijn menselijke natuur; dat kleed wat in de maagd Maria is geweven en wat Gods Zoon heeft gedragen. Hij is ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Hij is ons geopenbaard als Middelaar Gods en der mensen. Hij, Die vlees en bloed aannam om te kunnen lijden en sterven. Want de menselijke natuur had gezondigd, en moest naar de rechtvaardigheid Gods ook betalen. Hij is geopenbaard in het vlees, om Zijn bloed te storten en de losprijs te betalen.

 

Geopenbaard in het vlees. Matthew Henry zegt: ‘Hier zien wij waarlijk nederbuiging en vriendelijkheid: dat eeuwige Leven, een wezen dat het eeuwige, zelfstandige leven is, wilde komen om stervelingen te bezoeken, voor hen het eeuwige leven te verwerven en het hun mede te delen.’ Christus kwam op deze aarde om het eeuwige leven te verwerven, maar ook om het toe te passen door Zijn Geest. En dat moet nu geopenbaard worden.

Het Griekse woord voor ‘geopenbaard’ betekent 'bekend gemaakt’, ‘laten zien’. Het laat zien, dat Christus Jezus een Verborgenheid is. Deze Verborgenheid is groot. Zult u dit vasthouden? Het is zo nodig dat de Heere Hem openbaart in het leven van Zijn kinderen.

‘Het is ons geopenbaard’, zegt Johannes in vers 2, ‘wij hebben Hem gezien.’ Daarna gaat hij getuigen. ‘Ulieden’, zegt hij. Dat zijn anderen als die ‘wij’ en ‘onze’. ‘Ulieden’ zijn de lezers in Turkije; het zijn Gods kinderen vandaag. ‘Wij hebben het gezien en gehoord’, zegt Johannes, ‘en nu gaan we getuigen en verkondigen.’

 

In het Grieks staat voor getuigen het woord ‘marturio’, daarin zit ons woord martelaar. Aan het getuigen over de Naam en de zaak van Jezus Christus is vaak lijden en verdrukking verbonden.

Johannes getuigt de lezers wat er in Jezus Christus te vinden is. Is dat niet de begeerte van het nieuwe leven? Als de Heere door genade in je leven werkt, en we iets van Christus mogen zien, aanschouwen en horen, komt toch de begeerte om ervan te getuigen? Of kunt u er altijd over zwijgen? De begeerte van het nieuwe leven bestaat er toch uit naar om Zijn stem te mogen horen en te zien, maar ook om ervan te getuigen?

Ik weet het: de Heilige Geest, Die zal van Mij getuigen (Joh.15:26). Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh.16:14). Maar Johannes zegt ook: Wij getuigen en verkondigen ulieden. Daar heeft de Heere Jezus Christus ook zijn discipelen bevel toe gegeven. In Johannes 15 staat: En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met Mij geweest. En in Handelingen 4 vers 20 lees ik dat Petrus, voor het Sanhedrin getuigt: Want wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben. Petrus zegt: ‘Wij kunnen het niet laten, van Christus te spreken, te getuigen, want wij hebben Hem gezien, die ene Naam onder de hemel gegeven.

 

Getuigen. Dat betekent ook: een verklaring afleggen over de Persoon, die je mocht leren kennen. Als er enige kennis van Christus is, zal er toch de begeerte zijn om van Hem te getuigen. ‘Beminnelijk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven, terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft.’

En verkondigen. In dit woord ‘verkondigen’ zit in de oorspronkelijke taal het woord belofte, Evangelie. Het is iets bekend maken met gunning. Of anders gezegd: een goede boodschap verkondigen. Dat middel, het Woord van het Evangelie, verkondigen, opdat de Heilige Geest het geloof zal werken en versterken.

Ulieden getuigen en verkondigen. Dat mag Johannes in Turkije doen met deze brief. Hij doet dit nu ook nog aan de hoorders van het Woord.

 

Gemeente, het eeuwige leven ligt alleen in Christus Jezus. Wat is nu ‘eeuwig leven’? Het is een leven dat nooit meer sterft. Het is het allerhoogste goed op deze wereld. Daarover heeft Johannes in het derde hoofdstuk van zijn Evangelie gezegd: Die in den Zoon geloofd, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh.3:36). En: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt (Joh.17:3). Want Die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den Heere (Spr.8:35).

Het eeuwige leven begint in de wedergeboorte door de Geest van Christus en het wordt door de Heere onderhouden en versterkt. Het staat in scherp contrast tot het aardse leven. We denken misschien wel dat we hier het eeuwige leven hebben, maar dan moet je wel stekeblind zijn. Wij zijn als onreinen. Wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind (Jes.64:6). Elk blaadje in de herfst predikt dat je sterven moet. Heeft niet een zeker dichter gezegd: ‘De dood heeft mij een brief geschreven. Ik las hem op het vallend blad’?

Ja, de duivel belooft: Je zult niet sterven, hoor. Al die anderen wel, maar gijlieden zult den dood niet sterven (Gen.3:4). Deze leugenaar hebben wij geloofd in het paradijs, en we geloven hem tot op de dag van vandaag.

 

We lezen in het Doopsformulier: ‘Dit leven, hetwelk niet anders is dan een gestadige dood.’ Het gaat dan over het aardse leven: dat is langzaam sterven. Heel ons leven staat in het teken van sterven. Vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom.7:14). Dood door de misdaden en de zonden (Ef.2:1). Geestelijk dood; dit loopt uit op de eeuwige dood, als Gods genade het niet verhoedt. Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus (Rom.6:23).

En daarom mag ik u heden de dood en het leven voorstellen. We mogen Johannes naspreken: Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard.

 

Onze derde gedachte is:

 

3. Een tweevoudig doel

 

Johannes heeft een tweevoudig doel. Hij pakt de draad, waarmee hij in vers 1 begonnen is, in vers 3 weer op. Dan zegt hij: Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.

Johannes getuigt als een oor- en ooggetuige van Christus, opdat er gemeenschap en blijdschap zou zijn, zodat de lezers – hij schrijft aan de gelovigen, aan Gods kinderen – ook gemeenschap mochten hebben. Zij mogen dan tot dezelfde gelukzaligheid en vreugde des heils komen.

 

Voor ‘gemeenschap’ staat in het Grieks koinonia: ‘verbondenheid, deelhebben aan’. Het is een woord dat bij Johannes in zijn Evangeliebeschrijving en brieven heel vaak voorkomt. ‘Gemeenschap’ wil zeggen: die innige geloofsband met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus. Hij verwoordt deze band in Johannes 15, waar het gaat over de Wijnstok en de ranken, die vrucht dragen door de gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus. Daarover schrijft Matthew Henry: ‘Door onze zalige betrekking tot Hem, Christus, door het ontvangen van hemelse zegeningen van Hem, en door onze geestelijke omgang met Hem. Ziehier waartoe het eeuwige Woord vlees geworden is: dat Hij ons het eeuwige leven zou schenken in de gemeenschap met de Vader en Hemzelf.’

Johannes zegt: ‘Ik getuig en verkondig. Opdat de kinderen Gods mogen opwassen in de gemeenschap met God en Zijn Zoon.’ Deze tere vreze van Gods Naam; de gemeenschap, waarvan de dichter zingt: ‘Gods verborgen omgang vinden zielen, waar Zijn vrees in woont.’ Deze gemeenschap komt openbaar in een liefhebben van God, in een wandelen in Zijn wegen, in een vrezen van de Heere.

 

En gij met ons, zegt Johannes. De gemeenschap aan de Vader en de Zoon komt eerst, maar er is ook gemeenschap der heiligen. De gemeenschap der heiligen, koinonia, die God door de Heilige Geest werkt, de geloofsband aan Christus, geeft ook aan elkaar verbondenheid, aan dat ene lichaam. Dan zal deze gemeenschap over muren en grenzen heen verbindingen leggen.

In het leven van de eerste christengemeente komen we het woord ‘gemeenschap’ telkens weer tegen. Ik lees in Handelingen 2: Ze waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden (Hand.2:42).

De zalige geloofsgemeenschap, zegt Johannes, is in de eerste plaats met God de Vader in Christus: Niemand komt tot den Vader dan door Mij (Joh.14:6). Dit zal ook uitstralen naar elkaar, zegt Johannes: gij met ons. Johannes spoort dus de gemeenten in Klein-Azië, waar verval en afval en dwaalleraren waren, aan, en wekt ze op tot onderlinge gemeenschap.

 

Het tweede doel van zijn schrijven is: blijdschap. Opdat deze uw blijdschap vervuld zij. Johannes is een ware herder en hij gunt zijn lezers blijdschap. Het is een kernwoord in zijn brief en in zijn Evangeliebeschrijving. Blijdschap des geloofs en vreugde des heils. Dit hoort nu bij de verbondenheid aan de Heere en aan elkaar. Het is de vrucht van de gemeenschap. Johannes zegt: ‘Ze kennen de blijdschap van kinderen Gods.’

Maar nu: uw blijdschap, dat die vervuld mag worden. In kanttekening 18 zeggen onze vaderen over die blijdschap: ’Namelijk die blijdschap die door de predicatie van het Evangelie en door de werking van de Heilige Geest in uw harten alrede ontstoken is.’

De lezers zijn niet vreemd van deze geloofsblijdschap. Johannes zegt: Nu getuig en verkondig ik u die levende Christus, opdat deze blijdschap vervuld, volkomen mag worden en toe mag nemen. Vreugde des heils, blijdschap in God door Christus.

Al Gods kinderen kennen iets van die blijdschap. Al zien of denken onze jongeren dat misschien niet. Misschien denk je vaak: Nou, dat sombere leven hoeft voor mij niet. Heere, bekeer mij, maar voorlopig nog niet! Net als Augustinus. Maar wees ervan overtuigd, zoals in de berijmde psalm 4 staat: Gij hebt m’ in ’t hart meer vreugd gegeven dan anderen smaken in een tijd, die bij koren en most wellustig leven.

 

Er is een vreugde des heils. Zeker, het is een strijdende Kerk. De kinderen Gods gevoelen zo vaak dat hartelijke leedwezen over hun zonden; de smart over hun verzondigd leven, en hun afdwalen. Maar er is – zoals er in Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus staat – ook ‘een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.’ Johannes zegt dus: ‘Nu getuig en verkondig ik u, en schrijf u deze dingen, opdat deze uw blijdschap vervuld zij.’

 

Gemeente, we hebben nu de brief van Johannes voor u geopend. Het is allemaal niet eenvoudig. Maar, al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is (2Tim.3:16). Johannes heeft als een oor- en ooggetuige de betrouwbaarheid van het Woord aangetoond. Zijn hartelijke verlangen voor u, voor jou en voor mij is, om ons aan te sporen die gemeenschap met het Woord des levens te zoeken en te kennen.

Hij gunt je échte blijdschap. De duivel gunt je geen blijdschap. Hij geeft je maar een poosje lol. Maar Johannes zegt: ’Hier heb ik nu het eeuwige leven. Hier heb ik het geestelijke leven, wat door Christus verworven is. En daar hoort ook blijdschap bij.’

Wie wenst er nu niet eeuwig te leven en blijdschap te hebben? Wij allen, denk ik.  Eeuwig, zalig hemelleven en eeuwige vreugde in de heerlijkheid.

Maar de weg ernaartoe, die begeer ik niet van nature. De weg naar dat leven en naar deze blijdschap is een weg van sterven, en van: ‘die hier bedrukt met tranen zaait’.

 

Johannes mag uit de volheid van het geloof en van zijn gemoed zijn medegelovigen toespreken, om ze te versterken. Mijn onbekeerde vriend, Johannes wil tot jou zeggen: ‘Wat heeft nu dit leven uiteindelijk te bieden, hoewel er veel goeds in ligt? Wat is er nu voor blijdschap hier in dit tranendal?’ Maar er is een eeuwig leven en een eeuwige blijdschap, die op hun hoofden zal zijn. Dat wij dan zouden mogen leren dat we die blijdschap en vreugde alleen in de gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus kunnen verkrijgen. Zonder geloofsgemeenschap en geloofskennis hebben we nog nooit in waarheid gehoord of gezien of getast van dat Woord des levens.

Als dat zo is, buig dan vanavond je knieën en zeg: ‘O God, nu heb ik geen ander deel dan dit leven. Nu heb ik een tijdelijke, kortstondige vreugde die zal eindigen in eeuwige duisternis, in eeuwig klagen ‘ach en wee’. Maar nu heb ik Johannes, de apostel der liefde, horen getuigen en horen verkondigen, dat het eeuwige leven door U is geopenbaard. Heere, laat dan ook in mijn leven iets van dat gezegende leven in Christus Jezus zien.’

 

We hebben wedergeboorte en geloof nodig. Dan werkt de Geest de droefheid naar God. Dan komt er een schreeuw, als je gaat zien: ik heb me buiten de gemeenschap met God gezondigd. Dan roep je het uit: ‘God des levens, ach, wanneer, zal ik naderen voor Uw ogen!’ Maar dan zal de Heere op Zijn tijd je smart en droefheid veranderen in blijdschap. Want: Zalig zijn die treuren, zij zullen vertroost worden (Matth.5: 4).

 

Kinderen van God, deze dingen schrijf ik, opdat uw blijdschap vervuld zij. Opdat uw vreugde meer en meer mag toenemen, die vreugde des heils in God door Christus, in de gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.

Johannes schrijft over Jezus. Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt (Openb.2:17).

 

Amen.

 

Psalm 68 vers 2:

 

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielenvreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogste toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt den weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn Naam is Heer’ der heren.