Ds. M. Golverdingen - Johannes 4 : 15 - 19

De weg naar het levende water

Deze weg wordt door de Samaritaanse vrouw niet gezien
Deze weg wordt door Christus gebaand
Deze weg wordt door de Samaritaanse vrouw betreden
Dit is de tweede preek in een serie van drie preken.

Johannes 4 : 15 - 19

Johannes 4
15
De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.
16
Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.
17
De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man.
18
Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.
19
De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Morgenzang: 4, 5, 6, 7
Zingen : Psalm 130: 2
Lezen : Johannes 4: 1-19
Zingen : Psalm 51: 1, 2
Zingen : Psalm 32: 3
Zingen : Psalm 119:65

Gemeente, het Bijbelgedeelte dat ons werd voorgelezen, verplaatst ons naar de fontein van Jakob, in de directe omgeving van Sichar, in het door elke Jood verachte Samaria. En bij die Jakobsbron rust de Heere Jezus uit van de vermoeienissen van Zijn reis van Judea naar Galilea. Daar bij de bron begint Hij op het heetst van de dag, om twaalf uur, een gesprek met een Samaritaanse vrouw, die daar op dit ongewone uur komt om water te putten.

Hoe heerlijk schittert in deze geschiedenis Gods onweerstaanbare genade! Hoe blinkt Zijn soevereiniteit! Hij moest door Samaria gaan. Hij moest door dit gebied trekken voor deze vrouw en voor vele andere Samaritanen, opdat Zijn heerlijkheid ook hier zou worden geopenbaard in de bekering van zondaren. Want Hij is gekomen, om te roepen en zalig te maken dat verloren was.

De Heere stelt als man deze vrouw, dwars tegen alle oosterse zeden in, in het openbaar een vraag: Geef Mij te drinken. Zij hoort onmiddellijk aan Zijn uitspraak van de Aramese taal, de omgangstaal van de Joden in die tijd, dat de vragensteller een Jood is. Vol verbazing en tegelijkertijd vol verachting zegt ze in het negende vers: Hoe begeert Gij, die een Jood zijt, te drinken van mij, die een Samaritaanse vrouw ben?

Maar de Heere gebruikt haar felle, hoogmoedige woorden als aanknopingspunt om haar het heil in Christus te verkondigen. Hij biedt haar de genade aan in het beeld van het levende water. Dat levende water is de zaligheid in Christus. Het is in het bijzonder het beeld van de Heilige Geest met al Zijn genadegaven. De Geest is het, Die zondaren levend maakt. De Geest is het Die mensen met geloof begiftigt. De Geest is het Die alles uit Christus neemt, om het indachtig te maken in het hart van een zondaar.

 

Nee, de Samaritaanse heeft niets verstaan van de geestelijke strekking van de woorden over het levende water. Ze werpt de Vreemdeling Zijn machteloosheid voor de voeten. De put is twee en dertig meter diep en Hij heeft niet eens een kruik en een koord. Als Hij haar dat levende water denkt te kunnen geven, stelt Hij zich in macht en aanzien wel heel ver boven aartsvader Jakob.

Wat doet de Heere Jezus? Stoot Hij haar weg om haar blindheid? Jaagt Hij haar weg om haar ongeloof? Nee, Hij gaat door om haar te lokken tot het Koninkrijk Gods. Hij gaat door om haar te trekken door de krachtige verkondiging van het heil dat in Hem te vinden is. Daarom zegt Hij: Eenieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem zal geven, die zal in eeuwigheid niet dorsten.

De Samaritaanse vrouw krijgt die middag een teug van het levende water van de Heilige Geest. En dat heeft een geweldige uitwerking in haar leven. Wij staan daarbij met de onmisbare hulp van de Heere stil aan de hand van de tekst die u vindt in Johannes 4, de verzen 15 tot 19.

 

De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten. Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier. De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man. Want gij hebt vijf mannen gehad, en die gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd. De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.

 

Dit Bijbelgedeelte bepaalt ons bij:

 

De weg naar het levende water

 

We letten op:

 

1.       Deze weg wordt door de Samaritaanse vrouw niet gezien.

Vers 15: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste en ik niet hier moet komen om te putten.

2.       Deze weg wordt door Christus gebaand.

De verzen 16 tot 18: Gij hebt wel gezegd, ik heb geen man, want gij hebt vijf mannen gehad. En die gij nu hebt, is uw man niet.

3.       Deze weg wordt door de Samaritaanse vrouw betreden.

Vers 19: Heere, ik zie, dat gij een profeet zijt.

 

1. Deze weg wordt door de Samaritaanse vrouw niet gezien

Gemeente, de Heere Jezus heeft tot de Samaritaanse met grote nadruk gezegd: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem zal geven, die zal in eeuwigheid niet dorsten. En wat antwoordt deze vrouw op deze verkondiging van Christus dat Hij de Schenker is van het levende water?

Vers 15 geeft een opvallende en duidelijke verandering weer in de houding van de Samaritaanse. De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste en ik niet hier moet komen om te putten. U hoort het. Haar felle, onafhankelijke toon is weg. Ze gevoelt een onvrede die ze zich nooit eerder zo bewust is geweest. Ze begint iets te verstaan van de broosheid van het menselijke leven.

Ze heeft nog nooit de regelmatige gang naar de Jakobsbron als een zware belasting ervaren. Ze gaat altijd op het heetst van de dag om water te putten om de fatsoenlijke vrouwen van Sichar te ontlopen, want die komen in de morgen of in de late avond in de koelte. Ze wordt nog veel liever door de stralen van de tropenzon verzengd dan dat ze de roddelende tongen hoort en de verachtende blikken ziet van die nette vrouwen uit de omgeving. Maar nu ziet ze voor het eerst het vermoeiende, het trieste van de altijd terugkerende gang om water te putten in deze omstandigheden.

 

Nee, van de geestelijke strekking van het levende water, waarover deze Vreemdeling spreekt, verstaat ze nog niets. Haar hele denken is nog gericht op het water van de Jakobsbron. Maar de glans van haar leven gaat weg. Zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in der eeuwigheid niet dorsten. Dat Ik, in onderscheiding van anderen, hem geven zal. Door deze woorden ontwaakt in het hart van deze vrouw werkelijk belangstelling. Ze begint te geloven dat die Vreemdeling haar echt wat geven kan. Ze begrijpt dat Hij haar iets geven wil. Ze gelooft dat Hij het bezit, en ze gelooft dat Hij het geven kan. Ze begint iets van de grootheid van de Man, Die tegenover haar zit, te verstaan. Met eerbied spreekt ze Hem aan: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen om te putten.

Wat zou het heerlijk zijn om hier nooit meer op het heetst van de dag te moeten lopen om water te putten! Wat zou het heerlijk zijn om niet langer dit vermoeiende, zinloze leven te moeten leiden! Als U water bezit dat mijn dorst voor altijd lessen kan, geef het me alsjeblieft.

 

U hoort het, gemeente, de verhoudingen zijn omgekeerd. In vers 11 werpt zij de Heere Jezus nog Zijn machteloosheid voor de voeten. De put is diep en vanwaar hebt Gij dan het levende water? Zij beschikt over een kruik en een koord om water te putten. Hij niet. Maar nu vraagt zij, die beschikken kan over het water uit de Jakobsbron, Hem om levend water. Alles verandert. Waar komt dat nieuwe opvallende inzicht vandaan? Het woord van Christus is voor haar het zaad van de wedergeboorte. Het begint te ontkiemen in haar hart. Daardoor verliest het leven van elke dag zijn bekoring.

 

Gemeente, zo handelt de Heere nog dikwijls met mensen, ouderen en jongeren, in Zijn vrijmacht. Er zijn sommigen onder Gods volk, die met Saulus van Tarsen plotseling worden neergeworpen op de weg naar Damascus. Er zijn anderen, die met de stokbewaarder worden weggerukt, als van de rand van de hel. Doe u zelven geen kwaad; want wij zijn allen hier (Hand. 16:28).

En er zijn weer anderen, die op een dag de kerk uitgaan, onrustig. Ze gaan onvoldaan weg uit de kerk. Ze missen op werkdagen de vrede op de werkvloer. Er is een gemis dat ze voor die tijd niet kenden. Ze kunnen het niet verklaren. Voorheen gingen ze maar door in hun eindeloze race. De buren noemen hen workaholics. Zij ontkennen het, maar de buren hebben gelijk. Ze zijn steeds maar bezig in hun gezin. Ze steken al hun energie in hun bedrijf, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Je vindt deze levenshouding bij jonge mensen, die almaar bezig zijn met hun studie, met onderzoek, met hun beroepsopleiding of alles zoeken en vinden in hun verkering, en dan ineens is de glans er af.

Hoe komt het? Ze weten het niet. Eén ding is duidelijk, de fleur en de geur van het leven worden weggenomen. Dat doet de Heere, opdat er een verlangen zou geboren worden naar God, naar Zijn gunst, naar Zijn gemeenschap. Ze zijn God kwijt.

Zie het ook hier, deze vrouw hoopt voor altijd af te komen van het waterputten bij de Jakobsbron.

 

De vriendelijke woorden van deze Joodse Man hebben het innerlijke verzet in haar hart enigszins gebroken en de belangstelling is ontwaakt. Heeft Hij niet gezegd: Vrouw, u hebt zo’n dorst en die zult u altijd blijven houden, zolang u het levende water niet kent? Ze neemt die woorden niet geestelijk op, maar puur natuurlijk. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1 Kor. 2:14). Zij ziet de weg niet naar het levende water. Die weg is voor haar verborgen. Haar ogen zijn gesloten voor de betekenis van de Persoon van de Heere Jezus Christus.

Maar nu, nu gaat Hij voor Zichzelf plaats maken, door haar te ontdekken aan haar zonden. Want ze moet niet denken: Als deze Man, die misschien nog wel groter is dan onze voorvader Jakob, mij zoiets heerlijks geven wil, is mijn verleden blijkbaar niet zo erg. Ze moet niet denken dat de Heere het met haar zonden niet zo nauw neemt. Hij kan de zonden niet verbloemen. Hij ziet ze niet door de vingers. Daarom valt op dit punt in deze geschiedenis elke vorm van beeldspraak weg en spreekt de Heere Jezus haar rechtstreeks aan.

Dat brengt ons bij de tweede gedachte.

 

2. De weg wordt door Christus gebaand

In het zestiende vers zegt Jezus tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier. Tot drie keer toe spreekt de Heere Jezus in de gebiedende wijs. Ga! Roep! Kom! Hij treedt niet in details. Maar met dat ene woordje ‘man’ gooit Hij haar hele leven overhoop. Als pijlen doordringen die woorden haar. Voor de eerste keer in haar leven ziet ze zich in het licht van Gods heiligheid en rechtvaardigheid.

De woorden van Jezus moeten dienen om in haar een hartelijk en een levend schuldbesef te wekken. Hij wil haar als een verloren zondares aan Zijn gezegende voeten brengen. Hij brengt hier als Profeet de Wet voor haar tot leven.

 

Hoe is dat in ons leven? In het uwe en in het mijne? Hebben wij reeds persoonlijk mogen blikken in de spiegel van de Wet? O, deze geschiedenis leert dat de Heere heel persoonlijk met mensen handelt! Met de Laodicenzen zeggen wij van nature: Ik ben rijk en verrijkt, en ik heb geenszins gebrek, en toch zegt de Heere van ons allen: en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk, naakt en blind (Openb. 3:17).

Gemeente, de vraag is niet of u van kinds af in de Wet bent onderwezen, want dat bent u allen. De vraag is niet of u de Wet in den brede hebt horen verklaren, want dat is al vaak gebeurd. Maar de vraag is of u uit de Wet uw ellende en verlorenheid hebt leren kennen en of dat u gebracht heeft tot een hartelijke verootmoediging voor God. Als de Wet in ons leven gaat spreken door Christus, gaan we uitroepen:

‘k Wil mijn misdaân, die U tergen,
Niet verbergen;
Ik bedek voor U die niet.
’k Ben vanwege al mijn zonden,
Die mij wonden,
Vol van kommer en verdriet.

Hij brengt hier, als Profeet, de Wet tot leven in haar bestaan.

 

Wat is het noodzakelijk voor ons allen, voor jongeren en ouderen, dat wij persoonlijk onze ellende leren kennen! Die zelfkennis werkt de Heilige Geest. Dan worden we door de Wet als een tuchtmeester met harde slagen voortgedreven om ons behoud in Christus te zoeken.

 

Het is heel opvallend dat de Samaritaanse hier in de tekst, uit de mond van de Heere Jezus, de woorden hoort: Kom hier. Hij dringt er bij haar op aan om niet van Hem weg te vluchten, nu Hij bezig is haar zonden bloot te leggen. Nee, Hij dringt eropaan om zich tot Hem te wenden met haar verzondigde leven. Hij is immers machtig om haar zonden te vergeven. Hij is gewillig om haar te ontvangen.

Is dat niet de bevinding van al Gods kinderen, die zichzelf veroordelend over de wereld gingen en de toevlucht tot Hem mochten nemen, toen Hij iets van Zich bekend maakte in de belofte van het Evangelie? O, in dat woord ‘Kom hier’, keer terug tot Mij, schittert een zondaarsliefde, zo groot, zo onbevattelijk! Ze is voor ons onuitspreekbaar. Want als u in Zijn ontferming delen mag, wordt zalig worden een groot wonder. Als u in Zijn ontferming delen mag, valt u in ootmoed aan Zijn voeten. Wat een Goddelijke wijsheid! Wat een Goddelijke liefde en barmhartigheid! Kom hier! Kom hier!

Hier ontmoeten waarheid en genade elkaar. Hier kussen de vrede en het recht elkaar. Als Jezus Christus in ons leven de Wet verkondigt als Profeet, doet Hij dat nooit opdat we eraan zouden sterven, maar opdat we zouden leven.

 

Nogmaals gemeente, welke vrucht werpt de kennis van de heilige Wet des Heeren in uw leven af? Zonder de profetische bediening van de Heere Jezus Christus brengt de Wet ons tot wroeging en wanhoop, want wij kunnen nooit aan de eis van de Wet voldoen. We zijn gevallen en totaal verloren Adamskinderen. We liggen verloren in zonde en schuld. Daarom moeten we sterven.

 

Het kan gebeuren dat u wordt gegrepen door een algemene overtuiging van zonden, die met hevige benauwdheid gepaard gaat. Dan kan het zijn dat u verandert. U verlaat de zonden en voegt u bij Gods volk. U bouwt uw hoop op allerlei ervaringen. U ervaart: toen en toen heb ik het zo ontzettend benauwd gehad. Ik keek in de hel. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Toen heeft God een begin met mij gemaakt en nu mag ik toch wel enige hoop hebben. U belijdt: Ik heb zwaar gezondigd, ik heb het ontzettend benauwd gehad.

Maar kan het niet zijn dat de echte verootmoediging ontbreekt? Is er wel vernedering voor Gods aangezicht? Hebt u een verbroken hart? Is er ware ootmoed? Het schuldbesef is er wel, maar is het niet horizontaal? Hebt u niet nagelaten te belijden tegen de Heere gezondigd te hebben?

 

Maar als Jezus komt, gemeente, en als Profeet ons Zijn goede geboden voorhoudt, en ons zaligmakend overtuigt van zonden, dan worden de dingen heel anders. Dan wordt het schuldbesef verticaal. Dan zeggen we met David: Ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in uw ogen (Ps. 51:5,6a).

 

Gemeente, als Jezus de Wet laat spreken in ons leven, gaan we buigen voor de Heere. Dan maakt Hij ons oprecht en eerlijk voor Hem. Dan gaan we alle bladzijden van ons levensboek voor Hem openleggen, ook de allerzwartste.

’k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;
’k Verborg geen kwaad
 dat in mij werd gevonden;
Maar ik beleed, na ernstig overleg,
Mijn boze daân.

Dan gaan we met tranen belijden dat God ons geen onrecht zou doen, als Hij ons voor eeuwig voorbijgaat. Toch kunnen we in dat belijden van onze onwaardigheid en van onze rechteloosheid, terwijl we door het recht des Heeren worden veroordeeld, Hem niet missen. O, dan kunt u niet rusten vóórdat u zeker weten mag dat u hersteld bent in Gods gunst en gemeenschap! Dat is het wat u bezighoudt. U krijgt een Borg nodig, Die uw schuld betaalt, want u kunt niet betalen. U maakt elke dag opnieuw uw ongerechtigheid méér.

 

Gemeente, die hartelijke kennis van onze verdorvenheid is onmisbaar. Let wel, in die kennis is geen enkele hoop, geen enkele troost. Er is geen enkele grond in voor de eeuwigheid, want de Wet maakt niet zalig, maar het Evangelie maakt zalig. De ontdekking door de Wet dient om ons tot Christus te leiden.

Daarom gaat de Heere in deze geschiedenis ook voort met ontdekkend onderwijs te geven aan deze Samaritaanse vrouw. We lezen in vers 17: De vrouw antwoordde en zeide: ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man.

Ik heb geen man. De anders zo spraakzame Samaritaanse probeert door een heel kort versluierend antwoord aan de genadegreep des Heeren te ontkomen.

Och gemeente, u en ik doen van nature niet anders! We willen niet ontdekt worden aan ons gevallen bestaan. Een aanvankelijk ontdekte zondaar geeft het de Heere niet zomaar gewonnen. ‘De hoogmoed gluurt nog door de rafels van ons bedelaarspak heen,’ zei iemand eens. We zijn echt niet zomaar bereid om zonder enige terughoudendheid onze zonden te belijden voor ’s Heeren aangezicht. We proberen dat te ontgaan en te ontwijken, omdat we Gods genade schuwen.

 

Maar, Jezus Christus moest door Samaria gaan. Degenen die door de Heere worden gegrepen, laat Hij nooit meer los. Hij voltooit altijd wat Hij in hun leven begon. Dat blijkt ook hier. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man. Want gij hebt vijf mannen gehad, en die gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.

 

Gemeente, hoe indringend heeft hij haar aangezien toen Hij haar, in Zijn alles onthullende antwoord, zomaar plaatste voor het zevende gebod van de Wet des Heeren. Vijf mannen! Die vijf mannen kunnen moeilijk alle vijf gestorven zijn. Vijf mannen! Wat een zondig leven ligt er achter haar! Telkens opnieuw heeft zij door haar lichtzinnigheid en door haar overspelig gedrag haar man aanleiding gegeven om haar een scheidbrief te geven. En nu, op dit moment leeft ze samen met een minnaar, die naar de Wet van God helemaal niet haar man is.

Het woord van de Heere Jezus is als een scherpsnijdend operatiemes. Maar achter dit ontdekkende woord, waarbij haar leven in zonden geheel openvalt voor Gods alwetendheid, staat de Heere Jezus in Zijn onpeilbare borgtochtelijke liefde.

Hij wijst verloren zondaren door de verkondiging van het levende water op Golgotha. Daar zal Hij Zich buigen onder Gods recht. In een onpeilbaar diep lijden en sterven zal Hij Zich ontfermen over de ellendigste van de zondaren en zondaressen, over zo’n vrouw als deze.

 

Achter Zijn onthullend spreken, waarbij haar zondig leven wordt opengelegd, spreekt de Hogepriester: Vader, verlos haar, dat ze in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening voor haar gevonden (Job 33:24).

Het is dan ook volstrekt onjuist, gemeente, om de tekst in een harde en verwijtende zin te lezen. Er komt geen hard woord uit de mond van Christus. Hij scheldt haar niet uit. Hij zegt niet tegen haar: Houd je mond vrouw, want je liegt. Maar ook niet: U hebt het goed gezegd. U hebt echt de waarheid gesproken. Ik vind in u te prijzen, dat u het openlijk belijdt, Ik heb geen man. Een onverstandige zielenherder zou hier gezegd hebben: ‘U bent een goddeloze vrouw. Als u zich niet bekeert, gaat u verloren.’ Maar Jezus, de goede Herder, maakt haar geen enkel verwijt. Daardoor breekt de vijandschap in haar hart. Zijn liefde verbreekt haar hart. Zijn woorden maken haar tot zondares voor God. Later zal ze tegen de mede-inwoners van Samaria getuigen, in vers 29: Komt, ziet een mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?

 

Gemeente, die mensen, die verbrokenen van harte, stemmen in met Psalm 32 vers 3, dat wij samen gaan zingen.

 

‘k Bekend’, o Heer, aan U oprecht mijn zonden;

‘k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg.

Dies zal tot U een ieder van de vromen,

In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen;

Een zee van ramp moog’ met haar golven slaan,

Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

 

Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man. Want gij hebt vijf mannen gehad, en die gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.

Gemeente, verstandelijk toestemmen dat we verloren mensen zijn, dat we een verdorven bestaan omdragen, is geen kunst als je onder de waarheid bent opgevoed. Maar hoe velen zijn er, die onder de waarheid zijn opgevoed en die de beleving missen, waarover deze Samaritaanse vrouw spreekt?

Op huisbezoek zeggen ze krachtens opvoeding tegen de ouderlingen, dat ze ook wel bekeerd willen worden. En ze hebben er geen erg in dat het een antwoord is zonder diepte, een antwoord zonder de inleving van het gemis. Een antwoord zonder het besef dat ze onmachtig en onwillig zijn om God te zoeken.

Gemeente, vijanden van vrije genade, die vind je niet alleen in het uitgaanscentrum van onze grote steden, hoor! Vijanden van vrije genade vind je ook in de kerk. Een vijand – dat bent u en dat ben ik van nature. Het onderscheid met de wereldling is alleen dat wij onze vijandschap hebben aangekleed met een keurige kerkelijkheid. We zijn vijanden van vrije genade. Door die vijandschap weerstaan we de roepstem van God, die tot ons komt in dagen van ziekte, nood en dood. Door die vijandschap slaan we de ernstige waarschuwingen om de Heere te zoeken, die uit het Woord tot ons komen, in de wind. Door die vijandschap verachten we de hartelijke en ernstig gemeende nodigingen in het Evangelie.

 

Een gevallen mens durft wat aan!

Hoe is het? Leeft u nog net zo rustig als de Samaritaanse vrouw voor haar komst naar de Jakobsbron? Ze was godsdienstig, maar ze begreep niets van de dienst van God.

Kom, is dat uw leven? Een rustig leven zoals van de Samaritaanse? Vraag dan aan de Heere of Hij uw ogen wil openen voor uw zonden en schuld. Zonder dat kunt u voor God niet bestaan en de eeuwigheid niet aandoen. O, hoor toch Zijn Woord! Hij klopt aan uw hart. O, onbekeerden, hij roept het u persoonlijk toe: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt (Openb. 3:18).

Hoort u het? Híj raadt het u – niet een mens. Híj zegt u: Ik raad het u dat gij van Mij koopt. En wat denkt u? Zal dat goud dan bij Hem niet te verkrijgen zijn? Zal die ogenzalf bij Hem dan niet beschikbaar zijn? Ik raad u, dat gij van Mij koopt, goud, beproefd komende uit het vuur.

 

Jonge mensen, leef je nog even rustig als de Samaritaanse vóór haar komst naar de Jakobsbron? Fladder je als een jonge spreeuw van het ene puntdak naar het andere om maar te genieten van wat er in deze wereld te genieten valt? Is jouw levenspatroon eigenlijk ‘carpe diem’? Pluk de dag? Pluk wat er te plukken valt. Grijp wat er te grijpen is en leef verder met een godsdienstig sausje aan de buitenkant.

Is dat je leven? Dan verkondigen wij je dat deze Jezus ook zo’n gepaste Zaligmaker is voor jonge zondaren. Deze Jezus vernieuwt het hart. Heb je geen geloof, jonge mensen? Heb je geen kennis? Heb je geen liefde tot God? Zit je midden in de zonden en ongerechtigheid? Hoor! Hij spreekt je aan, die dierbare Immanuel. Hij zegt het je: Tot u, o mannen, roep Ik, en Mijn stem is tot der mensen kinderen. Daar horen jonge mensenkinderen ook bij. En wat zegt Hij tot jou? Dit: En die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr. 8:17b). Dit: Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van de Heere (Spr. 8:35).

 

Want gij hebt vijf mannen gehad. En die gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.

Wat is het uiterst verdrietig, gemeente, dat vandaag in rechtzinnige kringen de gereformeerde leer van de ontdekkende functie van de Wet zo wordt ondergraven! Velen zeggen dat zij hun zonden hebben leren kennen door een blik op het kruis van Golgotha. Het is moeilijk aan te geven waar die opvatting nu precies vandaan komt. Is het de doorwerking van het gedachtegoed van de Zwitser Karl Barth, die in alle toonaarden heeft beklemtoond dat alle mensen in Adam verloren zijn, maar dat ze ook allen in beginsel in Christus behouden zijn? Ik weet het niet. Maar één ding is duidelijk: Deze leer is niet Bijbels. Mensen gaan bouwen op zandgrond. Ze gaan zelf naar God. Ze zeggen dat ze hun ellende bij Golgotha hebben leren kennen, maar ze kunnen niet zeggen hoe ze de Heere gevonden hebben.

Laten we elkaar heel goed verstaan! Zeker, de kennis van onze zonden en ongerechtigheden in het leven der genade wordt ten zeerste verdiept als we mogen zien wat het Christus gekost heeft om daarvoor te betalen. Als een kind van God mag inleven dat die en die concrete zonden in zijn of haar leven mede behoren tot de nagels waarmee de dierbare Borg aan het kruis is geslagen, dan vindt er een verdieping van de kennis van onze ongerechtigheid en zonden plaats, zodat we met Jacobus Revius uitroepen:

t’ En zijn de Joden niet, Heer Jezu, die u kruisten,

ik bent, o Heer, ik bent die u dit heb gedaan,

want dit is al geschied, eilaas!, om mijne zonden.

 

Maar daar begint het leven der genade niet mee, gemeente. Let op deze geschiedenis. Wat doet de Heere Jezus? Hij stelt de Samaritaanse voor de spiegel van de Wet. De eerste teug van het levende water die Hij haar te drinken geeft, is die van de overtuiging van zonde.

Gemeente, zou Hij vandaag dan ook niet zo doen? Zal Hij vandaag dan niet naar Zijn eigen Woord handelen? Naar het Woord uit de Romeinenbrief? Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde (Rom. 3:20).

 

Gemeente, tast toch niet mis in deze zaak van de persoonlijke kennis der ellende. Het gebrek aan zondekennis geeft een algeheel gemis aan de Christuskennis. Er is een verband, een nauw verband tussen die twee. Zoals de Heere met de Samaritaanse handelde, zo handelt Hij nog in de oprechte bekering.

Want wat hier staat, gemeente, in Johannes 4, dat is een bekeringsweg die enkele uren in beslag genomen heeft. De Heere zegt ons vandaag: Ik doe nog dezelfde dingen.

 

Niemand hoeft te wanhopen aan de mogelijkheid van bekering. De Samaritaanse vrouw werd door de Heere, in een enkel uur, uit de duisternis tot het licht gebracht. Als Hij in Zijn ontferming op ons neerziet, dan gaat het ons zoals het die Samaritaanse vrouw ging. Niet letterlijk, maar er zijn overeenkomstige trekken.

De zonde die u het meest gekoesterd hebt, wordt u het eerst tot schuld. Bij de Samaritaanse was dat haar huwelijksontrouw, haar overspelig gedrag. En bij Saulus van Tarsen, die op de weg naar Damascus werd neergeworpen, was het zijn moordlust en zijn diepe haat tegen Christus en de Zijnen. Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? (Hand. 9:4)

Als de Heere u stilzet bij uw voornaamste zonden, gemeente, dan laat de Heilige Geest tegelijkertijd ook licht vallen over uw hele leven. Dan ziet u zich met heel uw leven schuldig staan aan Gods geboden. Gemeente, dat breekt u. U begint u voor God te verootmoedigen met uw hele hart en u roept het uit met deze Samaritaanse vrouw: Heere, ik zie dat Gij een profeet zijt.

Dat brengt ons bij de laatste gedachte.

 

3. De weg wordt door de Samaritaanse vrouw betreden

De Samaritaanse vrouw stemt in deze uitroep met haar hele hart toe in alles wat Jezus over haar zegt. De Heere, Die een profetisch werk van onderwijs in haar leven begonnen is, heeft haar blinde ogen geopend. Hij heeft haar gebracht op de plaats, waar ze helemaal niet wilde zijn en waar ze nu in hartelijke boetvaardigheid wel wil en mag zijn. Die uitroep: Heere, ik zie dat Gij een Profeet zijt, is niet anders dan de belijdenis zoals Psalm 139 die zegt: Heere, Gij doorgrondt en kent mij, Gij weet mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachte. Is dat niet de belijdenis die in de oprechte bekering uit het verbroken hart tot de Heere klinkt? Gij doorgrondt en kent mij, Gij weet mijn zitten en mijn opstaan. Ik zie dat Gij een profeet zijt.

 

Voordat de Heere haar met haar zonde en schuld bekendmaakte, zag ze geen gedaante of heerlijkheid in Hem. De Heere Jezus was voor haar een Jood onder alle andere Joden. Maar nu ziet ze iets van Zijn heerlijkheid. En dat zien gaat gepaard met een liefde voor Hem, die ze niet verklaren kan. Ik zie dat Gij een Profeet zijt. O, ze wendt zich als een bekommerde over haar zonden tot Hem om onderwijs te ontvangen.

 

Gemeente, als de Heilige Geest ons overtuigt van zonde, komt er ook zo’n kennelijke dringende en levende behoefte tot onderwijs in ons leven. Als de Heilige Geest ons gaat overtuigen van zonde, worden we ziende en wenden we ons tot Hem om onderwijs te ontvangen. Dan valt er het licht van het Evangelie op deze hoogste Profeet en Leraar. U ziet Zijn wijsheid. U ziet Zijn gewilligheid. U ziet Zijn liefde en ontferming. U begint bij Hem te bedelen om onderwijs. Heere, ik zie dat Gij een Profeet zijt.

 

Is hier iemand, die bekommerd is vanwege de grootte en de vuilheid van zijn zondeschuld? En vraagt u zich welllicht af of uw ontdekking diep genoeg gaat? Gemeente, blijf daarbij niet stilstaan, want de bekommering over onze zonden is de zaligheid niet. Blijf er niet bij stilstaan. Uw droefheid over de zonden is groot genoeg als ze u verlegen maakt om het onderwijs van deze hoogste Profeet en Leraar. De echte ontdekking brengt met zich mee dat we het in onze bekommering niet kunnen uithouden. O, dan hebben we zoveel onderwijs nodig! Is er voor zo’n ellendige kermer als ik ben, nog ontferming en behoud? Heere, zou u dat toch willen laten zien uit Uw Woord? Is er voor zo één nog ontferming? Wilt U me nog onderwijzen? Zijn wij al begerig geworden om onderwijs uit de hemel te ontvangen?

 

Zo gaat het als God Zijn volk bekeert. Dan komt er een levende behoefte om door de Heere onderwezen te worden. Dan gaan we de Bijbel met andere ogen zien. Dan gaan we verstaan wat Hij door de Bijbel tot zulke onwaardigen als wij zijn, spreken wil.

Kennen wij die behoefte om onderwijs te ontvangen? Als we die behoefte kennen, zullen we het niet kunnen nalaten om telkens opnieuw naar dat Woord van God te grijpen en te zeggen: Heere, zou u mij toch willen onderwijzen, want ik ben een dwaas op de weg naar de hemel.

Dan gaat de Heere ons ook leren, dat Jezus Christus alleen het doel of het einde van de Wet is. Hij heeft de Samaritaanse vrouw niet afgewezen.

Ik lees trouwens nergens in het Evangelie dat de Heere een man of een vrouw of een jongen of een meisje, die tot Hem kwam met belijdenis van zonden, heeft afgewezen. Zo’n geschiedenis kom ik in de Bijbel niet tegen; en zal Hij u dan afwijzen?

 

De zaligheid ligt niet in ons, maar de zaligheid ligt buiten ons, in het werk dat Hij verricht heeft, deze dierbare Christus, op Golgotha.

Hoor toch Zijn profetisch Woord: Ik ben het levende Brood Dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven (Joh. 6:51).

Gemeente, vraag toch de Koning van de Kerk, om met de mond van het geloof van dit levende Brood te mogen eten. Het heil ligt alleen in Hem.

Hoor Zijn Woord: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37b).

Amen.

 

Slotzang: Psalm 119: 65

 

Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!

Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;

Want d’ oop’ning van Uw woorden zal gewis,

Gelijk een licht, het donker op doen klaren;

Zij geeft verstand aan slechten, wien ’t gemis

Van zulk een glans een eeuw’gen nacht zou baren.