Ds. D.W. Tuinier - Hebreeën 12 : 24

De Middelaar en Zijn bloed

De waarde van Zijn bloed
De toepassing van Zijn bloed

Hebree├źn 12 : 24

Hebreeën 12
24
En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 4 en 8
Lezen : Hebreeën 12: 12 - 29
Zingen : Psalm 85: 1 en 4
Zingen : Psalm 43: 3 en 4
Zingen : Psalm 32: 1

Gemeente, het Woord van de Heere komt tot ons in de tekst, die u zojuist is voorgelezen, Hebreeën 12; ik vraag uw aandacht voor het 24e vers. Daar lezen wij Gods Woord en onze tekst: En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.         

 

Het gaat over de Middelaar en Zijn bloed.

 

Twee aandachtspunten:

1. De waarde van Zijn bloed;

2. De toepassing van Zijn bloed.

 

Dus: De Middelaar en Zijn bloed, de waarde en de toepassing daarvan.

 

1. De waarde van Zijn bloed

Gemeente, onze tekst begint met het woordje ‘en’. Dat is een verbindingswoord. Het staat ook midden in het gedeelte, dat ons zojuist is voorgelezen vanaf vers 18. Er gaat ook wat aan vooraf. De apostel maakt vergelijkingen vanuit het Oude Testament: mensen, kinderen, knechten van God, die middelaar probeerden te zijn en verzoening probeerden aan te brengen tussen God en een schuldig volk. Maar elke keer komt de apostel weer terecht bij de Middelaar.

Wat hier ook opvalt, is het woordje den of de. Zet u eens een streepje onder dit woordje. Er is maar één Middelaar van het Nieuwe Testament. De apostel maakt direct verband tussen Hem, Jezus, de tweede Adam, en Zijn bloed.

In onze tekst wordt het genoemd het bloed der besprenging. Zet ook maar een streepje onder het. Jezus is dé Middelaar van het Nieuwe Testament met hét bloed der besprenging.

U vraagt: Waarom benadrukt de apostel dat met zo heel veel accent? De Middelaar wordt in verband gebracht met het bloed.

Waarom vloeide er zoveel bloed onder de Oudtestamentische eredienst? God wilde onder het Oude Testament, en ook ons onder de Nieuwtestamentische bediening leren dat er alleen verzoening met Hem mogelijk is in de weg van een bloedig offer. ‘God wil (immers) dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede’ (H.C. Zondag 5, vr 12). U kent deze woorden uit ons troost- en leerboek wel. Er moet volkomen betaald worden.

Wanneer moet je iets betalen, jongens en meisjes? Als je schuld hebt! Dan moet je betalen! Nu hebben wij niet zomaar schuld; we hebben een hemelhoge schuld bij God.

De Catechismus belijdt: Wij moeten betalen – volkomen, voor honderd procent – of door onszelf of door een ander. Betalen kan alleen door de welverdiende straf te dragen. De straf, waarmee God dreigde op onze ongehoorzaamheid.

Er staat immers in de Bijbel: De ziel die zondigt – dat bent ú, dat ben jij, dat ben ík – die zal sterven (Ezech. 18:4b,20a). Hier wordt de waarheid van Gods Woord bevestigd: Want ten dage als gij daarvan eet – en God wees in het paradijs naar de boom der kennis des goeds en des kwaads – zult gij den dood sterven (Gen. 2:17b).

 

Gemeente, daarin is in een paar woorden onze diepe val, en onze ontzaglijke verlorenheid voor God getekend. Maar daarachter, in de eeuwigheid, ligt Gods welbehagen! Dat is ook het geheim; het heilgeheim van de blijde boodschap van het Evangelie. Nu heeft God van eeuwigheid een weg van zalig-worden uitgedacht, en Hij heeft voor een Borg gezorgd. Dat is iemand die de straf en de schuld van een ander op Zich neemt, en overneemt. Hij heeft van eeuwigheid voor een Middelaar gezorgd.

Een Middelaar, Die sterft in plaats van zondaren. Maar deze Middelaar moet daarvoor wel Zijn leven afleggen, en Zijn bloed geven: en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving (Hebr. 9:22b).

Sprak God niet in die bewuste nacht, toen de verderfengel door Gosen en Egypte ging? Toen de Joodse vaders het lam moesten slachten, het bloed moesten nemen en het moesten strijken aan de deurposten van hun huisdeuren? Wanneer ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan (Ex. 12:13).

Het eerste bloed stroomde al direct na Adams diepe val in het paradijs, en daarna stroomde het in al de offers die in de Oudtestamentische ceremoniële eredienst gebracht werden. Heel deze stroom van bloed vindt zijn vervulling, zo schrijft de apostel, als het Lam Gods komt.

De Middelaar is Jezus. Zijn Naam moet in onze tekst met gouden letters geschreven staan. Deze Naam springt eruit; daar gaat het om. De Middelaar van het Nieuwe Testament.  Hij is de Vervuller van al die Oudtestamentische offers, van al dat bloed, van al die profetieën, en van al die afschaduwingen. Er is een direct verband tussen de Middelaar Jezus en het bloed der besprenging. Want Híj zal sterven in de plaats van Zijn Kerk.

Hij is Jezus. Zijn Naam betekent Zaligmaker. Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth. 1:21b). Daarom noemt de apostel Hem hier, in onze tekst, de Middelaar van het bloed.

Zijn bloed heeft ook bijzondere waarde. Waarmee geeft de apostel dit aan? Hij schrijft: de Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. In laatste stukje uit onze tekst geeft de apostel de waarde aan van dat bloed.

 

De jongens en de meisjes in de kerk kennen de geschiedenis wel van Kaïn en Abel, de beide zonen van Adam en Eva. Ze hebben allebei hun eigen altaar in het veld, buiten het paradijs. Hierop ligt een offer. Zo voor het oog is er geen verschil. En toch, bij alle overeenkomst, is er een wezenlijk verschil. Meisjes en jongens, dat weten jullie toch wel?

Kaïn – en ik citeer vrij naar ds. Mac Cheyne – gevoelde geen schuld en hij kende geen smart. Daarom bleef hij een vreemdeling voor God en zijn hart. Kaïn (en ú, en jij, en ík?) vroeg niet: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’ Bij Abel lag dat anders; precies andersom. Daarom nam God het offer van Abel aan, en van Kaïn niet.

Wij weten hoe het afgelopen is. Kaïn slaat op een gegeven ogenblik uit afgunst, jaloezie en boosheid zijn jongere broer dood. Het duurt niet lang, of Abels bloed vloeit daar op de aarde. Abel is de eerste martelaar. Kaïn ziet wat er gebeurt, en zijn geweten begint te spreken. Hij schrikt ontzettend, en vlucht weg van de plaats van het onheil.

Maar het martelaarsbloed van zijn broer gaat met hem mee, en hij raakt het nooit meer kwijt. Het spreekt! Het roept tot God om wraak! De Heere roept Kaïn ter verantwoording. Kaïn zal voortaan zwervend als een balling over de aarde gaan. Hij zal proberen om overal vergeving en verzoening te zoeken, maar dit nergens kunnen vinden. Het bloed van Abel blijft hem achtervolgen.

 

Maar nu zegt de apostel in onze tekst dat Jezus geen martelaar is, maar Middelaar. Als er Eén is geweest, Die in handen van moordenaars gevallen is en ook op een onwettige en onrechtvaardige wijze ter dood gebracht is, dan is Hij het. Maar Zijn bloed roept niet om wraak; Zijn bloed predikt, verkondigt en proclameert betere dingen.

Ik heb weleens tegen de catechisanten gezegd: ‘Het Leviticusboek moeten we eigenlijk rood kleuren. Het is het Bijbelboek van het bloed, en de brief aan de Hebreeën moet ook roodgekleurd worden, want op elke bladzijde, in elke tekst, gaat het over het bloed der verzoening en der besprenging.

Het gaat over de Heere Jezus. Als u de Hebreeënbrief een beetje kent, weet u dat de apostel het meer dan eens heeft over het woordje ‘beter’. Je zou het eens op moeten zoeken, catechisanten, hoe vaak dat woordje terugkomt. De apostel schrijft in deze brief over een betere hoop (Hebr.7:19), betere beloftenissen en een beter verbond (Hebr. 8:6), betere offeranden (Hebr. 9:23), een beter vaderland (Hebr. 11:15/16), en een beter blijvend goed (Hebr.10:34). In onze tekst gaat het over betere dingen.

U vraagt: ’Wat betekent nu het woordje ‘beter’? Heel eenvoudig: daar word je ‘beter’ van. Met andere woorden: Het zijn zaken die over uw eeuwig behoud gaan, uw zielenheil, uw eeuwig welzijn. Daar word je beter van. Je wordt er in ieder geval niet minder van.

‘En het bloed van Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Testament’, zegt de apostel, ‘roept niet om wraak.’ Als u eerlijk bent, en ik, en jij, dan hebben wij die wraak wel verdiend. Je zou die wraak wel verwachten. Wanneer het martelaarsbloed van Abel om wraak roept, zal het bloed van de Heere Jezus toch ook om een rechtvaardig oordeel, om de welverdiende straf roepen? Wij hebben die straf verdiend en het ernaar gemaakt.

Maar nu zegt de apostel: ‘Het predikt verzoening.’ Het Middelaarsbloed wast de zonden af. Zijn bloed reinigt, Zijn bloed heiligt, Zijn bloed vernieuwt uw hart. Het zuivert. Zijn bloed geeft leven.

 

Betere dingen. Eigenlijk staat er ‘krachtiger’. Het bloed van de Middelaar van het Nieuwe Testament overstijgt het bloed van Abel. Abels bloed is martelaarsbloed, maar Jezus’ bloed is Middelaarsbloed. De stem van Golgotha overstijgt die andere stem, welke roept om wraak als Abels bloed over de aarde stroomt. Het bloed van de Middelaar, van Jezus, is vergoten tot betaling van de hemelhoge schuld, tot verzoening van alle zonden, tot verheerlijking van Gods geschonden recht. Het spreekt van verzoening door het offerbloed van Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Testament.

Paulus schrijft in zijn brief aan de gemeente van Rome: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8:1). Hij heeft het over vrede met God, door het bloed van het kruis. Gemeente, waar zullen we beginnen, en waar eindigen om de grootte, de reikwijdte, de heerlijkheid, de ruimte en de kracht van het bloed van de Middelaar onder woorden te brengen?

Ik moest bij de voorbereiding denken aan dat indrukwekkende gedeelte uit onze Dordtse Leerregels. Wat hebben die dat mooi verwoord: ‘Het bloed van de Middelaar is van oneindige kracht en waardigheid, en overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden van de gehele wereld’ (DL, hfd 2, art. 3). Is dat Evangelie, of is dat geen Evangelie?

Betere dingen, krachtiger! Die kracht klinkt door als Hij roept: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22). Betere dingen, krachtiger! Die kracht klinkt door als Hij u toeroept: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11:28). Betere dingen, als Hij ons toeroept: Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh.1:7b).

 

Misschien denkt u:  Ik wil dat u naar de tweede gedachte gaat. Want al heeft dat bloed van de Middelaar van het Nieuwe Testament, Jezus, dan zo’n waarde, al is het gestort, al is het gegeven, al wordt het gepreekt in allerlei toonaarden, al wordt het me aangewezen en aangeprezen, al wordt het me verkondigd als het enige red- en zoenmiddel tot zaligheid – het moet wel worden toegepast.

Precies, u hebt gelijk. Het is terecht dat u zegt: Hij moet wel míjn Middelaar worden en zijn. Daarom ga ik ook naar mijn tweede punt. Want ook de toepassing lezen we in onze tekst: en tot een Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging.  Eigenlijk staat er: het bloed van de toepassing, het bloed van de toe-eigening dat betere dingen spreekt dan Abel.

Maar we gaan eerst samen zingen: Psalm 43 vers 3 en 4:

 

Zend, Heer’, Uw licht en waarheid neder,

En breng mij, door dien glans geleid,

Tot Uw gewijde tente weder;

Dan klimt mijn bange ziel gereder

Ten berge van Uw heiligheid,

Daar mij Uw gunst verbeidt.

 

Dan ga ik op tot Gods altaren,

Tot God, mijn God, de Bron van vreugd;

Dan zal ik, juichend, stem en snaren

Ten roem van Zijne goedheid paren,

Die, na kortstondig ongeneugt,

Mij eindeloos verheugt.

 

2. De toepassing van Zijn bloed

We schreven boven de preek: de Middelaar en Zijn bloed. We hebben iets gezegd over de waarde van Zijn bloed en gaan nu naar de toepassing van het bloed van de Middelaar.

Het gaat in onze tekst over ‘het bloed der besprenging’. Zojuist heb ik de jongens en de meisjes iets verteld over de geschiedenis van Kaïn en Abel. Hoe Kaïn zijn broer Abel doodsloeg en dat bloed van Abel vloeide op de aarde. Dat was het eerste martelaarsbloed. De apostel maakt de vergelijking: méér dan Abel is de Heere Jezus. Jongens en meisjes, de Heere Jezus is de Middelaar.

Nu ga ik met jullie in gedachten naar een andere geschiedenis, als het gaat om het bloed der besprenging. Je moet die geschiedenis thuis maar eens opzoeken in de Bijbel. Misschien staat hij ook wel in de kinderbijbel. Je leest hem in Exodus 24. Op een gegeven ogenblik komt het volk van Israël bij de berg Sinaï. Weet je wat daar gebeurd is? De Heere geeft daar Zijn wet aan het volk, de Tien Geboden. Het genadeverbond wordt bevestigd en vernieuwd en het volk ontvangt de Tien Geboden uit de hand van de Verbondsjehova. Het wordt aanvaard.

Maar wat doet Mozes, die tussen God en het volk staat en dus ook een middelaar is, direct daarna? In Exodus 24 lees je dat hij twaalf jonge ossen laat slachten en het bloed van die twaalf koeien opvangt in grote bekkens. Van dat bloed giet hij een gedeelte uit op het altaar, of ertegenaan, als een teken. Het is van de Heere. Er moet bloed vloeien: dát is het bloed der verzoening.

Het andere gedeelte van het bloed neemt hij in zijn handen, en besprenkelt daar het volk mee. Handenvol met bloed werpt hij over de mensen. Oudere mensen, vaders en moeders, mannen en vrouwen, jongens en meisjes. Tot de kleinste toe worden ze besprenkeld met het bloed van die jonge ossen door Mozes, de middelaar van het Oude Testament. Het komt op hun hoofd, op hun schouders, op hun kleren en op hun handen. Het komt op hun hele lichaam.

Waarom doet Mozes dat? Het is een zichtbare preek, zoals wij ook sacramenten hebben. We hebben er zojuist ook over gelezen in artikel 35 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar het gaat over het sacrament van het Heilig Avondmaal.

Mozes schrijft: Het ene gedeelte van het bloed is voor de Heere, en het andere is voor het volk. Zo verbindt hij met dat éne bloed de heilige, rechtvaardige Verbondsjehova met de zondaren. Zondaren met wie Hij geen gemeenschap kan hebben zónder bloed, want God moet de zonde straffen en kan de zondaar geenszins onschuldig houden.

Zo verbindt Mozes de heilige, rechtvaardige God, Die de zonden niet door de vingers kan zien, met dat doodschuldige, onheilige volk. Zo geeft de Heere een bevestiging van het zojuist vernieuwde genadeverbond. Daarom wordt dat bloed onder het Oude Testament ook wel genoemd: het bloed des verbonds, het bloed der besprenging of het bloed van het genadeverbond. Begrijpt u nu het woordje ‘besprenging’? De apostel denkt aan deze geschiedenis.

Natuurlijk denkt hij ook aan de hogepriester, die één keer per jaar in het Heilige der Heiligen binnenging met bloed, en dat aanbracht op het verzoendeksel, op de ark des Verbonds, waarin de Wet des Heeren lag. Deze Wet moet ieder die tot God komt buiten dit bloed, verteren, vervloeken en veroordelen. Maar in de weg van het bloed deed hij verzoening op de Goede Vrijdag van het Oude Testament. Het bloed der besprenging. 

 

Maar u zegt: ‘U moet naar de toepassing toe!’ Inderdaad. Het bloed der besprenging, het bloed der toe-eigening, het bloed der toepassing.

Een jong kind zei enige tijd geleden tegen me, toen ik preekte of een verhaal vertelde uit Gods Woord over bloed: ‘Hè, bah, dominee, bloed? Ik ben bang voor bloed!’ Toen ben ik daarover na gaan denken. Jongeren, kinderen, en misschien u ook wel, vinden het niet aangenaam om bloed te zien. Zeker niet strómen bloed, véél bloed, overvloedig bloed. Toch hoort u elke zondag over dat bloed preken. Daar raakt u toch niet aan gewend?

U weet echter wel dat we alleen met voldoende bloed levensvatbaar zijn. Dan heb ik genoeg kracht om te leven, om te functioneren. Ik las ergens: ‘Als uw HB-gehalte goed is, bent u krachtig genoeg om te leven. U bent gezond.’ Als men zwak of zwakker wordt, hoor je nogal eens: ‘Dominee, ik moet naar het ziekenhuis om enkele zakken bloed te krijgen.’ Begrijpt u?

 

Het bloed, jongens en meisjes, dat Mozes op het volk sprenkelt, is het bloed van die twaalf jonge ossen. Dat bloed mag hij niet zomaar een paar uur laten staan. Het is nog warm bloed, het is lévend. Dat bloed van die ossen is nieuw leven en wordt op een doodschuldig volk gesprengd. Zo probeert Mozes verzoening te doen. Maar dat kan hij niet, want Mozes is net zo’n mens als u en ik.

Maar dan zegt de apostel in onze tekst: Jezus is de Middelaar. Zijn bloed is het bloed van de besprenging. Het is het bloed van de bedekking. Het is het bloed van de verzoening. Het moet aan uw ziel worden aangebracht. Het moet aan uw hart worden toegepast. Uw hoofd moet bedekt worden met dat bloed. Het gaat niet om de hoeveelheid, jongens en meisjes, al is het maar een paar druppels.

Maar de kleinste kinderen onder dat volk mochten er ook in delen. Je hoofd moet ermee in aanraking komen en je handen en buik, rug en voeten. Want een mens is onrein, helemaal melaats, van het hoofd tot de voeten toe. Het moet uw ziel bedekken.

 

Nu de vraag: Hebt u dat bloed nodig? Gemeente, als ik het sacrament van de Heilige Doop bedien, probeer ik vaak in de dooptoespraak vanuit het formulier iets te zeggen over wat nu de zichtbare preek van dit water is. Want water is het teken van het bloed en de Geest van Christus, de Middelaar van het Nieuwe Testament.

Wanneer heb je nu dat water nodig? Wanneer word je nu verlegen om het bloed? Wanneer moet je nu gewassen, gereinigd, geheiligd en vernieuwd worden? Wat is nu de eerste preek, die bij u en jou naar binnen slaat? Als u of jij op het water ziet, dat op het voorhoofdje van de kinderen gesprenkeld wordt?

Als God Zijn liefde in uw hart uitstort, wanneer de Heere uw hart inneemt en verbreekt, als Hij u zaligmakend bearbeidt – dan gaat u zien: Ik ben vuil, ik ben onrein.  De dichter zingt ergens: ‘Gans melaats, van het hoofd tot de voeten toe’. Dat komt door de zonde.

De doopouders belijden het met betrekking tot hun kinderen: ‘Aan allerhande ellendigheid, ja, de verdoemenis zelf onderworpen; een kind des toorns, in zonden ontvangen, in ongerechtigheid geboren’.

 

Het is nodig, gemeente, dat u dit niet alleen verstandelijk beaamt en met uw mond bevestigt, maar ook dat u daarvoor buigt en dit van de Heere leert. Het gaat pijn doen vanbinnen. Dat komt, omdat de Heere Zijn liefde uitstort in uw ziel. Dan gaat het verdriet doen. ‘O, God, ik ben vuil. Ik heb gezondigd. En U bent zo goed, U bent zo heilig. U bent het zo waard om gediend, geëerd en gevreesd te worden door mij. Maar wat geef ik U het tegenovergestelde.’ Dat doet zo zeer vanbinnen! Dat geeft zo’n droefheid in mijn hart.

Weet u wat nu het wonder is? Er is een onlosmakelijk gevolg: het verbindt aan de Heere, het drijft uit en het brengt u aan de troon van Zijn genade. Paulus schrijft in zijn tweede brief aan de gemeente van Korinthe in hoofdstuk 7 dat het die hartelijke droefheid naar God is, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.

Dan gaat u de Heere beloven om op alle mogelijke manieren alles beter te doen. Bent u daarmee bezig? U gaat proberen uw leven te reformeren en te beteren. U probeert uzelf op te knappen voor God en een weg te zoeken, om in het reine te komen met God.

 

Maar weet u wat de Heere u leert? Het lukt niet, het gaat niet. Het is onmogelijk vanuit uzelf. Voelt u? Dan komt er een moment in uw leven, dat u aan de voeten van de Heere komt. Dan loopt het vast en gaat u roepen: ‘Is er nog een weg, een red- en een zoenmiddel bij U vandaan, o God, om de welverdiende straf te kunnen ontgaan, zodat ik weer in gunst, in gemeenschap met U hersteld mag worden? Want van mijn kant kan het niet. Ik leef onder een gesloten hemel. De weg bij mij vandaan naar U is doodlopend.’

Wat wordt het dan onuitsprekelijk groot en rijk, als Gods Geest uw verstand verlicht en uw ogen opent. Wat is het een wonder als u onder de prediking of het lezen van Gods Woord, mag horen dat er een weg is, ja dé Weg – de Middelaar van het Nieuwe Testament.

Hij heeft van eeuwigheid een weg geopend en gebaand. Wat springt uw hart dan op van vreugde en van blijdschap, als u horen mag dat er een Middelaar, een red- en zoenmiddel is. Dat betekent het bloed van de besprenging.

Wat komt er dan ook een verlangen, een honger, een dorst, een uitzien, een heilbegeerte om ook zelf met dat Middelaarsbloed besprengd te worden. Kent u dat? Dat uw hart brandend gemaakt wordt? Dat u weten mag, dat het ook voor u, voor jou en voor míj is. Dan stemt u in met de dichter: ‘Vertroost mijn ziel in haar geweên, en zeg haar: Ik ben uw Heil alleen’ (Ps. 35 vs. 1, berijmd).

 

Paulus roept het uit: ‘Toen heeft het God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren’ (zie Gal. 1:15,16). De bloedvloeiende vrouw heeft alles tegen. Als het nu om bloed gaat, dan is zij iemand die weet wat bloedarmoede is, en wat het is om de dood voor ogen te hebben. Uitgedokterd en uitgewerkt komt ze ten einde raad van achteren, om met haar door bloedarmoede witgekleurde vingers de zoom van Zijn kleed aan te raken. Ze heeft de dood voor ogen, maar: ‘Geef me Jezus of ik sterf, want buiten Hem is geen leven.’

Als ze de zoom van Zijn kleed aanraakt, gaat er kracht van Hem uit. Dan is de hand van deze bloedvloeiende vrouw het middel, waarmee ze vanuit het geloof de toevlucht mag nemen tot Hem. Dan mag ze Hem ontvangen en eigenen.

Ze mag de toepassing een ogenblik ervaren, doordat er kracht van Hem uitgaat. En dan het wonder, als dat bloed als het ware gesprenkeld wordt, en zij moet terugkomen. Ze wil immers stilletjes weggaan, maar ze moet openbaar komen – en dan stort ze haar hart uit voor Zijn alwetendheid. Hij breekt als het ware haar hart en mond open.

Uit Zijn mond mag ze het dan horen: Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede (Marcus 5:34). Ze mag het horen en weten onder de prediking van Zijn Woord. Hij past het toe door Zijn Geest. ‘Ik heb het zélf uit Zijn mond gehoord.’ Vrede met God door het bloed van het kruis.

 

Als het bloed wordt toegepast en gesprenkeld, als het mag worden geëigend, dan krijt u deel aan Zijn bloed. Het komt op uw onreine ziel, die gewassen wordt en gereinigd. Uw hart wordt vernieuwd. Hoe leren we dat, catechisanten? ‘Het verstand wordt verlicht, de hartstochten worden gezuiverd.’

Het bloed van de Heere Jezus ziet op de vergeving van de zonden. De Geest van Christus ziet op de heiligmaking, op de dagelijkse vernieuwing van uw leven. En de vruchten daarvan, geloof en bekering, zullen niet uitblijven. Ze komen openbaar.

U ziet dit ook in het leven van de stokbewaarder. U ziet dat overduidelijk in het leven van Nicodémus en Jozef van Arimathéa. De vruchten van het besprenkeld worden door het bloed van de Middelaar van het Nieuwe Testament worden zichtbaar. Want het is onmogelijk dat iemand die besprenkeld is met dit bloed van de Middelaar, geen vruchten der dankbaarheid zal voortbrengen.

 

Het bloed van de Middelaar. De waarde daarvan, de toepassing daarvan. Is het voor u al noodzakelijk en onmisbaar? Zeker ook in deze lijdensweken! Wat blijft er nu over als u in deze lijdensweken de Middelaar van het Nieuwe Testament mag leren kennen of vervolgen te kennen, ook in Zijn Priesterlijk werk? Dan blijft er in uzelf toch niets over? Dan komt u toch met alles wat van uzelf is op de grond terecht? Dan wordt u toch afgebroken en moet u alles kwijtraken? Dan leert u dat buiten het volbrachte werk, buiten het bloed der besprenging, buiten het bloed van deze Middelaar, alles in Gods ogen ongenoegzaam en te kort is! Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid, maar de gerechtigheid redt van den dood (Spr. 11:4).

 

Wanneer Hij dan in deze weken meer en meer benodigd en dierbaar wordt; als Hij dan door het geloof meer en meer gezien, geëigend of omhelsd wordt – dan zijn deze weken Godverheerlijkend en wordt Christus alles voor u, die alles kwijt is. Want Hij, Die rijk was, wilde arm worden om armen rijk te maken in Hem.

Het zien op deze Middelaar, het zien op Jezus is de zaligheid. Die God is onze Zaligheid. Die God is ons een God van volkomen zaligheid (Ps. 68: 20 en 21).

In Zondag 14 staat onder andere: ‘Die ontvangen is van de Heilige Geest’, en: ‘Die geboren is uit de maagd Maria’. Dat is eigenlijk stof voor een Kerstpreek, maar er kan ook een lijdenspreek van worden gemaakt.

Want ziet u de lijn van het derde geloofsartikel van de Twaalf Artikelen naar Goede Vrijdag? Het kan nooit Goede Vrijdag zijn, als het niet eerst Kerst is geweest. Hij is onze Middelaar; daar moet het naartoe! ‘Hij is onze Middelaar, Die met Zijn onschuld en volkomen heiligheid míjn zonde – dat is nu ontdekking, gemeente, dan ga ik mezelf verootmoedigen – waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt’ (antw. vraag 36 HC).

Ik kan voor God niet bestaan en dat leert de Heere mij. Daar doe ik een heel leven lang over. Maar in deze weg krijgt Hij alle waarde met Zijn onschuld en volkomen heiligheid. Mijn zonden, mijn dagelijkse zonden, mijn boezemzonden, mijn erfschuld, mijn erfzonde en mijn erfsmet –  ze zijn alle voor Gods heilig aangezicht bedekt.

 

Kunt u dan begrijpen dat ik straks Psalm 32 vers 1 laat zingen: ‘Welzalig hij, die het mag gebeuren, dat God, naar recht hem niet wil schuldig keuren’? Als u vanavond nog gaat zingen, zing dan ook maar dat mooie lied: ‘Jezus, Uw verzoenend sterven is het rustpunt van mijn hart.’

Jongens en meisjes, zoek deze Middelaar. ‘Zoek Jezus veel, zoek Jezus vroeg, Wie Jezus heeft, die heeft genoeg’, zong Ledeboer. Ja, Hij heeft alles. Want in Zijn bloed – dat hebben we samen gezongen uit Psalm 85 – is Zijn toorn gestild en Gods gramschap geblust. Dan moet een vloekende wet zwijgen, dan is er werkelijk rust voor uw ziel, en vrede voor uw hart.

 

Ik geloof, dat ik heb geprobeerd om u aan te sporen en achter de kudde aan te dringen om deze Middelaar te zoeken. Maar ik wil ook een heel ernstig woord meegeven. Want ik lees in vers 25: Ziet toe, dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt.  Dat gaat niet over mij; niet over degene, die u het Woord bedient, want Dien staat hier geschreven met een hoofdletter. Ziet toe, dat gij Díen (de Middelaar) Die spreekt, niet verwerpt. Want dan eindigt ons hoofdstuk met: Want onze God is een verterend Vuur (Hebr. 12:29).

Amen.

 

Slotzang: Psalm 32 vers 1:

 

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die, in ’t vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.