Ds. M. Golverdingen - Johannes 4 : 4 - 14

Onderwerp

De heilsverkondiging van Christus aan de Samaritaanse
Zijn vraag
Zijn aanbieding
Zijn verzekering
Dit is de eerste preek uit een serie van drie preken over de Samaritaanse vrouw

Johannes 4 : 4 - 14

Johannes 4
4
En Hij moest door Samaria gaan.
5
Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf.
6
En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.
7
Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.
8
(Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.)
9
Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.
10
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
11
De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?
12
Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?
13
Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten;
14
Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 95: 1, 2
Lezen : 2 Koningen 17: 24-41
Zingen : Psalm 130: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 19: 5
Zingen : Psalm 89: 7

Gemeente, een diepe kloof scheidt in de dagen van Jezus’ omwandeling Joden en Samaritanen. De vijandschap tussen die twee bevolkingsgroepen is dan al vele eeuwen oud. Na de verovering van Samaria – het Tienstammenrijk – door de Assyriërs, heeft deze vreemde mogendheid het overgrote deel van de Israëlieten weggevoerd naar het Tweestromenland. Vreemdelingen uit alle delen van de toenmalig bekende wereld zijn door de Assyriërs gedwongen om te verhuizen naar het gebied van Israël. Daar hebben ze in Samaria de lege plaatsen ingenomen.

Zo is er in Samaria een gemengde bevolking ontstaan van Joden en heidenen, die door de tijd heen een eigen godsdienst heeft ontwikkeld. De heidenen, die er gebracht waren, waren zondermeer bereid om de god van het land te eren naast hun eigen afgoden. Daarom werd de God van Israël ook in Samaria door iedereen geëerd, al was het op een volstrekt eigenwillige manier. De Samaritanen erkenden alleen de vijf boeken van Mozes, de Thora, als het Woord van God. Ze bouwden in de loop der jaren een tempel voor de Heere op de Gerizim, die echter door één van de nakomelingen van de Maccabese vorsten totaal werd verwoest.

 

Ook de Messiasverwachting bleef bij deze gemengde bevolking bestaan. Dat is ons duidelijk geworden door de Schriftlezing uit 2 Koningen 17. Na de terugkeer van Israël uit de ballingschap werden de tegenstellingen nog scherper. Want de Samaritanen mochten niet meehelpen met de pogingen van de Joden uit Juda en uit Benjamin om het huis des Heeren in Jeruzalem te herstellen. Ze werden als onrein beschouwd en op hun beurt deden de Samaritanen werkelijk alles om het voornemen van de Joden om Jeruzalem op te bouwen en de tempel te herstellen, te blokkeren.

Welnu, deze oude vete was tijdens de omwandeling van de Heere Jezus nog springlevend. Als de Joden iemand diep wilden krenken, scholden ze hem uit voor Samaritaan. En Flavius Josephus, de bekende Joodse geschiedschrijver, heeft over de Samaritanen alleen maar op een verachtelijke, lelijke en verwrongen manier geschreven.

Maar de Heere Jezus Christus is het, Die alle zondige vetes en alle zondige tradities doorbreekt. Hij is immers gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk. 19:10). Hij is gekomen om het weggedrevene te zoeken (Pred. 3:15).

 

Hoe heerlijk komt dat ook tot uitdrukking in Johannes 4: 4-14.

 

     4. En hij moest door Samaria gaan.

5. Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf.

6. En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.

7. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.

8. (Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.)

9. Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.

10. Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.

11. De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?

12. Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?

13. Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten;

14. Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

 

Dit Bijbelgedeelte bepaalt ons bij:

 

De heilsverkondiging van Christus aan de Samaritaanse

We letten op:

1.      Zijn vraag,

2.      Zijn aanbieding,

3.      Zijn verzekering.

 

1.   Zijn vraag

Gemeente, deze bekende geschiedenis begint met een opmerkenswaardige tekst. We lezen in het begin van vers 4 de woorden: En Hij moest door Samaria gaan. Dit is niet alleen een routeaanduiding. De Heere Jezus is uit Judea in het zuiden op weg naar Galilea. Hij kiest daarbij voor de rechtstreekse verbindingsweg van het zuiden naar het noorden. Dat doen de Joden nooit. Ze maken in hun afkeer van de Samaritanen liever een kilometerslange omweg door het Overjordaanse dan dwars door Samaria te reizen. Maar: Hij moest door Samaria gaan.  

Dat spreekt over meer dan een keuze, dat spreekt over Gods eeuwig besluit, een opdracht van Zijn Vader. Hij gaat door het half heidense land om ook daar Zijn heerlijkheid te openbaren als Zaligmaker van zondaren. Gods genadig welbehagen gaat door de hand van Christus ook in Samaria gelukkiglijk voort. Dat wordt met zoveel woorden gezegd in vers 34: Jezus zeide tot hen: Mijn spijze is, dat Ik doe de wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng.

De Middelaar moet door het verachte, door iedereen gemeden gebied gaan, opdat de Samaritanen en vele anderen met Hem in aanraking zouden komen. Hoe heerlijk schittert in Johannes 4 de vrije soevereine genade van God! Zondaren worden tot Christus gebracht vanwege het Goddelijke moeten.

In ons onwedergeboren bestaan is er geen enkele behoefte aan Immanuël. Voor ons allen zou het een totaal verloren zaak zijn als de Heere Jezus Christus niet de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste zou zijn. Hij is de Eerste in Zijn opzoekende genade. Hij is de Laatste in Zijn belovende trouw. Als de door God bepaalde tijd daar is, worden mannen en vrouwen, jongens en meisjes toegebracht. We worden gearresteerd. Onze ogen gaan open voor onze persoonlijke schuld bij de Heere. Onze ogen gaan open voor onze verdorvenheid. Onze ogen gaan open voor de verlorenheid en ellende waarin we ons door onze breuk met God hebben gebracht. Zo krijgen mensenkinderen plaats aan de voeten van de Heere Jezus Christus. En Hij gaat hen onderwijzen in dat zoete geheim van zalig worden door Zijn gerechtigheid alleen.

 

Het is tegen de middag, als de Heere Jezus met Zijn discipelen het stadje Sichar nadert. Johannes geeft een opvallend nauwkeurige plaatsaanduiding in het vijfde vers: Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf. Hier heeft Jakob, de aartsvader, in een grijs verleden zijn tenten opgeslagen. Daar heeft hij een stuk grond gekocht van Hemor, de zoon van Sichem. Vele jaren later heeft hij op zijn sterfbed dat stuk grond aan Jozef geschonken (Gen. 47:22). En daar hebben de Israëlieten na de verovering van Kanaän het gebeente van Jozef, dat ze uit Egypte hadden meegenomen, ter aarde besteld. Op dit stuk land heeft de aartsvader Jakob reeds een put laten slaan, vlakbij een belangrijke kruising van wegen. De Bijbel spreekt in deze geschiedenis afwisselend van een put en van een fontein. Bij het woordje ‘put’ moeten we de regenput uit vroeger dagen vergeten. Het is een gegraven bron, waaruit voortdurend levend, stromend water opwelt. Zo’n openbare bron waaruit je kunt drinken, is uitermate geschikt voor een reiziger om te rusten en zich met water te verkwikken.

 

En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reis, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure. De Heere heeft een lange reis achter Zich. Het is op het heetst van de dag. Vermoeid, stoffig, dorstig zit Hij bij de bron. Johannes benadrukt in het begin van zijn Evangelie met name de Goddelijke natuur van de Middelaar. Maar Hij wijst ook op Zijn menselijke natuur. Hij is ècht mens geworden, geboren uit Maria. Hij heeft ons vlees en bloed aangenomen en als mens is Hij volstrekt onderworpen aan uw en mijn zwakheden. Ook de lichamelijke vermoeidheid, die een mens zo kan uitputten, heeft de Heere Jezus gekend.

Hier zit de Heere Jezus, Die de Borg is, bij de bron. Hij is het Die Zijn vermoeide kinderen naar ziel en lichaam ondersteunt: Maar die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen (Jes. 40:31).

 

Het is tegen het zesde uur, volgens de Joodse uurtelling. Wij zouden zeggen, precies twaalf uur in de middag. En in de hitte van dat uur komt er een vrouw om water te halen. Dat is een heel opvallende zaak. Iedereen uit de omgeving van Sichar weet dat deze vrouw water gaat putten wanneer er niemand bij de put te vinden is. Ze schuwt het contact met anderen, die in de koelte van de vroege ochtend of de late avond komen om water te putten. In het vervolg van de geschiedenis staat dat ze met een slechte naam en faam in de omgeving bekend staat.

Gemeente, de Heere zoekt contact met deze vrouw. Hij stelt haar een eenvoudige vraag: Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken. De Heere heeft dorst, Hij is een mens, zoals wij mensen zijn. Hij kan het water in de Jakobsbron niet bereiken.

Geef Mij te drinken. Gewoonlijk zorgden de discipelen voor de Heere Jezus, maar op dit moment ontbreken alle discipelen. Ze zijn de stad ingegaan om de nodige proviand in te slaan voor de komende dagen. En ze hebben vergeten dat ze bij de Heere het bekende oosterse reisattribuut achter moesten laten, namelijk een klein emmertje of een stenen kruik met een koord. Je kon daarmee als reiziger onderweg water putten uit de bronnen die er in Palestina waren.

 

Maar ze hebben het vergeten. De Heere Jezus kan uit deze bron niet putten. Geef Mij te drinken, zegt Hij daarom tegen de Samaritaanse. Hij is alleen. Hij móét ook alleen zijn op dit uur. In deze hitte, terwijl Hij lichamelijk vermoeid is, moet Hij de wil van Zijn Vader doen. Hij dorst innerlijk naar de verlossing van de ziel van deze vrouw uit de banden van de zonden en de ongerechtigheid. Hij stelt de zaligheid van deze vrouw boven Zijn eigen behoefte aan water.

Hij handelt volstrekt ongewoon met haar, zoals een Joodse man nooit zou doen. Hij spreekt een vrouw aan in het openbaar. Hij spreekt hier de Samaritaanse vrouw aan: Geef Mij te drinken. Anders gezegd, gemeente, Hij schept de gelegenheid voor een gesprek met haar. Hij opent de deur om het heil te verkondigen, dat in Hem te vinden is. Geef Mij te drinken.

 

Wij zijn van God afgevallen. Wij zijn mensen die in het paradijs de duivel de hand hebben gegeven. Wie heeft er een flauwe notie van wat dat in werkelijkheid inhoudt? We zijn totaal vervreemd van alle geestelijk leven. We zijn in de diepste kern van onze persoonlijkheid zulke vijanden van vrije genade, dat wij nooit als eerste met God zullen gaan spreken over onze eeuwige belangen. Maar: Hij moest door Samaria gaan. Hij wil als Eerste met zondaren spreken. Geen tijd, geen plaats, geen omstandigheid acht Hij ongeschikt of ongelegen.

Hier wil Hij het nieuwe leven geven aan een geestelijk dode vrouw, die komt om water te putten op een plaats waar elke dag zoveel geesteloos gepraat te horen is. Op het heetst van de dag wil Hij de belangstelling van de vrouw wekken, die aanvankelijk niet de minste belangstelling heeft voor Hem, noch voor Zijn boodschap.

 

Gemeente, zo doet de gezegende Zaligmaker nog. Hij gaat door Woord en Geest rond onder de mensen. Hij zoekt hen op, op zondag in de kerk, in de werkplaats, in huis, op het kantoor, op de kwekerij, op reis, onderweg, op ons vakantieadres. Hij zoekt zondaren op om hen te brengen tot de enige Troost, beide in leven en sterven.

Weet u reeds van Zijn komen in uw leven? Weet u al van Zijn spreken tot uw hart?

 

Het gesprek met de Samaritaanse vrouw begint met een heel eenvoudig verzoek: Geef Mij te drinken. Met zo’n vraag komt de Heere altijd als Hij een zondaar of zondares tot Zich wil leiden. Dan zegt Hij: Zie, nu is het de welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid (2 Kor. 6:2). Een andere keer zegt Hij: Mijn zoon, geef mij uw hart (Spr. 23:26). Weer een andere keer: Komt dan, en laat ons tezamen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18).

Als Hij spreekt, ziet u de vuilheid en de onreinheid van uw bedorven hart. Als Hij spreekt, moet u uw onmacht en uw onwil inleven om tot Hem te komen, maar Hij wint in door Zijn Heilige Geest. ‘Heere, wilt U zich met zo één bemoeien? Wilt U zo’n vuile zondaar ontvangen? Wilt U zo’n vuil hart reinigen? Neem het, reinig het in Uw alles reinigend bloed, dan zal ik mijn hart aan U geven.’

De Heere is niet gebonden aan een bepaalde tijd noch aan een bepaalde plaats om Zijn heerlijke deugden te openbaren. Werd Zijn genade reeds in uw leven verheerlijkt? Werd Zijn genade al openbaar in jouw leven? Dan bent u tot het Middel gebracht, of het Middel is tot u gekomen.

 

Ze ging water putten; haar hart zat volop in de wereld. Ze zocht God helemaal niet, al was ze zeker niet ongodsdienstig. En op een dag terwijl zij om water gaat, zit er bij de put een Vreemdeling, Die tegen elk gebruik haar aanspreekt en tegen haar zegt: Geef Mij te drinken. Wat een toevallige samenloop van omstandigheden, zouden wij zeggen! Maar in werkelijkheid gaat het om een gezegend aanbiddelijke leiding van Gods voorzienigheid.

Kom, volk des Heeren, die leidingen van Gods voorzienigheid zijn er ook in uw leven. Zie vandaag eens om naar wat de Heere wilde doen om u te brengen tot Christus, de Bron van het levende water. Zie eens om, en ga eens na hoe Gods besturende hand over uw leven was uitgestrekt om u te brengen tot het uur der minne. U had er geen erg in dat de Heere naar u wilde omzien, Hij kwam tot u om u te leiden en te onderwijzen. Wat gebruikte Hij ervoor? Bepaalde tijden, personen, plaatsen, middelen en omstandigheden; dat alles gebruikte de Heere, opdat u die gezegende Heere Jezus Christus zou leren zoeken en vinden. O, Zijn gang in uw leven, Zijn voorzienig beleid blijft voor u onvergetelijk! Het blijft voor u een onuitsprekelijk wonder. Hij strekte Zijn hand naar u uit. U hebt toen de vervulling gezien in uw leven: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden, Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten (Jes. 65:1). Wat een wonderlijk geheim is dat! Een mens wordt zoekende gemaakt, omdat hij gezocht wordt door Degene Die hij niet zoekt.

Hoe duidelijk is dat ook bij de Samaritaanse vrouw, als we letten op:

 

2. Zijn aanbieding

Op de vraag van de Heere Jezus om Hem te drinken te geven, antwoordt ze eenvoudig zoals een echte Samaritaanse dat altijd zou doen, namelijk als iemand die met de Joden niets te maken wil hebben. Ze zegt in vers 9: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Eigenlijk valt er een accent in de tekst. Al haar verwondering en verachting wordt heel nauwkeurig samengevat en tot uitdrukking gebracht in de woorden: Gij die (toch) een Jood zijt, niet anders dan een pure Jood. Gij die een (toch) een Jood zijt, hoe durft U het aan om van mij, die een Samaritaanse vrouw ben, water te begeren? De vrouw heeft ongetwijfeld de Heere Jezus als een Jood herkend door Zijn uitspraak van het Aramees, de omgangstaal van die tijd. Zij onderstreept de grote tegenstelling die er is tussen Joden en Samaritanen.

En Johannes, die zijn evangelie schreef voor Grieks-sprekende lezers in Klein-Azië, vele tientallen jaren nadat deze geschiedenis plaatsvond, verklaart dat voor zijn lezers met de tussenzin: want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.

 

Gemeente, de gezegende Heere Jezus Christus zoekt deze vrouw op. En zij geeft de tegenstelling aan tussen Joden en Samaritanen om Hem te krenken. De Joden achtten zich immers superieur aan de Samaritanen en wij moeten ons over dat soort superioriteitsgevoelens maar niet te veel verwonderen. Want hoevelen zitten er in de kerk die zich eigenlijk iedere week plaatsen boven Turken, Marokkanen, Somaliers en Surinamers in ons land? Hoevelen zijn er in de kerk, die moeten zeggen, als ik eerlijk ben, heb ik een forse hekel aan alle allochtonen? Waar komt het vandaan, dat velen van ons zich boven allochtonen plaatsen? Waar komt dat vandaan? Die hekel aan mensen met een andere afkomst, ras of nationaliteit? Het komt uit de hoogmoed op, die van nature op de bodem van ons hart ligt. Hoogmoed is de diepste wortel van alle discriminatie, van alle haat tegen minderheden, andere rassen en volken. En daar word je pas écht aan ontdekt als de Heere je in Zijn grote genade ontdekt aan jezelf. Als je door de Heere wordt vernederd. Vanaf dat moment is het afgelopen met openlijke of verborgen discriminatie. Op dat moment kunnen we naast elke zondaar zitten, ongeacht kleur of ras of afkomst.

 

Wat leeft er op de bodem van ons hart? Gij die (toch) een Jood zijt – verachtelijker kan het haast niet gezegd worden. Nee, laten we niet neerzien op deze vrouw met haar felle taal, want ze doet wat van nature ons allemaal eigen is. De vrouw wist goed dat het bijgeloof, dat in haar volk zo welig openbaar kwam, door de Joden in alle toonaarden werd veroordeeld. En daarom hoont zij hen in de persoon van Christus, Die ze niet kent als de Messias, Die voor haar niet meer is dan de één of andere Jood. Ze ziet geen gedaante en geen heerlijkheid in Hem. Verwondering, bevreemding, rassenhaat, dat is het enige wat het verzoek van Jezus om haar te drinken te geven bij haar wakker roept.

Gemeente, zonder de verlichting van ons verstand zien wij niet wie Jezus Christus is. Hoe duidelijk blijkt uit het antwoord van de Samaritaanse namelijk dat zij, en u en ik, van nature geneigd zijn om God en de naaste te haten.

 

In vers 9 lezen we: Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken? Wat doet de Heere na zo’n scherp antwoord? Zegt Hij: ‘Nu moet je eerst maar eens ontdekken hoe groot je schuld en ellende is?’ Bindt Hij haar op haar geweten wat er allemaal gekend moet zijn? Nee, zo handelt Hij niet met haar. Wonderlijk, vol liefde en wijsheid, begint Hij de rijkdom van de gemeenschap met Hem, voor deze vrouw uit te stallen in het tiende vers: Indien gij de Gave Gods kendet, en wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben.

Indien gij de Gave Gods kendet. De Heere Jezus is de grote, de hemelse Pedagoog. Hij gaat schijnbaar niet eens op het scherpe woord van deze vrouw in. Hij blijft bij Zijn eigen vraag om water en brengt die op het niveau van het geestelijke leven. Hij blijft op Zijn doel afgaan, Hij wil haar met haar zondige leven lokken tot het Koninkrijk van God. Hij wil deze vrouw inwinnen voor de dienst van de Heere. Indien gij de Gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd.

Wat een les voor elke ambtsdager, wat een les voor elk kind des Heeren, om in onze omgeving in de omgang met onze naaste zachtmoedig op te treden, uitlokkend te handelen! Wat een onderwijs voor iedereen die bij evangelisatiearbeid betrokken is om in alle eenvoud tegenover de mensen groot en goed van de Heere te spreken! Want daardoor wordt onder Gods zegen de wezenlijke belangstelling gewekt. Indien gij de Gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben.

 

Gemeente, deze bepaalde grote Gave van God is de Heere Jezus Christus Zelf. In de woorden van onze tekst ‘Wie Hij is Die tot u zegt’ verklaart de Heere Jezus Wie Hij is. Daarvan heeft Hij getuigd: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, – dat is de Gave – opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). Op de kennis van de Heere Jezus Christus door een oprecht geloof komt het aan. En die geestelijke kennis begint met een levend besef van ons verdorven bestaan en van onze verlorenheid. Veel mensen hebben daar geen erg in, maar het is echt waar, hoor! Om uit te zien naar een arts, moet je je eerst echt ziek voelen. Dan aarzel je niet meer of je al of niet een dokter nodig hebt.

Daarom rekent Alexander Comrie in zijn boekje Het ABC van het geloof het kennen van onze ongerechtigheid tot het geloof. Als ik mijn ongerechtigheid mag kennen, komt er zoveel vertrouwen in mee dat ik dat voor het aangezicht van de Heere begin te belijden.

Er is geen kennen van Christus zonder een kennen van onze ongerechtigheid.

En die kennis, gewerkt door de Heilige Geest, maakt ons zeer begerig naar Christus, Die in het Evangelie is geopenbaard. Dan wordt het smeekgebed losgemaakt in onze ziel: ‘Heere, zou U Zich aan mij willen openbaren? Zou U Zich aan mij willen wegschenken?’ En die begeerte wordt zo sterk, zo krachtig, dat we Johannes Groenewegen gaan verstaan in het bekende versje: ‘Geef mij Jezus of ik sterf.’ Dan is alles waar Jezus niet in voorkomt, zouteloos en smakeloos. Dat gaat het nog maar om één ding: dat ik als een verloren zondaar deze dierbare Borg in de armen zou mogen sluiten.

 

De Samaritaanse vrouw kende Jezus niet. Ze staarde zich blind op het levende water van de bron van Jakob in Sichar. Zij kan dat water putten, zij kan erover beschikken. Zij heeft een kruik en een koord en die Vreemdeling Die om water vraagt, heeft niets. Maar Hij laat haar voelen dat niet Híj hulpbehoevend is, maar zij!

Indien gij de Gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben.

Hoort u het gemeente? Hij wil haar verlangen opwekken, opdat ze de aanbieding van het heil niet minachtend zou afwijzen. Hij is almaar bezig om haar te lokken, om haar te trekken. Het levende water is immers in de Bijbel een beeld van het heil in Christus. Het levende water is het bijzondere beeld van het werk van de Pinkstergeest in een zondaarshart. Het is het werk van de Geest, Die de gave van het beleven, van het geloof, van de rechtvaardiging en heiliging, van het eeuwige leven om Jezus’ wil schenkt. En als de Geest van Christus ons vervult met de vreze van Gods lieve Naam, ontvangen we toegang tot deze fontein van het heil.

 

We zingen eerst Psalm 19:5

 

Des HEEREN vrees is rein;

Zij opent een fontein

Van heil, dat nooit vergaat.

Zijn dierb’re leer verspreidt

Een straal van billijkheid,

Daar z’ all’ onwaarheid haat.

Z’ is ’t mensdom meerder waard,

Dan ’t fijnste goud op aard’;

Niets kan haar glans verdoven;

Zij streeft in heilzaam zoet,

Tot streling van ’t gemoed,

Den honing ver te boven.

 

 

Zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben.

Let op dit woord van de Heere Jezus: op haar begeerte zou Hij haar levend water gegeven hebben. Hij wil gebeden zijn. Hij stelt geen voorwaarden. Dan zou het er voor deze vrouw met haar slechte reputatie en voor u en mij wel heel slecht uitzien. Dan zou het voor ons hopeloos zijn. Maar elke zondaar aan wie Jezus Christus Zich bekend maakt, mag en moet komen zoals hij is. Wie tot Hem komt zoals hij is, als een schuldige en onrechtvaardige, die zal Hij niet uitwerpen. Die oprecht Christus en Zijn gerechtigheid begeert, zal Hem ook ontvangen.

Indien gij dat levende water van Mij zou hebben begeerd, het zou u gegeven zijn. Hoe vaak wordt deze Evangelie-nodiging in Gods Woord niet herhaald: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes. 55:1). Sla toch acht op de eeuwige, onpeilbare zondaarsliefde van de Heere Jezus Christus. De Samaritaanse weigert kortweg Hem ook maar één druppel water te geven. Ze heeft geen druppel water voor deze Jood over, maar Hij biedt haar het levende water aan en Hij blijft bij haar aanhouden in Zijn opzoekende zondaarsliefde.

 

Dat brengt ons bij de laatste gedachte:

 

3. Zijn verzekering

Gemeente, deze vrouw heeft op dit moment niets van de woorden van Christus verstaan. Zoals Nicodemus aanvankelijk niets verstond van de Heere Jezus over het spreken over de wedergeboorte, zo is de geestelijke zin van het levende water voor deze vrouw helemaal verborgen. Maar wel voelt ze dat de Heere Jezus spreekt als macht hebbende. De aanspraak van vers 11 is anders dan in de vorige verzen. Toen was de Vreemdeling niet meer dan een Jood, maar nu is Hij: Heere. De vrouw zei tegen Hem: ‘Heere’. Daar klinkt een zekere eerbied in door en in haar ongeloof en blindheid werpt ze gelijk Zijn machteloosheid voor Zijn voeten: Heere, Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; vanwaar hebt Gij dan het levend water? Gij hebt het niet. De put is diep.

De Jakobsbron is er nog in het dorpje Askar aan de voet van de berg Ebal. Misschien is het wel de diepste bron van heel Palestina, 32 meter diep. Als er veel water in is, bevindt het water zich nog ongeveer tien meter onder de bovenrand van de bron. Zonder emmer, zonder koord kan niemand wat beginnen. Zij beschuldigt de Heere van een aanmatiging, omdat Hij Zich door haar het levende water aan te bieden ver verheffen zou boven de aartsvader Jakob. Ze noemt de patriarch Jakob bewust ‘onze vader Jakob’: Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft? En hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee.

 

Onze vader Jakob, hij is de stamvader van de Samaritanen, volgens de traditie van het volk waarin zij is opgevoed. Zijdelings spreekt ze opnieuw verwijtend uit dat de Samaritanen door de Joden ten onrechte worden veracht. Onze vader Jakob. Als Hij haar zonder emmer en zonder koord levend water aanbiedt, stelt deze Man Zich boven Jakob in macht en aanzien. Jakob is altijd tevreden geweest met het water dat uit deze bron werd geput. Er bestaat toch geen beter water dan dit?

En wat doet Jezus? Stoot Hij haar weg vanwege haar ongeloof? Zegt Hij dat ze heen moet gaan vanwege haar geestelijke blindheid? Hij maakt haar zelfs niet het verwijt dat ze volstrekt ten onrechte de afkomst van de Samaritanen terugleidt tot Jakob.

 

Wat doet Hij wel? Hij gaat maar door om haar te lokken en te trekken. Hij gaat door om haar te lokken en te trekken door de krachtige verzekering van het heil dat voor tijd en eeuwigheid alleen in Hem te vinden is: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

Als je uit de Jakobsbron dronk, had je de volgende dag weer dorst. Zo gaat dat met ons mensen. De dorst wordt maar voor een korte periode weggenomen wanneer we drinken. Maar Jezus is onvergelijkelijk en oneindig meer dan vader Jakob. Daarom spreekt Hij in vers 14 met bijzondere nadruk: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal. – Dat Ik hem geven zal! De Heere schenkt aan zondaren nieuw leven; en wie eenmaal van dat levende water gedronken heeft, begeert geen ander water meer. Die zal in eeuwigheid niet dorsten.

 

Dat wil natuurlijk niet zeggen, gemeente, dat een kind van God hier op aarde nooit meer begerig zal zijn naar het levende water, nadat hij de eerste genade heeft ontvangen. Dat is in strijd met de aard van het nieuwe leven, want God voedt Zijn volk iedere keer weer opnieuw met honger en dorst. En dat nieuwe leven moet dan ook voortdurend versterkt worden. De Heere bedoelt hier echter dat er nooit gebrek aan water zal zijn. Wie van de stroom van het heil dat in Christus is, drinken mag, die zal nooit, nooit van dorst omkomen, maar eeuwig leven in Gods gemeenschap: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken (Joh. 10:27,28).

Zo wie gedronken zal hebben –iedereen die gedronken zal hebben. Wie hij of zij ook is, wie gedronken zal hebben… Hoort u het? De Heere Jezus richt Zich tot de Samaritaanse en in haar tot allen die in deze wereld het Woord horen. Hij richt zich tot u persoonlijk, tot iedereen die gedronken zal hebben, wie hij of zij dan ook is, wat hij of zij ook gedaan heeft. Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten. Een ieder die gedronken zal hebben.

 

Gemeente, dit is de aanbieding van het Evangelie van vrije genade. Hoe velen onder ons zijn er niet die onbekeerd blijven voortleven? Doet u dat? Voortleven onder die ernstige, hartelijke, welmenende aanbieding van de genade Gods? Is dat tot nu toe uw leven geweest? Kent u de gereformeerde orthodoxie? Weet u precies hoe het gaat en hoe het moet, en staat u er toch volkomen buiten? Hoor het Evangelie: Zo wie gedronken zal hebben – een ieder die gedronken zal hebben, wie hij of zij ook is. Wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in der eeuwigheid niet dorsten.

Hebt u onder Zijn nodiging geleefd en tot nu toe, misschien wel tot in uw tachtigste levensjaar, deze nodiging verworpen? O, wij bidden u in de Naam van onze Zender: Ga niet door met u te verharden onder de liefdevolle roepstemmen van Christus! Ga toch niet door met het Woord van God te verachten! Ga toch niet door met het bloed van Christus te verachten! Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien (Gal. 6:7). Gods oordeel zal niet dan vreselijk wezen! Kom, leefde u onder het Woord als een verachter van het Woord tot nu toe? Buig uw knieën en smeek Hem om de gave van het levende water, want de Geest van Christus opent nog de ogen der blinden.

 

Nu zijn er onder ons, door God genade, die mogen weten wat het is om van het levende water te drinken. Als we van het levende water drinken, gemeente, wordt het leven in de zonde een last. De dienst des Heeren, die we voorheen als onze plicht onderhielden en die voorheen een last was, wordt ons een heilig genoegen.

Wie van dat levende water drinken mag, wordt door de Heere onderwezen, zodat de Schoonste van alle mensenkinderen uw hart begint te vervullen. Die begint iets te verstaan van zijn totale verlorenheid en onmacht; en van de noodzakelijkheid, dienenswaardigheid en algenoegzaamheid van de Heere Jezus Christus.

Die van het levende water drinkt, ontvangt een innerlijke betrekking op Hem, Die nooit door de duivel, de wereld en de zonde in ons kan worden teniet gedaan.

Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken (Joh. 10:27,28).

 

U zegt wellicht: ‘Ik durf niet te ontkennen dat Hij Zich in mijn leven heeft bekend gemaakt. Ik durf niet te ontkennen dat Hij waarde kreeg in mijn verloren bestaan.’ Is de kracht van het ongeloof zo sterk geworden, nadat God naar u omzag? Grijp moed! Er is geen afval der heiligen.

Maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Er is geen afval der heiligen. De dierbare Christus, Die in de wedergeboorte woning maakt in ons hart, verlaat deze woning nooit meer. Hij woont door Zijn Geest in het hart van Zijn volk. En daar vervult Hij wat vers 14 zegt: Maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

 

In het begin is het nieuwe leven soms nauwelijks zichtbaar, maar het neemt meer en meer gestalte aan. En hoe meer de Borg u te drinken geeft van het levende water, hoe meer u Hem nodig hebt om al uw zonden van uw dagelijkse bekering af te wassen. Hoe meer levend water u drinken mag, hoe meer u door de kracht van Christus de zonden in uw leven probeert af te sterven! Dat water wordt in u tot een bron van geloofskracht. O, dat drinken van het levende water heeft in de praktijk tot gevolg dat u bij vernieuwing deze dierbare Christus nodig hebt! Voor alles en in alles.

Kom, volk des Heeren, daar gaat het om! Dat levende water in ons brengt tot gelovig gebruikmaken van Hem. En als dan uw zielenleven, uw geestelijk leven inzinkt, dan maakt Hij het weer waar, dat Hij in u woont en dat het levende water in u springt tot in het eeuwige leven.

Als het geloof werkzaam is, gaat dat dan niet gepaard met een verborgen omgang met de Heere? Gaat dat niet gepaard met een teer nodig hebben van Hem?

 

Springende tot in het eeuwige leven. Gemeente, wat is dat anders dan dat door Gods opzoekende liefde het hart telkens weer op Christus wordt gericht? Het hart wordt steeds gericht op Zijn gerechtigheid en op de toekomst, die Hij verworven heeft voor Zijn kerk! Dan wordt het écht zondag, dan wordt het écht sabbat. Dan is de vreugde om de eeuwige sabbat een ogenblik ons deel.

Springende tot in het eeuwige leven. Als we daarvan iets mogen kennen en gevoelen, is er het beginsel van de eeuwige vreugde in ons hart. Als dat beginsel van de eeuwige vreugde er is, worden we meer en meer vreemdeling op deze aarde. Dan trekt de psalm door ons hart heen:

 

Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!)
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

Amen.

 

Slotzang, Psalm 89: 7

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, HEER’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.