Ds. B. Labee - Psalmen 8 : 5

Gods vinger en het werk onzer hand

Davids overdenking
Davids verwondering
Davids lofprijzing

Psalmen 8 : 5

Psalmen 8
5
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 1
Lezen : Psalm 8
Zingen : Psalm 8: 4, 5, 6, 9
Zingen : Psalm 144: 2, 7
Zingen : Psalm 148: 5

Gemeente, het uitgangspunt voor de prediking is het vijfde vers van Psalm 8. Er staat daar:

Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

We beluisteren in Psalm 8: Gods vinger en het werk onzer hand.

 

Onze aandachtspunten zijn:

1. Davids overdenking

2. Davids verwondering

3. Davids lofprijzing

 

1. Davids overdenking

Psalm 8 is gemaakt door David, de koninklijke zanger. Calvijn schrijft dat ongeveer de helft van ons psalmboek gedicht moet zijn door David; of het nu boven de psalm staat of niet. Bij ongeveer vijftig psalmen wordt het aangegeven, maar Calvijn zegt: ‘Er zijn er zeker vijfentwintig andere psalmen die ook aan David moeten worden toegeschreven.’

Bij Psalm 8 is het geen vraag, want er staat boven: Een Psalm van David, voor den opperzangmeester. De opperzangmeester was de koorleider; hij was de man die in de tabernakel en in later tijd in de tempel, leidinggaf aan de zangers en aan degenen die op de muziekinstrumenten speelden.

Vervolgens staat in de aanhef van de psalm het vreemde woord: Gittith – op de Gittith. De kanttekening vermeldt: ‘Dit houden sommigen voor een zekere toon.’ Er zijn ook uitleggers die denken dat de Gittith een instrument is geweest voor het spelen en zingen van psalmen. Het Hebreeuwse woord Gath, waarvan Gittith schijnt te zijn afgeleid, is de naam van een stad van de Filistijnen, maar betekent ook wijnpers of oliepers.

Sommigen menen uit de inhoud van de psalm te mogen opmaken dat hij gemaakt is om gezongen te worden als een dankpsalm tijdens de wijnoogst. Een psalm, die dus gezongen werd terwijl de oogst werd binnengehaald.

De wijnoogst was de laatste oogst in Israël. Als de druiventrossen getreden werden, geperst werden, en de wijn in grote bakken liep en in vaten werd opgevangen, dan zong men deze psalm. Het is dus een dankdagpsalm, menen onze vaderen, en we volgen hen hierin graag. Wat zijn het gepaste woorden! U begrijpt dan waarom deze psalm begint met een lofprijzing en ook eindigt met een lofprijzing.

Tussen de verzen 2 en 10, waarin die lofprijzingen staan, spreekt David over God en de mens; over Gods vinger en over het werk van onze hand. Hij wijst er dan op Wie de Heere is: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, Die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen. Heere, Uw majesteit is onbegrijpelijk en oneindig. Wat bent U groot, oneindig hoog en majesteitelijk, verheven.

Gemeente, het wonderlijke in deze psalm is dat die grote, die hoge, en verheven God met mensen te doen wil hebben. Is het ook voor u een wonder, dat de Heere met mensen te doen wil hebben? David zegt het zo: Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. Het is een wonderlijke wending in deze psalm.

Jongens en meisjes, de grote Schepper wil met kinderen van doen hebben. Ja, zelfs met heel kleine kinderen, met baby’tjes, met zuigelingen. Misschien heb je wel een broertje of zusje thuis, een zuigeling, die alleen nog maar uit de fles drinkt of bij je moeder drinken mag. En nu lezen we in deze psalm over die grote en verheven God en over kleine kinderen en baby’tjes. De Heere wil met kinderen, met zuigelingen, te doen hebben. De Heere heeft jullie geboren laten worden en de Hij heeft steeds voor jullie gezorgd. Hij gaf je kracht om te leren rekenen en tekenen. En je kunt lezen.

Vind je dat niet een wonder? Zijn jullie daar niet erg dankbaar voor? Zeg je: ‘Heere, wat bent U goed voor mij, dat ik naar school mag gaan en dat ik mijn schoolwerk mag doen, dat ik verstand heb gekregen om iets te leren, een psalmversje bijvoorbeeld, en om bezig te zijn met de dingen van elke dag?’

Nu moeten jullie eens goed opletten: de Heere zegt nog iets. Hij zegt niet alleen dat je dat alles van Hem gekregen hebt en daar dankbaar voor mag zijn, maar er staat: Gij hebt sterkte gegrondvest.

Gemeente, weet u wat David hiermee bedoelt?

Wel, dat het in ons leven erom gaat, ook op de dankdag, dat onze mond vol is van God, dat we God lof toezingen en Hem danken. En dan belooft de Heere dat Hij uit de mond van kinderen en zuigelingen Zijn lof zal laten klinken.

Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. Wat betekent dat precies?

Het wil zeggen dat kinderen, baby’s en zuigelingen, zullen zeggen wie de Heere voor hen is, en over Hem zingen.

Gemeente, kan dat? Dat is toch onmogelijk? Hoe kan nu een kind, hoe kan nu een baby’tje de lof van de Heere verkondigen?

Ja, dat kunnen we met ons verstand niet begrijpen. Maar de Heere zegt: ‘Dat zal Ik doen. Kinderen die er nauwelijks besef van hebben, zullen Mijn lof gaan vertellen. Ik zal uit hun mond laten horen dat Ik de levende God ben. Zuigelingen zal Ik brengen tot de lof des Heeren.’

Verlangt u daarnaar? Jongens en meisjes, verlang je ernaar dat je de Heere groot mag maken? Er zijn vroeger kinderen geweest, sommige heel klein, die de Heere liefhadden en die ernaar verlangden om altijd over de Heere te zingen. Sommigen van hen zijn jong gestorven. Ik denk dat het nog weleens gebeurt, al horen we er niet zoveel van.

Verlang jij daar ook naar? Heere, mag ik U liefhebben, dienen en loven? Wilt U geven dat ik geen lelijke woorden zeg? Maar mag ik goed van U spreken? Dan ga je dankdag houden. Vraag om een nieuw hart, jonge mensen, zodat je de Heere mag vrezen en dienen.

Gemeente, de Heere zal Zijn lof laten horen uit kindermonden. De hoge, verheven God, Die David aanspreekt met die heerlijke naam Heere, Die zal uit de mond van zuigelingen en kinderen Zijn lof doen verkondigen.

Kinderen zullen Hem groot maken. Wat kunnen zij je soms beschamen als ze daar iets over zeggen! Zomaar van die eenvoudige uitspraken. In onze psalm staat dat kinderen Gods lof zullen verkondigen. Straks in de hemel. Ja, jongens en meisjes, er zullen straks in de hemel heel veel kinderen zijn. Denk je daar wel eens aan? Het zijn de jonggestorvenen die eeuwig zullen zingen van Gods goedertierenheên. Er zullen jongeren zijn in het nieuwe Jeruzalem en zij zullen eeuwig God groot maken, Zijn lof verkondigen en eeuwig dankdag houden.

Ouders, is dat ook uw diepste verlangen? Is het uw diepste verlangen op de dankdag: ‘Heere, mogen mijn kinderen, mijn kleinkinderen – als de Heere ze u gaf – U groot maken en U verheerlijken?’ Ouders, bent u een voorbeeld, ben u een voorzanger voor uw kinderen? Speekt u weleens met uw kinderen over de Heere?

In het Nieuwe Testament, in Mattheüs 21, zien we een voorbeeld van het zingen van kinderen. Toen de Borg Zijn intocht maakte in Jeruzalem heeft de schare gezongen: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! Als de Heere Jezus daarna in de tempel is, zijn daar kinderen. Ze hebben dat zingen van de schare gehoord. Misschien hebben ze zojuist wel mee gehuppeld, Jeruzalem in, en meegezongen met die schare. De schare is allang weer stil, maar de kinderen zingen dan nog steeds: Hosanna den Zone Davids! (Matth.21:15).

De farizeeën worden dan heel boos, maar de Heere Jezus zegt: Hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid? (Matth.21:16).

Weet u, als de Heere lof wordt toebereid, dan moeten lasteraars, op wraak beluste mensen, vijanden van God, mensen die alleen maar met boze gedachten over de Heere rondlopen, weleens een ogenblik zwijgen.

Leeft dat in uw hart? U bent in de kerk op dankdag. Weet de Heere wat er in uw hart leeft? Bent u dankbaar? Ben jij dankbaar?

Gisteren zei een oudere van de gemeente tegen me: ‘We hebben het zo goed. We zijn rijker dan ooit tevoren. We hebben minder zorgen.’ Gemeente, of het nu economisch goed gaat of dat er tegenwind is, er is hier niemand die van de honger hoeft te sterven. Maar die oudere zei: ‘Ik weet nog van de tijd dat die vrees er wel was: in de hongerwinter. Toen waren we bang dat we sterven gingen, sterven van de honger. Maar nu? Ik geloof dat we nog nooit zo ondankbaar geweest zijn als in de eeuw waarin we nu leven.’

Wat is dat aangrijpend! Bent u wel dankbaar voor uw voedsel en kleding, voor uw inkomen, dankbaar voor gewas en arbeid? Bent u dankbaar dat het Woord des Heeren van week tot week gelezen of gepredikt wordt? Zijn wij dankbaar?

Maar nu zegt David in vers 3: ‘Uit de mond van kinderen en zuigelingen zal God de dank en de lof worden toegebracht.’

Gemeente, bent u dankbaar en zingt u de Heere lof toe? Zal dit ook uit jullie mond te horen zijn, jongens en meisjes? Klinkt die lof ook uit onze mond? En dan niet alleen uit onze mond, maar echt uit het hart, vandaag en al de dagen van ons leven?

David zegt: ‘Dat zál gebeuren.’ Maar het zal niet uit ieders mond klinken. Dat is aangrijpend! Want als u op aarde nooit dankdag leert houden, wat zult u dan in de hemel moeten doen? In de hemel is het altijd dankdag. Daar looft en dankt men altijd zijn Schepper. Daar zal de mond van elke vijand gestopt worden – en dan voor eeuwig.

David ziet nog meer wonderen van God. Niet alleen dat kinderen en baby’tjes Gods lof zullen verkondigen, maar hij zegt in vers 4: Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt. David is op het paleisdak. Hij denkt daar niet alleen over de aardse dingen. U moet bedenken dat hij een klein kind verloren is in zijn leven. Onze jongens en meisjes weten het wel: dat kindje was uit overspel geboren. Het is op jonge leeftijd gestorven. Toen geloofde David dat dat kleine kindje eeuwig zou zingen van Gods goedertierenheid. We horen hem zeggen: Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen (2Sam.12:23).

David staat op het dak van zijn paleis. Het is avond geworden, hij kijkt omhoog en ziet de maan en de sterrenhemel. Hij denkt: Heere, dat is óók het werk van Uw vingers. Dit is nog een reden om dankdag te houden. David roept dan uit: Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt.

Er wordt in de Bijbel vaak mensvormig over God gesproken. We lezen regelmatig over Gods vinger. Dan denk ik aan die tovenaars in Egypte na de plaag van de luizen. Luizen, het zijn kleine diertjes, ze zitten overal op en in. De tovenaars roepen dan uit: Dit is Gods vinger (Ex.8:19). Ze zien Gods hand in die plaag.

Op een andere plaats lezen we dat de Heere op de berg Sinaï met Zijn vinger de Tien Geboden, Gods Heilige Wet, op stenen tafelen schreef. En in onze psalm horen we David zeggen: ‘Heere, het is Uw scheppende vinger, al die onmetelijk grote hemellichamen, de sterren, de planeten, de maan, U hebt ze alle met Uw vingers gemaakt.’ Het is alsof David het nog een keer wil zeggen: ‘Heere, hoe groot zijt Gij!’

Een dankdagpsalm. David mag zien op kinderen, op zuigelingen. Hij ziet op naar de hemel en roept uit: ‘Heere, het zijn allemaal redenen om U te danken. Dit alles is het werk van Uw vinger. Hoe groot zijt Gij!’

Toen de Heere de maan en de sterren schiep, waren zij in vergelijking tot die almachtige God klein. Zo klein, dat de Heere ze als het ware met Zijn vinger moest formeren, scheppen. Gemeente, daar moet u eens over nadenken! De kleinste ster is onmetelijk veel groter dan deze aarde. Maar David zegt nu: ’Ze zijn heel klein voor die grote God.’

Het is natuurlijk beeldspraak. De Heere had er slechts Zijn vingers bij nodig. Niet Zijn handen, maar Zijn vingers. ‘Zo groot bent U, Heere!’

Gemeente, kijk eens naar de schepping. Zij is ook het werk van Gods handen. Hij heeft haar met zorg gemaakt. Misschien is er wel iemand in de kerk, die denkt: ‘Zou er wel een God zijn?’ Misschien, jongere, word je daar weleens mee aangevallen. Misschien door je studie of op de plaats waar je werkt, waar niemand in God gelooft. Dan kan die bange vraag zomaar opkomen: ‘Zou er wel een God bestaan?’

Ook Gods kinderen kunnen daarmee aangevallen worden. Als Satan ze in zijn macht heeft, kunnen ze zich afvragen: ‘Zou er wel een God zijn? Zou God wel van mij weten?’ Als Satan u in zijn greep heeft en het is nacht in uw leven, kijk dan tijdens zo’n slapeloze nacht bij helder weer maar eens omhoog, en vraag dan maar om een kinderlijk geloof.

David kijkt omhoog. Hij kan het met zijn verstand niet begrijpen, maar voor hem is waar wat de apostel Paulus schrijft: Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden (Hebr.11:3). Heere, hoe groot zijt Gij!

David mag Gods hand zien in de schepping. Als hij om zich heen kijkt ziet hij kinderen en zuigelingen. Als hij naar omhoog kijkt, ziet hij het werk van Gods scheppende vinger. Dan roept hij het vol verwondering uit: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

Mag u zo op deze dankdag overdenken wie de Heere is? ‘Heere, wat bent U toch goed dat U dit alles gaf, al die tijdelijke en aardse zegeningen.’ Misschien was het wel moeilijk en moest u een stapje terug doen. Misschien denkt u: Ik weet niet of ik aan het werk kan blijven. Misschien zijn er hier wel ondernemers die zich afvragen hoe het zal gaan in de toekomst.

Misschien denkt een jongere: Zal ik ooit wel kunnen trouwen? Zal ik wel aan een woning kunnen komen? Want dat wordt steeds moeilijker. Maar nu vraagt de Heere: ‘Heeft het je aan iets ontbroken?’

Gemeente, wat u nu bezit, heeft u dat verdiend? Heeft de Heere u ooit laten zien wat u echt verdiend hebt? Als de Heere ons zou dagen voor het gericht met Hem, als de Heere onze ogen opent voor wat we ons waardig maken, dan hebben wij allen de dood verdiend, de vloek verdiend, de eeuwige toorn. Dan hebben we wat we kregen helemaal niet verdiend.

Zit u zo in de kerk? Wie ben ik eigenlijk, Heere, dat U zo goed voor me zorgt? Dat ik zoveel goeds gekregen heb, terwijl ik toch een slecht mens ben?

Ik steek af naar de diepte, want David bedoelt met onze tekstwoorden natuurlijk oneindig veel meer. De kanttekening bij vers vijf wijst hierop: ‘Door dit denken en bezoeken Gods wordt voornamelijk verstaan het ganse genadewerk in de Messias, onze Heere Christus, de vervallen mens bewezen.’

David zegt dan: ‘Wat is de mens, dat U aan hem denkt?’ De mens, die dat niet verdiend heeft. We zijn van God, onze Schepper, Die alles zo heerlijk geschapen heeft, afgevallen. We hebben niet verdiend dat we nog een plekje hebben op deze aarde, dat de Heere ons nog niet liet sterven, dat Hij ons niet weggedaan heeft, dat Hij nog zo goed voor ons zorgt! Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben (Klaagl.3:22). Maar David zegt nog meer: ‘Heere, U hebt ook aan mij gedacht.’

Gemeente, heeft de Heere ook aan u gedacht? Nu bedoel ik niet alleen het aardse en tijdelijke leven. Heeft de Heere u bezocht? Er zijn heel wat preken gehouden tussen biddag en dankdag. Is er een geestelijke zegen in uw leven gevallen? Want het is een Bijbelse uitdrukking dat de Heere gedenkt aan mensen.

Kun je dat weten?

Ja! Er staat in de Bijbel dat de Heere gedacht aan Zijn volk Israël, toen ze in Egypte waren. Onze jongens en meisjes weten wel dat het volk van Israël afgebeuld werd in Egypte – ze waren slaven. Maar dan staat er: En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob (Ex.2:24). Toen bezocht de Heere Israël en verloste hen uit dat slavenhuis.

Denkt de Heere ook aan u? Dat kunt u weten. Dan bezocht Hij u. U ziet dan dat u in een slavenhuis zit. Is dat gebeurd door de prediking van het Woord? Heeft de Heere gesproken tot uw ziel? Heeft de Heere bij het licht van Zijn Geest laten zien dat u gevangen bent, en dat u er nooit meer uit eigen kracht uit kunt komen? Dat u nooit uzelf kunt verlossen? Heeft de Heere u toen, net als dat volk in Egypte, verlost uit uw slavenhuis? Zacharias sprak hierover: Met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte (Luk.1:78). Dat was de vinger van de Heere in het leven van Zacharias.

Heeft het de Heere behaagd Zijn Zoon in u te openbaren?

Wij leven in Gods schepping. Wij zijn schepselen van Gods hand. Wij zijn door de Heere geschapen, maar heeft de Heere u ook hérschapen? Is er een wonder gebeurd in uw leven? Of heeft de Heere het afgelopen seizoen weer voor u gezorgd maar bent u onbekeerd gebleven? Wat is dat aangrijpend!

David mag in verwondering zeggen, dat de Heere hem bezocht heeft. ‘Wat is de mens, wie ben ik Heere, dat U aan mij gedenkt? Wie ben ik toch, een zoon van Adam, een sterveling, en U hebt mij desondanks bezocht?’ Als dit niet gebeurd is in uw leven, moet u vandaag maar smeken: ‘Heere, zegen mij tot mijn eeuwig behoud! Wilt U mij bekeren?’

Kom, gemeente, smeek om dat wonder! En als de Heere Zich niet onbetuigd heeft gelaten, mag u dan instemmen met David: ‘Wie ben ik dat U aan mij gedenkt? Wat is de zoon des mensen, dat U hem bezoekt?’

We overdachten met David Gods grootheid, maar we haasten ons naar onze tweede gedachte:

 

2. Davids verwondering

Wat zijn wij klein als wij zien op onze Schepper, die grote God. Kijkt u weleens naar de sterren, en denkt u dan weleens aan de psalmen? Bijvoorbeeld aan Psalm 147 waar staat: Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze alle bij name (Ps.147:4). Leest u ook maar in Jesaja 40: Heft uw ogen op omhoog en ziet Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.

Let dan op het wonder van dankdag: God, Die al die onmetelijk grote hemellichamen als met Zijn vinger maakte, wil denken aan ons kleine mensjes. Wat kun je je klein voelen in zo’n grote wereld! Onder die grote sterrenhemel! De Heere wil kleine mensjes bezoeken. Niet om ze te verteren, maar Hij wil ze bekeren. De Heere wil naar Zijn verkiezend welbehagen met die kleine mensjes van doen hebben! Hij wil ze bekeren, Hij wil ze onderwijzen, Hij wil ze stellen tot een lof op deze aarde. God zette de mens in Zijn heerlijke schepping met een taak, met een opdracht.

Gemeente, we hebben gelet op Gods vinger in de natuur en in de genade, maar de Heere heeft ons ook een taak gegeven in Zijn schepping. We hebben allemaal, jong en oud, een taak op aarde gekregen. Wij hebben allen een opdracht van de Heere gekregen, een hoge plaats. En ondanks de zondeval is die taak niet veranderd. Arbeid is geen vloek. Integendeel – arbeid is een zegen.

Arbeid was er al voor de zondeval. Toen vertrouwde de Heere al het werk van Zijn hand toe aan Adam. De Heere zei tegen hem dat hij het paradijs moest bebouwen en bewaren. Samen met Eva moest hij in die hof werken. Zij hebben hun taak al voor de zondeval verricht. Arbeid is al zo oud als de wereld.

Na de zondeval kwamen de moeiten. Toen moesten we werken in het zweet van ons aanschijn, toen groeiden er doornen en distelen, toen ging het niet meer vanzelf. Dit is de reden dat het kan spannen op uw werk. Misschien valt uw werk u lichamelijk zwaar, misschien psychisch. Misschien is uw werk een heel zware belasting en bent u bang voor een burn-out. Ja, dát zijn de gevolgen van de zondeval.

Wij lezen in vers 6 over de taak die wij hebben op de aarde: Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond.

Hoort u het? De mens is beelddrager van God. We zijn geschapen in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Een beetje minder dan de engelen. Dat wil zeggen: De engelen, de niet-gevallen engelen, bewonen de hemel der heerlijkheid, maar de mens mag de aarde bewonen, bebouwen en bewaren. Een heerlijke plaats. Hij heeft als taak over de schepping te heersen. Dat staat in vers 7: Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet.

We hebben de heerschappij over de aarde. Wij hebben een taak in de wereld. Je mag niet lui zijn. Bent u een ijverige werknemer? Daar heeft de Heere recht op. We hebben een taak in ons gezin. Die taak heeft de Heere ons gegeven. Jonge mensen, je moet met je talenten woekeren. Dat is een opdracht van de Heere; dat is het werk van onze hand, dat de Heere ons geeft.

Gij hebt alles onder zijn voeten gezet, volgt dan in vers 7. Wat betekent dit?

In vers 8 en 9 worden een paar voorbeelden genoemd: Schapen en ossen, die alle; ook mede de dieren des velds. Het gevogelte des hemels en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt. De mens mag heersen over kleinvee en over grootvee, over de wilde dieren en over de vissen in het water en de vogels in de lucht. De mens is onderkoning onder God. Hij is het pronkjuweel van de schepping, rentmeester op aarde, onderkoning onder God.

Gemeente, kwam u er al achter? Kwam jij er al achter, jongere, dat we allemaal wel koning willen zijn, als koning willen heersen. We willen allen rijk zijn, veel bezit hebben. Koning willen we wel zijn. Maar willen we ook onderkoning zijn onder God? Bent u er al achter gekomen, dat we in ons verbondshoofd Adam ellendig diep gevallen zijn?

De meesten van ons beseffen dat niet eens! Heeft Gods Geest u laten zien hoe dwaas u bent? U hebt weer een seizoen gewerkt. Er zijn geen ijveriger mensen dan christenen. U loopt er niet de kantjes van af. De Heere gaf u een taak in uw gezin, in uw werkkring. Je mocht studeren. We zijn geen luie mensen! Maar kwam u er al achter dat we het doel vaak vergeten zijn? Want het doel is niet om carrière te maken, het doel is niet om rijk te worden, het doel is niet om belangrijk te worden.

Geliefde gemeente, het doel moet zijn om uw Schepper te eren, te loven en te prijzen.

Jongens en meisjes, als je ’s morgens naar school fietst, verlang je dan naar de Bijbelvertelling van de juf of de meester? Verlang je ernaar te horen dat de Heere kinderharten, die naar Hem zijn opgeheven, zoekt? Gemeente, leeft het in ons hart: ‘Heere, mag ik U bedoelen in het werk dat ik mag doen? Mag ik U bedoelen bij de taak die U me gaf in deze wereld? Mag ik U loven, mag ik U prijzen?’ Want de Heere heeft ons geschapen om Zijn lof te verkondigen op aarde.

Is het u al tot smart geworden, als u zo niet leeft? Dat we zomaar een beetje op deze aarde zwerven en dat we niet eens weten wat we hier moeten doen? Dat we alleen maar bezig zijn met de dingen van het hier en nu, en dat we vergeten zijn dat alles om ons heen verwijst naar de grote Schepper, Die het zo waard is om geprezen en geloofd te worden? Hij onderhoudt alles, Hij houdt Zijn schepping vast als met Zijn hand, opdat we Hem gaan zoeken, opdat we de Zoon des mensen zouden benodigen.

Psalm 8 is ook een Messiaanse psalm. Als er in vers 5 gesproken wordt over ‘de zoon des mensen’, dan mag u ook in die ‘zoon des mensen’ zien op Hem, Die naar deze aarde kwam, geboren is in een beestenstal, om verworden Adamskinderen te bekeren, te vernieuwen.

Paulus schrijft: Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt? Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen. Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Doch nu zien wij nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn; maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou (Hebr.2:6-9)

Gemeente, wat is het een wonder dat we nog zijn in het heden der genade. We zijn allen zonen of dochters der mensen en we beantwoorden niet aan het hoge doel waartoe de Heere ons heeft geschapen. Het is dankdag en we moeten belijden dat we de Heere niet danken, zoals Hij het waard is.

Maar daarin hoeven we niet te blijven steken. Kom, zou je niet bidden, zoals je het nog nooit gedaan hebt, om die Zoon des Mensen te leren kennen? Hij is op aarde gekomen, Hij heeft Zich vernederd. Hij is minder geworden dan de engelen. Hij is de gewillige Knecht des Vaders, Die geboren wilde worden voor verloren zondaren. Hij is gekomen om hen op te rapen uit de modder van de zonde, om hen te bekeren. Hij maakt zondaren zalig opdat ze Gods lof weer zouden verkondigen, eeuwig en altoos.

Wij zijn afkerige zonen en dochteren. Bent u er al achter gekomen dat al het werk dat we deden met veel zonden was en te kort? De kroon is van ons hoofd gevallen. Hebt u Hem al leren kennen, Die met eer en heerlijkheid gekroond is? Die voor Zijn Sion een kroon verworven heeft?

Kinderen des Heeren, mag u Hem kennen, Die alles betaalde om aan het recht des Vaders te voldoen? Hij heeft de deugden van Zijn Vader opgeluisterd. Jezus heeft het werk, dat te doen was, volkomen volbracht. Hebt u nog genoeg aan het hier en nu of is het uw uitzien Hem te leren kennen?

Door genade zijn er mensen die met Christus erfgenaam zijn van de eeuwige heerlijkheid. Die mensen hebben toekomst. Zij weten: Ik ben wel op deze aarde, maar ik zal er niet altijd zijn, want ik ben op reis naar het Vaderhuis om eeuwig de heerlijkheid van de Schepper te zien. Ze moeten weleens zien hoe Gods schepping aangetast is, en verworden is door onze zonden, maar bij tijden mogen ze geloven, dat Hij, de Zoon des mensen, alle dingen nieuw zal maken.

Over die verwondering gaan we zingen uit Psalm 144 vers 2 en 7:

 

            Wat is de mens? Wat is in hem te prijzen?

            Dat Gij, o Heer’, hem gunsten wilt bewijzen;

            Dat Gij hem kent? Wat is des mensen kind,

            Dat Gij het acht, en zo getrouw bemint?

            Hij mag den naam van ijdelheid wel dragen;

            Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen,

            Hoe groot, hoe sterk hij op deez’ aarde zij,

            Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij.

 

            Welzalig is het volk dat, dus gezegend,

            Dit heuglijk door ’s Hemels gunst bejegent;

Welzalig is het volk dat, bij ’t genot

Van overvloed, den Heer’ heeft tot zijn God.

 

Gods vinger en het werk onzer hand. We hoorden de overdenking van David. We hoorden over verwondering, maar in onze derde gedachte beluisteren we:

 

3. Davids lofprijzing

Gemeente, is het u opgevallen dat de psalm begint en eindigt met een lofprijzing? Wat is de Heere het waard dat we daarmee instemmen op deze dankdag. In vers 2 lezen we: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! En in vers 10 staat het nog een keer: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

Calvijn schrijft dat het opmerkelijk is dat David met die uitroep begint en dat hij daarmee eindigt. Hij schrijft in zijn commentaar: ‘Het is niet twijfelachtig, dat de Heilige Geest, Die Davids tong bestuurde, Die hem inspireerde, in diens persoon de gewone onaandoenlijkheid des mensen prikkelt, opdat zij niet de onmetelijke liefde Gods en de ontelbare weldaden welke zij genieten, slechts spaarzamelijk en koel op hun wijze love; maar veeleer alle zenuwen inspannen tot deze oefening van godsvrucht.’

Begrijpt u het? Calvijn zegt: ‘Mensen zijn zo koel, zo koud.’ Wij vinden heel veel dingen gewoon. Vindt u het nog weleens een wonder dat u iets te eten hebt?

Jongens en meisjes, als je thuiskomt en je vraagt aan je moeder: ‘Wat eten we vandaag?’, ben je dan weleens blij dat er eten is. Of mopper je altijd?

Gemeente, waardeert u het nog weleens dat er inkomsten zijn, al was het misschien wat minder dan vorig jaar? Bent u nog weleens verwonderd, dat we nog onderwijs krijgen, dat Gods Woord opengaat? Verheugt het u dat we naar de kerk kunnen en dat de Heere ervoor zorgt dat de dienst der verzoening voortgang heeft?

Bent u nog weleens dankbaar? Calvijn zegt: ‘We zijn zo koel.’ We merken het niet eens meer op! We ervaren het niet eens meer als een wonder dat er brood is om te eten, dat we inkomsten hebben om van te leven. Hij zegt: ‘De Heere is het waard dat we ons inspannen en oefenen in godsvrucht om de Hem groot te maken.’

O Heere! Het is een uitroep in verwondering. O Verbondsjehova, want Heere staat hier met vijf hoofdletters. O getrouwe Verbondsgod! We zouden er vandaag allemaal mee moeten instemmen: Heere, wat bent U getrouw geweest! Wat bent U goed geweest! We loven en prijzen u op deze dankdag. Verlangt u er echt naar om zo de Heere te danken in Zijn huis?

Kunt u ook nazeggen wat erop volgt? David zegt niet alleen: O Heere, maar hij zegt er iets bij: O Heere, ónze Heere. Wat zou dat groot zijn! Mag u zo in de kerk zitten? O Heere. Dat woordje ‘o’ is als een zucht van de ziel. Bij alles wat ik mis, heb ik zoveel goeds ontvangen.

Is er misschien veel verdriet en zorg in uw leven? Maar is het ondanks alles wat u mist uw gebed: ‘Wat ik heb, Heere, dat heb ik niet verdiend. Dat heb ik van U gekregen. Heere, mag ik daar dankbaar voor zijn?’

Maar mag uit uw hart ook wat er volgt opkomen: O Heere, onze Heere? Dat is zo onbevattelijk rijk: Drie-enige Verbondsgod, U bent de mijne. Een kind des Heeren mag zeggen: ‘U bent de mijne geworden. Ik ben maar een heel klein schepseltje. Ik was van U, de grote Schepper, afgevallen. Ik was verdorven, vervreemd van U. Maar desondanks heeft U mij opgezocht.’

Gemeente, we zijn allen van nature verloren zonen en dochters. En nu zorgt de Heere voor die verloren zonen en dochters. We mogen dan allen op deze dankdag wel uitroepen: ‘O Heere, wat bent U toch goed!’

Het vele goede dat de Heere ons geeft, is te kort voor de eeuwigheid. Maar mag u nu zeggen: ‘Heere, U bent de mijne weer geworden. Ik ken het geheim, dat U mij van eeuwigheid verkoren hebt, dat U Uw Zoon voor mij overgegeven hebt. U heeft me vernieuwd naar Uw beeld, getrokken uit de duisternis tot Uw wonderbaar licht. U heeft gesproken: Gij zijt Mijne. Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij’ (Jes.43:1; Jes.49:16).

Kent u er iets van dat de Heere tot uw ziel spreekt: ‘U bent weliswaar een wegloper, zoals de verloren zoon, maar Ik heb u weer getrokken?’ Die jongen wilde zeggen: ‘Maak mij maar tot een huurling.’ Maar de vader sloot hem weer in zijn hart en zei: ‘Kind, je bent altijd de mijne gebleven. Je bent wel een wegloper, maar Ik heb je geëigend. Ik zal je het beste kleed geven, schoenen aan je voeten en een ring aan je vinger.’

Gemeente, is zoiets gebeurd in uw leven? Mag u nazeggen: Onze Heere?

Nee, het is niet het grootste als u zeggen mag: ‘mijn bedrijf’. U mag er best trots op zijn als de Heere u dat gaf. Ons huis, onze baan, mijn studie – het zijn zegeningen! Maar in deze psalm gaat het erom te mogen zeggen: Heere, onze Heere! Al het andere dat de Heere ons geeft is voor de tijd. We moeten leren dat we dit alles kunnen missen, maar dat we de Heere niet kunnen missen. Leren om door het geloof te mogen zeggen: ‘Om Jezus’ wil, onze Heere.’

Gemeente, die God wordt onze God door wedergeboorte, uit genade. Bent u nog vreemdeling van deze dingen? Bent u nog een afkerig mensenkind? Weet u daar niet van?

Wel, laat uw afkeringen genezen! Laat uw afkeringen genezen! Smeek om het wonder van genade op deze dankdag: ‘Heere, U wilt toch mensen verkiezen? God de Vader, U hebt toch naar Uw welbehagen mensen verkoren? God de Zoon, U wilde toch neerdalen op deze aarde in Bethlehem? Heilige Geest, wilt U wonen en werken in mijn ziel?’

Misschien zit er hier nog een ‘dankeloze danker’, die niet meer danken kan, die ook niet meer bidden kan. Wel, dat ene kleine woordje ‘o’ geve de Heere in waarheid te mogen zuchten. O HEERE, onze Heere!

Kinderen des Heeren, wat is het groot als u zo dankdag mag houden! Als het mag leven in uw hart: Hoe heerlijk, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Hoe doorluchtig, hoe grootmachtig, hoe onovertreffelijk, hoe geweldig, hoe wijdvermaard is Uw Naam voor mijn ziel. Wat bent U het waard, dat heel de wereld, heel Uw schepping, uw lof verkondigt.

Kom, kinderen des Heeren, dat dan de verheffingen Godes in uw keel mogen zijn en u met David mag instemmen: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde.

Amen.

 

Psalm 148 vers 5:

 

Looft, looft, met waar’ erkentenis,

Zijn Naam, Die hoog verheven is;

Dewijl Zijn wond’re majesteit

Door aard’ en hemel is verspreid.

Hij wou den hoorn, zo vol vermogen,

Den roem van Israël verhogen;

Dat woont bij Hem, ’t heeft zingensstof.

Looft God; zingt eeuwig ’s Heeren lof!