Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 1

De enige troost in leven en sterven

De vraag naar die troost
De inhoud van die troost
Het leven in die troost
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

We hopen de complete Catechismusverklaring wekelijks opeenvolgend te publiceren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 3
Lezen : 1 Petrus 1: 13 - 25
Zingen : Psalm 62: 1, 4, 5
Zingen : Psalm 25: 2
Zingen : Psalm 68: 17

Gemeente, we maken een begin met de verklaring van onze Heidelbergse Catechismus.

We lezen Zondag 1.

 

Vraag 1: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?

Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

Vraag 2: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?

Antwoord: Drie stukken.

Ten eerste, hoe groot mijn zonden en ellende zijn.

Ten andere, hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde.

En ten derde, hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.

 

Het gaat in deze eerste Zondag over

De enige troost in leven en sterven

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

 

1. De vraag naar die troost

2. De inhoud van die troost

3. Het leven in die troost

 

Gemeente, stelt u zich eens voor dat morgen de aarde begint te beven, dat de fundamenten van ons huis wankelen en dat er een geweldige aardbeving is met alle catastrofale gevolgen van dien. Dan staan we oog in oog met de dood. Gezinnen worden uiteengescheurd, man en vrouw voor altijd gescheiden, als de één het overleeft en de ander niet. Kinderen zullen schreeuwen: ‘Papa! Mamma! Ik ben bang!’ Ons leven is in gevaar, de dood staat voor de deur.

U kunt het zich wel voorstellen, want we zien de foto’s als we de krant lezen. En nu de vraag die op ons afkomt:

‘Waarop denken wij dan terug te vallen, als de nood aan de man komt en de dood aan de deur klopt? Wat is dan ons enige houvast, als je ziet dat je alles moet verliezen, wellicht ook je leven? Wat is dan je enige troost in leven en sterven?’

 

U ziet, het is geen theoretische vraag, maar het is een heel praktische vraag, waarmee de Catechismus inzet. Want al komt er geen aardbeving, er kunnen zoveel andere dingen gebeuren. Ons kan een ongeluk treffen en dan staan we oog in oog met de dood.

 

Het was juist in een zeer bange tijd van geloofsvervolging, dat de Heidelbergse Catechismus geschreven werd. Toen Frederik III, keurvorst van de Paltz, in 1562 aan twee jonge theologen, Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus, opdroeg om een catechismus samen te stellen om in de kerken en scholen onderwezen te worden. Juist toen zocht het oog van de Roomse Inquisitie speurend naar slachtoffers. Tot in de diepste schuilhoeken. En toen de godvrezende Frederik III in 1566 voor de Rijksdag te Augsburg werd gedagvaard, zag het er maar donker voor hem uit. De andere keurvorsten hadden al hun bezittingen al verloren. Ondanks dat was Frederik er niet toe te bewegen om thuis te blijven. Hij schreef, dat zijn aardse goed voor hem niet telde. Dat moet je eens even tot je door laten dringen. Zijn aardse goed telde niet en zo men zijn leven wilde nemen, dan zou men slechts de tijd verkorten, totdat hij de eeuwige heerlijkheid zou ingaan.

Dat is een getuigenis!

 

In die tijd is de Catechismus opgesteld. De brandstapels rookten, vele christenen werden gemarteld en gedood. Ieder ogenblik kon de wrede hand hen wegvoeren en het leven benemen. Maar ze vreesden niet. U kunt het lezen in de geschiedenisboeken. Met opgeheven hoofd, soms zingend, gingen ze hun lijdensweg en de dood tegemoet.

Wat was hun geheim? Wat was hun troost? Wat was hun enige troost? Wel, de vijanden hebben het kunnen horen, want ze hebben ervan getuigd. Zelfs de beulen konden ervan getuigen. Mijn enige troost, die pijn noch marteldood me ontnemen kan, is dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet meer van mezelf ben, maar het eigendom van Jezus Christus, die trouwe Zaligmaker. En zo gingen ze heen in vrede.

 

Gemeente, wat is uw enige troost? De diepe en rijke troost, die in leven en sterven voldoet? De nood van ons leven en het raadsel van ons sterven dwingen ons er eenvoudig toe, om uit te zien naar troost. En nu komt die vraag naar ons toe vanuit de Catechismus. Heel persoonlijk komt die vraag naar ons toe. De vraagsteller laat zich met ons in en hij heeft zorg voor ons. Hij vraagt: ‘Man, vrouw, jongen, meisje, wat is uw, wat is jouw enige troost? Waar leef je voor? Waar hoop je op en waar heb je houvast aan? Kom er eens mee voor de dag!’

 

Wat is uw enige troost? Dat is best een ontdekkende vraag, vooral voor mensen, die naamchristen zijn. Laat u daarom door deze vraag niet ergeren. De onderwijzer stelt die vraag tot uw en jullie behoud. Wat is het belangrijkste in je leven?

Het is zo’n strikt persoonlijke vraag: ‘Uw’! Er staat niet algemeen: ‘de enige troost’, er staat niet: ‘Wat is de troost voor een christen?’ Nee, uw! jouw! Uw enige troost! Niemand wordt uitgezonderd. Niemand in de kerk blijft buiten schot. Het vuur wordt u na aan de schenen gelegd. U! Jij! Wat is je enige troost, jongen, met al je idealen, het opbouwen van je carrière en je gedachten aan de toekomst?

 

Meisje, misschien ben je je trouwjapon al aan het naaien of de patronen ervoor aan het uitzoeken. Goed, fijn, geniet er maar van, maar wat is je énige troost? Heb je ook iets wat boven dat alles uitgaat? Bruid-zijn is rijk, maar de bruid van Christus te zijn, dat is veel rijker?

Kinderen, wat is jullie enige troost? Heb je de Heere Jezus lief? Mag je weten, dat je het eigendom van de Heere bent, dat je bij Hem hoort en Hem wil dienen?

Ouderen, waar leeft u voor? Wat is ons enige houvast in dit leven? Wat maakt ons gelukkig in ons werk als we morgen weer beginnen? Gaan we dan weer op in ons werk of zegt u: ‘Ja, als ik dat niet had, dan was ik toch niet gelukkig.’

Op wie vallen we op terug, als de dokter op een gegeven moment tegen ons zou zeggen: ‘U bent ongeneeslijk ziek.’?

Ouden van dagen onder ons, voor wie het leven in feite al grotendeels achter de rug is: ‘Waar wacht u op?’ Is het de eeuwige heerlijkheid, de toekomst, die God heeft weggelegd voor allen die Hem vrezen? Wat is uw antwoord op de vraag naar de enige troost?

 

Zeker, nu roken de brandstapels niet vanwege geloofsvervolging, althans niet hier. Maar op andere plaatsen in de wereld worden christenen wel vervolgd om hun geloof. Wij nog niet... Maar ons leven is kwetsbaar, zo broos en de troost waarover het hier gaat is ‘enig’. Uniek staat er eigenlijk. Enig in zijn soort, nergens anders te verkrijgen. Er is maar één echte troost, die steun en houvast biedt, zowel in leven als in sterven. De troost waarover het hier gaat, daar kun je het leven mee aan, daar durf je ook het sterven mee aan.

Wat heb je aan een troost, die alleen je leven een beetje opfleurt en je, als je voor de poort van de dood staat, als het erop aankomt, in de kou laat staan?

 

Ieder mens heeft behoefte aan troost.

Hoe komt dat? Dat komt door de zondeval. We waren gelukkig met God. Maar door de zondeval zijn we God kwijtgeraakt en daardoor aan allerhande ellende, ja, aan de verdoemenis onderworpen. Het verloren paradijs ligt achter ons. Dat is de oorzaak van al het leed, alle tranen en moeite in deze wereld. De schepping zucht onder de dienstbaarheid aan de verderfenis.

We zijn Gods liefde en gemeenschap kwijtgeraakt en daarom is ten diepste ieder mens op zoek naar het verloren geluk.

Hoe je het ook noemt, er is een leegheid omdat we God zijn kwijtgeraakt. Ieder mens zoekt naar troost, de één in de wereld en de ander in de godsdienst.

De Farizeeën zochten het in hun wettische ijver, de Joden in hun offers en de Griekse wijsgeren in hun schitterende filosofieën. Totdat Paulus kwam met het Evangelie van het kruis en de Gekruisigde. En daarin ging het over de ware troost in leven en sterven.

 

Ieder mens heeft behoefte aan troost. Men zoekt ernaar, ondanks de leus van de wereld: ‘Laten we eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven we.’ en ‘Dood is toch dood.’ Nee, dat is niet waar. We weten beter. Dat biedt geen ware troost. En daarom zoekt de één het in de sport, de ander in de alcohol, in de drugs en weer een ander zoekt het in de seks. Veel jongeren zoeken het in houseparty’s, maar niemand heeft meer behoefte aan troost dan die jongelui. Zij hebben thuis niets meegekregen aan echte geestelijke waarde, zij zijn aan twijfel onderhevig. Zij weten niet waarom en waarvoor ze leven of hoe het verder moet. Ze leven als in een roes van de ene dag in de andere.

 

Wat is uw enige troost?

We worden op dit ogenblik door de onderwijzer tot bezinning geroepen. Waar werkt u voor? Waar leeft u voor? Waar slaaft en draaft u voor? Waarom blijft ons hart na alles wat we doen soms zo koud en leeg? Bij alles wat we najagen, geld of goed, eer, vreugde en vrijheid, vergeten we, dat deze ronde wereld ons driehoekige hart nooit kan vervullen. We hebben God verlaten, daar ligt de oorzaak. En daarom hebben we smart op smart te vrezen. Er is geen vrede, nu in dit leven niet en straks in ons sterven niet. Tenminste, als het blijft zoals we geboren zijn.

 

U zegt misschien:

‘Wat kan wel echte troost en vrede geven? Wat kan wel je hart vervullen en je echt gelukkig maken, zodat je onbevreesd en gelukkig kunt leven en sterven?’ ‘Is er een troostbron, die blijft, die je niet kwijt kunt raken en die nooit opdroogt en die mensen gelukkig maakt, die om hun zonden bedroefd zijn en verlangen naar God? Is er troost voor troostelozen?’  

‘Ja,’ zegt God,

‘die is er. Luister maar naar Mijn knecht Jesaja: Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.’  

‘Ja,’ zegt de Catechismus op de vraag naar de enige troost,

‘dit is mijn troost, in druk mij toegezegd, dat ik niet meer mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.’

 

Deze troostbron is onuitputtelijk, want ze komt voort uit het welbehagen van de Vader. Hij is verdiend door de Zoon en de troost wordt geschonken door de Heilige Geest. Deze troost is het werk van de drie-enige God.

Daar gaan we op letten in onze tweede gedachte.

 

2. De inhoud van die troost

 

Zullen we het nog een keer lezen?

Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.

De hoofdzin is dus: ‘Ik ben het eigendom van mijn trouwe Zaligmaker.’

En als u het antwoord verder leest, ziet u dat die trouwe Zaligmaker drie dingen doet.

Ten eerste: Hij verlost mij door Zijn bloed van de zonde en van de duivel.

Ten tweede: Hij bewaart mij door mij over te laten in de veilige hoede van Zijn Vader.

Ten derde: Hij verzekert mij van het eeuwige leven door Zijn Heilige Geest.

Kort gezegd: Christus verlost mij, de Vader bewaart mij en de Heilige Geest heiligt mij.

 

De leerling begint dus te zeggen, dat hij niet meer zichzelf toebehoort, maar dat hij het eigendom is van een Ander, van de Heere Jezus Christus. Het antwoord is vol van Christus, van Zijn bloed en van Zijn trouw. Niet ik, maar Hij, zo klinkt heel het antwoord.

Een jongen of meisje denkt misschien: ‘Nou, is dat zo leuk, is dat zo waardevol of aangenaam om het eigendom van een ander te zijn? Het is toch veel beter om eigen baas te zijn? Om jezelf te zijn en van jezelf te zijn. Eigen baas en niemands knecht!’

Dat leek Adam ook. Maar dat is hem slecht bekomen. Krachtens zijn schepping was de mens het wettige eigendom van God. We zijn geschapen in kennis, gerechtigheid en heiligheid, naar het beeld van God. De eeuwige zaligheid, het volmaakte, ongeschonden geluk lag in het verschiet.

Maar we wilden eigen heer en meester zijn. En de duivel heeft het zo mooi voorgesteld: ‘Je zult als God zijn.’ En toen kwam Adam terecht in de droevige slavernij van de duivel en van de zonde. In plaats van ‘heer en meester’ werden we slaaf van de zonde. We werden met lichaam en ziel aan allerhande ellende, ja, zelfs aan de verdoemenis onderworpen. Satans dienst was de zonde, zijn loon was de straf en zijn rijk is de hel.

 

En wat zegt de leerling in het antwoord op de vraag van de onderwijzer in onze Catechismus? Hij zegt:

‘Mensen, ik ben toch zo gelukkig! Ik ben rijker dan de rijkste miljonair. Want morgen kan zijn geld van een ander zijn, maar ik word nooit meer van een ander. Ik ben de rijkste mens ter wereld, ik ben van mezelf verlost. Ik ben geen slaaf meer van de zonde, ik leef niet meer voor eigen rekening, ik ben niet meer van mijzelf, maar het eigendom van Jezus Christus. De Heere Jezus kwam. Hij boog Zich over me heen en trok me door Zijn liefde. Hij maakte mij, zondeslaaf, tot Zijn eigendom. Ik heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.’

 

 

Het is wel duidelijk, dat dit antwoord gegeven wordt vanuit de volheid van het geloof, vanuit die rijkdom. Heel persoonlijk trouwens. De vraag was ook persoonlijk ‘uw, jouw enige troost’.

Ik zeg ‘jouw’ en dat doe ik voor de jongelui, want denk erom, jongens en meisjes, de Catechismus is allereerst opgesteld om de jeugd te onderwijzen. Daarom gebruiken we hem ook op de catechisatie. De Catechismus is inhoudelijk nog helemaal niet verouderd en ze zal nooit verouderen. Olevianus en Ursinus hebben hem opgesteld voor de jeugd. Tegelijkertijd vonden ze het nodig om de Catechismus ook in de kerkdienst, waar de ouderen kwamen, nog een keer uit te leggen. Want ze stonden toen nog zo dicht bij de dwaalleer, die ze verlaten hadden, dat ze blij waren, ook de ouderen, om uit de Catechismus onderwezen te worden. Maar het doel was in de eerste plaats de jeugd te onderwijzen.

 

Gemeente, het antwoord is persoonlijk. Ik, mijn zonden. Niet in het algemeen, niet over Gods volk, maar ‘ik’. Wat een schitterend antwoord! Ik ben verlost, ik word bewaard en bereid gemaakt om God te dienen en voor Hem te leven. Wat is het gelukkig dat de Heere mensen bereid maakt, want van onszelf zijn we dat helemaal niet! We trekken ons liever terug op onszelf, maar God maakt mensen bereid om Hem te dienen.

 

Drie dingen noemt het antwoord: verlost, bewaard, verzekerd.

Mijn getrouwe Zaligmaker verloste mij, zegt de Catechismus. En daar zitten twee kanten aan, als we het antwoord lezen. Christus verlost van de schuld van de zonde. Dat is de verzoening met God. Maar Hij verlost ook van de macht van de zonde. Dat wordt wel genoemd de verlossing of de heiliging, de bekering of de dankbaarheid. Hij verlost van de schuld van de zonde. Hij heeft voor àl mijn zonden volkomen betaald. Nee, niet voor een paar zonden, niet voor de minst erge zonden. Hij heeft ook niet ten dele betaald, waardoor ik er nog iets bij moet doen. Nee, Hij heeft voor àl mijn zonden volkòmen betaald.

Wat een geweldige troost! Want de zonde is de oorzaak van alle ellende in de wereld. De zonde maakt het leven zo triest en het sterven zo angstig, maar Christus heeft die oorzaak weggenomen. Hij verlost niet alleen van de schuld van de zonde, maar ook van de straf op de zonde! Wat een ontzaglijke werkelijkheid als hier staat: al mijn zonden!

Hebt u dat al eens nagezegd? En jullie, jongens en meisjes? Ik heb zonde, vele zonden, grote zonden. Ik had ze niet alleen, maar ik heb ze nog. En helaas doen we iedere dag weer zonden. Al mijn zonden klagen me aan en daarom kan ik voor God niet bestaan.

Wat een verdriet! Of is dat voor u geen verdriet? Dan ben je nog naamchristen. Wat een verdriet dat je de zonde niet te boven komt, wat een worsteling!

De schuld die mij drukt en de schuld die ik dagelijks groter maak, kent u daar iets van? Breekt uw hart eronder, als u al uw zonden ziet, als u uzelf ziet zoals God u ziet in het licht van Zijn Geest en Woord?

 

Maar, gemeente, dat is niet het enige. O nee, er is redding! De Catechismus noemt Jezus Christus, die getrouwe Zaligmaker, mìjn getrouwe Zaligmaker. Hij betaalde het rantsoen voor de zonde. De prijs was hoog, maar de rekening is voldaan tot op de laatste cent toe. Dat heeft de Heere Jezus gedaan, dat heeft die trouwe Zaligmaker gedaan, Die zo trouw is aan het Woord, dat Hij in de eeuwigheid al gesproken heeft: ‘Vader, Ik zal naar die wereld gaan en Ik zal reddend optreden, Ik zal Mijn leven geven voor Mijn schapen. Ik draag Uw heiige wet, die Gij de sterveling zet.’

Hij gaf Zijn bloed, Zijn leven. En met dat dierbare borgbloed van dat vlekkeloze Lam van God is betaald voor al mijn zonden. Aan de gerechtigheid van God is voldoening gegeven. Hij betaalde en dat was genoeg, want Zijn offer is algenoegzaam omdat Hij niet alleen mens is maar ook God.

 

Hij heeft niet alleen de schuld van de zonde betaald en zo de straf op de zonde weggedragen, maar Hij heeft ook de heerschappij van de zonde gebroken.

Gemeente, als Christus in uw leven komt, dan raakt u niet alleen uw schuld kwijt, maar ook de heerschappij van de zonde. De kracht van de zonde wordt gebroken in uw leven. Als dat laatste niet echt is, dan is het eerste ook niet echt. Dat zegt de Catechismus hier ook: en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost heeft.

Wie er weet van heeft dat zijn schuld vergeven is, wie iets gezien heeft van de dure prijs, die Jezus opbracht toen Hij bukte in Gethsémané, toen de geselriemen Zijn rug doorploegden, toen de doornenkroon het bloed uit Zijn slapen drukte, toen Hij van Zijn God en Vader verlaten was, wie daar iets van ziet, die kan niet meer gewoon doorleven. Die kan niet meer gewoon doorgaan met zondigen tegen God.

O nee, dan is de macht van de zonde gebroken in ons leven! Dan zullen we daar uit alle macht tegen strijden. Weg zonde, henen uit! Ik wil het niet meer en ik kan het niet meer en ik doe het niet meer! Christus regeert in mijn leven, de duivel voert geen heerschappij meer in mijn hart.

 

Toch is er steeds opnieuw de begeerte van het vlees tegen de geest. Dat is de strijd van Gods Kerk op aarde. U moet denken: Satan laat zijn prooi niet zo gauw los. Pas het maar op uzelf toe. Maar Jezus is sterker dan alle machten van deze wereld.

O, wat een dure prijs heeft Hij betaald voor de verlossing van de schuld van de zonde en van de heerschappij van de zonde!

 

Hij betaalde, staat er, met Zijn dierbaar bloed. Met dat woordje ‘dierbaar’ wil de Catechismus aangeven hoe kostbaar dat bloed is. Het is oneindig van waardij omdat Hij niet alleen mens, maar ook God is.

Petrus schrijft het en we hebben het samen gelezen: ‘Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, - het duurste van het duurste - verlost zijt uit uw ijdele wandel, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam.’

 

Gemeente, mag ik eens vragen: ‘Is dat bloed van de Heere Jezus ook voor u dierbaar en kostbaar geworden?’ Hoe meer last u van uw zonden hebt, hoe zwaarder de schuld drukt in uw leven, des te dierbaarder gaat u het achten. Is het al gesprenkeld op uw schuldige hart, zodat u, toen u in de kerk zat onder het Woord, toch een ogenblik die echte vrede met God mocht ervaren? Grote dingen kun je misschien nog niet vertellen, maar toch, het was gewoon goed onder het Woord. Hoe komt dat? Calvijn zegt: ‘Dat komt omdat, daar waar Christus wordt gepredikt, Zijn bloed drupt op de harten van de hoorders.’ Daar is de Heilige Geest, Die dat indraagt en dat geeft vrede. Vrede door het bloed des kruises. En dan zeg je: ‘Dierbare Heere Jezus, U wil ik dienen, voor U wil ik leven, mijn Koning en mijn God.’

U dan, die gelooft, is Hij dierbaar.

 

Hij bewaart.

Als je iets duur betaald hebt, dan draag je daar zorg voor. Nou, dat doet Christus ook. Hij heeft Zijn Kerk duurbetaald en daarom staat er: Hij bewaart haar zo veilig en zo goed! Niemand mag aan haar komen. Hij bewaart zó, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan. Die getrouwe Zaligmaker verloste mij niet alleen, maar Hij bewaart me ook. Hij laat niet varen het werk van Zijn handen. Hij bewaart me bij de verkregen verlossing.

 

Satan probeert weer in zijn macht terug te krijgen wat hij verloor. Hij probeert ons tot zonde te verleiden, tot afval te brengen. Hij zoekt ons verderf. Eerlijk waar! Maar Christus niet. Hij zoekt ons heil, ons behoud. Hij bewaart de Zijnen in het leven en sterven, wat betreft lichaam en ziel. En hoe bewaart Hij de Zijnen dan? Wel, zegt de Catechismus de Schrift na, Hij bewaart de Zijnen door ze over te laten in veilige hoede van Zijn almachtige Vader. Daar is dus niet alleen de liefde van Christus, de genade van de Heere Jezus Christus, maar daar is ook de liefde des Vaders. De Vader heeft u lief. Wat een troost als je dat hier leest ‘mijn hemelse Vader’. En zonder Zijn wil valt er geen haar van mijn hoofd.

 

De leerling belijdt het: ‘Ik heb een Vader. God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, is mijn Vader. Ja, want dat heb ik te danken aan Zijn bloed, aan Zijn offer. Om Jezus’ wil ben ik tot kind aangenomen en nu is Zijn Vader ook mijn Vader.’ Dat is rijk!

Van nature zijn we kinderen des toorns en dat leren we ook in te leven. De Bijbel zegt het, de Heere Jezus zegt het: ‘Gij zijt uit de vader de duivel!’

Maar hier staat: ‘mijn trouwe hemelse Vader’. O, wat zegt die Naam veel!

Zie eens, hoe een vader zich buigt over de wieg van zijn kleine. En, al is dat al tien jaar geleden, maar u weet dat nog, hè? Je staat ’s avonds, voordat je naar bed gaat bij zijn bedje. Je gaat nog even kijken of het goed ligt en je streelt soms zo met je hand over het wangetje van je kind. Dan sta je daar en denk je ‘lief kind’. Je bidt tot God en je zegt: ‘Heere, neemt U ze aan, laat ze opgroeien tot eer van Uw Naam.’

 

Hoeveel te meer geldt dat voor de hemelse Vader. Als we Hem tot onze Vader mogen hebben, wat een troost geeft dat! Christus gebruikt dat woord zelfs zeventien keer in de Bergrede. Hij zegt: ‘De Vader Zelf heeft u lief.’

De Heere Jezus, die trouwe Zaligmaker, is de weg tot de Vader. Wie anders kan onze schuld vergeven dan de Vader? Christus betaalde en de Vader vergeeft. Hebt u het nooit mogen zeggen, in hartelijke liefde: ‘Abba, lieve Vader, dank U wel, dat ik Uw kind mag zijn?’ ‘Ja’, zegt Hij, ‘Ik heb u in beide Mijn handpalmen gegraveerd.’ En Jezus voegt eraan toe: ‘Niemand zal ze rukken uit de hand van Mijn Vader.’

Mag u het geloven, gemeente, dat u Zijn kind bent? En jullie, jongelui? Als je zo vijftien, zestien, zeventien jaar en ouder bent, dan ben je oud genoeg om goed te beseffen dat het gaat om de Heere te dienen en voor Hem te leven. Mag je het geloven, dat je een kind van God bent? Of zegt u: ‘Ach, soms weleens even, maar het wordt zo vaak bestreden, ik dwaal zo vaak af.’ Ja, dat is een heel nare eigenschap van ondeugende kinderen om ongehoorzaam te zijn, om ongelovig te zijn. Maar toch, het rijkste is om Zijn kind te mogen zijn. Hij heeft ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aangenomen.

Onze jongelui zingen dat vaak:

Abba, Vader, U alleen,

U behoor ik toe.

Nou, laat dat maar blijken in je leven.

 

 En dat is het derde wat hier staat:

Waarom Hij mij door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte gewillig en bereid maakt.

Al had de Vader ons verkoren, de Zoon ons vrijgekocht, we zouden er met ons hart geen deel aan kunnen hebben, als de Heilige Geest er niet was, Die ons daarvan verzekerde. De Geest is onmisbaar. De Geest is de Toepasser van het heil, dat Christus verworven heeft.

En nu zijn we niet alleen voor het tijdelijke leven verzekerd in de veilige handen van de Vader, maar ook van het eeuwige leven, door het getuigenis van de Geest in ons hart. De Heere Jezus weet niet alleen voor wie Hij de prijs betaalde, maar Hij wil ook dat Zijn kinderen dat weten zullen. En daarom verzekert Hij hen van het eeuwige leven door Zijn Heilige Geest.

Het eeuwige leven betekent niet de onsterfelijkheid op zich, maar: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige, waarachtige God. Het eeuwige leven is het leven met God. Het leven uit God. Het kennen van God. Dat is het eeuwige leven. Daar komt geen einde aan. Het is eeuwig en het is zalig. Het begint hier, als we wedergeboren worden tot een levende hoop, als we God liefkrijgen. Als jij, als u God liefhebt, dan is het eeuwige leven in u.

 

Het is de Heilige Geest, Die in ons hart getuigt, dat we deel hebben aan het eeuwige leven, aan het heil in Christus, aan de vergeving der zonden en aan de bewaring door de Vader. Dat werkt de Geest in ons hart, door de toepassing te schenken van de beloften van het Evangelie. Dan werkt de Geest in je hart een stil vertrouwen. Dat is geloofsvertrouwen. Niemand kan dat vertrouwen uit ons hart wegnemen. Vol verwondering mogen we dan aanbiddend neerzinken voor God en zeggen: ‘Dank U, Heere Jezus, dat U me kocht met Uw bloed. Dank U, lieve, hemelse Vader, dat U Uw Zoon voor mij gaf en dat U mij bewaart en leidt. Dank U, Heilige Geest, dat U in mijn hart de verzekering van dat eeuwige leven schenkt.’

Weet u, gemeente, wat de beste verzekering van het eeuwige leven is? Dat is het laatste zinnetje van antwoord 1. De beste verzekering is, dat de Geest ons gewillig en bereid maakt om voor de Heere te leven. We hebben als een levend dankoffer ons aan Hem op te offeren.

 

De Geest verzekert niet alleen, maar de Geest heiligt ook.

Aan de vruchten kennen we de boom. Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt. Nee, er staat niet dat wij heilig, zonder zonde zullen leven, maar dat we gewillig en bereid gemaakt worden om voor de Heere te leven.

Misschien moet u wel klagen: ‘Het goede dat ik doen wil, dat lukt maar niet.’ Is het wel uw begeerte? Daar gaat het om. Vraagt u zich het eens af: ‘Voor wie leef ik eigenlijk?’ ‘Voor mezelf of voor de Heere?’

Als de Geest in je hart is, als je het eigendom van Christus bent, dan leef je voor de Heere en werk je in Zijn dienst. Alle mogelijkheden kun je benutten om iets te doen voor God en in Zijn Koninkrijk. Ons zoeken, ons trachten, ons doen, ons laten, onze gaven, onze tijd, ons geld, ons lichaam, onze ziel, elke ademtocht moet aan de Heere God gewijd zijn. Is dat zo? Gods kinderen moeten vaak zeggen: ‘Wat kom ik tekort, als ik dat allemaal hoor!’

Gemeente, het is goed als u dat ziet, want dan wordt u opnieuw aangespoord om uw leven te besteden in de dienst van God. Leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden. Dan wordt Zijn wet je vermaak en Zijn Woord je lust.

En je bidt met de dichter, wat we samen gaan doen, om die genade en kracht, met de woorden van Psalm 25:2

 

Heer’, ai, maak mij Uwe wegen,

Door Uw woord en Geest, bekend;

Leer mij, hoe die zijn gelegen,

En waarheen G’ Uw treden wendt;

Leid mij in Uw waarheid; leer

IJv’rig mij Uw wet betrachten;

Want Gij zijt mijn heil, o Heer’!

’k Blijf U al den dag verwachten.

 

3. Het leven in die troost

 

De enige troost in leven en in sterven.

We hebben gelet op ‘De vraag naar die troost’, ‘De Inhoud van die troost’ en tenslotte letten we op ‘Het leven in die troost’.

 

De verwoording van dit punt, deze gedachte moet ons aan het denken zetten. Het gaat hier dus niet om de weg tot de troost, om het komen tot die troost. Nee, dat is de inzet niet. De troost is niet het eindpunt, maar het beginpunt, het uitgangspunt, het opschrift. Wat is uw enige troost? Ik ben het eigendom van Christus. Dat staat boven iedere Zondag. Dat is het opschrift boven de Catechismus, ook boven Zondag 2, waar gevraagd wordt: ‘Waaruit kent gij uw ellende?’ Wie is die ‘gij’? Dat is de mens, die zegt: ‘Ik ben het eigendom van Jezus Christus.’ Het gaat in vraag en antwoord 2 over het leven in die troost.

 

Er staat:

Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zalig leven en sterven moogt?

Hoeveel stukken, dat zijn geen leerstukken, maar hoofdstukken, onderwerpen. Er staat niet: wat zou er interessant zijn. Nee: wat is nodig. Dat komt van nood. Het is nood in uw leven als u ze niet kent. De Heere kent onze nood.

Hoeveel stukken zijn u nodig te weten. Dat is niet een weten met je verstand alleen. Nee, het gaat hier niet over knapheid, intelligentie of een hoog IQ, maar het gaat hier over de geloofswetenschap, over het kennen van God met je hart.

Hoeveel stukken zijn u nodig te weten om zalig te leven? Hier al, niet straks als u sterft of na de opstanding. Nee, nu. Wat moet u weten en wat moeten jullie weten, jonge mensen, om in deze troost zalig te leven en te sterven?

Het gaat om het deel hebben aan die troost. Om die enorme rijkdom van het verlost zijn door de Zoon, het bewaard worden door de Vader en het verzekerd worden door de Heilige Geest. Om uit die rijkdom te mogen leven, daar gaat het om. Bij zo’n overvloed van genade Gods hoeft toch niemand te verkommeren?

Welnu, welke wetenschap is daarvoor vereist? Hoeveel stukken, hoeveel dingen zijn er nodig om te weten, dat je in die troost mag leven? Gemeente, dat beseffen is een bevindelijk weten, de ervaringskennis van het geloof. De kennis van het hart, de kennis in liefde, zoals een jongen en een meisje elkaar leren kennen.

 

Het antwoord zegt: drie stukken. Dat is niet veel, hè! Dat is niet moeilijk. Drie stukken, drie dingen, drie zaken, drie hoofdstukjes moet je weten. Dat is niet veel, dat is goed te overzien: ellende, verlossing en dankbaarheid. Dat is alles. Je moet je ellende kennen, van verlossing weten en dankbaar zijn.

Dan zal je in deze troost zalig leven. Nu, vandaag, morgen en je zult eenmaal zalig sterven. Uiteindelijk gaat het om de dankbaarheid. Maar die andere twee zijn er onlosmakelijk mee verbonden, want je kunt niet tot de dankbaarheid komen, zonder de ellendekennis en de kennis van de verlossing.

 

Het gaat niet om onze ellende, hoor! Het is nooit een doel op zich om je ellende te kennen, maar het is wel noodzakelijk. Het is een middel tot een ander doel. Welk doel? Om de verlossing te kennen in Christus en dat is nog maar een middel tot een volgend doel. Welk doel dan? Om hartelijke dankbaarheid jegens God te bewijzen.

 

Drie stukken: hoe groot mijn zonde en ellende zijn. Mijn zonde, dat gaat voor op, dat is de oorzaak van alle ellende. Het eerste stuk is dus dat we inzicht krijgen in onze zonde, in het wezen van de zonde en in de afschuwelijkheid van de zonde. Door de verlichting van mijn verstand, onder de werking van de Geest, leer ik zien wie ik ben in het licht van Gods heilige wet, in het licht van Gods liefde. Ik ben een zondig mens. Ik heb zonde gedaan tegen God, tegen mijn naaste, tegen de liefde, tegen de wet, tegen het Evangelie. Mijn zondige natuur moet ik leren kennen. Ik moet weten hoe vijandig en ondankbaar ik ben en wat een boosheid er in mijn hart kan zijn.

 

En ellende.

Dat is niet dubbel, hoor! Dat heeft een andere betekenis. Ellende is het gevolg van de zonde. Ellende is dat ik vervreemd ben van God. En staat er: ik moet weten hoe groot ze zijn. Ik moet weten hoe groot het gewicht ervan is. Het gaat om het gewicht van de zonde, dat staat er. Het soortelijk gewicht ervan, daar gaat het om. En waarom is die ellendekennis nodig? Welnu, het is geen doel op zich, het biedt geen enkele troost, het is alleen maar een verschrikking. En toch is het nodig, om te weten hoe diep, hoe zwaar mijn zonden zijn en mijn ellende is. Waarom? Opdat ik Christus nodig zal krijgen. Niet alleen één keer, maar telkens weer.

 

Het tweede stuk is: hoe ik van mijn zonde en ellende verlost wordt. Niet door eigen kracht, niet door goede werken, niet door vroomheid. Nee, we weten het uit het antwoord op vraag 1 wel beter. Er is een Heiland, een Borg en een Middelaar. Hij betaalde met Zijn bloed en daar moet ik kennis aan krijgen. Dat is de kennis van de verlossing.

Waarom is dit tweede stuk nodig? Wel, Ursinus zegt in zijn Schatboek, de verklaring op de Catechismus: ‘Anders zouden we in onze ellende omkomen en tot wanhoop vervallen.’ Hier valt het onderscheid tussen de kinderen van God en de kinderen van de duivel. Want ze hebben allebei wel ellendekennis, maar ze hebben niet allebei kennis van de verlossing. Denkt u maar aan David, Hizkia en Petrus en plaatst daar eens tegenover Kaïn, Saul en Judas. Daar hebt u het verschil. Ze kenden allen de ellende, maar alleen die eersten kenden God in Christus, de Verlosser.

 

En tenslotte de dankbaarheid. Het stuk van de dankbaarheid: Hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn. Gemeente, God wil gedankt worden door mensen voor die wonderbare verlossing. Waarin is de ware dankbaarheid gelegen? Die is gelegen in de gemeenschap met God, in het leven voor God, in het leven van de waarachtige heiligmaking, in het voortbrengen van vruchten door de ranken. Uit deze heiliging, waarvan Christus de grond is, mag het geloof versterkt worden, zodat we van onze verlossing verzekerd worden, zegt Ursinus.

Ziet u? Er is zekerheid naar de mate van de vruchtbaarheid. En dat vind je alles in het stuk van de dankbaarheid, in het stuk van de heiligmaking. Die dankbaarheid blijkt in onze bekering, in onze levensheiliging. We kunnen het ook zo zeggen:

Mijn hart, o Hemel majesteit,

Is tot Uw dienst en lof bereid.

 

Ellende, verlossing en dankbaarheid.

Drie facetten van één en dezelfde zaak. Drie kanten van één parel. Ellende, verlossing en dankbaarheid zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Niet zoals drie stationnetjes. Je stapt in de trein op het station van de ellende en de trein gaat verder. Op een gegeven moment komt er een halte en stap je uit en stap je in de trein van de verlossing. Dan ga je weer een eind verder en uiteindelijk komt ook nog de trein van de dankbaarheid. Nou, zo is het dus niet. Het is alles of niets. Het is alle drie of niet één. Het gaat samen of het is er niet. Het zijn geen drie stationnetjes. Het zijn drie sporen, drie spoorrails waarop de trein rijdt.

 

Gemeente, we kennen ze geen van drieën of we kennen van alle drie iets. En dat moet steeds verdiept worden. Al zeg ik er wel bij, dat er natuurlijk wel een orde in die stukken zit. De Catechismus begint niet met de dankbaarheid. De Catechismus begint met de ellende. Je kunt niet beginnen bij de verlossing. Nee, het is ellende, verlossing en dankbaarheid. Er zit een orde in. Dat is duidelijk. Ook bevindelijk, in de beleving, in je hart, in het leven voor God vanuit het Woord. Maar, ze staan niet los van elkaar. Ze trekken samen op.

 

Dat is het leven in die enige troost. Deze drie stukken maken ons niet zalig. Jezus maakt zalig. Hij is de trouwe Zaligmaker.

 

Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven?

 

Mijn enige troost is Jezus Christus.

 

Amen.