Ds. C.G. Vreugdenhil - 1 Korinthe 5 : 7 - 8

Het feest van de dankzegging

De aansporing tot levensheiliging
De grond voor deze levensheiliging
Het doel van deze levensheiliging

1 Korinthe 5 : 7 - 8

1 Korinthe 5
7
Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
8
Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 138: 1
Zingen : Psalm 138: 3
Lezen : Exodus 12: 1 - 20
Zingen : Psalm 81: 3, 4, 11
Zingen : Psalm 119: 1, 2
Zingen : Psalm 19: 5, 7
Zingen : Psalm 68: 2

De tekstwoorden, gemeente, vindt u in het Nieuwe Testament in 1 Korinthe 5:7 en 8.

Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

Zo dan, laat ons feesthouden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

 

Het thema van de prediking in een dienst van dankzegging en nabetrachting op het Heilig Avondmaal, is het feest van de dankzegging.

 

We letten op drie dingen:

1.       de aansporing tot levensheiliging;

2.      de grond voor deze levensheiliging;

3.      het doel van deze levensheiliging.

 

1. De aansporing tot levensheiliging

 

Gemeente, we kennen allemaal het spreekwoord ‘Adeldom verplicht’. Van de leden van het Koninklijk Huis bijvoorbeeld wordt verwacht dat ze zich ook dienovereenkomstig gedragen. Zo is het nu ook met de adelstand van de gelovigen. Koningskinderen, in de hoogste adelstand verheven. Zou dat geen verplichtingen geven? Zij moeten zich ook in overeenstemming met die hoge stand gedragen. Die verplichtingen moet je niet zien als een zwaar juk, maar als een lichte last. Net als bij de Tien Geboden, waarbij we altijd zingen ‘om die te doen uit dankbaarheid’.

Toen Mefiboseth aan Davids tafel gedragen werd en daar bij de koning aan tafel mocht mee-eten, sprak hij: ‘Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben?’ Geeft hij daar niet te laag van zichzelf op? Nee, hij werd in zichzelf echt heel klein onder de weldaden van de koning die hij mocht ontvangen. Zo is het ook, als het goed is, met allen die vanmorgen de Naam van Christus beleden aan Zijn Heilig Avondmaal. Zou dat geen verplichtingen geven?

 

In die geest vermaant Paulus ook de gemeente van Korinthe tot een waarachtige levensheiliging. Hij doet dat vanuit een heel duidelijk motief, want hij zegt: ‘Gij zijt toch in Christus? ‘Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.’ Dan moet u toch ook niet meer in de zonde leven? Daar bent u toch van verlost? De kracht van Zijn bloed heeft u daarvan verlost. Dan moet u niet meer in de zonde leven. U moet strijden tegen de zonde en tegen een onheilig leven en tegen die boze aard, onze oude mens. Die adeldom van ‘het in Christus zijn’ geeft verplichtingen. ‘U mag niet meer leven’, zegt hij, ‘in kwaadheid en in boosheid. Maar u moet leven in oprechtheid en waarheid.’

 

Gemeente, dat geldt ook ons. Gods Woord is niet alleen geschreven voor toen, maar ook voor vandaag. Daar staan we bij stil in deze dienst van dankzegging op het Heilig Avondmaal. U die hier vanmorgen aanzat en in de tekenen van brood en wijn op de gekruiste Zaligmaker mocht zien en geloven ‘Hij voor mij’, u wilt de zonde toch niet meer dienen? U wilt toch de Heere dienen?

 

Mijn hart, o Hemelmajesteit,
is tot Uw dienst en lof bereid.

 

Het Avondmaal spreekt ons over de vergeving van zonden en de aanneming tot kinderen. Dat is toch niet te geloven? Voor mensen zoals u en ik? Wat is God goed! Wat is God genadig! Wat is Hij vriendelijk! Wat is Hij barmhartig!

Wat boog Jezus diep! Hij had er alles voor over. Zijn leven, Zijn bloed. Verlaten door de Vader, dorst aan het kruis, laster en smaad, Hij boog eronder. Wie zou de Heere niet graag voor zulk een verlossing dankbaar willen zijn? Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.

Maar niet alleen je mond. Want dat is vaak wel gemakkelijk. Maar het zal gepaard moeten gaan met blijken daarvan in onze levenswandel. Adeldom verplicht!

 

Misschien zegt u: ‘Dat vind ik moeilijk.’ Ik ook. Maar vermaning is altijd nodig. Dat zie je in alle brieven van het Nieuwe Testament. Nergens vind je een ideale gemeente. Althans, niet op aarde. Dat blijkt gewoon in de praktijk van het dagelijkse leven. Aan Kohlbrugge werd eens gevraagd wat hij van zijn gemeente vond. ‘Ach,’ zei hij, en hij wees naar zijn tuin, ‘het is net als mijn tuin. Er staan prachtige rozen in, maar er zitten soms scherpe doorns aan.’

Ook in de gemeente van Korinthe was niet alles in orde. Ze waren met zichzelf soms nog zo ingenomen. Ze hebben het Paulus ook wel moeilijk gemaakt. Ze hebben hem zelfs belasterd en zijn ambtelijk gezag ondermijnd. Ze beroemden zich op de vrijheid in Christus, maar die gebruikten ze verkeerd, tot zonde. Ze leefden zelfs in grote zonden.

Sommigen ontkenden de opstanding der doden. Anderen lieten zich gebruiken om scheuringen en partijschappen te veroorzaken. Dronkenschap kwam voor. Onderlinge ruzie en ontheiliging van het Heilig Avondmaal. Maar ook ergerlijke hoererij vertroebelde het leven van de gemeente.

 

Dat is toch niet niks als je dat leest. En toch eindigt Paulus die brief met: Zo dan, mijn geliefde broeders. Ja, hij heeft ze vermaand, maar hij weet ook dat er geen gemeente is waar geen zonden of misstanden zijn. Paulus verblijft op dat moment in Efeze en als hij van die misstanden hoort, schrijft hij hun een brief. Je zou gerust kunnen zeggen: een gepeperde brief.

Hij is begaan met de gemeente. Maar ze houden de zonden aan de hand en daarom moeten ze vermaand worden. Er moet ernst gemaakt worden met de heiliging van het leven. De vrijheid in Christus wordt gebruikt als een vrijbrief om te zondigen. Zo mag dat niet doorgaan.

En daarom klinkt er een krachtig vermaan in vers 7: ‘Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn mocht.’ Zuurdeeg, dat is net als gist. Het wordt hier in de Bijbel gezien als een beeld van de zonde.

Het wordt soms in andere beelden ook gebruikt. Het brood dat doorzuurd wordt: dan is het een beeld van het Koninkrijk dat overal doordringt. Maar hier is het een beeld van de zonde. De zonde die alles doortrekt en alles bederft. Er hoeft maar iets van te zijn in het leven of de werking ervan begint en breidt zich uit. Het kan soms zo onschuldig beginnen in je leven. Het is net als gist dat alles doorzuurt. Eer je er erg in hebt, ben je helemaal in de greep van het kwaad, zoals een zuurdesem zijn werk doet. Het legt beslag op je leven; in een mum van tijd is het hele deeg zuur geworden.

 

Nu had men in de tijd van de apostel nog geen gist, zoals wij dat hebben. Gist wordt gemaakt van een gistplant. In die dagen liet men heel eenvoudig een stukje van het oude deeg staan. Na verloop van tijd ging dat gisten en dat deed men dan in de nieuwe deegklomp. Ze lieten het een nacht over staan en het zuurdeeg begon zijn gistende werk te doen. Heel die deegklomp werd ervan doortrokken.

Dat beeld gebruikt Paulus hier. Zuurdeeg van de zonde. ‘Pas op’, zegt hij tegen de gemeente, ‘zo mag het in geestelijk opzicht niet zijn. Van jullie oude zondige leven, dat je als heidenen geleid hebt in Korinthe en waarvan je je bekeerd hebt toen je Christus aannam, mogen jullie geen restanten bewaren. Dat zou het nieuwe leven in Christus, dat jullie nu mogen kennen, helemaal bederven. Het nieuwe leven mag niet terugvallen in het oude.’

 

Hierbij moet je bedenken dat vele kinderen van God in Korinthe door God midden uit de wereld gehaald waren. Het waren verloren mensen. Weggerold in de goot van de wereld. Drankorgels, gangsters, drugsgebruikers en prostituees. Let erop, in hoofdstuk 6 somt de apostel een reeks van goddeloosheden op waarin die mensen vroeger leefden, en die ons doen huiveren. Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, ontuchtigen, dieven, dronkaards, gierigaards, lasteraars, rovers.

Maar, o wonder van genade, de Heere kwam in hun leven met de onweerstraanbare kracht van Zijn Woord en Zijn Geest. Toen kwam er bekering. Toen zijn die mensen aangeraakt door de Geest en hun hart werd geopend. Het Woord begon Zijn werking te doen. Ze kwamen tot bekering om hun zaligheid te zoeken en te vinden in Christus en om hun zonden te belijden en om de reinigmaking van hun zonden te zoeken in Christus Jezus. Ze braken met de zonden. Paulus kon zeggen: ‘Verschrikkelijke zonde-dienaars waren jullie.’ Maar dat is nu verleden tijd, want hij zegt: ‘En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest onzes Gods’ (1 Kor. 6:11). Maar nu dreigt er een terugval te ontstaan in dat oude zondige leven.

 

Daar moet je altijd voor oppassen. Gemeente, je kunt een kind van God zijn, je kunt de Heere liefhebben, maar het gevaar blijft op de loer liggen dat we onze stille tijd vergeten of veronachtzamen, en dat we ons overgeven aan bepaalde zonden zoals roddel. Er zijn heel veel dingen die kunnen binnensluipen en dan raken we achterop in de genade. Dan wordt het donker, want dan komen we verder van God te staan en verder van de heerlijke gemeenschap met de Heere Jezus. Dan verdwijnt Hij, althans wat onze ervaring betreft, en dan gaat er ook van ons leven niets meer uit.

Daar waarschuwt de Heere voor. Het gaat meestal sluipend, net zoals met dat zuurdeeg. Langzaam maar zeker doortrekt dat het deeg. Wat erg! Je mag weten van de werking van de Heilige Geest in je leven en je mag de Heere kennen en liefhebben, maar dan begin je toch stilletjes weg te glijden, zodat het leven met de Heere kwijnt.

 

Je komt onder de bekoring van bepaalde zonden en de verleiding van de satan en langzaam maar zeker gaat de zonde in je leven heersen. Wat zijn we hardleers! Paulus noemt niet voor niets heel concreet waar voor die mensen de gevaren liggen. Hij noemt de zonde gewoon bij de naam. Wat kan je leven zoal binnenkomen? Ach, de satan weet ook onze zwakke plekken te vinden en door die poort probeert hij ons leven binnen te komen. Dat is voor de een de seksualiteit, het zondigen tegen het zevende gebod als we ons niet houden binnen de kaders van het huwelijk. Voor een ander is het geldzucht. Het kan je zomaar te pakken nemen. Materialisme in het algemeen of zucht naar macht, roem en eer. Belastingfraude, roekeloosheid in het verkeer, verslavende gewoonten in je leven, waar je steeds moeilijker vanaf komt. Muziek waar de duivel in te horen is, programma’s die tot zonde verleiden, uitdagend zijn. Opspraak geven onder het mom van: ‘Ja, maar dat moet ik weten. Ik vind…’. Alsof we niet leven in een gemeenschap die gemeente heet.

 

Wat zijn de gevolgen als we daar voorzichtig een klein beetje aan toegeven? Het wordt steeds erger. Een kwijnend gebedsleven. Je stille tijd gaat achteruit. Slapheid in de kerkgang. Liefdeloosheid, gebrek aan vergevingsgezindheid. Roddelpraatjes, achterklap, verdachtmaking, hoogmoed, zelfgenoegzaamheid. Je kunt dat rijtje zelf wel uitbreiden. Het leidt allemaal tot verharding. In heel je levensopenbaring is dat op den duur te merken. Dan gaat er geen geur van Christus meer van je uit.

 

Wat is het nodig dat de Heere ons daaraan ontdekt! Steeds weer. Dat Hij komt met de werking van Zijn Geest, want dan zien we hoe Godonterend zo’n leven is en dat we de Heere niet dienen zoals Hij dat van ons vraagt. Dan krijgen we leedwezen over de zonden. Er komt weer het haten en vlieden van de zonden en het mishagen van jezelf en het strijden tegen je boezemzonde. Misschien herkent u het. We hebben allemaal wel ergens last van.

 

Het woord van Paulus wil ons wakker schudden op deze dankzeggingsdienst op het Avondmaal. Hoor het maar als een wekroep van Paulus. Mensen, zuiver dan de oude zuurdesem uit. ‘Weet gij niet dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?’ Een klein stukje zonde dat aan de hand gehouden wordt, doortrekt het geheel van het christenleven. De kwaadheid en de boosheid, zoals hij die noemt in vers 8, kunnen je leven doortrekken. Het is een gistingsproces. Een beetje daarvan toegestaan en gekoesterd, doet ons op den duur ondergaan in de ongerechtigheid. Daarom zegt Paulus: ‘Breek er mee.’ Breek met zonden die u misschien ontdekte, toen u vanmorgen het brood ontving en God u liet zien: ‘Dat heb Ik voor u over gehad. En wat hebt u voor Mij over?’ Zou je dan niet heilig leven voor Mijn aangezicht? Zou je dan niet al je kamers, al de vertrekken in je leven voor Mij openen, opdat Ik daar Koning word?

Waarom zou je dingen toch stiekem voor jezelf houden of aan de hand houden? Geef je toch volkomen over aan de Heere Jezus, aan de genade van God. Geen seconde langer mag je ermee doorgaan. Zuiver de oude zuurdesem uit.

 

We verstaan de kracht van deze vermaning pas goed in het licht van Exodus 12. Daarom hebben we dat gelezen. De apostel zinspeelt immers op het Pascha en hij voert ons terug naar het eerste Pascha, dat gevierd werd bij de uittocht uit Egypte. Reeds negen plagen hebben Egypte geteisterd en dan komt de beslissende plaag. Alle eerstgeborenen zullen sterven. Dan geeft God bevel aan Israël om het Pascha te houden. Er moest een lam geslacht worden en het bloed daarvan moest aangebracht worden aan de deurpost; dan zou de doodsengel voorbijgaan. Staande moesten ze lamsvlees en ongezuurde koeken eten. Dat zijn koeken, gebakken zonder gist. Staande, reisvaardig.

 

Gemeente, het Avondmaal doet ons bedenken: we mogen even uitrusten en genieten van de spijs die nooit vergaat. Het Brood des levens. Wees reisvaardig, totdat Hij komt. Hij komt eraan en dan zal de Bruiloft des Lams beginnen.

Rekenen we daar ook mee? Of zitten we helemaal vastgepind aan de dingen van deze wereld? Wees reisvaardig, staande. Het lamsvlees gegeten.

Wij gaan samen zingen Psalm 119:1, 2.

 

Welzalig zijn d’ oprechten van gemoed,

Die, ongeveinsd, des HEEREN wet betrachten;

Die Hij op ’t spoor der godsvrucht wand’len doet;

Welzalig die, bij dagen en bij nachten,

Gods wil bepeinst, en Hem, als ’t hoogste goed,

Van harte zoekt met ingespannen krachten.

 

Die, wars van ’t kwaad, niet in de zonde leeft;

Maar zijnen gang bestiert naar ’s HEEREN wetten.

Gij grote God, Die ons bevelen geeft,

Gij eist dat w’ op Uw woord gestadig letten,

En dat w’ ons hart, aan Uwen wil verkleefd,

Geduriglijk op Uwe wegen zetten.

 

‘Zuivert dan de oude zuurdesem uit.’

Er mocht geen spoortje van de zuurdesem te vinden zijn in het deeg waarvan de koeken bereid werden. Aan het eten van het Pascha ging ook een heel bijzondere handeling vooraf. Aan de vooravond van Pascha moesten de Israëlieten alle zuurdeeg uit hun woning verwijderen. Zelfs geen korreltje mocht er achterblijven. Het hele huis moest erop worden nagezien of zich misschien ergens nog een broodkruimeltje bevond van het oude deeg.

U begrijpt dat in deze handelingen een heel diepe symboliek ligt. Het zuurdeeg-beeld geeft uiting aan het bederf door de zonde. Daarom klinkt Gods gebod: ‘Als jullie later dit Pascha vieren, mag je al die zeven dagen niets gezuurds eten.’

‘Zuivert de oude zuurdesem uit.’ Vanuit Exodus 12 krijgt deze opdracht een heel diepe vulling en geladenheid. De Korinthische gemeente moet zich losmaken van haar heidense verleden. Zoals Israël zich helemaal los moest maken van Egypte, ook van de goden en de gewoonten van Egypte. Het gaat om een volledige breuk met het verleden. Alle restanten van je vroegere leven moeten opgeruimd worden. Steeds moet je erop bedacht zijn of je weer stuit op oude zonden in je leven. Alle heidendom is verboden. Ook als het een modern jasje aan heeft. Het gaat erom dat we een nieuw deeg zijn. Een nieuwe mens, die de zonde vaarwel heeft gezegd. Niet half-half. Je kunt geen twee heren dienen. We moeten een volk zijn dat leeft uit een andere levensgrond, met een andere levensstijl en een andere levensrichting dan de wereld. De apostel zegt niet voor niets: ‘Wees aan deze wereld niet gelijkvormig.’ Het staat ook met heel veel klem in de grondtaal: Zuivert radicaal de oude zuurdesem uit.

 

Nou gemeente, ga er maar aanstaan. Doen we dat ook, volgen we deze opwekking tot actieve levensheiliging? Geen activisme, maar actieve levensheiliging moet ons dagelijks bezighouden en zeker rondom de viering van het Heilig Avondmaal. De Heere heeft vanmorgen laten zien wat de zonde Hem gekost heeft. Gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en uw geest, welke Godes zijn. Een iegelijk die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.’

 

Misschien gaat u binnenkort weer beginnen met de grote schoonmaak. Als het even wat mooier weer wordt, zie je dat er altijd nijvere huisvrouwen zijn die alvast beginnen met de voorjaarsschoonmaak.

Nou, het is u gegund. Maar hier gaat het om een geestelijke schoonmaak. Die geestelijke schoonmaak is een dagelijks gebeuren, zegt de apostel. En die is ook heel wat grondiger.

Dat vergeten veel christenen helaas. Het is vaak net als bij een gewone schoonmaak. Veel mensen kunnen maar moeilijk afstand doen van het oude. Aan weggooien komen ze nauwelijks toe. Dít kan nog wel blijven en dát komt nog wel eens van pas en je zet het nog maar weer eens in de schuur, in plaats dat je het wegbrengt naar de kringloop. Zo blijft het toch weer ergens in je huis of in je schuur staan. Het is allemaal oude rommel die je niet meer nodig hebt. Maar ja, wie wat bewaart, die heeft wat, zo denken we vaak.

Nou, dat kan geestelijk gezien ook, zegt de apostel. Niet doen, anders blijven we met die schadelijke ballast zitten. Je hebt er niets aan. Het is alleen maar negatief. Luister niet naar de stem in je hart die zegt: ‘Ach, dit kunnen we nog wel aan de hand houden. Toe, je hoeft niet alles in één keer weg te doen. Je bekering hoeft toch niet zo radicaal te zijn.’

 

Gemeente, laten we maar eens iets leren uit de Joodse tradities. Alles en alles werd doorzocht om te kijken of er nog wat van die oude zuurdesem aanwezig was. Alle opbergkasten werden uitgekamd. Zelfs het gebit werd nagekeken, of er geen restjes eten achtergebleven waren. Al het gedesemde werd verbrand.

Het is de opdracht die God ook vandaag aan ons geeft. Dat we onze wegen, onze handelingen, onze gesprekken, onze gedachten, onze gedragingen, ook ten opzichte van elkaar reinigen. Misschien ook het oordeel in ons hart dat zei: ‘Hé, die ging aan. Zou dat wel echt zijn?’ Niet doen, vraag aan hem of haar of ze het u willen vertellen. Bent u niet blij als u ziet dat de Heere doorgaat met Zijn werk?

Ga je levenshuis maar eens inspecteren en daal maar af in de kamers en in de kelders en in al die plaatsen waar je een ander nooit wilt laten kijken. Vraag of de Heere, Die alles ziet, meegaat. En bid oprecht: ‘Heere, was, reinig mijn gemoed, van mijn verborgen zonden.’

 

2. De grond voor de levensheiliging

 

We gaan verder met het tweede aandachtspunt: de grond voor die levensheiliging.

Dat staat in de tekst, maar het moet wel even uitgelegd worden om de betekenis duidelijk te krijgen.

Paulus heeft gezegd: ‘Zuivert dan de oude zuurdesem uit.’ Maar let nu eens goed op hoe hij dat motiveert. De grond voor deze vermaning tot heiliging van het leven is zoals staat in vers 7b: ‘gelijk gij ongezuurd zijt’.

 

Maar dat is op zijn minst merkwaardig: ‘Zuivert de oude zuurdesem uit, gelijk gij ongezuurd zijt.’ Er staat dus eigenlijk: Word wat u bent. Maar dat is toch tegenstrijdig? Het is toch vreemd als ik tegen u zou zeggen: ‘Wast u, gelijk u gewassen bent.’

Vind je dat niet raar, jongens en meisjes? Als je net onder de douche vandaan komt en je moeder zegt tegen je: ’Ga je eens wassen, want je bent schoon.’ Als je gewassen bent, hoef je je toch niet wéér te wassen? Nee, daarom heeft dit uitleg nodig.

 

Paulus vergist zich niet, gemeente. Hier is slechts sprake van een schijnbare tegenstrijdigheid. ‘Zuivert de oude zuurdesem van de zonde uit, gelijk gij ongezuurd zijt’ klinkt tegenstrijdig, maar is het niet. Het ‘gelijk gij ongezuurd zijt’ slaat op wat de gelovigen in Christus zijn en hebben. Wie in Christus is, is een nieuw schepsel. Het oude is voorbijgegaan; het is alles nieuw geworden. De rechtvaardiging door het geloof, vergeving van zonde, het ‘zijn in Christus’, het ‘in Hem zijt gij volmaakt’ en het ‘zuivert de oude zuurdesem uit’ slaat op wie de gelovigen in zichzelf zijn. Dat heeft betrekking op de kracht van de zonde in je leven, op je levenswandel, op de heiligmaking.

 

‘Gelijk gij ongezuurd zijt.’ Dat is de machtige, heerlijke werkelijkheid van de genade Gods. Het betekent: u bent rechtvaardig en heilig voor God, in Christus. U bent behouden. U bent ongezuurd in Hem.

Bent u dat ook, gemeente? Jonge vrienden, ben je dat? Want dat is nodig om welgetroost te leven en zalig te sterven. Het geldt ieder die zijn heil leert zoeken en vinden in Christus; die in de nood van zijn verlorenheid en schuld de toevlucht leert nemen tot de Heere Jezus.

Het zijn allen die vanmorgen op de juiste manier naar Zijn Avondmaal kwamen. Hebt u Christus in de tekenen door het geloof omhelsd? Dan is er alle reden om dankzegging te houden, om God groot te maken voor Zijn geschonken genade en voor de wondere werking van Zijn Heilige Geest. Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. Nu ben ik, in mijn Heere en Zaligmaker, rechtvaardig en heilig voor God, rein in Gods ogen, ongezuurd. Wat een machtige troost! Wat een heerlijke zekerheid! God ziet mij aan in Christus. De gerechtigheid in Christus is mij toegerekend en geschonken, en wel zó volkomen alsof ik in eigen persoon voor al mijn zonden betaald en alle gerechtigheid vervuld had.

 

‘Gelijk gij ongezuurd zijt.’ ‘U bent immers een nieuw deeg geworden’, zegt Paulus. U bent wedergeboren. U bent het eigendom van Christus geworden. Dat is de geestelijke status van allen die het eigendom van Christus geworden zijn door het geloof.

Denk erom avondmaalgangers, jullie zijn toch ongezuurd in Christus? Zijn verzoenend bloed nam de schuld weg. Maar dat bloed moet ook de macht van de zonde in je leven breken. Het gaat dan niet om een wettische heiligmaking, maar om een evangelische heiligmaking.

‘Gij zijt ongezuurd in Christus.’ Dan sta je in de vrijheid. Doe daarom de oude zuurdesem van de zonde weg uit je leven. Adeldom verplicht. Koningskinderen moeten zich ook zo gedragen.

 

Er zijn mensen die voortdurend in strijd en onzekerheid leven. Ze meten hun geestelijke status af aan wat ze bij zichzelf waarnemen. Je ziet op je schromelijke tekorten, vooral als het gaat om de heiligmaking en je zegt: ‘Heere, wat breng ik er toch van terecht? O God, kunnen anderen dat nu echt in mijn leven zien?’ Zo ziende op je zonden en verdorvenheid, komt de duivel en zegt: ‘Zie je nu wel dat het helemaal niets met je is? Kijk eens wie je bent?’ De hoop ontvalt je. Je gaat je staat afmeten aan je geestelijke stand. Dat is fataal. Het moet net andersom zijn. Vanuit onze staat, onze positie in Christus, moeten we onze stand, onze conditie, onze levenswandel in overeenstemming laten zijn. Dat is de boodschap van de apostel. De boodschap in deze dienst van dankzegging voor het Avondmaal is dat een ieder die de naam van Christus noemt, moet afstaan van ongerechtigheid.

 

‘Zuivert die oude zuurdesem uit.’ Kijk je boekenkast eens na, de tijdschriften, programma’s die je bekijkt of beluistert. Verslavingen, waar je ten diepste niet aan wilt, dat het een verslaving is. Cd’s, dvd’s, video’s, haal alles er maar bij. Hoe gebruik je het internet? Je weet best dat je op bepaalde sites niet moet komen. Zuiver het uit. Satan probeert ons steeds weer ten val te brengen en daarmee wordt God onteerd en komen wij in het donker.

 

De grond van het kindschap ligt niet in wie of wat we in onszelf zijn. Gelukkig maar. Het ligt in wie of wat we zijn in Christus, alleen door het geloof. In Hem alleen zijn Gods kinderen ongezuurd. Daar draait het om in je geestelijke leven. Daarin mag het vaak zo moegestreden en aangevochten hart rust vinden. Dat heeft Hij vanmorgen tegen je gezegd. Hier heb je het brood. Neem de beker der dankzegging. Je bent ongezuurd. Je ligt voor Mijn rekening.

 

Paulus schrijft aan de gemeente van Kolosse: ‘In Hem zijt gij volmaakt.’ Dat is onvoorstelbaar, maar het is toch echt waar. Een kind van God is volmaakt in Christus. Want God ziet je aan in Christus. Niet in jezelf, in Hem ben je volmaakt. Dat geeft vastheid. Als je daarop ziet, geeft het zekerheid en troost. Daarom zegt Paulus: ‘Omdat u in Christus volmaakt bent en ongezuurd, zuivert dan de oude zuurdesem van de zonde uit.’ Ziet u, het is echt een oproep tot levensheiliging. Niet om iets te verdienen, maar om te dienen. Om God te dienen uit liefde. Wie ontdekt dat Hij dat in eigen kracht niet kan, dat hij die levensheiliging niet kan opbrengen, die bedenke dat Christus de bron daarvan is en de fontein. Bij Hem is te krijgen wat u niet maken kunt. Daarom zegt Hij: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen.’ Alleen in de Wijnstok, door de sapstroom van de geloofsverbondenheid met de Heere Jezus, kan de tak of de rank vruchten dragen.

 

Uw vrucht wordt uit Mij gevonden. Zuivert de oude zuurdesem uit. Want in Hem ben je ongezuurd, aangenomen in de Geliefde.

 

We gaan daar opnieuw van zingen, gemeente, nu uit Psalm 19:5 en 7.

 

Des HEEREN vrees is rein;

Zij opent een fontein

Van heil, dat nooit vergaat.

Zijn dierb’re leer verspreidt

Een straal van billijkheid,

Daar z’ all’ onwaarheid haat.

Z’ is ’t mensdom meerder waard,

Dan ’t fijnste goud op aard’;

Niets kan haar glans verdoven;

Zij streeft in heilzaam zoet,

Tot streling van ’t gemoed,

Den honing ver te boven.

 

 Weerhoud, o Heer’, Uw knecht,

Dat hij zijn hart niet hecht

Aan dwaze hovaardij;

Heerst die in mij niet meer,

Dan leef ik tot Uw eer,

Van grote zonden vrij.

Laat U mijn tong en mond,

En ’s harten diepsten grond

Toch welbehaaglijk wezen,

O HEER’, Die mij verblijdt,

Mijn rots en Losser zijt,

Dan heb ik niets te vrezen.

 

Zuiver dan die oude zuurdesem van de zonde uit. Leef heilig voor God.

Waarom? Omdat je ongezuurd bent in Christus. Daar gaat de apostel nu nog meer over zeggen. Dat is de tweede motivatie, maar die is er helemaal mee verbonden. Hij zegt in het laatste stukje van vers 7: ‘Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.’

Als het Lam Gods is Hij ter slachting geleid, naar het Woord van Jesaja. Zo bracht Hij in diepe zondaarsliefde het offer van Zijn leven. Vanmorgen liet Hij het horen aan Zijn tafel: Gedenkt en gelooft dat het lichaam van onze lieve Heere en Zaligmaker, Jezus Christus verbroken is tot een volkomen verzoening van al onze zonden. In onze tekst jubelt Paulus: Ons Paaslam is voor ons geslacht.

 

Gemeente, in deze woorden van onze tekst verrijst het kruis. Is Zijn bloed, door de Heilige Geest, ook op uw hart gesprenkeld in de toepassende kracht daarvan? Dat bloed reinigt immers van alle zonden. Mag u door het getuigenis van de Geest weten dat het bloed aan de deurpost van uw levenshuis is? O, buiten Jezus is geen leven! Buiten dat bloed is geen leven. ‘Wanneer Ik het bloed zie, dan zal Ik ulieden voorbijgaan.’

 

‘Want ook ons Pascha is voor ons geslacht.’ ‘Ons’ staat er twee keer. Ons Pascha – dat is Jezus – is voor ons geslacht, gekruisigd op Golgotha, gestorven en begraven. Twee keer ‘ons’. Wie zijn dat? Dat is in onze tekst natuurlijk de gemeente van Korinthe. Gemeente, je kunt er jaren voor nodig hebben om dat ene woordje ‘ons’ te spellen. God kan ook heel snel in je hart werken, dat je het weet: ‘Ook voor mij’. Misschien zegt u: ‘Ik sta zo van verre. Ik strek mijn handen begerig uit naar het heil in Christus. Ik wil van harte ernst maken met het uitzuiveren van de oude zuurdesem van de zonde.’ U voelt hoe de Heere het waard is dat u heilig voor Hem leeft. U ziet ook de walgelijkheid van uw zonden en de beminnenswaardigheid van de Heere Jezus Christus. Maar dat ene woordje ‘ons’, dat vindt u te groot. U durft u er niet bij te rekenen. Maar de Heere vraagt niet in welke mate we verzekerd zijn, maar of we Hem niet kunnen missen. Want ‘toevluchtnemend geloof’ is echt geloof.

 

Misschien durfde u vanmorgen niet aangaan, maar dan mag ik u toch troosten. Het offer van Golgotha is juist gebracht voor allen die het zich niet waardig keuren. Het is voor hen die zich waardig keuren om voor eeuwig buiten gesloten te worden en toch de Heere niet kunnen missen. Zij belijden met Petrus: ‘Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb.’ Voor hen mag hier opnieuw het offer verkondigd worden dat Christus aan het kruis gebracht heeft. Hij droeg uw schuld. Verlaat u toch gelovig op Hem. De Heere geeft zo mild; en waar die gevende hand van God de aannemende hand van de zondaar aanraakt, daar wordt het heil in Christus ervaren.

 

‘Ons Pascha is voor ons geslacht.’

Vond u het niet een groot wonder dat u mocht aanzitten? Als een mens die zich mishaagt vanwege zijn zonde, als iemand die het leven buiten zichzelf zoekt en vindt. Hoe heerlijk als Israël achter de beschuttende kracht van het bloed feest mag vieren, schuilend achter het bloed van het lam! Zo mochten wij toch ook in het ontvangen van brood en wijn, de tekenen van het Avondmaal, de verzekering ontvangen, dat de verdervende doodsengel ons voorbij zal gaan. Dat het goddelijke gericht ons niet zal treffen, omdat God de zonde maar één keer straft. Als wij mogen geloven dat Hij de zonde in Christus heeft gestraft, zal het oordeel ons niet meer treffen. Onbegrijpelijke heerlijkheid! Die God, Die wij door onze zonden vertoornd hebben, laat tijdens het Heilig Avondmaal zien, in de tekenen van het kruis, hoe enig en innig Hij zijn kinderen liefheeft. Wie dat ervaren mag, ja, die jubelt mee met Paulus. ‘Want ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.’ Ja, dan is er dat ‘ons’, die toe-eigening door het geloof. Wat een bevrijding! Wat een vreugde! ‘Voor ons’, zegt Paulus. Hoe is dat mogelijk, voor zondaars, al-bedervers.

 

‘Voor ons,’ dat is meer dan ‘voor mij alleen’. ‘Ons,’ daar zitten meer ikken in, gerechtvaardigd door Zijn bloed. Dat is de gemeente. Dat is de gemeenschap der heiligen. Dat woordje ‘ons’ wijst op de gemeenschappelijkheid. Het gaat over Paulus en die bekeerde Korintiërs. Voor ons is er de bloedband, die alle broeders en zusters bindt, als een geestelijke familie. Het gezin, het huisgezin van God. Jezus, je oudste broeder.

Hebt u dat bedacht toen u de beker doorgaf aan degene die naast u zat? In Christus, mijn broeder, mijn zuster. Dan krijgt de onderlinge liefde gestalte in woord en daad. Daar is de gemeenschap der heiligen.

 

3. Het doel van onze levensheiliging

 

‘Zo dan, laat ons feesthouden, niet in den oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.’

‘Zo dan, laat ons feest houden.’ Hoort u dat? Hoor je dat, jongelui? Feest houden. Wie durft er nog te beweren dat het leven met God somber is of naargeestig? Het leven met de Heere is een feest. Daar straalt vreugde vanaf en blijdschap. Op een andere plaats zegt Paulus: ‘Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest.’ Het leven van geloof en bekering is niet somber en naargeestig. Het is feesthouden, zegt de apostel.

Zeg eens jongelui? Zou je geen zin krijgen in dat feest? Bij dezen mag ik je uitnodigen.

We hebben het vanmorgen gezongen aan tafel:

 

Wie heeft lust den HEER’ te vrezen,

’t Allerhoogst en eeuwig goed?

 

Ja, als je dat doet, zal God je ten Leidsman wezen en je leren hoe je wandelen moet. Er zijn heel wat wereldse feesten met een bittere nasmaak. Je houdt er een kater van over. Maar van dit feest krijg je nooit spijt. Als je de smaak er eenmaal van te pakken hebt, krijg je er nooit genoeg van.

 

Het Joodse Pascha duurde zeven dagen. Dat is het getal van de volheid. Dit feest duurt zeven dagen in de week en het mag elke week gevierd worden.

Word je niet benieuwd wat voor feest dit is? Paulus zegt: ‘Niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.’ Niet in kwaadheid en boosheid, door toe te geven aan je boze hart en de boosheid die daaruit opwelt. Nee, dan zegt de apostel: ‘Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde.’

 

Toch gaat het niet alleen maar om het haten en laten van de zonde, negatief. Maar ook positief, namelijk liefhebben en doen. Leven, zegt de apostel, in oprechtheid en waarheid. De zuurdesem van het kwaad verstoort de gemeenschap met God en met elkaar. ‘Niet de zuurdesem van de boosheid,’ zegt hij, ’en de onreinheid en zedeloosheid.’

Nee, niet die zondige feesten, waar de Korinthiërs vroeger in leefden, maar het feesthouden in de ongezuurde broden van de oprechtheid en waarheid, zodat het je spijs is om de wil van je hemelse Vader te doen. Oprechtheid, dat betekent vanuit de grondtaal, datgene wat het daglicht verdragen kan; waarheid betekent vooral betrouwbaarheid. Wij moeten betrouwbaar zijn, gemeente. Als we onderhandelen, moeten we betrouwbaar zijn. Dan moet niet blijken dat we onze beloften niet nakomen. We moeten eerlijk zijn voor God en onze naaste. Mensen uit één stuk.

 

Dat wordt de grootste vreugde van de feesthoudende menigte die vanmorgen, bedroefd over hun zonden, aan de dis aanging. Droefheid gaat niet weg uit je leven; die blijft je hele leven. Droefheid over de zonde blijft. Maar dat is niet het enige, hoor! Er is steeds ook blijdschap in God, door Christus.

 

’k Zal Uw geboôn, die ik oprecht bemin,
Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten.

 

Dat is de begeerte van iedere oprechte avondmaalganger. Het is in je leven te zien, als je de Heere vreest. Dan zeggen mensen: ‘Kijk, die man, daar kun je op aan.’ ’Die vrouw is oprecht.’ Feest houden is méér dan alleen maar verwonderd terugzien op het Heilig Avondmaal. Het is méér dan alleen maar je hart ophalen aan Gods weldaden. Het slaat vooral op je levenswandel. Dat bedoelt de apostel hier, als hij zegt: in oprechtheid en waarheid.

 

Als je zo mag leven voor de Heere, geeft dat een voorsmaak van het grote eeuwige feest, dat de Bijbel noemt ‘het Avondmaal van de bruiloft des Lams’. Geen enkele oude zuurdesem zal daar binnenkomen. Het ‘feest houden in de ongezuurde broden, in oprechtheid en waarheid’ heeft alles te maken met de voorbereiding op het eeuwige feest. Laten we reisvaardig zijn, op weg naar het beloofde land, het hemelse Kanaän. Bent u daarheen op reis? Weet u het zeker? De smalle weg komt uit in Sion, maar de brede weg in het verderf. Weet u op welke weg u wandelt?

 

Denk aan het Pascha in Egypte met die ongezuurde broden. Ze moesten reisvaardig zijn, met de staf in de hand. Ze moesten het Pascha met haast eten, de lendenen omgord.

 

Elk hunner zal, in ’t zalig oord
Van Sion, haast voor God verschijnen.

 

We zijn pelgrims op weg naar het feest van de ongezuurde broden, in waarheid en oprechtheid, want ons Pascha is voor ons geslacht.

 

Geliefden in de Heere, laat ons dan feesthouden, dag in, dag uit. In de blijde wetenschap dat het hier in dit leven nog ten dele is, maar straks volkomen.

 

Onze blijdschap zal dan, onbepaald,
Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.

 

Amen.

 

Psalm 68 : 2

 

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielenvreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt den weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn Naam is HEER’ der heren.