Ds. J.J. van Eckeveld - Mattheüs 8 : 3

Jezus en een melaatse

De nood van de melaatse
De gewilligheid van Jezus

MattheĆ¼s 8 : 3

Mattheüs 8
3
En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 29: 1
Zingen : Psalm 52: 7
Lezen : Mattheüs 8: 1 - 13
Zingen : Psalm 32: 3 en 4
Zingen : Psalm 51: 4
Zingen : Psalm 30: 8

Gemeente, u vindt de tekst voor de prediking in Mattheüs 8:3, daarvan het middelste gedeelte. Daar zegt Christus tegen een melaatse: Ik wil, word gereinigd!

We willen stilstaan bij twee punten:

 

1. De nood van de melaatse

2. De gewilligheid van Jezus

 

1. De nood van de melaatse

 

In onze tekst en in het verband daarvan wordt een van de wonderen beschreven die Christus heeft verricht. Hij heeft tijdens Zijn omwandeling op aarde vele wonderen gedaan. Deze is er een van: de genezing van de melaatse. Jullie kennen deze geschiedenis van de melaatse denk ik ook wel, kinderen. Misschien denken jullie weleens, jongens en meisjes: Was Jezus nog maar op de aarde, en deed Hij nog maar wonderen onder ons. Dan zou het veel makkelijker zijn om te geloven. Zou het waar zijn? Ik geloof het niet. Wat een tekenen en wonderen heeft Jezus gedaan onder Israël en waar liep het op uit? Ze hebben het geroepen en uitgeschreeuwd: Weg met Dezen (Luk. 23:18). Kruis Hem (Luk. 18:21). Hoe eerder die Man verdwijnt hoe beter na al de wonderen en tekenen die Hij verricht heeft.

Zouden wij beter zijn dan al de mensen die dit geroepen hebben? We willen een Jezus Die ons past. Maar dan is Hij niet de Christus der Schriften. Hij wordt ons in het Woord van God voorgesteld en in de prediking verkondigd. Het is deze Christus Die onder de scharen ergernis gegeven heeft. Zo is het nog. We willen een Jezus bij Wie we zelf op de been en in het leven blijven. Wij willen geen Jezus Die ons en ons werk afbreekt tot op de bodem, opdat genade alléén al de eer zou hebben.

 

Hier hebben wij een van de wonderen van Jezus. We lezen in het tweede vers van hoofdstuk 8: Toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd. En zie, een melaatse kwam. Over dit ‘en zie’ moeten we niet heen lezen. Het wil zeggen: er komt iets bijzonders, laat het uw aandacht hebben. Wat is er dan zo buitengewoon? Een melaatse (iemand met een afschuwelijke ziekte) was onder Israël onrein. Hij mocht niet onder de mensen komen en moest ver bij hen vandaan in woeste, eenzame streken wonen. Als een melaatse ergens liep en iemand zag aankomen, moest hij roepen: ‘Onrein! Onrein!’ Dan kon die ander zo snel mogelijk wegvluchten. Je hoefde een melaatse immers maar aan te raken om zelf ook onrein te zijn.

Gemeente, zo was het onder Israël. Nu komt hier zo’n melaatse, een onreine vol met vuile zweren. Hij dringt zo maar door de scharen heen om bij Jezus te komen. Dat kon niet, dat mocht niet, maar hij deed het. De mensen zullen teruggeschrokken zijn en verbaasd gekeken hebben. Deze man mag hier niet komen. Dat gebeurde eigenlijk nooit. Daarom staat er met nadruk: En zie, een melaatse kwam. Hij kwam door de scharen heen tot Jezus.

 

De melaatsheid is een vreselijke, dodelijke ziekte. Tegenwoordig bestaat deze ziekte nog. Nu noemen wij het lepra. Het begint met witte vlekken op de huid en een donkere rand eromheen.

Jullie kennen de geschiedenis van Naäman wel, kinderen. Wat zal Naäman geschrokken zijn, toen hij ergens op zijn lichaam een witte vlek zag met zo’n donkere rand. ‘Ik ben melaats.’ Wat zal zijn vrouw geschrokken zijn toen hij dit liet zien. Een vreselijke ziekte waar geen genezing voor was. Het is een ziekte die al verder doorgaat en doorvreet. De huid wordt dikker, de gezwellen groter, het haar valt uit en delen van het lichaam zweren weg.

U ziet misschien weleens foto’s van melaatsen. De handen zijn stompjes geworden. De vingers en de neus zijn weg gezworen; en ga zo maar door. Het zenuwstelsel wordt ook aangetast. Het is aangrijpend om het te zien.

Het ergste onder Israël was dat een melaatse ver bij de tempel vandaan moest blijven. Hij mocht ook niet in de synagoge komen. Hij mocht dus niet komen in alle plaatsen waar de Heere wilde werken.

 

En nu dringt een melaatse door de schare heen en komt tot Jezus. Wat zit daarachter? In de eerste plaats dit: zo groot was zijn nood. Deze man heeft als het ware gedacht: nu of nooit. Er is er maar Eén Die mij verlossen kan en dat is Jezus. De nood dringt en drijft hem, zodat hij nergens meer op ziet. Hij let dus ook niet op de schare, waar hij helemaal niet tussen mocht lopen. Er was maar een ding: ik moet bij Jezus zijn.

Een onreine gaat door de schare naar de reine Jezus. Hij knielt voor Hem en zegt: Gij kunt mij reinigen. Ik denk te mogen zeggen dat het voor de melaatse zijn grootste benauwdheid was onrein te zijn. Hij zal het erg gevonden hebben dat hij niet onder de mensen mocht komen, maar het allerergst was voor hem dat de tempel en heel de dienst van God voor hem zo onbereikbaar geworden was.

Het feit dat hij zegt: Gij kunt mij reinigen, maakt dit duidelijk. De melaatse zegt hiermee: Ik ben onrein vanwege mijn melaatsheid. Maar er was geloof in zijn hart: er is er Eén Die mij reinigen kan. Ik moet niet bij mensen zijn, maar alleen bij Hem, bij Jezus zijn. Hij kan mij genezen. Dit geloof in zijn hart betekende voor hem een aandrang om overal door te dringen.

 

Gemeente, waar komt zijn geloof in uit? Lees maar eens goed wat hij zegt: Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Dit is een belijdenis van Christus’ almacht. Een belijdenis dat wat bij de mensen onmogelijk is, mogelijk is bij Hem.

Nu lees ik in sommige commentaren dat zijn geloof nog wel gebrekkig was, want hij zegt: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Dat Jezus het kon, geloofde hij met heel zijn hart, maar zou Hij het ook willen? Deze vuile, stinkende melaatse en onreine man – zou Hij hem wel willen reinigen? We kunnen zeggen: Er was bij de man geloof in de almacht van Jezus, maar niet in Zijn gewilligheid.

Ik kan me bij deze redenering wel iets voorstellen, maar toch ook weer niet. Daar wil ik straks nog op terugkomen. In ieder geval komt de vraag naar ons toe: Wat heeft deze geschiedenis ons te zeggen?

 

Ik vraag me af of er in Nederland nog wel melaatsen zijn. In ieder geval is het een ziekte die hier weinig voorkomt. Wij zijn toch niet melaats, kinderen? Wat moet je dan beginnen met deze geschiedenis?

Als ik een klein kind doop, zeg ik weleens tegen de vader en moeder: ‘Jullie kind is melaats, dit lieve kleine pasgeboren kindje.’ Wat bedoel ik daarmee? De melaatsheid is in de heilige Schrift het beeld van de zonde. Deze verschrikkelijke ziekte wordt in de Bijbel gebruikt om duidelijk te maken hoe erg onze zonde is. Dan zegt Gods Woord: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen (Psalm 51:7). Dit kleine kindje heeft zelf nog nooit kunnen zondigen, maar het is een kind van Adam. Ik lees direct in het begin van de profetieën van Jesaja hoofdstuk 1 vers 6: Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht (Jesaja 1:6). De melaatsheid wordt daar getekend als een beeld van de verwoesting door de zonde. Ik hoop dat jullie het ook begrijpen, kinderen. Het kleine kindje in de wieg is melaats, al merk je daar nog niets van.

We worden in zonden ontvangen en geboren, en daarom is melaatsheid een treffend beeld van de zonde. De melaatsheid was namelijk een ongeneeslijke ziekte. Als je melaats was, wist je dat je onherroepelijk aan deze ziekte zou sterven. Bij de een was de ziekte wat agressiever dan bij de ander, maar het liep altijd op de dood uit.

 

Zo is het ook met de zonde. Wie kan onze zondekwaal wegnemen? Er is geen arts te vinden die deze kan wegnemen. Een mens sterft eraan en gaat er eeuwig door verloren. Onze melaatsheid voert ons naar de dood en naar de eeuwige nacht. Daarom is de melaatsheid zo’n treffend beeld van wat de zonde is. De melaatsheid gaat al verder. Eerst is er één plek en dan komen er al meer. Het vreet door, de toppen van je vingers zweren weg. Er is geen stilstand in.

Zou het met de zonde anders zijn? Dat weten jullie ook wel, jongelui. Waar kijk je naar op je smartphone? Kijk je naar dingen waarvan je weet: daar mag ik niet naar kijken. Het je weleens gedacht ermee te stoppen? En toen? Ach, de zonde trekt. Je kijkt steeds opnieuw. Op een gegeven moment ga je eraan wennen en gaat het al verder. Dit is zomaar een voorbeeld, maar je kunt er zoveel noemen.

Op de weg van de zonde is geen stilstand, net zomin als bij het ziekteverloop van de melaatse. Het gaat al verder en verder. Daardoor is een mens van nature ten dode opgeschreven. Wie kan er voor God bestaan met zijn melaatsheid? Niemand! U niet en ik niet.

De melaatsheid, zoals we die hier bij deze man zien, is een portret van wie wij door de zonde geworden zijn. Van de heer Wijting, in de vorige eeuw oefenaar in Zeist en later in Rijssen, is geen portret. Hij zei altijd: ‘Mijn portret staat in Romeinen 3.’ Weet u wat er hierin staat? Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe (Romeinen 3:11,12). Dat is ons portret! Hierdoor zien we het aangrijpende van onze zonden.

 

We weten het natuurlijk allemaal... Als rechtzinnige mensen stemmen we het wel toe dat we zondaren zijn. Als we deze tekst lezen, kunnen we er misschien rustig met elkaar over praten, maar voor deze man was het nood. Als hij niet genezen werd, was het voor altijd verloren.

U moet onthouden: als de Heilige Geest gaat werken in het hart en ons gaat ontdekken aan de werkelijkheid van onze zondekwaal, dan wordt het zondennood, zielennood. Dat is zo nodig. Deze melaatse wist het. Wij blijven van nature echter rustig op onze stoel zitten en gaan zorgeloos door alsof er niets aan de hand is.

Bij deze melaatse was het nood; hij kon niet verder. Er moest iets gebeuren, anders was het verloren. Zitten hier mensen in de kerk die iets gezien hebben van hun melaatsheid als gevolg van de zonden? Zijn hier mensen voor wie het nood geworden is dat ze tegen God gezondigd hebben? Zijn hier mensen die weten dat ze melaats zijn van de voetzool af tot de hoofdschedel toe (2 Samuël 14:25)? Weten wij dat we onrein zijn door de zonde en voor God niet kunnen bestaan? Is er in uw binnenste een schreeuw naar de levende God? Is er, groot Ontfermer, voor een kermer, voor een schreier nog gehoor?

 

Alles is zo onmogelijk. U ziet de dood voor ogen en het is alles eigen schuld. Wee mij, dat ik zo gezondigd heb. Zijn hier mensen bij wie het zo ligt? Dat kunt u weten. Dan hebt u het niet over iets waar u met uw verstand het een en ander over weet. Dan is het niet een uiting van rechtzinnigheid waar u over praten kunt, maar het is beleving. Het is nood!

Het kan zo niet verder, ik moet God ontmoeten, ik moet sterven en hoe kan dat? Door de onreinheid van mijn zonden en door mijn schuld is het voor eeuwig verloren. Dan houdt al mijn praten en mijn rechtzinnigheid op.

De nood van de melaatse was ons eerste punt. Gemeente, is het uw nood geworden: ik heb tegen God gezondigd? U hebt geprobeerd u in duizend bochten te wringen, maar het is overal doodgelopen. Het is helemaal vastgelopen. Aan mijn kant is er geen weg tot God. Is er geen uitkomst?

 

Hier klinkt het tot deze melaatse, die met zijn nood overal doorbreekt en doordringt om bij Jezus te komen: Ik wil, word gereinigd!

Voordat wij deze gewilligheid van Jezus behandelen, gaan wij eerst zingen. We zingen Psalm 51:4

 

Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,

Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen;

Was mij geheel, zo zal ik witter wezen

Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel.

Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd;

Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen;

Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd,

En in mijn geest de ware rust herboren.

 

2. De gewilligheid van Jezus

 

Gemeente, deze melaatse heeft van Jezus gehoord. Dat kan niet anders, want zonder van Hem gehoord te hebben was hij nooit tot Hem gekomen. Misschien heeft hij wel op een grote afstand gestaan en Jezus de Bergrede horen uitspreken. Als u op een berg staat, kunt u door de echo op twee kilometer afstand horen wat een ander zegt. Wie zal zeggen of het zo geweest is? Het zou heel goed kunnen, maar we weten het niet en hoeven het ook niet te weten. Ongetwijfeld heeft hij van Jezus gehoord.

 

Hoeveel preken hebt u al gehoord, waarin het om Hem ging, de enige Verlosser? De Enige Die kan zalig maken. De Enige Die al uw schuld kan wegnemen. U hebt het ook gehoord, maar wat heeft het uitgewerkt in uw leven?

‘Ja, de dominee heeft weer goed gepreekt en het goed gezegd.’ Maar we kunnen weer rustig doorleven. Bij deze melaatse heeft het Woord zo gewerkt dat er geloof in zijn hart gekomen is. Dat geloof deed hem zeggen: ‘Jezus kan het.’ Het geloof zegt dat er voor Hem er geen hopeloze gevallen bestaan. Dan zou het kunnen, zelfs voor mij.

Heeft het Woord Gods, heeft de prediking dit in uw leven uitgewerkt? Hebt u uzelf in het licht van het Woord van God gezien als een vuile melaatse voor wie geen vergeving en verlossing mogelijk is? Maar hebt u ook ervaren dat het Evangelie voor uw melaatse ziel ging oplichten en ging er toen iets van de heerlijkheid van Christus schitteren? Dan zag u ook dat alleen Jezus u kan verlossen.

 

Gemeente, ik heb in het begin al gezegd dat er commentaren zijn die zeggen dat het hier gaat om een onvolledig geloof. Hij geloofde wel in de almacht van Jezus, maar niet in Zijn gewilligheid. Dat kan in het geloofsleven zo zijn. Er zitten hier misschien ook wel mensen die zichzelf gezien hebben in de melaatsheid van hun zonden en voor God beleden hebben: ‘Heere, ik heb tegen u gezondigd, het is niet Uw schuld, maar het is mijn schuld.’ Zij weten van droefheid over de zonde en van droefheid naar God. Zij weten dat er een Jezus is Die hen verlossen kan, en dat heeft hen weleens moed gegeven. Maar zou Hij zo iemand als ik, zo vuil, zo schuldig en verloren willen zaligen? Maar er is niet het geloof dat doet zeggen: ‘Hij is gewillig om ook mij zalig te maken.’

 

Zo kan het liggen, maar kunnen we ook van deze melaatse zeggen dat er sprake was van een gebrekkig geloof? Ik wijs u op iets anders wat me bij de voorbereiding bijzonder geraakt heeft: En zie, een melaatse kwam en aanbad Hem. We moeten daar niet overheen lezen. Jezus had nog niets gezegd en er was nog niets gebeurd. Het allereerste wat er staat is: hij aanbad Hem. En dat doet mij concluderen: deze man had een groot geloof.

Hij aanbad Hem. Dat wil allereerst zeggen: hij geloofde dat hij in Jezus met God te doen had. Je aanbidt immers niet een mens. Je aanbidt de Heere. Jezus is niet alleen mens, maar ook God.

 

Gemeente, dit is wezenlijk voor het zaligmakende geloof: ik leer Hem aanbidden. Weet u wat dat betekent? Dat ik aan Gods kant terecht kom en de Heere mij geen kwaad meer kan doen. Calvijn spreekt op zoveel plaatsen over het rechtvaardigen van God als een wezenlijk iets voor het geloof. Het geloof leert God rechtvaardigen, wat niet anders is dan God aanbidden.

Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Er is een diepe droefheid in mijn hart dat ik tegen God gezondigd heb. Mijn ziel schreeuwt naar God. Mag het weer in orde komen tussen God en mijn hart? Mag de melaatsheid van de zonde uit mijn hart worden weggenomen?

 

De melaatse gaat aanbidden voordat er iets gebeurd is. Jezus is God, en wat God doet, is goed. God kan hem geen kwaad meer doen. Als we dit op onszelf toepassen, betekent dit niet dat het me onverschillig is of ik behouden word of verloren ga. Ik zeg ook niet dat het recht van God mij liever is dan mijn eigen zaligheid. We moeten voorzichtig zijn met zulke uitdrukkingen. Maar dit zeg ik wel: als ik Hem mag aanbidden, zal ik nooit verlost willen zijn als ik zou weten dat God door mijn verlossing tekort gekomen is in Zijn deugden, rechtvaardigheid en heerlijkheid. Als U mij voorbijgaat, Heere, zou dat vreselijk zijn. Mijn ziel zou eronder weg kreunen, maar ik zou U nog aanbidden. Uw doen is rein, uw vonnis gans rechtvaardig. Ik heb er niets tegen in te brengen. En toch… U loslaten kan ik niet.

 

Nee, ik durf niet te zeggen dat deze man een klein geloof had. Wat heeft hij ontzaglijk veel in de Zaligmaker gezien. Ach, zijn geloof was niet volmaakt, er is misschien een tekort en gebrek in zijn geloof geweest – en dat zal hier altijd zo blijven. Maar hij had wel een groot geloof, want hij heeft gezegd: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Hij mag Hem aanbidden in wat Christus doet.

Begrijpt u dat vanuit uw eigen leven? Mijn ziel schreeuwt naar God. Is er voor deze zondaar, voor deze kermer nog ontferming? Als God maar verheerlijkt wordt in mijn behoud, dan is het eeuwig goed. Zou Hij gewillig zijn om zo iemand als ik die het zo verknoeid en verzondigd heeft, zalig te maken en te verlossen? Luister dan naar het woord van de Zaligmaker tot zo één: Ik wil, word gereinigd!

 

Een gewillige Zaligmaker, zo mag en wil ik Hem verkondigen. Zou Hij mij, een zondaar die het zo verknoeit, zalig willen maken? Kijk naar je gedoopte voorhoofd. Dat is een zegel van de gewilligheid van Christus om de grootste zondaar zalig te maken. Ik wil, word gereinigd! Dat woord heeft daar geklonken en is doorgedrongen tot in het diepst van het hart van deze melaatse. Dat woord doet wat. Het Woord van God is geen leeg Woord. Wanneer God spreekt met majesteit, dan gebeurt er iets. Als Hij zegt: ‘Leef’, dan is er leven. In het Hebreeuws is er maar één woord dat zowel woord als daad betekent. Dat zijn voor ons twee verschillende woorden. Maar Gods Woord is Zijn daad.

Ieder kind van God weet wat dat betekent. Dan spreekt de Heere in het hart. Als Jezus hier zegt: Ik wil, word gereinigd, dan gebeurt het. Zijn huid is weer jong en fris. Er lag geen ogenblik tussen.

 

Ik noemde de Heilige Doop het teken en zegel van de gewilligheid van Christus. Ik denk aan de lijdensdoop van Jezus: Hij is gedoopt in de diepten van de toorn van God en van het lijden om de melaatsheid van zondaren voor altijd en eeuwig weg te nemen. Hoe gewillig is Hij de weg gegaan naar de diepten in de hof van Gethsémané. Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Mattheüs 26:39). Zijn menselijke natuur huiverde terug voor het ontzaglijke van de lijdensdoop, zozeer dat zijn zweet werd als grote druppelen bloed. In de worsteling van Gethsémané is Hij gewillig gemaakt om de weg van lijden en sterven te gaan tot het einde toe.

Vader, Ik wil, Ik zal die weg gaan, door het rechthuis naar de vloekpaal van Golgotha. Ik zal de weg gaan die uitloopt op de nederdaling ter helle om zo melaatse zondaren te reinigen, zodat U alleen de eer krijgt en zondaren de eeuwige zaligheid. Deze gewillige Jezus zegt het hier tegen de melaatse, die geen andere weg meer wist dan tot Hem te vluchten met al zijn vuile zweren, met zijn nood en dood: Ik wil, word gereinigd! Zijn werk is volkomen. Gemeente, dat is Jezus. Zo mag Hij u verkondigd worden. Als u maar zo’n ellendige en schuldige melaatse wilt wezen.

 

We kunnen ons zo verschrikkelijk druk maken over vragen rond de toe-eigening van het heil. Ben ik wel diep genoeg ontdekt aan mijn zonden? Moet ik nog dieper ontdekt worden om tot Jezus te vluchten? Of hebben wij nog iets buiten Jezus? Wat kunnen wij laten zien van de diepte van ontdekking? We kunnen er eindeloos mee bezig zijn en komen er niet uit. Wat denkt u, zou de melaatse zich hebben afgevraagd of hij wel melaats genoeg was om gereinigd te worden? Als het werkelijk zielennood wordt, blijft er niets anders over dan te vluchten tot Hem, Die ons dierbaar geworden. Dat is Hij geworden toen het Evangelie voor een schuldig hart geopend werd en Hij Zich presenteerde als een gewillige Zaligmaker. Dan houdt het redeneren op en blijft er maar één ding over en dat is: vluchten tot Hem. Tot Wie zullen wij anders heengaan dan tot Hem?

Dan valt het bij Jezus mee, want Hij is nog Dezelfde. Ten u, zondaar met uw vuile melaatsheid, tegen u zegt Hij: Ik wil, word gereinigd. De man in onze geschiedenis heeft zich niet eerst opgeknapt en opgepoetst om geschikt te zijn voor de Zaligmaker. Hij kwam in de nood van zijn ziel, zo ellendig, melaats en verloren als hij was. Zo werd hij gereinigd.

 

Misschien kent u het verhaal van een zekere kunstschilder. Hij zag een bedelaar aan de kant van de weg. Hij zei tegen hem: ‘Als je morgen zo en zo laat bij mij op de stoep staat, zal ik een mooi schilderij van jou maken en je rijk belonen.’ Wat deed deze bedelaar? Hij leende een prachtig pak en liet zich helemaal opknappen. Hij dacht: Dat krijg ik straks wel weer terug van de kunstschilder. De volgende dag stond er geen vuile bedelaar op de stoep, maar een keurig aangeklede heer. Toen zei die kunstschilder: ‘Was je nu maar gekomen was als bedelaar! Nu kan ik niets voor je doen.’ Begrijpt u?

Dat is ons ongeluk. Wij willen niet worden wie we zijn en hebben altijd zoveel verontschuldigingen. Zo erg is het toch niet? We willen iets meebrengen. Deze melaatse kon niet anders meebrengen dan zijn vuile zweren.

 

En hij aanbad Hem. Ik vind dit een kernwoord in heel deze geschiedenis. Al zou Jezus hem voorbijgaan, hij kon Hem niet loslaten. En hij kwam – zo vuil en zo ellendig als hij was. Dan gebeurt het, gemeente: En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt. En Hij zegt: Ik wil, word gereinigd! Terstond was de melaatse genezen. Wat een wonder. Niemand mocht een melaatse aanraken, want dan werd je ook onrein. Wanneer Jezus onreinen aanraakt, wordt Hij dit niet. Dan blijft Hij rein. De melaatse zondaar zal in Zijn reinheid eeuwig mogen delen. Hij krijgt de boodschap uit Leviticus 14 om naar de priester te gaan. Dat hoofdstuk moet u vandaag thuis eens nalezen; dan leest u hoe een priester moest vaststellen dat de melaatse genezen was. Er moesten offers gebracht worden en dan was de onreinheid weggenomen.

 

Onreinen worden rein gemaakt.

U zegt: ‘Zou dat voor mij kunnen? Zou Hij mij willen reinigen? Ik durf niet te zeggen genoeg aan mijn zonden ontdekt te zijn. Ik durf niet te zeggen bekeerd te zijn. Ik kan niet zeggen dat ik een kind van God ben. Er is zoveel in mijn leven wat anders zou moeten zijn. Zou Hij mij wel willen hebben?’

Ik wijs u naar onze Dordtse Leerregels, hoofdstuk 2 paragraaf 5: ‘Voorts is de belofte van het Evangelie dat een iegelijk die in de gekruiste Christus gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe.’

Een iegelijk, een ieder. Al is hij nog zo melaats, schuldig, ellendig en verloren. Dan staat er in het volgende hoofdstuk: ‘Zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen.’ Hij roept u op een ernstige wijze: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jesaja 45:22). Er staat ook dat het Hem aangenaam is dat de geroepenen tot Hem komen. Hoort u dat? Het is Hem aangenaam. De melaatse had het Woord gehoord en dat heeft hem aangespoord tot Jezus te komen. De Heere Jezus belooft ook allen die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

 

Deze boodschap komt tot u: er is een gewillige Zaligmaker. Hij is bereid om melaatse zondaren te reinigen. Als u komen mag zoals deze melaatse kwam, Hem aanbiddende – zet daar maar een streep onder – dan zal het niet tegenvallen. Het zal meevallen. Buig dan uw knieën en zeg: ‘Heere, trek mij.’

Weet u waarvan ik overtuigd ben? Er is een trekking van Jezus uitgegaan naar de melaatse. Hij heeft er zelf, denk ik, geen erg in gehad. Hij kon het niet onder woorden brengen, maar hij bleef bij Jezus.

Van dat Evangelie gaat een trekking uit naar schuldige zondaren. Mensen die moeten zeggen: ‘Ik ben onbekeerd maar ik kan Hem niet missen.’

Getrokken worden, weet u een andere weg? Die is er niet. Als u zo komen mag, zo melaats, schuldig, hard, ellendig en gebrekkig als u bent, dan zult u het horen: Ik wil, word gereinigd!

Amen.

 

 

Slotpsalm 30:8

 

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei

Veranderd in een blijden rei;

Mijn zak ontbonden, en mij weer

Met vreugd omgord, opdat mijn eer

Niet zwijg'; zo klimt Uw lof naar boven;

Mijn God, U zal ik eeuwig loven.