Ds. L. Huisman - Lukas 14 : 17

Onderwerp

Lukas 14
Een nodiging door de Heere Jezus Christus tot de maaltijd
Wie Hij nodigt
Wie Hij nodigt
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)

Lukas 14 : 17

Lukas 14
17
En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 46: 1 en 2
Lezen : Lukas 14: 1 - 24
Zingen : Psalm 95: 2, 3 en 4
Zingen : Psalm 27: 7
Zingen : Psalm 138: 4

Gemeente, in dit uur van voorbereiding op het Heilig Avondmaal dat we volgende week samen met de gemeente hopen te vieren, willen we u vanmorgen het Woord van God verklaren uit Lukas 14 vers 17. Onze tekst luidt als volgt:

 

En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals om de genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

 

Eerlijkheidshalve moeten we zeggen dat het in deze tekst niet in de eerste plaats gaat over het Heilig Avondmaal, hoewel natuurlijk de hele tekst daar volop betrekking op heeft. Het gaat over een maaltijd, een grote maaltijd, zoals men die in het oosten gewoonlijk ’s avonds houdt. Overdag is het te warm om een grote, warme maaltijd te gebruiken. Nu, de Heere Jezus gebruikt dat beeld van zo’n avondmaaltijd voor die grote maaltijd die Hij voor de Zijnen bereid heeft. Wij horen in deze tekst:

 

Een nodiging door de Heere Jezus Christus tot de maaltijd

 

We hebben twee aandachtspunten:

1. wie Hij nodigt;

2. hoe Hij nodigt.

 

Als we de geschiedenis en het bestaan van Gods schepping beschouwen, komen we tot de conclusie: wat heeft God alles toch in goede orde gemaakt! Dat begon al met de schepping. Stel u voor dat God eerst de mens geschapen had: die had dan in die woeste massa van water en lucht moeten leven en dat zou onmogelijk geweest zijn. Maar God maakte eerst de hemel en de aarde. Hij bereidde de aarde in zeeën en vaste grond. Hij bedekte de aarde met eetbare vruchten en gewassen. Hij schiep de dieren die dienstbaar zouden mogen zijn aan de mensheid die Hij straks zou scheppen op de aarde.

 

En toen die hele lusthof, dat heerlijke paleis van de schepping klaar was, toen maakte God de mens als het pronkstuk van de schepping. En Hij plaatste de mens midden in het paradijs. Wat is God toch wijs en wat is Hij heerlijk in al Zijn werken. Al wat Hij doet, geschiedt in een volmaakte orde en een heilige harmonie.

 

En wat God gedaan heeft in de schepping, doet Hij nu ook nog in de herschepping. Diezelfde God Die alles in orde maakt, vernieuwt door Zijn Heilige Geest deze verloren wereld waarop een mensheid leeft die zich van Hem afgekeerd heeft, tot een nieuwe orde; en Hij beschikt alles zoals Hij wil dat het zijn zal. Zo maakt Hij de nieuwe mens weer geschikt om aan zijn doel te beantwoorden. En dat doet God door in deze wereld Zijn eigen Zoon, Zijn enige Zoon, in te brengen. Hij, Gods Zoon, is het Kernpunt van de ganse verlossing. Door Hem is God met Zijn volk tevreden en maakt Hij Jacobs gevangenen vrij. Alles wordt in Hem en door Hem bereid. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders – zo staat het in Psalm 23:5.

 

De Heere richt volgende week Zelf de tafel aan. Wij mogen Zijn dienaren zijn. Wij doen het, omdat Hij het zo wil. Op Zijn bevel. Hij brengt brood en wijn voort. Hij roept ons om antwoord te geven op Zijn genade, op Zijn roepstem. En alles wat wíj mogen doen, mógen doen, is met lege handen van Zijn goed komen eten en drinken. Hoe we dan ook zijn, hongerig en dorstig. We zullen het zien in het verdere van deze geschiedenis: Hij nodigt ongeschikten. En waartoe nodigt Hij ze? Om van Zijn weldaden te leven!

 

Nu, je zou toch zeggen: dan hoeft Hij geen twee keer te nodigen! Als het dan werkelijk is zoals het in het gelezen hoofdstuk voorgesteld wordt, dan moet er volgende week toch wel niemand hier in de kerk zijn, behalve de kinderen, die niet begeert en daadwerkelijk komt om aan de maaltijd des Heeren deel te nemen. Dan moet u toch wel een dwaas zijn om te blijven zitten. Als God u nodigt en bereid is om u alles te geven wat u ontbreekt zodat u eeuwig mag leven, dan moet u toch een dwaas zijn om te zeggen: ‘Nou nee, ik zal het nog maar eens aanzien. Ik ben niet bereid om te komen. Misschien later.’

 

Zo deden de mensen in de gelijkenis die ons is voorgelezen. Dat heeft God hier neer laten schrijven. En u moet het lezen zoals het er staat en er geen vrome draai aan geven om dat Woord van God krachteloos te maken. Daar zijn we namelijk zo handig in. Dat leren we van de duivel, om altijd iets achter het Woord van God te zoeken. ‘Ja, dat zegt de Heere nou wel, maar….’ En dan komen wij met onze bezwaren. En dan breken we dat Woord stuk. Maar daarmee breken we ook onze ziel stuk. En daarmee blijven we volharden om ons tegen God en Zijn genade te verzetten.

 

De Heere Jezus is gekomen in het huis van een overste der Farizeeërs. U weet hoe de Farizeeërs waren: uiterst precies om de wil van God te doen, zoals zij dachten. Zonder vlek en zonder rimpel. Schoon voor Gods aangezicht, dachten ze. En ze vragen werkelijk – hoe is het mogelijk? – ze vragen werkelijk of Jezus een keer wil komen eten. Nu, de Heere komt overal waar Hij genodigd wordt. Of het nu in het huis van een tollenaar is of in het huis van een deftige overste der Farizeeërs. Hij komt! Hij komt met Zijn boodschap. Hij komt met Zijn genade. Of u zich verhardt of onder Hem buigt, Hij is gewillig om te komen. Maar dan moet u wel van Hem de waarheid verwachten. Want Hij is de Zoon van God, Hij is de Waarheid Zelf. Hij spreekt de waarheid. En dan spreekt Hij niet uit Zichzelf, maar door de Vader Die Hem gezonden heeft.

 

Als Hij dan aankomt bij al die deftige Farizeeërs, heeft Hij een woord voor deze mensen. En Hij zei tot de genodigden een gelijkenis, aanmerkende hoe zij de vooraanzittingen verkozen. Als iemand u nodigt voor een bruiloft, zet u dan niet in de eerste zitplaats, opdat niet misschien iemand, die waardiger is dan u, komt en u weggeschoven wordt van uw eerste zetel. Dat zou pijnlijk zijn. Maar wanneer u genodigd zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats. Als dan de gastheer binnenkomt en hij u daar zal zien, dan zal hij zeggen: ‘Vriend, kom hogerop.’ Dat zal voor u een eer zijn. Want een iegelijk die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. En die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

 

De Heere Jezus is immers niet in de wereld gekomen om gelukkige mensen nog gelukkiger te maken en om grote mensen nog groter te maken en om ze met meer eer en heerlijkheid te bekleden, maar Hij is juist in de wereld gekomen om armen met goederen te vervullen, terwijl Hij rijken ledig wegzendt.

Hij zegt: ‘Als u een avondmaal houdt of een middagmaal, dan moet u niet al die rijke mensen nodigen, want zij zullen het u wedervergelden. Zij zullen u terug nodigen en dan sta je gelijk. Maar nodig mensen die niets hebben om terug te geven. Armen, kreupelen, verminkten en blinden. En u zult zalig zijn, omdat zij niet hebben om u te vergelden. Maar het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.’

 

Nou, één van de mensen die dat hoort, is gelijk enthousiast. Hij zegt: ‘Zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk van God.’ Die wil gelijk de hemel binnenstappen. Maar dan zegt de Heere Jezus tegen deze man en al de andere mensen die daar zitten, deze gelijkenis: ‘Er was een mens die een grote maaltijd bereidde, een avondmaal. En hij noodde er velen. Hij zond zijn dienstknechten uit ten ure des avondmaals om de genodigden te zeggen: ‘Komt, want alle dingen zijn nu gereed.’

 

Let op: het waren ‘genodigden’. Het was een gewoonte in die dagen dat, vanwege de voorbereidingen die gemaakt moesten worden voor zo’n grote maaltijd, degenen die aan die maaltijd genodigd zouden worden van tevoren al bericht kregen. Maar als alles klaar was, ging de dienstknecht voor de laatste maal rond en zei: ‘Komt, want alle dingen zijn nu gereed.’ De genodigden werden dus geroepen om te komen omdat alle dingen gereed waren. Toen de tijd van de avondmaaltijd naderde, zond hij zijn dienstknecht uit om de genodigden die eerder al uitgenodigd waren, te zeggen: ‘Komt, want alle dingen zijn nu gereed.’ Alle dingen! Die zijn nú gereed!

 

Hoort u dat? Alle dingen. Want u gaat deze week natuurlijk van alles opsommen: ‘Als ik nou dít had en als dát er was! En als ik zó eens was! En als dát me nou eens mocht gebeuren!’ Luister wat hier staat: die koning stelt niet één voorwaarde om aan zijn maaltijd deel te nemen. Want hij zegt: ‘Alle dingen zijn gereed.’ Alle dingen! Laat dat eens op u inwerken! Wat zou er voor zo’n oosterse maaltijd gereed gemaakt zijn? Allerlei spijzen, allerlei vleessoorten, allerlei dranken. De tafels staan gedekt. De stoelen of de banken, de ligbanken staan gerangschikt. De zaal is schoongemaakt. Alle dingen zijn gereed!

 

Genodigden! Lidmaten van Zijn gemeente! Alle dingen zijn door Hem gereed gemaakt! Daar hebben wij werkelijk helemaal niets aan gedaan. Alle dingen zijn door Hem gereed gemaakt. Op Zijn kosten. Dat heeft Hij gedaan. Ja, dat weten we natuurlijk. We weten dat het louter genade is. En we weten dat het alleen op Christus rust. En we weten dat Hij de wet volkomen volbracht heeft. En we weten dat Hij de straf om onze zonden aan het vloekhout volkomen gedragen heeft. Dat weten we! Natuurlijk! Daar zijn we als kind bij groot geworden. Maar is het ook de boodschap die ons met lichaam en ziel aan Hem verbindt? Geloven we ook werkelijk dat Hij het Leven is? Voor ons die niets meer aan mogen brengen, maar die ook niets meer aan kunnen en hoeven te brengen. Hebben we het woord ‘genade’ voor ons leven leren spellen? Niets uit ons! ‘Ja natuurlijk,’ zegt u, ‘alles alleen uit genade. Dat hebben we altijd gehoord.’

 

Ja, dat weet ik wel dat u het altijd gehoord hebt. Maar we horen zoveel dingen waar we geen acht op slaan. Dingen die we toch ten diepste niet geloven, want we handelen er niet naar. Als we zouden geloven wat God van Zichzelf en van die maaltijd zegt, dan zouden we er geen moeite mee hebben. Maar nu schuiven we telkens onze ‘ochs’ en onze ‘maars’ en onze ‘had-iks’ en onze ‘was-iks’ daar tussenin.

 

Alle dingen zijn gereed – het staat er en onderstreep het maar in uw Bijbel, als u straks thuis bent. ‘Komt, want alle dingen zijn nú gereed.’ Waarom heeft de Heere dat gezegd? Ach, Hij weet immers wel hoe we soms bezig zijn als die boden komen met de uitnodiging om het Avondmaal te houden ter ere van de Heere. Hij weet dat we dan zeggen: ‘Ach, Heere, was het nu aanstaande zondag nog maar niet. Was het nou maar een weekje later, dan kon ik er nog eens echt mee bezig zijn. Dan kon ik nog eens een preek lezen, een stukje in de Bijbel lezen, een uurtje afzonderen om me voor God te verootmoedigen en om Zijn genade te bidden. Maar nee, laat het deze week niet zijn, Heere, want eigenlijk ligt het een beetje overhoop in mijn gezin. Het gaat niet zo goed met mijn kinderen. In mijn huwelijk zijn moeilijkheden. Op mijn werk heb ik problemen. Nee, Heere, nee, alstublieft, stel het nog wat uit!’

 

Tot wanneer? Wanneer bent u geschikt en bereid om aan het Avondmaal te komen? Ja, natuurlijk, als u een kind van God bent, straks wel! Als u de laatste adem uitblaast, dan bent u bereid. Dan is er niets meer te schikken en niets meer te doen en niets meer goed te maken. Nee, dan laten we ons zondig leven hier achter en dan gaan we op tot Gods altaren. Eeuwig! Maar zover is het nog niet! We zitten hier nog midden in ons bestaan, dat vol van ellende, moeite en verdriet is. Want is niet het uitnemendste van dit leven moeite en verdriet? Welnu, de Heere heeft het geweten. En daarom laat Hij hier in de tekst tegen de genodigden zeggen: Komt, want alle dingen zijn nú gereed.

 

Hij zegt niet: ‘Gemeente, nu moet u zich onderzoeken of u gereed bent om aan het Avondmaal te komen.’ Zo doen wij meestal. Dan gebruiken wij die week van voorbereiding om ons hart te onderzoeken of wij gereed zijn. Of alles in ons leven wel netjes op een rijtje staat en er toch geen moeilijkheden zijn in ons gezin of op ons werk. En zo goed mogelijk schikken en draaien we dan om deze week door te komen zodat er toch geen grote zonden zijn in ons leven. En dan zeggen wij: ‘Ja Heere, ik heb mijn best gedaan en ik kom wel met schroom, maar ik kom toch om aan Uw tafel aan te zitten.

 

Ach, denkt u nu werkelijk dat u de Heere daar eer mee aandoet? Denkt u nu werkelijk dat het de Heere welbehaaglijk is om jezelf zo goed mogelijk op te knappen? Want er is heel wat, hoor, dat niet deugt, als we aan het Avondmaal geroepen worden. Maar wees nu toch niet zo dwaas dat u meent dat u dat eerst allemaal goed moet maken. Daar ligt de fout. Daarom is die Avondmaalstafel zo schraal bezet. Eerst hier en daar wat goedmaken. Nee, nee! Ik zeg het nog eens met de woorden uit Psalm 81: ‘Al wat u ontbreekt, schenk Ík!’ Dit is een goede voorbereiding dat we in de week van voorbereiding tot Hem vluchten. Dat we het in de week van voorbereiding van Hem gaan verwachten. Dat we zeggen: ‘Heere, ik heb Uw nodiging gehoord en ik heb U niets aan te bieden. Als ik volgende week aan het Avondmaal kom, kom ik alleen maar om bediend te worden. Dan kom ik alleen maar om opnieuw te mogen horen dat U mijn zonden vergeeft en dat U mijn ongerechtigheid toedekt. Dat ik van Uw genade mag leven. Dat het Offer dat U bracht, genoeg is voor God maar ook genoeg voor mij.’

 

Alle dingen zijn nú gereed. Probeer het nu niet om te keren door te zeggen: ‘Als ik nu wat meer ontdekt was, als ik wat meer van mijn zonden zag, als ik nu eens echt een stem in mijn hart zou mogen horen dat God mij ook aan die tafel wilde hebben.’

Geliefden, hier staat toch dat Hij die genodigden die vroeger de boodschap al gehoord hebben, opnieuw toeroept. Komt, want alle dingen zijn nu gereed. Ook die niet kwamen – en dat moet u goed onthouden, liever: dat moet u in uw hart houden – ook die niet kwamen, waren wel genodigd. Hoort u dat goed? Ook die niet aan het Avondmaal kwamen, waren wel genodigd. En waarom? Wel, God heeft geen lust in de dood van zondaars, maar daarin heeft Hij lust dat de goddelozen zich bekeren en leven.

 

Maar zie hoe die mensen gaan weigeren. Ze begonnen zich allen eendrachtelijk te verontschuldigen. De eerste zeide: Ik heb een akker gekocht; het is nodig dat ik uitga en hem bezie. Ik bid u: houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht en ik ga heen om die te beproeven. Ik bid u: houd mij voor verontschuldigd. Wat een arme mensen! Ze hebben eerst een akker gekocht en ze hebben eerst tien ossen gekocht, vijf juk ossen, en dan moeten ze die nog gaan beproeven. Dat loopt natuurlijk verkeerd af, want je gaat toch eerst naar een akker kijken, voordat je hem koopt. En je gaat toch eerst die ossen bekijken, voordat je ermee gaat ploegen en voordat je ze betaalt. Ach, een kind kan het wel begrijpen. Deze mensen zijn bezig met wat van deze wereld is en ze hebben een teleurstelling voor de boeg. Want als je zomaar op goed geluk een akker koopt en tien ossen, zomaar, zonder dat je ze gezien hebt en zonder dat je ze beproefd hebt, dan kun je toch wel begrijpen dat je een miskoop gedaan hebt?

 

Begrijpt u de betekenis daarvan? Zo laat de duivel ons draven en slaven om door dit leven te komen, om bezig te zijn met datgene waarvan we eigenlijk wel weten dat het ons geen wezenlijke winst kan brengen. Want als je voedsel en deksel hebt, wees dan daarmee tevreden, zegt de Heere. En wat zoeken wij allemaal veel dat daar bovenuit gaat. Wij zijn allemaal van die ontevreden mensen die elk jaar een trapje hoger willen en er elk jaar een beetje bij willen hebben. En de Heere heeft gezegd: ‘Zoek het toch niet. Zoek toch eerst de Schat die nooit vergaat. Zoek toch eerst het Koninkrijk van God.’ Laat dat toch je gebed zijn, laat dat je leven zijn en laat dat je zoeken zijn.

 

En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen. Dat is een man die zegt: ‘Ik heb zelf feest. Ik heb een vrouw getrouwd. Wij zijn op huwelijksreis. Ik heb het feest van mijn leven. Je moet met mij niet praten over een feest, dat boven mijn huwelijksfeest kan uitgaan. Wat is er nu heerlijker dan met je pasgetrouwde vrouw je huwelijksreis te maken?’ Deze man had genoeg aan zijn eigen aards geluk.

 

Die mensen zijn hier ook. Die zeggen: ‘Ach, aan het Avondmaal gaan, dat is voor mij niet nodig hoor. Want je kunt toch zonder dat je aan het Avondmaal gaat wel in de hemel komen? Ik heb zoveel andere dingen aan mijn hoofd. En wat zullen de mensen er wel niet van zeggen als ik ging. Ze zouden denken dat ik ook vroom geworden was. En ze kennen me in de week. Nee, nee, ik heb andere dingen aan mijn hoofd. Eerlijk gezegd: voor mij is het eigenlijk niet direct noodzakelijk, want die moordenaar aan het kruis heeft ook nooit Avondmaal gehouden en hij ging toch de hemel in.’ En zo probeert de duivel ons af te leiden van wat de Heere voor ons goed en nuttig keurt. ‘Ik heb zelf feest en daarom kan ik niet komen.’

 

En dan is het geduld – of moet ik zeggen: dan is de liefde? – van Hem Die tot het Avondmaal nodigt nog niet aan het eind. Het is haast niet te begrijpen. Hij is wel toornig geworden over de weigering van al die beste, brave mensen, die met allerlei voorwendsels God uit hun leven en Christus uit hun ziel houden. Want dat is het ongeloof, hoor! Als u praat over niet-kennen en niet-kunnen, dan is dat maar schijn. U wilt God en mensen bedriegen door te zeggen: ‘Maar ik kan zo niet aan het Avondmaal komen. O nee, tegenwoordig lopen ze zomaar aan. Nee, dat zal ik nooit doen, hoor.’

 

Maar u gaat wel naar de hel met zo’n belijdenis, denkt u daar aan? U gaat voor eeuwig verloren, want de Koning heeft u genodigd! Laat dat toch op uw ziel wegen! Niet aan het Avondmaal is niet in de hemel! Want het is Gods wens dat u komt. Dat er bij God uitzonderingen zijn, dat getuigt die moordenaar aan het kruis. Maar waag het daar niet op, want het is niet de gewone weg. Ik verzeker u dat Hij het meent, als Hij u aan Zijn tafel nodigt en dat het uw schuld is, als u niet komt. En dat wil ik u vanmorgen op het hart drukken.

 

Want luister eens: als de heer des huizes toornig geworden is, zegt hij toch niet: ‘Nou vooruit, ze willen niet. Dan moeten ze maar zien.’ Nee, dat zegt Hij niet. Zo is God niet. Nog niet! Hij zeide tot Zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken van de stad en brengt de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in.

 

Bréng ze. Die eersten werden genodigd, maar deze mensen worden gebrácht. Want er zijn armen bij die niet geschikt zijn, die geen kleren hebben om naar zo’n maaltijd te komen. En er zijn verminkten bij en kreupelen die niet in staat zijn om de afstand te lopen naar de bruiloftszaal waar de gastheer het feest houdt. En er zijn blinden bij. Hoe kan een blinde nu de weg naar de feestzaal vinden? Welnu, daar heeft die heer een middel voor. Hij zegt: ‘Breng ze’, tegen zijn dienstknechten. O, het is toch niet moeilijk, al ben je zo blind als een mol om aan de arm van een leidsman een eindje te lopen naar de feestzaal? Dat is toch niet moeilijk? God heeft er toch in voorzien hoe wij in de hemel mogen en kunnen komen? Hij heeft de weg gebaand en Hij heeft Zijn dienstknechten uitgezonden in het uur van de maaltijd. Hij heeft alles zo beschikt, dat alle ‘achs’ en ‘maars’ verdwijnen.

 

En die dienstknechten komen terug en ze sjouwen die blinden en die kreupelen en ze zetten ze op de stoelen of de ligbanken. Maar de koning overziet de zaal en zegt: ‘Het is niet genoeg, er is nog plaats! Ga weer! Ga nogmaals! Ga uit in de wegen en in de heggen en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde.’

 

Vroeger woonden – laat ik het zo zeggen – de fatsoenlijke mensen binnen de muren van de stad. En de onfatsoenlijke mensen, degenen die door het gerecht achterna gezeten werden, die woonden buiten de stad, die woonden in de heggen en in de plaggenhutten en overal waar ze maar een schuilplaats konden vinden. Dat waren de paria’s, het afschrapsel van de maatschappij. Ga uit in de wegen en in de heggen. . .  En dan staat er: …en dwing ze in te komen. Eerst werden ze geroepen. En die anderen werden gebracht aan de arm van de dienstknechten. Maar dezen worden gedwongen.

 

Nee, niet zoals de roomse kerk vroeger deed: mensen met het zwaard naar het doopvont of naar de mis dwingen. Nee, dat is de dwang van de duivel. Zo wil God geen kinderen hebben. Maar hier is de dwang van Gods liefde. Hier is de dwang van Jezus’ tranen. Dit is de kracht van het bloed van de Middelaar. Dwing ze in te komen. ‘Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft.’ Dat is de dwang. Zo hebben de discipelen gedwongen en zo dwingt elk kind van God, dat nabij Jezus leeft: ‘Kom, ga met ons en doe als wij. Blijf toch niet achter. Heden, als je Zijn stem hoort, verhard toch je hart niet.’ Dwing ze om in te komen. Dwing ze, want er is nog plaats!

 

Jonge mensen, die belijdenis des geloofs hebt afgelegd voor het aangezicht van God en van Zijn gemeente, en ouderen bij wie het al langer geleden is: u hebt gekozen, openlijk, in het openbaar, voor Gods aangezicht. Heeft dat u nu nooit bewogen, als hier die tafel toegericht is? Kon u dan gewoon met een rustig hart zeggen: ‘O, daar zullen ze mij niet zien, hoor.’ Hoe maakt u het dan met uw ja-woord? Komt u dan nooit in de klem tussen wat u beloofd hebt en tussen wat u doet? Als je een lieve vader en moeder hebt, zou je je toch schamen als je je vader en moeder iets beloofd had en je deed het niet, keer op keer? En als je nu hier voor God beloofd hebt, toen je belijdenis des geloofs gedaan hebt, dat je gelooft dat Jezus Christus de Zaligmaker van zondaren is en dat Hij de Weg en de Waarheid en het Leven is en dat er buiten Hem geen leven is; als je dat nu beleden hebt, waarom zeg je dan elke keer: ‘Maar ik doe niet wat ik beloofd hebt.’ Denk je niet dat de Heere van de maaltijd vroeg of laat in toorn zal ontsteken, zoals het ging met deze mensen? Het ging zoals hiervóór geschreven staat, toen ze zich eendrachtig – ieder met zijn eigen smoesje – verontschuldigd hadden. Hij werd toornig.

 

Als nu de liefde van Christus je niet trekken kan, zou dan de toorn van de Heere je niet tot bezinning brengen? Dan zal de wraak van God komen over degenen die Zijn Evangelie veracht hebben en die geweigerd hebben aan Zijn tafel te komen! Moet dat u niet aangrijpen deze week? Want u kunt uzelf niet uit uw nood verlossen door te zeggen: ‘Maar een onbekeerd mens kan toch niet aan het Avondmaal gaan?’ Dacht u dat God daar genoegen mee nam? Als u vandaag voor Zijn rechterstoel geroepen werd, dacht u dat u daarmee kunt bestaan voor het aangezicht van God? Nee, dat zal niet gaan! Hij zal u afwijzen als een halsstarrige zondaar die geweigerd heeft. Al had u dan niets anders dan vodden, zoals deze mensen, die je aan moest trekken om naar het Avondmaal te komen. U begrijpt wel wat de Heere daarmee bedoelt. Hij bedoelt daarmee: als je jezelf waarneemt als zo’n geestelijk onreine, die zegt: ‘O God, ik kan toch zo niet aan het Avondmaal komen! Mijn leven is zo’n verscheurd leven. Het is zo’n ellendig leven. Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Het is zo moeilijk, Heere, om een beslissing te nemen want elke keer als ik naar U toe wil, is daar die andere kant die mij naar beneden trekt.’

 

Welnu, geliefden, er is maar één remedie. Er is maar één Verlosser in de hemel en op de aarde. U kunt twee dingen doen. U kunt zeggen: ‘Nou, ik wacht nog wat af. Ik zal nog wel zien. Misschien zal God me later nog wel bekeren.’ Dat mag u doen als u zeker weet dat er nog een ‘later’ is. Maar omdat u dat niet weet, is het geen goede remedie. Want ons leven is maar een handbreed gesteld. Er is maar één schrede tussen ons en de dood. En het gaat op de eeuwigheid aan, hoor. Ik weet niet hoelang u nog te kiezen hebt. We zien het elke keer weer opnieuw dat de dood onverwachts kan komen.

 

Maar u kunt ook als u de nodiging gehoord hebt, als u de stem des Heeren gehoord hebt, die nodiging aannemen en komen. U mag dan komen zoals die paria’s uit de heggen en de steggen met lege handen, met zwerverskleren aan. Dan moet u gedragen worden, omdat u aan alles gebrek hebt en geen geloofskracht hebt. Maar welgelukzalig is die mens die toch aan de nodiging gehoor geeft en die aan de stem Gods gehoorzaam is, ook al moet hij gedwongen worden door de dienstknechten.

 

‘Dwing ze’ zegt de Heere. En ik ben Zijn dienstknecht. Ik dwing u in de Naam van Jezus Christus om zalig te worden. Is het niet erg, is het niet verschrikkelijk dat een mens gedwongen moet worden om in de hemel te komen? Is dat geen aanfluiting dat God zo nederbuigend goed is dat Hij zondaren dwingt om in de hemel te komen? Als Hij u nu zou dwingen om naar de hel te gaan, dan zou ik zeggen: ‘Ik begrijp dat u zich schrap zet. Ik begrijp, dat u er niet over denkt om u te laten meesleuren naar de duivel.’ Maar als er nu dienstknechten van God uitgezonden zijn om u te dwingen in de hemel te komen, dan moet u toch wel met uzelf in de war raken. Dan moet u toch weleens tegen uzelf zeggen: ‘Heere, wat ben ik nu toch eigenlijk voor een mens? Nu nodigt U me vanuit de hemel om U te dienen, om U lief te hebben, om mij tot U te bekeren, om in U te geloven. Ik hoef er niets voor mee te brengen. U vraagt geen enkele gunst van mij. U vraagt alleen: Kom nu, om te eten en te drinken en om je ziel te laten zaligen en om je neer te leggen op Gods barmhartigheid. Waarom luister ik dan toch niet naar U?’

 

Misschien zijn er die zeggen: ‘Ik ben te oud. Er zijn zoveel preken over me heen gegaan. En zoveel bedieningen van het Avondmaal waaraan ik niet gezeten heb. Ik ben nu te oud. Ik durf de keus niet meer te maken.’ Maar durft u dan zonder Leidsman de doodsrivier door? Durft u dan wel onbekeerd te blijven en met sprekende daden te bewijzen: ‘Ik heb geen lust in de kennis van de wegen des Heeren’? Misschien zegt u: ‘Ik weet niet of ik wel uitverkoren ben.’ Daar zal ik nog iets van zeggen nadat we gezongen hebben het 7e vers van Psalm 27:

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den Heer', godvruchte schaar, houd moed!
Hij is getrouw, de bron van alle goed.
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer.
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op
den Heer’.

 

Er zijn mensen die zeggen: ‘Ja, maar u moet niet zo mild zijn in uw nodiging, want we lezen toch ook in de Bijbel dat velen geroepen zijn, maar weinigen uitverkoren. En dat het getal van degenen, die zalig zullen worden maar klein zal zijn, tegenover de velen die verloren zullen gaan.’ Dat is waar. God heeft ons dat in duidelijke woorden gezegd, maar dat neemt die andere waarheid niet weg. We moeten God niet op de mond willen en durven slaan. Als God iets zegt, mag u Hem niet op de mond slaan met wat Hij eerder gezegd heeft, omdat ú niet begrijpen kunt dat die twee waarheden beide waar zijn en dat ze bij God niet in strijd zijn met elkaar, al lijkt het voor ons misschien vreemd te zijn.

 

Als God zegt: ‘Ik nodig u’, dan nodigt God u. En ik zeg het u in Zijn Naam: Hij spreekt waarachtig. En als God op een andere plaats zegt: En er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48), dan spreekt God de waarheid. En als straks de boeken geopend worden, zal blijken dat een groot deel van de mensen niet naar de maaltijd gekomen is. En die zijn het die aan Zijn linkerhand zullen staan. Dat klopt precies bij God. Ik heb daar de maatstaf niet van, maar God wel. En die waarheden strijden niet met elkaar.

 

Er zijn bij ons veel mensen die de waarheid als een leugen gebruiken. Die zeggen: ‘Ja maar, als ik niet uitverkoren ben, dan kom ik er nooit. Dat staat duidelijk in de Bijbel.’ Dan zeg ik: Als u dat gebruikt als een waarheid, om God niet te dienen – nu nog niet – en af te wachten totdat het God behaagt om u een nieuw leven te geven, dan gaat u met een leugen in uw rechterhand verloren. Want die waarheid is in uw hand een leugen. U gebruikt het om God buiten de deur te houden. Als mensen niets anders hebben om zich achter te verschuilen, gebruiken ze de uitverkiezing. Dan zeggen ze: ‘Die dominee – of een ander – kan praten wat hij wil, maar ik weet het heel goed hoor, ik ben er van mijn jeugd af aan in onderwezen, dat wie God verkoren heeft, die zal zalig worden. En wie God niet verkoren heeft, die gaat voor eeuwig verloren.’

 

Is dat alles wat u weet? Dan weet u net zoveel als de duivel. Die weet het ook. Maar hebt u dan nooit gehoord dat God tot ons gekomen is, dat Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken? Hebt u dan nooit gehoord en heb ik – en anderen – het u dan niet vele malen gezegd dat er nog nooit één die tot Hem kwam door Hem is weggestuurd met de boodschap: ‘Ik heb jou niet uitverkoren, je staat niet in het levensboek Mijns Vaders?’ Nooit, nooit, nooit! Want Hij zegt: En die tot Mij komt, die zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37). En de Vader doet wat Hij Zijn Zoon heeft opgedragen. Er is geen meningsverschil tussen de Vader en de Zoon, maar volmaakte harmonie. Er is niemand die tot Jezus komt, die door de Vader afgewezen zal worden. Ik en de Vader zijn Eén (Joh. 10:30).

 

Welnu, laat deze boodschap u dan bewegen in deze week van voorbereiding om u te schikken naar het Woord van God. Dat u dan niet langer zonder Gods genade zou kunnen leven. Dat u zou zeggen: ‘Heere, ik ben nog nooit aan het Avondmaal geweest. Ik was het nu eigenlijk ook niet van plan. Maar, Heere, ik heb gehoord dat U mijn ondergang niet zoekt. Ik heb gehoord dat U zelfs de paria’s, het afschrapsel van de maatschappij, de buitenstaanders, degenen die hun leven verknoeid hebben, dwingt om in te komen. Dat u ze dwingt door hun te zeggen dat ze wanneer ze komen, welkom zijn. En wanneer ze niet komen, dat ze dan door het eeuwige vuur van Gods gramschap verteerd zullen worden.’ Want dat is de andere kant.

 

U komt door genade en u komt om genade. En u zegt: ‘Heere, hier ben ik. Arm, hulpeloos, ellendig. Maar ik zoek mijn troost, mijn verlossing, vergeving van mijn zonden en het eeuwige leven bij U alleen. Heere, ik heb gehoord van rijke zegen die Gij uitstort keer op keer. Laat ook van die milde regen droppels vallen op mij neer. Daarom kom ik naar U toe. Ik weet het: ik heb het niet verdiend en ik ben het niet waard, maar ik heb de boodschap gehoord, Heere, die boodschap van genade die ook vanmorgen tot mij gebracht is. Ach Heere, help me toch, help me om te geloven. Help me om te komen. Help me om al die andere stemmen die me van U wegtrekken het zwijgen op te leggen. En help me in mijn hart de begeerte op te wekken om door U geholpen en gered te mogen worden te bekwamer tijd.’

 

Is dat niet een heerlijke boodschap in dit deel van de Schrift? Ik zou zeggen: Kan God nog meer doen dan dit? Kan Hij zich nog dieper neerbuigen, dan dat Hij zelfs hen die hier genoemd worden, dwingt om in te komen met de dwang van Zijn liefde?

 

Welnu, ik ben heden Zijn dienstknecht. Ik heb Zijn Woord aan u gebracht. Wat gaat u daarmee doen in deze week van voorbereiding? Hebt u van tevoren al een negatief besluit genomen? Dan bid ik U, in de naam van de Heere Jezus Christus en tot zaligheid van uw eigen ziel dat u dat vreselijke besluit om niet te zullen komen, doorbreekt. Dat u deze week gebruikt – die moordenaar had er misschien maar een half uur voor nodig – om van een zondaar een rechtvaardige te worden. De moordenaar riep de Heere aan in al zijn nood. In zijn stervensnood. U hebt er niet méér tijd voor nodig. Deze ellendige riep en de Heere hoorde (Ps. 34:7), zo staat er. Hij luistert of Efraïm zich beklaagt, zeggende: ‘Wee mij’; of u in deze week tot de bekentenis komt: ‘Heere, ik ben een breker van Uw Verbond. Ik ben een onwillige. Ik ben dommer dan een os, want een os kent zijn bezitter en een ezel de krib van zijn heer, maar Mijn volk, zegt God, heeft geen kennis. Ik geef het goede voor hun ziel, maar ze vertrappen het.’

 

Of moet het nu zo met u op de hel aan? Zo op het eeuwige verderf aan? Laat de mensen maar praten! U staat niet met de mensen in rekening. Zeg niet: Ik zal níet gaan voor de mensen, of ‘ik zal wél gaan voor de mensen.’ U staat niet met de mensen maar met God in rekening. U moet het tussen God en uw ziel uitmaken. Daar gaat het om. Dan kan deze week een week van bekering zijn! Stel het niet uit! U weet niet of er ooit nog een nodiging zal komen na deze.

 

En u die God vreest, hongerigen en dorstigen naar Gods gerechtigheid, misschien arm en verloren in uzelf. U moet er maar op rekenen dat de duivel deze week op u af zal komen. Hij zal proberen om de hele zaak te verwoesten. Hij heeft allerlei listen. Maar als u eenmaal met uw hand geschreven hebt: ‘Ik ben des Heeren‘, laat het staan! Laat de duivel het niet bedekken. Laat het aan de Heere zien. Zeg: ‘Heere, U weet het: ik ben arm en ellendig, maar mijn hoop die is op U. Ik heb buiten U, daar ik zo bitter lij’, geen hulp te wachten. Niemand kan mij redden, dan U alleen.’ Welnu, dat is voor God genoeg!

 

Hij zal aan armen uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen,

Hij slaat hun zielen ga.

Als hun geweld en list bestrijden,

al gaat het nog zo hoog,

uw bloed, uw tranen en uw lijden

zijn dierbaar in Zijn oog!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 138:4

 

 

Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven.
Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,
Uw rechterhand
Zal redding geven.
De Heer' is zo getrouw als sterk,

Hij zal Zijn werk
Voor mij volenden.
Verlaat niet wat Uw hand begon,
O Levensbron,

Wil bijstand zenden.