Ds. J.M. Kleppe - Jesaja 64 : 6

De verootmoedigende taal van de herfst

Jesaja 64
Vernederend
Beschamend
Vertroostend

Jesaja 64 : 6

Jesaja 64
6
Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 39: 4 en 5
Zingen : Psalm 25: 3
Lezen : Jesaja 64
Zingen : Psalm 6: 2, 3 en 9
Zingen : Psalm 51: 3 en 4
Zingen : Psalm 68: 7 en 17

Het Schriftwoord dat wij deze middag met de hulp des Heeren willen overdenken, kunt u vinden in het gedeelte dat u gelezen werd uit de profeet Jesaja, hoofdstuk 64, het zesde vers:

 

Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen als een wind.

 

Wij beluisteren in deze tekst de verootmoedigende taal van de herfst.


Die taal van de herfst is:

1. vernederend;

2. beschamend;

3. vertroostend.

 

1. De taal van de herfst is vernederend

 

Gemeente, Israël heeft ervaren hoe bitter het is tegen de Heere te zondigen. Het volk krijgt met een rechtvaardig en heilig God te doen. De Israëlieten moeten dan door hun zonden als ballingen omzwerven in het geweldige Babylonië. Dat is nu overgebleven van hetzelfde volk dat door Mozes werd aangesproken in Exodus 17 vers 6: En gij zult mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn.

We lezen over dit volk ook in het zevende hoofdstuk van het boek Deuteronomium: Want gij zijt een heilig volk, den Heere, uw God; u heeft de Heere, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.

Maar, gemeente, Israël heeft zijn weg voor de Heere verzondigd. Israël is een volk dat God in eigendom heeft, maar de Heere moet klagen met een goddelijke smartenklacht: ‘Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen. Israël verliet Mij en Mijn geboôn, ‘t heeft zich andere goôn, naar zijn lust verkoren.’ Het door de Heere verkoren volk verwelkt als bladeren in de herfst. De opeengestapelde schulden van dit volk werden weggevoerd zoals de wind de afgevallen herfstbladeren overal heen slingert. Zo is ook Israël door Gods toorn weggeslingerd en verstrooid onder alle volken van het grote Babylonische Rijk met zijn 127 landschappen.

 

Israël zucht in ballingschap. Hoor Israël klagen na het eindeloos geduld des Heeren, na de vele vermaningen en na de liefdevolle waarschuwingen, nadat Gods straffende hand op hen is neergekomen. We lezen dat in het tiende en in het elfde vers: Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting. Als zij met een wenend hart denken aan de tempel die in rook en vlammen is opgegaan, horen wij hen zuchten: Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden.

Bovendien, gemeente, missen zij hier in al hun ellenden een voorbidder. Een voorbidder zoals vroeger de hogepriester, die met opgeheven handen en met de namen van het volk op zijn hart tussen God en het volk staat. Luister maar wat er staat in het zevende vers, hoor maar hoe Israël in ballingschap klaagt: En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe; want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten door middel van onze ongerechtigheden. Het verstrooide volk zegt eigenlijk: ‘O God, er blijft niets meer van ons over. We smelten weg als een slak waarop zout geworpen is. We smelten weg als was voor het vuur.’

Ja, de slagen komen hard en trefzeker aan. Want de Heere is een heilig en rechtvaardig God. De driemaal heilige God verbloemt de zonde niet en stapt er nooit overheen. Ook niet over de ongerechtigheden van Zijn kinderen.

 

Ondanks de smart van Zijn gekrenkte liefde waarmee de Heere steeds weer door de mond van de profeten Zijn lievelingsvolk terugriep van de zondige weg waarop het ging, volhardde het in het kwaad. Ondanks alle rijke zegeningen, zowel stoffelijk als geestelijk, holde het uitverkoren volk als een blind paard met oogkleppen dóór op de weg van de zonde.

Maar, gemeente, wanneer de mens doorholt, gaat God ook door. De Heere is immers geen ledig Aanschouwer van het kwaad – integendeel. God laat niet met Zich spotten. Zijn molens malen langzaam, maar ook fijn en goddelijk zeker. Daarom is Israëls straf niet uitgebleven.

Gods kastijdende hand werd zelfs als zo pijnlijk, zo smartelijk en zo vernederend ervaren dat de oprechten in Israël bezwaard en moedeloos weenden en smeekten. Dit lezen we in het zestiende vers van het voorgaande hoofdstuk: Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; Gij, o Heere! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.

 

De bekende Isaäc Da Costa heeft eens gezegd: ‘Ouders voeden hun kinderen op om ze groot te krijgen. Maar de Heere voedt Zijn kinderen op om ze klein te krijgen en om ze klein te houden.’ Alleen omdat God getrouw is en blijft aan Zijn eens gesproken Woord, is er onder het afgodische en goddeloze Israël nog een overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade. Dat is een God geheiligd zaad naar Zijn eeuwige verkiezing, een volk als Zijn onvervreemdbaar eigendom, dat er altijd en alle eeuwen door zal zijn en ook zal blijven. Want Hij heeft het beloofd en zal het ook vervullen: Ik zal Mij doen overblijven een ellendig en een arm volk. Dat zal op de Naam des Heeren betrouwen.

In alle ellende en armoede klaagt nu dit overblijfsel in het zeventiende vers van hoofdstuk 63: Heere! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels. Want niets is zo smartelijk in het leven van Gods kinderen dan Zijn gevoelige tegenwoordigheid en Zijn nabijheid te moeten missen. Daarom klinken in de verzen die volgen de klachten van dat God missende volk. In hun gemis van God breken zij vanuit hun ziel uit in een aangrijpende schreeuw. In het eerste vers van hoofdstuk 64 lezen we dat: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten.

 

Het is een hartverscheurende schreeuw waarmee het volk Israël heilig geweld doet op Gods almacht, op Zijn trouw, op Zijn barmhartigheid, zoals in vroeger eeuwen betoond. Het volk herinnert de Heere aan de tijd dat het verdrukt werd in Egypte, toen Hij nederkwam in Zijn gunst en alle vijanden verdreef. Een herinnering aan de tijd toen de Heere de wateren van de Rode Zee kliefde en de farao en al zijn ruiters omkwamen.

De klacht die we horen is een zielsontroerende opeenstapeling van smeekbeden. Het is een aanhoudend pleiten op Gods ontferming en op Zijn Vaderlijke goedertierenheid. Ook is er een bidden om en hopen op de beloofde Messias. Een biddend pleiten, dat ten slotte uitloopt op een hartelijke schuldbelijdenis en een aanvaarden van de welverdiende straf. Dat is wat we in het bijzonder overdenken in het zesde vers: Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.

Gemeente, het is een ontroerende belijdenis van het arme zondaarshart dat zijn zonden als schuld voor God heeft leren belijden en zegt: ‘Ik bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden, ‘k verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden. Maar ik beleed na ernstig overleg, mijn boze daân.’

 

Doch wij allen, zo lazen we. Wij allen, dat zijn we allemaal, dat bent u, dat ben ik. Dat zijn ook jullie, jonge mensen, jongens en meisjes. Doch wij allen. Want nee, genade zegt niet als de farizeeër: ‘O God, ik dank u dat ik niet ben gelijk de andere mensen.’ Maar genade leert dat als we – zoals we hier voor Gods aangezicht zijn – ‘wij’ zeggen, dat we dan zeggen: ‘Ik, Heere, ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog, dies ben ik Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.’ Genade zegt met de verloren zoon: Ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u (Luk.15:21). Genade leert buigen onder het rechtvaardige oordeel en zegt: O God! wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

Doch wij allen zijn als een onreine. Dat kleine woordje ‘onreine’ dat hier gebruikt wordt, is hetzelfde woord dat wij tegenkomen in het boek Leviticus, in hoofdstuk 13 vers 45: Voorts zullen de klederen van de melaatsen, in wien die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!

Gemeente, we zijn daarmee doorgedrongen in het hart van ons tekstwoord. Wij zijn allemaal, ook onze jonge mensen, als een onreine in Gods oog. Dus zoals hier staat: als een melaatse voor God. In onze tekst wordt ons de spiegel van ons bestaan voorgehouden; een aangrijpende werkelijkheid. Een werkelijkheid die wij in vijandschap verafschuwen en tegenstaan. Tenzij wij door ontdekkende genade ons schandelijke beeld voor God met smart en schaamte hebben leren kennen.

 

Een onreine! Gemeente, jonge mensen, dat was de mens in het paradijs niet. Als drager van het beeld van zijn Schepper bezat hij een volmaakte heiligheid, een volmaakte gerechtigheid en een zuivere reinheid. Maar de zonde van hoogmoed en ongehoorzaamheid maakte hem een onreine. Onrein in Gods oog.

Wij allen zijn als een onreine. De ontluisterende ziekte van de melaatse is in de Heilige Schrift het karakteristieke beeld van de kracht der zonde die ontwricht. Er is geen ziekte die een mens méér tot een wrak maakt dan deze besmettelijke melaatsheid, vooral wanneer ze optreedt in haar ergste vorm. Kortweg heette ze in Israël ‘de slag’. Deze ziekte werd ook ‘de plaag’ genoemd, zoals wij spreken over ‘de gevreesde ziekte’.

 

Na zijn diepe val maakt ook David in de psalmen een vergelijking tussen de melaatse en zichzelf. Hij zag zich als een melaatse door de zonde misvormd, aangetast en onrein. Dat is het beeld van de mens. Handen en voeten verdorren, teren langzaamaan weg en worden tenslotte tot stompen. Het vroeger zo sprekende gezicht vervalt tot een afzichtelijke wond. De zintuigen verliezen steeds meer hun vermogen. De stem wordt schor en hees. Heel het lichaam wordt gesloopt. Neus en mond werden met een doek omwonden, waarmee als het ware de onreinheid nog meer werd geaccentueerd.

In Israël moesten de melaatsen in gescheurde klederen gaan, met loshangend haar, ten teken van rouw. En bij het naderen van zo’n mens klonk het van zijn stervende lippen: Onrein! Onrein!, zodat ieder zich van hem op afstand kon houden. Een melaatse is een levend lijk. Hij is als iemand op wie de dood reeds de hand heeft gelegd en die bij zijn leven reeds omgeven is met graftekens. Alle banden worden ontbonden: de band van het huwelijk wordt ontbonden, de band met het gezin wordt verbroken, ook de band met Gods huis, want het was streng verboden dat een melaatse in de tempel zou ingaan! Hij is onrein en geldt als levend dood. Geen ziekte kan treffender de bange verschrikking en ontroerende werkelijkheid van de zonde uitbeelden dan deze afschuwelijke ziekte.

Wanneer u zich zo’n melaatse voorstelt in al zijn angstaanjagende ellende, moeten wij met sidderende huiver bedenken dat dat nu ons beeld is. Jongens en meisjes, dat is mijn onreine beeld voor God. In Gods heilig oog ben ik als iemand met deze dodelijke ziekte. Zoals deze sluipende en weerzinwekkende ziekte de melaatse sloopt en aftakelt, zo ontluistert en ontsiert de zonde u, ook jullie en mij.

 

Daarom, gemeente, daarom – hoe lieflijk en hoe vertroostend is hier dan ook de overdenking van de verhoogde en biddende Heere Jezus Christus. Hij is de altijd biddende en eeuwig levende Hogepriester. Dat is Hij in alle nood, in alle smart, in strijd, in gemis, in alle eenzaamheid en overstelpend verdriet, in bitterheid, in hartenpijn, in zielenleed. Als onze geest en ons lichaam door overstelpende moeiten bezwijken en wij niet meer kunnen komen tot enige geestelijke overdenking en tot het opheffen van onze ziel tot God – o hoe dierbaar is dan de voorbidding van deze gezegende grote Hogepriester, van deze gezegende Heere Jezus Christus. Hij is het Die in deze omstandigheden, in deze uiterste benauwdheid van onze ziel verschijnt voor het aangezicht van de Vader. Hij is het Die onze krankheden op Zich genomen heeft en onze smarten heeft gedragen. Hij is als de oudste Broeder van Zijn Kerk in alle benauwdheid mede benauwd, want Hij heeft van alle lijden en smart de wortel gedragen. Hij is in alle dingen verzocht geweest en beweegt nu als de verhoogde Hogepriester en als de enige Trooster het gouden wierookvat voor het aangezicht van Zijn Vader. Ja, Hij kan zeggen: ‘Vader, Ik weet dat Gij Mij altijd hoort.’

Hij stelt in al Zijn pleitend bidden, in Zijn eisend bidden de namen van Zijn kinderen en al hun omstandigheden naar ziel en lichaam aan de Vader voor. Hij is het Die de schreiende lammeren in Zijn armen draagt, Die het gekrookte riet niet zal verbreken en de rokende vlaswiek niet zal uitblussen. Zo iemand valt als een melaatse snikkend aan de voeten van deze gezegende Heere Jezus en zegt: ‘Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.’ Dat brengt ons bij onze tweede gedachte.

 

2. De taal van de herfst is beschamend

 

En wij allen vallen af als een blad, zo lezen we in het vervolg. We zien hier de herfst onder een ander beeld getekend. Zoals de lente spreekt van het leven, zo spreekt het najaar over ons sterven, over onze dood. De vogels hebben hun liederen uitgezongen; hier en daar bloeit nog een eenzame, een late bloem.

Maar een wandeling door de stille natuur, waarover de zonnestralen vallen, heeft nog een bijzondere bekoring. Ontroerend schoon zijn de najaarslanen, met de diepe en schone kleuren van de bladeren die nog overgebleven zijn aan de takken van de bomen. Daar hangen ze in ongekende schoonheid: in geel, in bruin, in brons, en in goud. Soms druipend van het water van de mist of van de regen.

Maar hun glorie spreekt toch van vergane glorie. Immers: ‘Niets kan hier zijn stand behouden; wat uit stof is, neemt een end’ door de tijd, die alles schendt.’ Want de gloed van al die najaarskleuren is als de koortsblos op de wangen van een melaatse die sterven gaat. Nog even en die schone bladeren vallen neer om vertreden te worden en te verteren, daar op de grond. De taal van de herfst is de taal van het loslaten. Het loslaten van wat eens aan het leven verbond – en loslaten is scheiden, is afscheid nemen van wat eens aan het leven verbond. Straks zal de najaarsstorm de honderden en de vele duizenden en honderdduizenden bladeren tegelijk afrukken. Een ogenblik dwarrelen ze door de lucht, dan vallen ze op de aarde. De regen en de vorst zullen de ondergang bespoedigen en achteloos vertreden wij met onze voeten de resten van wat eens een verrukking voor het oog was.

 

En wij allen vallen af als een blad. Zo broos en zo vergankelijk is ook ons leven. Wij allen – ik zei al dat wij dat allemaal zijn, onze kinderen, onze kleine kinderen. Wij allen – niemand uitgezonderd. Wij allen – maar niet allen op dezelfde wijze. Velen sterven in de herfst van het leven; ze worden zeventig jaar, tachtig jaar of mogen nog wat ouder worden. Maar ook zovelen sterven er in de zomer van het leven, in de kracht van het leven, zelfs in de lente.

Jongens en meisjes, ik heb wat gestaan aan open graven van kinderen, die stierven aan een ernstige ziekte of verongelukten. Ik heb daar gestaan met de wenende ouders, de wenende familiebetrekkingen. Vijf jaar, tien jaar, twintig jaar. Na een voorjaarsstorm met ruwe rukwinden zien we dat tere, jonge groen soms stukgeslagen op de grond liggen. Hoe kan soms een plotselinge storm in de maand juni het frisse groene blad, dat nog geen tekenen van verval vertoonde, met één rukwind op de grond smijten.

Gemeente, jonge mensen, kinderen, ga daarom eens naar het kerkhof en let dan eens op de geboortedata. Let ook eens op de overlijdensdata, dan weet u genoeg. Hier ligt een oude man, wiens ogen reeds dof werden. Maar ginds vindt u een kindergraf, het was een lenteblaadje. Daar ziet u weer een steen waarop vermeld staat dat het een moeder of een vader betrof in de volle kracht van het leven. Het was een zomerblad.

 
De bekende dominee-dichter Van Oosterzee heeft eens geschreven:

 

De dood heeft mij een brief geschreven.

Ik las hem op het vallend blad

Dat door de stormwind voortgedreven

op ’t vensterglas had postgevat.

Dus las ik: ‘Wand'laar, rep uw schreden,

uw avond komt, uw nacht daalt neer,

doe wat gij nog kunt doen op heden,

want morgen daagt u 'dra niet meer.

 

Ieder blad, gemeente, is een brief. Een brief aan ons geschreven, aan ons persoonlijk geadresseerd. En de afzender van die brief, jongens en meisjes, is de dood. Wij allen vallen af als een blad. Want gelijk het de mens gezet is eenmaal te sterven en daarna het oordeel… (Hebr.9:27).

Wij moeten vallen, wij moeten neervallen, zoals het blad van een boom. Want in het paradijs zijn wij van God afgevallen en zijn wij doodgevallen in de zonden en in de misdaden. Niets is er onzekerder dan het leven, niets is er zekerder dan de dood.

De dood is de bezoldiging van de zonde; het loon dat de zonde haar dienaren uitbetaalt. En hoewel wij vallen als een blad en ons lichaam verteerd wordt als een blad, gaat onze onsterfelijke ziel naar zijn eeuwig huis. Wij allen moeten geopenbaard worden voor de Rechter van hemel en van aarde. Dat maakt ons leven zo ernstig. Want ons afvallen is niet alleen een verdwijnen, maar ook een verschijnen. We zingen daarvan uit Psalm 51 het derde en het vierde vers:

 

’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;
Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren;
Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren.
Reeds van het uur van mijn ontvang'nis af.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 't gemoed;
Gij, Heer’, Die weet, al wat ik heb misdreven,
Gij, die mijn geest met wijsheid hadt gevoed,
En in mijn ziel Uw Godd'lijk licht gegeven.


Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,
Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel.
Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd;
Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen;
Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd,
En in mijn geest de ware rust herboren.

 

Want wij allen moeten verschijnen voor de Rechterstoel van Christus – een verschijnen dat spreekt van een verdwijnen. Een verschijnen voor de Rechter van hemel en aarde. Want het vallen van elk blad heeft een bittere en droeve oorzaak. We hebben immers tegen God gezondigd. Daarom zegt Jesaja: Onze misdaden … Wij zijn de bladeren en onze misdaden zijn als de wind. Want er staat: En onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.

Het is sterk uitgedrukt, maar wij zijn misdadigers in Gods oog. We lezen het hier, het is een scherpe waarheid, maar het is een eerlijke waarheid. Een misdaad, jongens en meisjes, is een zwaar vergrijp. We hebben ons aan Gods eer vergrepen. Onze misdaden vloeien voort uit die ene grote misdaad in het paradijs, waar we ons ongehoorzaam en moedwillig hebben losgescheurd van de Levensbron. En alles wat zich Daarvan losmaakt en losscheurt, moet de dood sterven: Ten dage als gij daarvan eet … (Gen. 3:5).

We werden geschapen met een Gode verheerlijkend doel: om te leven, om eeuwig te leven en daarin God onze Schepper eeuwig te loven, te prijzen en te verheerlijken. Daarom heeft de mens zelf de dood in de wereld gebracht. Gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben (Rom.5:12).  

Dat brengt ons bij onze derde gedachte.

 

3. De taal van de herfst is vertroostend

 

Het is ook vertroostende taal, want te midden van al onze onreinheid en van al onze misdaden, van alle vallende bladeren, laat de Heere ons het grote, plaatsbekledende offer van Zijn lieve Zoon prediken! Het grote Godsgeschenk, van een reine en heilige Heere Jezus Christus. Het grote Offerlam voor hen die hun onreinheid en hun misdaden in een bittere liefdessmart en in zielsverdriet hebben leren kennen en bewenen, en hebben leren belijden als hun persoonlijke schuld voor God. Voor hen die als een melaatse zondaar aan Zijn voeten zijn neergevallen en gezucht hebben: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen (Luk.5:12).

O, die verwondering!

Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2Kor.5:21).

Wat een zielenblijdschap doorstroomt dan onze ziel en ons hart. Maar Hij … Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5). Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen (Jes.53:4).

 

Gemeente, er is een andere gerechtigheid nodig! Want, zo zegt Jesaja: Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.

Jongens en meisjes, we moeten goed lezen wat hier staat. Er staat niet: ‘onze ongerechtigheden …’ We denken zo gemakkelijk: ‘Onze ongerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.’ Nee, Jesaja zegt hier: ‘Onze gerechtigheden’, dus onze beste werken, onze tranen, onze boetedoeningen, onze plichten, onze gebeden … Ja, dat alles ...

Nee, zegt de Heere, goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van de dood (Spr.11:4). Onze kanttekeningen zeggen het zo mooi: ‘Als een kleed der wegwerping, een vuil, bezoedeld kleed. Of: een kleed van lompen en lappen samengeraapt.’ Dus: een voddenkleed dat nergens meer geschikt voor is, maar weggeworpen wordt. Zo zeggen onze godgeleerde kanttekenaren het.

Maar nu is er Een, gemeente, Die voor een arme en naakte zondaar een kleed geweven heeft. Een kleed dat zo volmaakt en zo volkomen is, dat een misdadiger daarmee voor een heilig en rechtvaardig God kan bestaan. Want voor misdadigers – zo worden wij toch genoemd hier – voor misdadigers heeft de Heere Zelf een eeuwig genadewonder bereid. Dat wonder ligt in die reine en heilige Heere Jezus, Die naakt en uitgetogen aan het kruis met de misdadigers werd gerekend en Wiens klederen aan de voet van het kruis werden verdobbeld. Want God heeft al onze ongerechtigheden op Hem doen aanlopen.

Hij voor mij! ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Hij stierf mét misdadigers, Hij stierf vóór misdadigers. En stervende aan het gevloekte kruis, in de schande van hun naaktheid, is Hij voor Zijn kinderen een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden.

 

Door de stem van Zijn Woord roept Hij ook nu: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde (Openb.3:18).

Al onze eigengemaakte klederen zullen ons eens ontvallen. De Heere ziet er dwars doorheen, tot op de bodem van ons hart. O, alleen dat bruiloftskleed, dat enige bruiloftskleed zal uw ongerechtigheid voor God kunnen bedekken. Dat is het kleed dat in bloed en tranen, en in het doodszweet van deze gezegende Heere Jezus Christus geweven werd door Sions lijdende en stervende Borg.

Nu zal het ook voor ons nooit zonder tranen kunnen. Want als de Heere onze blinde zielsogen voor onze toestand opent en we zien dat wij zonder God in de wereld zijn – o, dan is dat gemis, dan is die liefdessmart zo groot, dat we de eenzaamheid zoeken. Dan zuchten we: ‘Ik heb mijn tranen onder het klagen tot mijn spijze dag en nacht.’ Dan is er tegelijkertijd zo’n onbegrijpelijke, zo’n onuitsprekelijke, zo’n zalige liefdebetrekking op God; dan is er tegelijk gemis en vreugde en blijdschap en droefheid in het hart. Dat is de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot de zaligheid.

 

Maar toch gaat de Heere door Zijn arm makende en ontdekkende genade steeds meer leren dat Zijn vertroostingen de Trooster Zelf niet zijn. Hij gaat ons leren dat de zoete vruchten de Boom niet zijn. O, hoe noodzakelijk wordt dan voor het hart dit kleed dat alle menselijke verdienste uitsluit, en dat een arme zondaar, een naakte en ellendige zondaar, binnen sluit. O, Hij laat Zich door misdadigers als wij zijn, ook vandaag nog vinden!

Hij klopt aan de deur van ons hart. Aan de deur van ons oude hart, van ons jonge hart. En Hij zegt: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur. Aan deze zijde van het graf moeten we als een naakte, verloren zondaar met de psalmdichter leren zingen: ‘Ik ben nooddruftig, arm en naakt; o God, mijn Helper uit ellenden! Haast U tot mij, wil bijstand zenden.’ Als we niet leerden buigen onder zijn heilig recht, zullen we straks ten volle moeten ervaren wat het zeggen wil om eeuwig de schande van onze naaktheid te moeten dragen. Dan zullen we vergeefs – zo lezen we in Gods Woord – tot de bergen roepen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams (Openb.6:16).

 

Maar hoor nu welk een eenzijdig goddelijk ontfermen er is voor het ware overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade, zoals hier Israël. Want Israëls Tuchtmeester is ook Israëls Heelmeester. Dat is Hij voor hen die een welgevallen krijgen in de straffen van hun ongerechtigheid. Zij gingen zuchten: ‘Genees mij, red mijn leven, Gij ziet mijn beenderen beven; zo slaat Uw hand mij neer.’ Dat is Hij voor een mens die zaligmakend bearbeid wordt en zijn onreinheid als schuld voor God heeft leren kennen. Zo iemand moet dan van harte buigen onder het rechtvaardige en onverbiddelijke vonnis dat de Heere over de zonde heeft uitgesproken: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen.3:4). Hoe oprecht, maar ook hoe smartelijk klinkt dan zijn belijdenis: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen (Ps.51:4). Hoe hartelijk buigt hij dan onder de afschuwelijke tekening van zijn droeve staat voor God. O, wij allen zijn als een ónreine!

 

Maar zie, gemeente, jonge mensen, en onthoud het: er is balsem, er is balsem bereid voor de stervende zondaar. Kostelijke hemelbalsem voor zondewonden die smartelijk en ten slotte dodelijk zijn. Er is een door God gegeven redmiddel tegen de dodelijke zondekwaal. In deze heilige, reine Jezus is het vervuld. Want: Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid (Zach.13:1).

 

Gemeente, we eindigen. Is hier een arm zondaarsvolk? Luister dan naar de profeet, naar Jesaja. Hij zegt het zo liefdevol: Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Hier is ruimte voor een door zondesmart overstelpte ziel. Hij is de Deur der hoop voor een radeloze zondaar. Hier is een volheid van genade in de Schoonste van de mensenkinderen. Zijn Naam is een olie die uitgestort wordt. En in Zijn wonden is hemelbalsem bereid.

Misschien hebt u er zelfs geen woorden meer voor, maar vindt u benauwdheid en droefenis, en zucht het vanbinnen: ‘Och, Heer’, och, wierd mijn ziel door U gered!’ Misschien hebt u alles tegen: een wet die u vloekt, een geweten dat u aanklaagt en satan die u beschuldigt. Maar luister dan: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken (1Tim.1:15). Want Jezus ontvangt de zondaars en eet met hen. En als Hij u dierbaar werd in Zijn stervende liefde, in de diepste nood van uw leven, dan moge uw leven een stervend leven zijn om op te wassen in de genade en kennis van Hem Die is, en leeft, en blijft tot in eeuwigheid.

Gemeente, daar waar alles dan verdwijnt, daar blijft: het is Jezus, het is Jezus, het is Jezus alleen.

Amen.

 

Psalm 68 vers 7 en 17:

 

Gelijk een duif, door 't zilverwit,

En 't goud, dat op haar veed'ren zit,

Bij 't licht der zonnestralen

Ver boven and're voog'len pronkt,

Zult gij, door 't Godd'lijk oog belonkt,

Weer met uw schoonheid pralen.

Wanneer Gods onweerstaanb're hand

De vorsten uit het ganse land

Verstrooid had en verdreven,

Ontving zijn erfdeel eed'ler schoon,

Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon',

Aan Salmon ooit kon geven.

 

Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd'lijk Opperwezen!

't Is Isrels God, die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.