Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 45

Het gebed als voornaamste stuk der dankbaarheid

Waarom het gebed nodig is
Welk gebed voor God aangenaam is
Wat wij van God mogen bidden
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

We hopen de complete Catechismusverklaring wekelijks aan te vullen en te publiceren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 113: 1
Lezen : Mattheüs 6: 1 - 18
Zingen : Psalm 81: 1, 4, 7, 9, 12
Zingen : Psalm 149: 1, 5
Zingen : Psalm 66: 10

Gemeente, wij slaan onze Catechismus in deze dienst op bij Zondag 45. Daar begint het

gedeelte over het gebed.

 

Vraag 116: Waarom is het gebed de Christenen van node?

Antwoord: Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Vraag 117: Wat behoort tot zulk een gebed dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?

Antwoord: Eerstelijk, dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen.

Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen.

Ten derde, dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

Vraag 118: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?

Antwoord: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons Zelf geleerd heeft.

Vraag 119: Hoe luidt dat gebed?

Antwoord:

            Onze Vader, Die in de hemelen zijt,

1. Uw Naam worde geheiligd.

2. Uw Koninkrijk kome.

3. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

4. Geef ons heden ons dagelijks brood.

5. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

6. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.

Amen.

 

Het gaat in Zondag 45 over:

Het gebed als het voornaamste stuk van de dankbaarheid

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Waarom het gebed nodig is

2. Welk gebed voor God aangenaam is

3. Wat wij van God mogen bidden

 

1. Waarom het gebed nodig is

 

Stel je voor, jonge mensen, dat je een prijsvraag gewonnen hebt en dat er een beloning aan vast zit. Dat je een uitnodiging krijgt van de koning om bij hem op visite te komen in het koninklijk paleis. Dat is wat, naar de koning op visite! De brief, waarin staat dat hij jou uitnodigt, wordt door de post bij je thuisbezorgd.

Als de dag is aangebroken ga je naar het paleis van koning Willem Alexander. De koninklijke standaard wappert. Dat betekent: de koning is thuis. Je komt bij de poort. Je komt niet zomaar het paleis binnen. ‘Wat moet jij hier?’, vraagt de schildwacht, ‘dit is het paleis van de koning.’ ‘Ja’, zeg je, ‘maar ik wil bij de koning op visite.’ ‘Dat gaat zomaar niet!’ ‘Ja, maar ik ben uitgenodigd door de koning!’ ‘Uitgenodigd?’ Dan pak je de brief uit je zak. ‘Kijk maar, hier staat mijn naam en onderaan de brief de handtekening van de koning.’ ‘O’, zegt de schildwacht, ‘dan is het anders. Kom maar mee!’ Hij brengt je in het paleis en dan kom je bij de koning. Alléén maar door die brief.

 

Wij mogen ook op bezoek, op audiëntie bij de Koning der koningen, de Heere God. Weet je waarom? We hebben ook allen een brief, een uitnodiging. Niet omdat we een prijsvraag hebben gewonnen. We hebben het er juist slecht afgebracht, maar Hij heeft ons toch een brief gegeven met een uitnodiging.

Over die uitnodiging hebben we straks gezongen:

Opent uwen mond,

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Dat is de uitnodiging.

Die staat nog vaker in de Bijbel:

Bidt en u zult ontvangen.

Klopt en u zal opengedaan worden.

 

Onze Catechismus begint met de vraag:

Waarom is het gebed de Christenen van node?

Wat een wonderlijke vraag! Christenen kennen God toch? God is toch hun Vader en de Heere Jezus hun oudste Broeder? Ze zijn toch kind van God en ze hebben de Heilige Geest ontvangen? Waar moeten die mensen dan nog om bidden? Zijn die daar niet bovenuit gegroeid? Nee, zegt de Catechismus, een Christen moet bidden,

omdat dat het voornaamste stuk is van de dankbaarheid, dat God van ons vordert, en dat God Zijn genade en Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijk zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

 

Christenen zijn mensen die van Christus zijn en die willen leven voor hun Koning. Zij hebben Zijn wet lief en hebben een biddend leven. Het geheim van een biddend leven is de behoefte aan de gemeenschap met de Heere.

Het gebed is het voornaamste middel om te komen tot gehoorzaamheid aan het gebod van God. Het gebed is het kloppend hart van de dienst aan de Heere, want bidden is niet alleen maar iets aan God vragen, maar bidden is spreken met God, is gemeenschap hebben met God, is God in je hart laten zien.

Bidden is vooral dankzegging. Als we daar eens wat meer op zouden letten, dan hadden we meer opening in het gebed. Het gaat om dankzegging, aanbidding, Hem loven en prijzen.

 

Het gebed van een Christen is net zo vanzelfsprekend als de eerste levensschreeuw van een pasgeboren kind. Dat kind zoekt contact met moeder, het wil voedsel. Zo wil ook het geestelijk leven gevoed worden, opwassen, groeien.

Verlangt u ook naar de hartelijke, innige, intieme gemeenschap met de Heere? Naar de verborgen omgang met God, die zielen vindt waar Zijn vrees in woont? Is dat zo bij u, bij jou? Bidden is de hoogste en de innigste uiting van het geloof.

Bidden is spreken met een hart vol liefde en verlangen, dat bereid is om de Heere te dienen en voor de Heere te leven. Het gaat om de ontmoeting met de Heere, om Zijn vriendelijk aangezicht te mogen zien, om de gemeenschap met God te ervaren. In het gebed breiden we om onze handen uit naar de hemel en heffen onze ziel op tot God.

 

Het gaat om de eer van God en om een teer samenleven van een Vader met Zijn kind. Een kind wil alles aan de Heere voorleggen, niets tegen Zijn wil doen.

‘Heere, mijn God, wat wilt Gij dat ik doen zal? Dat is mijn lust en mijn verlangen.’ Dat is het geheim van een biddende Christen. Het gaat om de dagelijkse omgang met de Heere. God hoort onze stem graag, gemeente, want daarin beluistert Hij het hart dat voor Hem klopt, een hart dat Hem wil dienen en een hart dat afhankelijk is van Hem. Daarin ziet Hij onze liefde en ons vertrouwen, onze afhankelijkheid en geloofsverwachting.

 

Wie het geheim van de binnenkamer kent, weet wat het is als de dichter zingt: ‘Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel.’ Nergens wordt God meer verheerlijkt, dan waar wij voor Hem neerknielen en ons klein maken, opdat Hij groot en heerlijk is en wij Zijn grote Naam prijzen. In de weg van het gebed ontvangen wij genade voor genade.

Bent u zo’n biddende Christen? En jij? In de ontmoeting met God leggen we heel ons hart voor de Heere bloot. We gaan met de Heere om zoals vrienden met elkaar omgaan.

 

U kent de uitdrukking wel:

Het gebed is de ademtocht van de ziel of de ademhaling van het geloof.

Het is duidelijk, als je niet ademhaalt, stik je. Zo is het ook met het geestelijk leven. Zonder de ademhaling van het gebedsleven verstikt het geestelijk leven.

Weet u wat zo erg is? Niemand hoeft aangespoord te worden om adem te halen, maar om te bidden moet de Heere ons wel voortdurend aansporen. God vordert het. Kent u dat woord? Hij vordert het gebed. Hij eist het gebed.

 

Het gebed is een liefdesgebod. Waarom? Het gebed is toch de spontane uiting van je hart? Het is toch geen dressuur? Het gaat toch om je eigen behoefte? Ja, dat is waar. Maar, gemeente, de Heere kent ons beter dan we onszelf kennen. De Heere weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Daarom zegt Hij: ‘Ja, maar het moet ook!’ Het is een mogen en een moeten. Het is een behoefte, zeker, maar we doen het tevens uit gehoorzaamheid. Als het gebed alleen maar aan onze behoefte zou worden overgelaten, dan zou het best wel eens kunnen dat we dagenlang bidden vergeten.

 

En daarom staat er:

Hij vordert het,

Hij gebiedt het, Hij beveelt het. Het is niet een zaak van kunnen of niet kunnen, maar het is levensnoodzaak.

Het is ook een groot voorrecht: u mag bidden. Is het geen wonder van genade, dat mensen zoals u en ik en jullie tot die grote en heilige God mogen naderen?

Jongens en meisjes, we hebben allen die uitnodigingsbrief ontvangen. Er is een God in de hemel, de Koning van de koningen en Hij is almachtig, Hij heeft alles in Zijn hand en regeert ons leven. En die God wil ons horen. Hij wil ons ieder uur van de dag ontvangen op audiëntie. Hij stuurt niet één van Zijn ministers, maar Hij is daar hoogstpersoonlijk.

Zijn troon staat altijd open en we mogen met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van Gods genade. Is dat geen wonder?

 

Wij hebben de deur dichtgedaan. Maar heeft God gezegd: ‘En toch krijg je een uitnodigingsbrief en toch mag je je mond opendoen en op Mijn trouwverbond schenk Ik, zo gij het smeekt, mild en overvloedig.’

Er is een geopende toegang is tot de troon van Zijn genade.

 

Wie heeft die toegang geopend? Dat heeft de Heere Jezus gedaan, de grote Hogepriester. Hij heeft het offer gebracht, het kruis verdragen. Hij heeft Zijn bloed gegeven tot betaling voor de zonde. Hij stond op uit de dood en is vol eer ten hemel gevaren.

Hij heft in de hemel Zijn doorboorde handen op voor Zijn Vader en zegt: ‘Vader, hier is het bewijs. Het offer van Mijn bloed is gebracht.’

Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade. Als je dat beseft, word je klein. Dan zeg je: ‘Heere, ik heb niet verdiend dat U dat gedaan hebt.’ Je trekt het boetekleed aan.

Niet met een grote omhaal van woorden. We hebben gelezen, dat de Heere Jezus de farizeeën bestraft, die op de hoeken van de straten met ellenlange, klinkende zinnen God staan te bidden.

 

Onze houding moet eerbiedig zijn. Onder je werk mag je wel eens ‘bidden met de pet op’, maar in de kerk zijn we eerbiedig en laten dat blijken in onze houding. Ons hart gaat dan uit tot God.

Dan kom je uit je kleine wereldje in de wereld van God, tot voor de troon van Gods genade, waar Christus is, waar de heilige engelen zijn. Is dat niet heerlijk? Dan gebruik je geen ijdel verhaal van woorden. Je ratelt niet aan één stuk door. Je bidt ook niet gedachteloos.

Wat ik u adviseer: als u alleen kunt zijn met God, zonder dat er anderen bij zijn, bid dan hardop, want dan word je het minst gestoord door allerlei invallende gedachten. Het houdt je geconcentreerd in je gebed tot God.

 

Stel je voor, jongens en meisjes, dat je bij de koning op audiëntie zit, en je praat met hem en ineens houd je je mond omdat je aan iets anders denkt. Dan vraagt de koning wat aan jou en dan moet je zeggen: ‘O, ik luisterde niet. Wat vroeg u eigenlijk?’ Of je bent halverwege een zin en je stopt gewoon. Je denkt aan iets anders en zegt opeens: ‘O, waar was ik ook al weer?’ Dat is raar.

Nu, dat is bij de Heere ook raar, want Hij is de Koning van de koningen. We moeten ons aanscherpen om eerbiedig en geconcentreerd te zijn in het gebed. Bidden is immers eerbiedig spreken met God, in alle ernst, uitstijgend boven je eigen kleine wereldje.

 

Je mag overgaan in een loflied, in aanbidding, zoals we dat ook lezen bij de bijbelheiligen. Meestal beginnen ze hun gebed met een dankbaar opnoemen van al de weldaden die de Heere geeft, om zo daaruit een groter vertrouwen te mogen krijgen op God. Is dat niet heerlijk? Bidden en danken horen bij elkaar.

 

Een vogeltje, waarvan één vleugeltje het niet doet, kan wel een beetje rondfladderen op de grond, maar hij krijgt zijn pootjes niet in de lucht. Als hij twee vleugeltjes kan gebruiken, ja, dan vliegt het omhoog. Nu is het ene vleugeltje de smeekbede en het andere vleugeltje de lofprijzing, de dankzegging.

Met beide vleugels komen we in contact en in gemeenschap met God.

 

Het gebed is het voornaamste stuk van de dankbaarheid.

Je gebed is ook niet alleen danken, waaruit zou blijken  dat je genoeg hebt aan de gaven en de Gever wel kan missen. Net als bij de tien melaatsen. Zij zeiden: ‘Heere Jezus, we zijn melaats. Wilt U ons reinigen?’ En de Heere Jezus doet het. Dan zijn er negen die aan hun genezing genoeg hebben en zo naar huis gaan. Eén komt wel terug uit dankbaarheid, hij wil leven met de Heere Jezus.

 

De Catechismus leert verder:

dat God Zijn genade en den Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Zijn genade en de Heiligen Geest hebben we het meest nodig voor het leven in gehoorzaamheid aan Gods geboden. Die krijgen we alleen maar door hartelijk bidden en zuchten. Alleen op het gebed.

Biddeloze mensen kunnen veel krijgen, maar één ding is niet te krijgen zonder gebed: genade en de Heilige Geest.

Dankbaar zijn, jawel, maar ook vragen om Gods genade.

Dat woord houdt in dat je het niet verdiend hebt waar je om vraagt.

Genade, je mag dat invullen als Gods goedgunstigheid, Gods vergevende liefde, dat het weer goed is tussen God en je hart, dat de Heere voor je zorgt.

Genade! Je hebt het niet verdiend. Het is voor rechtelozen, voor schuldigen, voor verloren zondaren.

Genade om te leven en genade om te sterven.

Genade voor ons dagelijks brood, maar ook voor het geestelijk manna, voor hongerigen.

 

Alle andere dingen zoals ‘eten en drinken en waarmede zullen we ons kleden, worden u toegeworpen,’ zegt de Bijbel. ‘Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God.’ ‘Hoe kom ik met God verzoend? Hoe krijg ik die genade?’

Genade! Dat betekent niet automatisch dat je veel verdient en nooit ziek bent. Het kan zijn dat je wel ziek wordt en dat de Heere dat ziekbed zegent om je dichter bij Hem te brengen. Dan is ziek-zijn genade van God.

Ook onverhoorde gebeden kunnen juist genade zijn. Wat vragen we soms niet aan de Heere! Je denkt soms later: ‘Wat ben ik toch dwaas geweest. Het is maar goed dat de Heere dat niet verhoord heeft.’ Hij weet veel beter wat we nodig hebben dan dat wij het weten.

 

De Heere kan ons zelfs dingen onthouden omdat Hij alleen weet wat goed voor ons is. In kastijding en beproeving zit ook genade. Als Elia beproefd wordt aan de beek Krith is dat genade van God. Het brengt dichter bij de Heere.

 

Zijn genade en Zijn Heilige Geest.

Moet de Christen dan nog vragen om de Heilige Geest? Die hebben ze toch al? Als je wedergeboren wordt krijg je toch de Geest? Als je een nieuw hartje krijgt, dan komt toch de Heilige Geest in je wonen? Ja, maar het gaat hier niet om de komst van de Geest, maar om de werking van de Heilige Geest in ons leven, dat de weldaden van Christus mogen worden toegeëigend. Daardoor word je geheiligd en Zijn beeld gelijkvormig.

Zonder de Heilige Geest is er geen genade. Genade en de Heilige Geest horen bij elkaar. Ze trekken samen op en worden alleen verkregen in het gebed. De Geest doet bidden om de Geest. Wonderlijk!

 

Met hartelijk zuchten, staat er.

Het gaat niet om mooie woorden. Weet u waar het om gaat? Dat u meent wat u zegt. Al is het nog zo krom, al kun je het nog zo slecht formuleren. Overigens mag je je er best in oefenen om de zinnen goed te formuleren. - Het gaat erom dat je het met je hart doet. Zuchtend een beroep doen op Gods hart, op Zijn mededogen, op Zijn ontferming.

U zegt: ‘Als je dat nu niet kunt, als je hart afkerig is en vol vijandschap?’ Dan zeg ik: ‘Leg dan dat afkerige en vijandige hart maar biddend neer voor de Heere, want Hij is machtig om door één druppel van Zijn bloed dat hart te doen breken en je te doen buigen en verlangen naar de Heere.’

 

Zonder ophouden.

‘Biddende te allen tijde,’ zegt Paulus. En Jezus zegt: ‘Volhardt in de gebeden, bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.’

Niet ophouden als de verhoring niet direct komt. We hebben er geen recht op. Als de Heere de verhoring niet geeft, dan kan dat wel eens leerzaam zijn. Je zegt: ‘Ja Heere, ik heb het ook helemaal niet verdiend.’

De weduwe uit de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter is daar een voorbeeld van. Als die vrouw aanhoudt en die man zegt tenslotte: ‘Ik zal je helpen’, zou dan God geen recht doen degenen die dag en nacht Hem daarom roepen?

 

Gemeente, als u niet direct verhoring krijgt van uw gebeden, bedenk dan hoe lang God op ons heeft moeten wachten? Hebben we niet jaren geleefd zonder dat we de Heere nodig hadden?

Veel mensen zeggen:

‘Ik heb al zoveel gebeden en ik heb nooit wat gekregen. Ik heb jarenlang gezocht, niets gevonden. Eindeloos geklopt, maar achter die deur was geen levensteken te bespeuren. Niemand reageerde. God is er niet.’

God hoort toch niet. Bidden heeft geen zin.

Waarom? Omdat er geen geloof is. Omdat we God niet voor waarachtig houden. Bidden is dan slechts vorm, een formaliteit. Er is geen levende gemeenschap met de Heere. Daarom ervaart men geen kracht, geen troost en ook geen uitkomst.

 

Wil dat dan zeggen, gemeente, dat je alleen maar bidden kan als je bekeerd bent?

Nee, dat wil het niet zeggen.

‘Opent uwen mond’,

De Heere zegt:

‘Ik had je alles willen geven, maar jullie hebben niet naar Mij geluisterd. Jullie zijn ongehoorzaam geweest.’

Tot iedereen wordt het geroepen. Onvoorwaardelijk. Opent uwen mond en bidt zonder ophouden.

 

We mogen niet knoeien in de intieme omgang met de Heere. Door één zonde kan het contact zo verbroken worden, zelfs door één zondige gedachte. Herkent u dat? David was een kind van God, maar door de schandelijke zonde met Bathseba werd het contact met God verbroken. Toen had bidden voor hem geen zin. Hij riep wel, maar God antwoordde niet, want het contact was verbroken. Totdat hij schuld beleed, toen antwoordde de Heere weer.

Zijn er misschien onbeleden zonden in uw leven? Onbeleden zonden zijn ook niet-vergeven zonden. Dan werkt het gebed niet.

Is er onverzoenlijkheid? Dan werkt het gebed ook niet. Dan doet het Woord geen kracht.

 

Daarom bidden en Hem daarvoor danken.

Ja, een gebed dat alleen maar vraagt zonder een danktoon is zelfzuchtig. Dat vogeltje met één vleugeltje kan nooit opstijgen in de lucht.

 

Bidden om wat we missen en danken voor wat we ontvingen.

Het kan zo donker niet zijn in uw leven, of er is altijd nog stof om de Heere te danken, want we leven nog, we zijn niet omgekomen door de honger.

Als je ziet wat je mist en wat een ander heeft! Ja, dan blijft de dank steken als een brok in je keel. Maar als je nu eens zien mag wat je ontvangen hebt en wat anderen moeten missen!

O, vergeet toch nooit één van Gods weldadigheden! Vergeet ze niet; het is God Die ze u bewees.

 

Wonderlijk, zelfs in verdrukking kan heel intens gedankt worden.

Kan dat? Ja! Waarom? Als God daarin meekomt. Als Hij het geloof beproeft en op echtheid toetst, dan kun je danken. Romeinen 5: ‘Wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop.’

Paulus en Silas, met gegeselde ruggen en hun voeten in het blok in de gevangenis van Filippi, zingen Gode lofzangen. Waarom? Jezus is in hun hart.

 

Gemeente, God heeft uw dank niet nodig. Maar zoals Hij het beste wat Hij heeft aan ons geeft, Zijn Geest, Zijn genade, Zijn Zoon, Die alles heeft verdiend, zo vordert Hij van ons hartelijke dankzegging.

 

Als het Koninkrijk Gods komt zal er eeuwige dankbaarheid zijn. Dan zullen we Gode voor onze verlossing eeuwig dankbaar zijn. Maar dat loflied en die lofprijzing moet hier worden geleerd.

 

We zingen eerst van deze God, uit Psalm 149 vers 1 en 5:

 

Looft, looft den Heer’, Dien, onbedwongen,

Een nieuw gezang zij toegezongen,

In ’t midden Zijner gunstelingen,

Die Hem ter ere zingen.

Dat Israël, met blijden klank,

Zijn milden Schepper loov’ en dank’;

Dat Sions kroost, met lofgejuich,

Zich voor zijn Koning buig’.

 

Zo zal de heerlijkheid der vromen

Op ’t luisterrijkst te voorschijn komen;

Zo schenkt Gods goedheid hun begeren;

Lof zij den Heer’ der heren!

 

Zondag 45 gaat over het gebed als het voornaamste stuk van de dankbaarheid. We hebben in de eerste plaats gezien waarom het gebed nodig is. Nu komt onze tweede gedachte:

 

2. Welk gebed voor God aangenaam is

 

Vraag 117:

Wat behoort tot zulk een gebed dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?

Eerstelijk, dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen.

Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen.

Ten derde, dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

 

 

Welk gebed is voor God aangenaam?

Wanneer we ons bidvertrek binnengaan, moeten we bedenken: ‘Tot Wie spreken we eigenlijk?’ We bidden tot de ene ware God, Die ons de uitnodigingsbrief heeft gegeven met daarin ‘Opent uwen mond.’

We moeten niet alleen bedenken tot Wie we spreken, maar ook wie we zelf zijn. Arme zondaars, grote zondaars.

 

In welke gestalte bidden we?

Dan noemt de Catechismus drie kenmerken: oprechtheid, ootmoed en vertrouwen.

Als de verhoring uitblijft, dan moeten we ons afvragen: ‘Was mijn gebed wel Gode aangenaam?’ Jakobus zegt: ‘Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt.’ Dat is bidden zonder vertrouwen.

De Catechismus wil richting geven aan ons gebedsleven. Ons gebed is voor God aangenaam als we de eer van God bedoelen.

 

Veel gebeden worden uitgezonden tot een onbekende, de voorzienigheid, het noodlot.

Het kan meevallen en het kan tegenvallen. Er is een kans op verhoring. Dan roepen we een afgod aan, maar niet onze God.

 

Hij Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.

Hij heeft gezegd:

Roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal u er uithelpen, en gij zult Mij eren.

Opent uw mond.

En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen. 

Zo heeft God zich in Zijn Woord geopenbaard.

 

We mogen niet zomaar een beetje in de ruimte vragen.

Nee, we moeten bidden naar het Woord, naar Gods beloften.

God vervult niet al onze wensen, maar wel al Zijn beloften.

 

De Heere Jezus leert aan Zijn discipelen het volmaakte gebed, het Onze Vader. Bidden is leven uit het Woord.

Niet ons spreken tot God, maar Zijn spreken tot ons is het belangrijkste. Ons spreken tot Hem is daar een antwoord op. Anders zou er geen pleitgrond zijn om bij de Heere aan te kloppen. Die brief, die uitnodiging, dat Woord, dat is de grond van het gebed. De toegang tot de genadetroon is geopend door het volbrachte werk van de Heere Jezus.

Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorg voor u. Gods beloften zijn in Christus Jezus ‘ja en amen’.

 

Wie bidt tot God zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard, die roept Hem aan in een gelovig gebed. Dat is de Heere aangrijpen op Zijn Woord en zeggen: ‘Heere, hier staat het.’

Het is net als dat jongetje of meisje bij de schildwacht aan het paleis van de koning, die zegt: ‘Ja, maar ik heb een brief. Kijk maar, mijn naam staat erin. Ik ben uitgenodigd.’

‘Heere, hier staat het in Uw Woord. Wat U belooft, dat zult U toch doen?’

 

Is dat praktijk van uw leven? Ik weet het, ons leven is gejaagd. Onze agenda’s zitten overvol.

Hebt u ook zo’n haast bij uw morgengebed? Geen tijd om in de stilte van de morgen eerst de Heere te zoeken voor u de dag begint en aan het werk gaat? Geen persoonlijke afzondering? ‘Ja, maar ik bid wel.’ Ja, misschien net even tussen de nieuwslezer op de radio in. Of dat de ander roept: ‘Hé, even stil, m’n bus gaat om 5 over 8!’ Ja, zo gaat het toch vaak?

Maar als dat nu het enige is, dan is het niet best gesteld. Want een dag beginnen zonder persoonlijk gebed, een dag zonder de gemeenschap met de Heere, is een verloren dag. Dan heeft de vijand vrij spel.

En ’s avonds, beëindigen we de dag voor Gods aangezicht? Met een dagboek en je Bijbel? Dankend voor alles wat Hij gaf? Belijdend alles wat we verkeerd gedaan hebben? Vertrouwend op Zijn genade en vergeving van zonden? Alles, ook de komende nacht, leggend in die trouwe Vaderhand van God?

 

Hoe moeten we dan bidden?

Het eerste kenmerk is oprechtheid. Je moet de Heere van harte aanroepen. Het zou toch wel erg zijn als je de Heere bidt en je meent er niets van.

Niet uit sleur, niet uit gewoonte, maar in volle ernst, zodat de Heere niet hoeft te zeggen: Dit volk genaakt Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.’

Komt dat bij u nooit voor in het gezin? Als je gegeten hebt en één wil van tafel: ‘O ja, hebben we nu eigenlijk gedankt of niet?’

 

Onze openbare gebeden, gemeente, moeten geen demonstraties zijn hoe goed en hoe mooi we kunnen bidden. Onze openbare gebeden moeten we evenmin gebruiken om een ander eens lekker een steek onder water te geven. Dat is heel erg goddeloos. Daar gruwt de Heere van. Dan is ons gebed toneelspel geworden.

 

De Catechismus zegt: ‘God ziet het hart aan.’ Is dat uw troost, dat God het hart aanziet? Toen Hanna neerboog in de tent der samenkomst, goot ze haar hart uit voor de Heere. Eli dacht dat ze dronken was en zei: ‘Hoe lang zult gij u dronken aanstellen?’ Maar Hanna zegt: ‘Neen, mijn heer, ik ben een vrouw bezwaard van geest; ik heb noch wijn noch sterken drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.’

Stort voor Hem uit uw ganse hart.

God is een Toevlucht t’ allen tijde.

 

Het tweede kenmerk is ootmoed.

Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht kennen.

Wij zijn zulke hoogmoedige mensen, gemeente, dat God het nodig vindt dat wij onze nood leren kennen. De Catechismus zegt: ‘Bedenk eens wie je zelf bent, dat je een grote zondaar bent en dat je al de weldaden die je van God vraagt, niet hebt verdiend.’

Bid maar ootmoedig: ‘Heere, ik heb het niet verdiend, maar wilt u het uit genade schenken?’

Zo wil de Heere ons aan Zijn voeten hebben, in ootmoed, klein denkend van onszelf en groot denkend van Hem. De ontdekking aan onze nood en ellende maakt ons klein, ootmoedig.

Dit offer kan Uw heilig oog behagen.

Een verbroken hart en een verslagen geest.

Zoals de tollenaar in de tempel, die Zijn hoofd niet durfde opheffen naar de hemel en op zijn borst sloeg als teken van zelfaanklacht. ‘O God, wees mij zondaar, genadig.’ Ootmoed wordt geboren als we zien dat onze zonden God smart aandoen en dat wij Hem daarmee onteren. Hij wordt daarin verheerlijkt en wij vernederd.

Het gebed is niet dat Hij niet weet wat wij nodig hebben, maar het is voor ons bedoeld, opdat wij weten en leren wat wij nodig hebben.

We bidden niet in de eerste plaats om stoffelijke noden, maar in geestelijke nood, om bekering van hart.

 

Wie zal zijn nood en ellende tot op de bodem kunnen peilen?

Is dat uw probleem, uw belijdenis?

‘O God, ik heb me verkocht aan de boze! Ik heb alle rechten verkwanseld. U doet mij geen onrecht als U mij laat in mijn nood en ellende. Och, dat Gij de hemelen scheurdet.’

Dan mag je een beroep doen op Gods barmhartigheid, op Zijn Woord.

‘De Heere hoort de nooddruftigen.’ Dat is Zijn uitnodigingsbrief. Dat maakt ootmoedig. Zoals Abraham neerboog voor de Heere: ‘Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben.’ Of zoals Daniël: ‘Bij U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten.’

 

Het derde kenmerk van het gebed dat de Heere aangenaam is:

vertrouwen.

Want, wat is bidden zonder vertrouwen?

‘Ja’, zegt u, ‘als ik nu eens echt kon bidden, dan zou ik wel geloven dat God mij hoort.’

Wat is echt? Welk gebed is het waard om verhoord te worden? Als u dat in uzelf zoekt, dan hebt u het ‘om Christus’ wil’ niet meer nodig. Begrijpt u? Dan zoeken we steun in de waardigheid van ons gebed.

Er is een vastere grond. De enige grond van de gebedsverhoring is Christus, zegt de Catechismus. Louter om het offer van Christus, om de doornenkroon die Hij droeg, om het kostbaar bloed dat Hij aan het kruis heeft vergoten. Hij heeft alles volbracht.

 

Hebt u gestolen? Overspel gedaan? Gevloekt? Bent u verslaafd?

Christus zegt: ‘Zie op Mij!’

Kom ermee tot God! Om Jezus’ wil, wil Hij genadig zijn.

God was de tollenaar genadig. Waarom zou Hij dan ons niet genadig zijn? Als zo’n dief nog een nieuw leven kon beginnen, dan kunt u dat toch ook?

O, leg uw gebedsnood in de doorboorde handen van deze Hogepriester. Dan zult u ondervinden dat God hoort. Om Christus’ wil zal Hij zekerlijk horen, om Zijn voorbidding. Hij is de Hogepriester in de hemel, Die zegt: ‘Vader, Ik heb alles betaald. Zie Mijn doorboorde handen.’

Augustinus zegt: ‘Christus is onze mond om tot God te gaan.’

Zijn voorbede op grond van Zijn offer is voldoende pleitgrond voor uw gebed. Dat is de vaste grond van het vertrouwen. Daarom zeggen we: ‘Om Jezus’ wil.’

 

Dan komt daar nog bij:

gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

 

Hij is de belovende God, Die zegt:

‘Zoekt Mij en gij zult Mij vinden.’

‘Op uw noodgeschrei doe Ik grote wonderen.’

Hij heeft het beloofd.

Zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.

 

Daar mag u de vinger bij leggen. Wie ziet op het offer van Hem, kan in zijn hart het vaste vertrouwen ervaren dat God verhoring schenkt.

De Heere kan soms heel anders verhoren dan dat wij bedoelen, maar dan is het toch een gebedsverhoring. Dan is God toch goed.

 

Mist u dat vertrouwen? Wat scheelt er dan aan uw gebed? De beloften in het Woord zijn echt. Daar kan het niet aan liggen. Waar ligt het dan aan? Bidden we wel oprecht en ootmoedig? Belijden we onze zonden wel eerlijk?

Of houden we bepaalde zonden aan? Dan worden onze gebeden verhinderd. Niet-beleden zonden, gebrek aan vergevingsgezindheid, verhinderen onze gebeden tot God.

 

Het is arm om te bidden: ‘Heere, ik vraag het U wel, maar U zult het wel niet geven.’ Al twijfelende, zonder vertrouwen.

Gemeente, er is een vaste grond. Gods Woord is ons houvast.

 

3. Wat wij van God mogen bidden

 

Tot slot antwoord 118.

Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.

De Heere Jezus vat al de geestelijke en lichamelijke nooddruft samen in het Onze Vader.

Onze geestelijke nood is de grootste nood, want al die andere dingen worden ons toegeworpen.

Er staat in Gods Woord dat de Heere wil horen die oprecht en ootmoedig en vertrouwend tot Hem komt.

 

Paulus bad driemaal om het verwijderen van een doorn in zijn vlees, maar de Heere zegt: ‘Nee, Paulus, dat heb je nodig om je klein te houden. Mijn genade is u genoeg.

We moeten het in de hand van de Heere geven. Niet alle zieke mensen worden beter, ook al bidden ze erom. God gaat Zijn weg. Hij regeert. Als wij het niet begrijpen zeggen we toch: ‘Uw wil geschiede.’

Maar voor onze geestelijke nood heeft de Heere Zijn beloften gegeven. Dan mag je de Heere niet vrijlaten, want ‘belofte maakt schuld’.

U mag het kostbare bloed van Christus niet onrein achten. De geweldenaars nemen het Koninkrijk der hemelen met geweld.

 

Daarom, jongens en meisjes, als je vraagt om een nieuw hart, als je vraagt om bekering, dan mag je niet zeggen:

‘Ja Heere, ik vraag het, maar als ik niet uitverkoren ben, dan kunt U het natuurlijk niet doen.’

God rekent niet volgens ons dogmatiek.

De Heere zegt:

‘Al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij het smeekt.’

Buig maar en bid en zie op het offer van Christus. Bid: ‘Om Jezus’ wil.’

‘Geloof dat Ik doe wat Ik zeg en laat Me niet los.‘

Zoals Jakob worstelende aan de Jabbok. Zeg hem na:

‘Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.’

 

Gevouwen handen, gemeente.

Levenslang, in oprechtheid, ootmoed en vast vertrouwen.

Wat heerlijk dat we onze Bijbel hebben waarin we lezen Wie God is!

Wat heerlijk om God te mogen kennen en gemeenschap met Hem te mogen oefenen!

Wat heerlijk dat we een kerk hebben en dat we hier ’s zondags mogen samenkomen onder dat heerlijke evangeliewoord van de Heere Jezus Christus.

Dat zondaren mogen komen tot Christus en door Hem mogen gaan tot de Vader.

Dat Zijn doorboorde handen nog steeds druppen van bloed, van borgbloed, dat Hij laat komen in harten van zondaren, opdat ze gebroken van hart en verslagen van Geest tot Hem vluchten en ziende op Zijn offer mogen zeggen:

‘Heere, doe gelijk Gij gesproken hebt. Om Jezus’ wil!’

 

Amen.