Ds. L. Huisman - Psalmen 51 : 19

Het offer Gods

Psalmen 51
De inhoud van dit offer
De waarde van dit offer
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)

Psalmen 51 : 19

Psalmen 51
19
De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 4, 5
Lezen : Psalm 51
Zingen : Psalm 51: 5, 9
Zingen : Psalm 79: 4
Zingen : Psalm 103: 5

Geliefden, in dit uur van voorbereiding op het Heilig Avondmaal willen wij u het Woord van God bedienen uit Psalm 51 vers 19:

 

De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten.

 

Deze tekst spreekt ons van: Het offer Gods.

 

De tekst laat ons zien:

1. De inhoud van dit offer;

2. De waarde van dit offer.

 

1. De inhoud van dit offer

U weet dat in het Oude Testament over veel offers gesproken wordt; offers die allemaal nauwkeurig door God zijn beschreven. We lezen van lofoffers, van dankoffers, van schuldoffers, van reinigingsoffers. Alle offers hadden een verschillende betekenis. Maar alle offers kwamen wel uit dezelfde bron en ze hadden hetzelfde doel.

Elk offer dat gebracht werd – of dat nu was door een man of een vrouw, die diep in de schuld lag voor God; of door iemand die God wilde eren voor het ontvangen van grote zegeningen – ze hadden alle hun hart, hun middelpunt in de verzoening tussen God en de zondaar.

Kort gezegd: ze hadden hun middelpunt in het bloed van Jezus Christus. Want alles, alles wat God aan Zijn gemeente doet, is gedaan ter wille van dat Offer. Ter wille van de borgtocht van het Lam, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Als we aanstaande zondag het Avondmaal houden, moet u ten eerste met deze gedachte vervuld zijn. Daar is het Lam, geslacht voor onze zonden. Dan pas kunt u uzelf onderzoeken. Dan pas zult u, door de genade van God, in de rechte gestalte komen om samen met ons het Heilig Avondmaal te houden.

 

Geliefden, begin dan niet bij uzelf. Natuurlijk bent u er zelf bij betrokken, maar begin toch niet bij uzelf. Dan hebt u geen schijn van kans dat u met enige vreugde het Avondmaal zult houden. Maar begin daar waar God begonnen is, namelijk om een Borg te geven Die voor zondaren gestorven is. En in het licht van de genade dat God barmhartig is voor goddelozen, dat God medelijden heeft met verlorenen, ja, dat God genadig is, zult u met vrijmoedigheid toegaan – om zo uit genade het deel dat God ellendigen toewijst, te ontvangen, te eten en te drinken. En dan zal uw hart vrolijk zijn! Niet omdat u van uzelf gelooft ‘bekeerd te zijn’, maar omdat u gelooft dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken.

Meestal beginnen we bij onszelf. En dan komen we – als het echt is, tenminste – steeds dieper in de put. Want er is in onszelf geen aanleiding en geen reden om God te eren. Dat komt allemaal alleen van Hem. Genade komt immers van God tot ons. Het is genade als we met de behoefte van ons hart tot God naderen om Hem te erkennen als de Verlosser. En daarom willen we daar in het bijzonder ons oog op richten in deze week van voorbereiding; en nu inzonderheid onder de bediening van het Woord van God.

‘Zonder Mij, zegt de Heere, kunt gij niets doen’. Ook niet aan het Avondmaal gaan. Zelfs niet je hart onderzoeken! Want we zijn – zonder Christus – nooit eerlijk in het onderzoeken van ons hart. Natuurlijk, we bekennen allemaal heel grif en graag dat we verloren zondaars zijn, maar we leven er niet naar. Dat is het punt! Omdat we ten diepste niet geloven wat we belijden. Maar bij Hem, in de gemeenschap met Hem – door Zijn Geest, Die Hij op ons gelegd heeft – ervaren we het, wie en wat wij zijn in het licht van hetgeen Hij is. Dan wordt ons oog op God gericht. Dan vragen we: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?’ Dat is de eerste vraag van het nieuwe leven. En dat is altijd weer de openbaring van Gods genade: ‘Heere, wat is U welbehaaglijk?’

 

Als wij iemand van een maatschappelijk hoog niveau uitnodigen, proberen wij ons altijd zó te gedragen, dat degene die we uitnodigen zich niet beledigd hoeft te voelen als hij bij ons binnen komt. Zo gaat het toch? Je kunt niet zomaar zeggen: ‘Ga daar maar zitten.’ Want als het iemand is die onze achting verdient, dragen wij er zorg voor dat de gast een ereplaats ontvangt, ook in ons eenvoudige gezin, nietwaar? We zijn allemaal bereid om dat te doen. Denk maar aan de gast die zonder bruiloftskleed binnengekomen was, en hoe de heer van de bruiloft hem dit kwalijk nam.

Welnu, aanstaande zondag mogen we Hem ontvangen, omdat Hij ons geroepen heeft om te doen wat Hij met stervende lippen ons bevolen heeft, namelijk: ‘Doet dat tot Mijn gedachtenis.’ Dan nodigt Hij ons te komen aan de dis van Zijn genadeverbond, om in Zijn tegenwoordigheid overtuigd te worden van het heil dat Hij voor ons, zondaren en verlorenen, bereid heeft. Welnu, zouden we ons dan niet voorbereiden, als Hij ons nodigt om aan Zijn maaltijd deel te nemen? Zouden we dan ons hart niet onderzoeken om – als Hij in ons midden is – Hem te ontmoeten zoals het ons betaamt koningen te ontmoeten?
En daarvoor is de week van voorbereiding. Zo wil God ons hebben. Zo wil Hij ons zien aan de maaltijd. En ach, dan kijkt Hij niet naar onze prestaties, naar onze titels of onze godsdienstige ijver. Nee, daarin heeft Hij geen behagen. God vraagt wat geen mens wil aanvaarden. Dat is toch onbegrijpelijk? Want God vraagt in onze tekst om iets dat gebroken is. En om iets wat de mens volkomen eigen is. Niet zomaar iets dat buiten ons is, maar Hij vraagt iets wat wezenlijk tot onszelf behoort. Hij vraagt om een gebroken hart!

 

Geliefden, u hebt er toch nooit van gehoord dat iemand verlegen was om iets wat gebroken was. Geen enkele koning zou er belang in stellen om ‘gebrokenen’ te ontmoeten. Natuurlijk niet. Een koning zoekt edelen en krachtigen, hij zoekt wijzen en rijken, hij zoekt vooraanstaanden. Maar wie zoekt nu een gebrokene? En dan nog wel een gebrokene van hart! Zulke taal is volledig onbekend in de wereld. Welke baas zoekt nu iemand op zijn kantoor of in de werkplaats met een gebroken hart? Toch niemand? Hij zoekt iemand die werken kan. Hij zoekt iemand op kantoor die verstand heeft van de boekhouding. Maar iemand met een gebroken hart! Dan zou hij zeggen: ‘Nee hoor, ga jij maar naar huis. Stel je maar onder doktersbehandeling, want jij deprimeert hier de hele zaak.’ Zo is het toch?

Maar God vraagt geen prestaties. Hij vraagt geen titels. Hij vraagt geen grootheid. Hij vraagt geen wijsheid. Hij vraagt geen kracht. Hij zoekt geen dappere mensen die het wel aan kunnen in dit leven en die er niet tegen opzien om door diepe dalen en over hoge bergen te gaan. Nee, dat staat niet in deze Psalm. Er staat dat God een gebroken hart en een verslagen geest zoekt; en dat wil Hij als een offer ontvangen! Dat is natuurlijk niet hét Offer, dat de verzoening teweegbrengt. Daar spreekt de Heere hier niet over, want wij brengen de verzoening niet teweeg door de belijdenis van onze zonden, door in onze ellende onze knieën te buigen en onze harten voor God uit te storten.

Nee, het is wel de weg om tot de verzoening te geraken, maar het is niet de verzoening zelf. Nee, deze verzoening moeten we buiten onszelf in Christus Jezus zoeken. Daar getuigt het Avondmaal van. Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef ere, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil (Ps. 115:1). Om bij dat Offer terecht te komen, om daar waarde in te zien, om daar ons leven in te zoeken, moeten we weten dat we dood zijn in de zonden en in de misdaden. En dan moeten we dat gebroken hart, dat het gevolg is van die wetenschap, tot God uitdragen. Dat is alles wat God van ons vraagt bij de bediening van het Heilig Avondmaal. Dat zijn onze offeranden.

 

Dat zijn dus geen offeranden die de schuld betalen. O, denk daar wel om. Al schrei je een zee van tranen, al lig je nacht aan nacht op je knieën voor je bed tot God te wenen over je schuld en over je zonden – het brengt je geen streep dichter bij God. Nee, onze tranen verzoenen onze zonden niet. En ook de kennis van onze ellende maakt ons geen kinderen van God. Integendeel. Het doet ons juist zien: ik bevind mij buiten Gods gemeenschap, ik leef zonder God en onder de toorn van God. God moet me wegslingeren met een mannelijke wegwerping, want ik heb Hem verlaten en ik ben een zondaar.

Nee, dat is niet de prijs, die wij bij God betalen. Laten we erom denken, als hier aanstaande zondag de tafel staat aangericht. Want soms zijn ook Gods kinderen nog zo wettisch bezig. Dan beginnen we eerst op onszelf te letten. Hoe heb ik het er in de week van voorbereiding afgebracht? Leef ik ernaar? Ben ik me deze week niet te buiten gegaan aan dingen die schandelijk zijn voor de buren, voor de familie, voor de andere mensen, voor de gemeente? Heb ik geprobeerd mijn paadje recht te houden in de week van voorbereiding? Ja? Nu, dan zal ik het toch maar wagen. Fout, helemaal fout! U begint verkeerd. En u kunt op deze wijze niet de ware gestalte in uw hart verkrijgen, die voor God en voor uzelf profijtelijk en aangenaam is.

 

Geliefden, u moet aan de andere kant beginnen. Want de duisternis ontdekt de duisternis niet, maar het licht ontdekt de duisternis. En in het licht van Zijn aangezicht worden onze zonden tot zonden en wordt onze schuld tot een grote schuld. Daar moeten we zijn! Zullen we er erg in hebben? Zullen we het echt doen? Zullen we gaan onderzoeken waarom Christus in de wereld gekomen is?

Ja, natuurlijk weten we dat, maar ik bedoel dat we met onze ziel gaan onderzoeken waarom Christus in de wereld gekomen is, opdat dit de grond van ons bestaan zou zijn. En alleen in dit licht zullen we in Gods oog een waardig deelgenoot aan Zijn tafel zijn, want voor God heeft alleen het offer van Christus waarde. Daar moeten wij in ons leven op aansturen. Deze taal is in de wereld, ook in de godsdienstige wereld, totaal onbekend. Laten we maar eerlijk zijn, ons hart wil er ook niet aan om als een verloren zondaar, een echte zondaar – niet zomaar een zondaar in onze belijdenis met de lippen, maar met ons hart – te zeggen: ‘Heere, alleen door U, door U alleen, om Uw eeuwig welbehagen. Waarom was het toch op mij gemunt? Waarom hebt U mij uitgekozen om voor mij aan het kruis te sterven? Mijn God, dan zal ik U eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan!’

 

2. De waarde van dit offer

Hoe komen we nu aan zo’n hart? Wel, alleen maar in de gemeenschap met Christus. Dat is het wat God ons in deze week van voorbereiding wil bijbrengen. We moeten niet beginnen het bij onszelf te zoeken! Het is alleen te vinden door in te gaan in Gods heiligdom. We zien dat in het leven van Asaf en in het leven van David. Wat heeft David, de man die deze psalm gedicht heeft, er lang over gedaan. Hij, die in hartstocht de wetten van God aan de kant schoof en al de genade die God hem gegeven had voor een ogenblik vergat. Hij die als koning, als heerser, als machthebber optrad, om zijn boze hart te kunnen uitleven en een moord beging om de vrouw, die hij begeerde, in zijn bezit te krijgen. Je kunt het haast niet geloven dat een kind van God tot zulke dingen in staat is.

Maar, geliefden, Gods kinderen hoeven zich niet boven David te verheffen. Laten we toch bedenken dat God gezegd heeft: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof en, dat niet uit u, het is Gods gave (Ef. 2:8). Dat moet ons altijd weer voor ogen staan, ook als de dis van het genadeverbond staat aangericht. Uit genade zijt gij zalig geworden, niet uit u. Het is in onze gedachten niet opgekomen en we hebben het ons ook niet waardig gemaakt. We komen ook niet aan het Avondmaal om daarmee te zeggen: ‘Ik ben een kind van God’, maar we komen aan het Avondmaal om te betuigen: ‘Hij, Hij heeft het gedaan! Dit gebroken Lam! Om Zijnentwil ben ik een kind van God. Hij heeft mijn straf gedragen! Hij heeft voor mijn zonden geboet en Hij is de dood ingegaan.’

Dat is het hele oogmerk van God met het komen aan het Heilig Avondmaal. En dat is ook de weg om tot een verbroken hart te komen. Om daar ootmoedig te komen. Om daar als een zondaar, een gezaligde zondaar, te komen. O, wat kunnen we er lang over doen – ook in de praktijk van ons leven – voordat we daar terechtkomen. Wat heeft David er toch lang over gedaan. Het is waar, hij heeft er niet zomaar overheen geleefd, dat heeft hij ook hier in deze psalm duidelijk gezegd. Nee, hij verteerde eronder. Hij wist er geen raad mee. Elke avond als hij naar bed ging, was zijn hart gesloten, dan kon hij zijn ziel niet uitstorten. En elke morgen als hij opstond, o ja, dan heeft hij wel gebeden, maar dan zat hij met ziel en lichaam bekneld in de banden van de wet, want die bleef hem veroordelen.

 

Geliefden, dat is nog zo. Als je je ziel niet voor God uitstort en als je je hart niet voor God openstelt en je zonden niet voor God belijdt, o, dan blijven die zonden de snoeren en de banden waarin je gebonden bent. Dan heb je geen leven met God. Dan gaat je gebed niet hoger dan het plafond van je kamer.

Zie het maar bij David. O, het was zo verschrikkelijk geworden in zijn leven. Hij had genade nodig om zijn zonden te belijden, maar God is zo goed dat Hij David deze genade ook gegeven heeft. Hij zond zijn profeet, wiens woord als een pijl het hart van David raakte. Toen heeft God uitgesproken wat David allang wist, maar wat hij niet beleed. Hij kwam niet tot de overgave. Hij wilde niet buigen. Hij was immers koning, en de koningen van die dagen namen meerdere vrouwen. Zou hij dan niet de vrouw van die officier mogen nemen? Hij was toch koning? Zo hebben koningen menigmaal geredeneerd.

 

Ja, maar David was koning bij de gratie Gods! Hij was geen heidense koning. God had hem verhoogd. Hij had hem begiftigd met wijsheid en genade, zodat de voormalige herdersjongen als koning het volk des Heeren kon leiden. Dat heeft de Heere hem ook voor ogen gesteld, toen Hij door de mond van de profeet sprak. Nathan zei het eerst met het verhaal van die man die een vreemdeling ontvangen had. Hij wilde een maaltijd bereiden en nam niet één van zijn eigen schapen, maar dat ene ooilam van een arme man. En toen David zei: ‘Iemand die dat doet, moet onmiddellijk gedood worden,’ toen heeft de profeet gezegd: ‘Dat ben jij.’ En dat zwaard ging dwars door zijn hart en hij boog zijn hoofd en zijn hart werd verbroken.

Geliefden, genade verootmoedigt. Genade is van God. Daaraan kunt u weten of u genade hebt. Genade houdt rekening met God. Natuurlijk, het was een geweldige schande als het openbaar zou worden dat koning David één van zijn opperofficieren, en nog wel een man die God vreesde, op zulk een afschuwelijke wijze om het leven gebracht had. Alleen maar om zijn vrouw te kunnen nemen, terwijl hij toch vrouwen genoeg had. Dat was een grote schande. Maar dat stond niet meer op de eerste plaats. Op de eerste plaats stond dat de profeet hem gezegd had: ‘David, ga je eigen leven eens na. Wie was jij, toen God jou zocht? Jij was een eenzame knaap zonder glans, zonder koningschap en zonder macht. Maar God heeft je tot Zijn kind gemaakt en heeft je verhoogd en als koning gezet over Zijn volk.’

De zonden worden groter naarmate God in ons leven meer van Zijn genade geopenbaard heeft. De zonden van Gods kinderen zijn veel erger dan de zonden van degenen die nooit in het aangezicht van God geblikt hebben, als in het aangezicht van een genadig en barmhartig Vader. En dat laatste deed David buigen voor God, wát de mensen ook van hem zouden zeggen, en hoe zijn eigen officieren hem ook zouden verachten en minachten om deze laaghartige streek die hij had uitgehaald.

David staat in rekening met God. En hij wil zijn leven in Gods hand overgeven. Zie, geliefden, dat is genade. Daar komt een huichelaar nooit. Die wil er nog wel wat aan opknappen, zodat het allemaal niet zo erg lijkt, om zo voor de mensen de schijn op te houden. Maar een huichelaar wil nooit zeggen voor God en voor de mensen die hem omringen, hoe het in feite is. Dat heeft David wel gedaan. En dat is ook zo in het leven van elk kind van God. Zo wil God ook dat wij het zien zouden, ook al hebben wij bij lange na niet de zonde van David gedaan. Maar zijn wij niet allemaal vanwege onze zonden dagelijks des doods schuldig? Hoeveel boze gedachten en hoeveel verkeerde daden zijn er niet in ons leven geweest tussen het vorige en het komende Avondmaal? Ach Heere, als U in het recht wilt treden, en gadeslaan mijn ongerechtigheden, ach Heere, wie zal dan bestaan? Ik niet en u ook niet.

 

En daarom is er in deze week van voorbereiding maar één weg om op een Gode aangename en voor onze ziel profijtelijke wijze de komende zondag het Avondmaal te houden. Dit is de weg: onze zonden en vervloeking ernstig overdenken en voor God komen met belijdenis van onze zonden. Dat kan alleen zoals het hier gebeurt.

Nathan heeft eerst gewezen op Gods barmhartigheid. Hij heeft gezegd: ‘Daar en daar heeft God je uitgehaald. En dat en dat heeft God in je leven gedaan. En jij, jìj koning David, dat heb jìj gedaan.’ En toen brak zijn hart. Genade vernedert. Genade doet buigen.

Daarom zei ik: Je moet niet bij jezelf beginnen. Je moet beginnen bij wat Christus betekent voor een zondaar. Wat Hij betekent voor verlorenen. Wat Hij gedaan heeft! Hij, Die je uit de duisternis riep tot het licht. Hij, Die je een plaats gaf in de gemeente des Heeren. Hij, Die je hart trok met de koorden van Zijn liefde. Hij, Die je zo menigmaal de beloften van het Evangelie deed geloven, zo hartelijk deed geloven. De Heere is Mijn Herder, mij zal niets ontbreken (Ps. 23:1). En tegenover dat alles: zondaar zijn. Weer gevallen, weer kwaad gedaan en weer met handen vol schuld en ongerechtigheid voor God moeten komen. En in dat licht – wat God gedaan heeft en wat Hij nog doet – verbreekt ons hart. Dan vluchten we niet van God weg, dan zeggen we niet tegen de profeet: ‘De deur uit, ik wil je nooit meer zien, ik ben koning.’ Maar dan zeggen we: ‘Heere God, U hebt gelijk. Ik beken mijn schuld, die U tot straf bewoog, Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

 

Hoewel David naar het recht van Gods wet moest sterven, zei Nathan nochtans tot David: De Heere heeft ook uw zonde weggenomen; gij zult niet sterven (2 Sam. 12:13). Deze vergeving geschiedde onmiddellijk. Toch heeft David de gevolgen van de zonde in zijn leven moeten ervaren. Want ook Gods kinderen zondigen niet goedkoop. De profeet heeft gezegd dat David zwaar zou worden gestraft. Nee, dat was geen betaling voor zijn zonde. Als dat wel zo was, had Christus niet hoeven te sterven, want Christus was de betaling voor zijn zonden. Maar het was de nasleep van zijn zonde, het waren de littekenen die tot aan de dood toe overblijven. Opdat we altijd maar zouden bedenken: Uit genade zijt gij zalig geworden, niet uit u, het is Gods gave.

Nu, als Nathan tot David gezegd heeft: De Heere heeft uw zonde weggenomen, dan vloeit de schuldbelijdenis uit Davids mond. Dat was geen spijt over verlies van eer of aanzien, maar het betrof zijn verhouding met God. Dat zegt hij ook. Hij zegt: ‘Tegen U, U alleen heb ik gezondigd.’ Natuurlijk had hij ook tegen Uria en tegen zijn vrouw Bathseba gezondigd, maar hij zag dat hij die zonde rechtstreeks tegen Gods trouw, genade en goedertierenheid had bedreven. Tegen die God, Die hem koning gemaakt had.

Is dat niet altijd zo? Als God ons onze zonden thuisbrengt, dan is het niet maar alleen: ‘Ik heb lelijk tegen mijn vrouw gedaan, of tegen mijn man of tegen mijn kinderen of tegen mijn ouders, of tegen de mensen met wie ik werk.’ Maar dan is het: ‘Heere, U hebt mij toch genade bewezen? U hebt mij toch tot een ander mens gemaakt. Waarom ben ik dan zo onvriendelijk, zo ongenaakbaar, zo onoprecht en zo onbeleefd tegenover mijn medemensen? O, Heere, dat heb ik tegen U gedaan! Als ik de mensen rondom mij zo behandel, dan is dat tot schade voor Gods koninkrijk en het is ook schande voor die God, Die mij zoveel zonden vergeven heeft. Ben ik dan niet aan Zijn genade verplicht om dat kleine onrecht dat een ander tegen mij bedrijft, gaarne te vergeven?’

Hoe menigmaal staan wij daar schuldig aan in ons leven? En ik zeg nogmaals: dat zijn geen tekortkomingen of onvolmaaktheden die er nu eenmaal in het leven van elk mens zijn, maar dat zijn zonden tegen God, tegen een genadige God.

 

De Heilige Geest verlichtte David en liet hem zien wat de zonden waren. Hij wees ze aan in zijn hart en zei: ‘Gij zijt die man! God heeft u rijk gemaakt. Hij heeft u alles gegeven wat u begeerde en Hij heeft Zijn liefde in uw hart uitgestort. Hij heeft u koning gemaakt en u daarbij genade gegeven, en zie nu eens! Wat hebt u er van terechtgebracht?’

Zo doet God het nog. Professor Wisse heeft eens geschreven: ‘Als God ons ontdekt aan onze zonden en aan de vuilheid van ons kwaad, dan doet Hij dat door het ontleedmes van de wet. Maar voordat Hij dat mes gebruikt, doopt Hij het eerst in het bloed van Christus.’ Hij maakt een wond, een pijnlijke wond, een wond die je vernedert, een wond, die je doet uitroepen: ‘Genâ, o God, genâ.’ Maar dat ontleedmes van de wet is gedoopt in het bloed van Christus. De wond die God in het hart maakt, is des te pijnlijker voor degenen die genade bij God gevonden hebben. Zij weten wat het is: God is genadig en barmhartig en groot van goedertierenheid, ook voor mij! Dat veroorzaakt dat innige leedwezen in onze ziel. Dat doet ons met hete tranen onze zonden bewenen en belijden: Niet alleen dit kwaad roept om straf, maar van het begin af aan ben ik een bedorven mens. Alleen door Uw genade, o God, door Uw genade alleen is er voor mij nog redding.

 

Geliefden, we gaan, als God het geeft, volgende week Avondmaal houden. Wie heeft lust om daarin de Heere te vrezen? Het allerhoogst en het eeuwig goed? God vraagt niet van je om met handen vol beloften en waarheden te komen en dan te zeggen: ‘Maar ik ben een kind van God’, want dan eer je God niet. Dan ben je alleen maar trots op jezelf, op het nieuwe leven, dat je toch maar uit Gods genade ontvangen hebt. God verwacht, dat je daar komt met belijdenis van je zonden. En dat niet alleen, maar ook met een hart dat hoopt op Gods genade. Met je liefde tot Hem, van Wie je weet dat Hij zonden verzoent. Met het geloof in Hem, Die in uw plaats aan Gods gerechtigheid genoeg deed.

Daarvan nog een paar woorden nadat we gezongen hebben uit Psalm 79 vers 4.

 

Gedenk niet meer aan ’t kwaad dat wij bedreven;

Onz’ euveldaad word’ ons uit gunst vergeven!

Waak op, o God, en wil van verder lijden

Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.

Help ons, barmhartig Heer’,

Uw groten Naam ter eer;

Uw trouw koom’ ons te stade;

Verzoen de zware schuld,

Die ons met schrik vervult;

Bewijs ons eens genade.

 

Geliefden, wij weten veel meer dan David wist. Wij hebben het kruis zien staan. Wij hebben de Man van smarten zien sterven. Wij hebben Hem horen uitroepen aan het kruis: Het is volbracht (Joh. 19:30).

Spinoza, een wijsgeer uit de zeventiende eeuw, heeft eens gezegd dat de zonde natuurlijk is en bij ons hoort zoals het gif in de slang. De zonde hoort nu eenmaal bij ons. Maar zo leert God het niet. Zo kunnen we ook niet zalig worden. Wanneer dat onze gedachte is: ‘Nou, met mij gaat het nog wel, hoor! Ik ben heus de grootste der zondaren niet en wie zondigt er niet? Dus ik ook’ – dan  spreken we onszelf vrij. Maar zo komen we er niet, hoor. Zo komen we er echt niet. Zo’n spreken zal God niet aanvaarden. Dacht u, als u zo zalig kon worden, dat God dan Zijn Zoon in de dood gegeven had? Nee, uw gedachten zijn verkeerd! Want God heeft ons goed en naar Zijn evenbeeld gemaakt en dat evenbeeld vraagt God terug. En als we daar niet aan kunnen beantwoorden, staan we schuldig voor Zijn aangezicht.

Kom, laat de schuld maar eens drukken in de week van voorbereiding. Bid maar tot God of je toch mag zien – écht mag zien, eer het te laat is – wie je bent voor God. Want we zijn niet zulke onschuldige en nette mensen, als we van onszelf denken. In het aangezicht van God smelten we als was, om onze zonden. In het aangezicht van het Offer van Golgotha, waar God Zijn toorn heeft gewroken op Zijn enig Kind, op Zijn Zoon, Zijn Lieveling, Zijn Hartekind – ach, dan sterven wij daaronder weg. Dan roepen we uit: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk.5:8).

Om zalig te worden is het nodig dat wij onze zonden kennen, die we tegen God bedreven hebben. Tegen die God, Die met Zijn vriendelijk aangezicht over ons gewaakt heeft tot vandaag toe. Die ons verzorgd heeft met alles wat voor het leven nodig is. Die ons gebracht heeft onder het Evangelie van Zijn genade. Die Zijn weldadigheden groot gemaakt heeft aan ons en onze kinderen. O, zeg toch niet: ‘Ach, het Avondmaal? Dat is goed voor mensen die er behoefte aan hebben. Nee, ik zou liever niet in de kerk komen.’ Maar zo is het toch niet bij u? Of zegt u toch nog: ‘Nee, het Avondmaal heeft voor mij geen betekenis.’

Maar weet u, wat u dan belijdt? Feitelijk zegt u dan: ‘Ik ben een kind des toorns, een verlorene, en ik ben zonder hoop in de wereld! Ik heb geen God Die mij redt! Als ik vandaag moet sterven, zink ik in de eeuwige nacht en ik kom er nooit, nooit, nooit meer uit!’ Is dat niet erg?

 

Geliefden, niet aan het Avondmaal komen, dat is met je eigen hand je doodvonnis onderschrijven, want je zegt: ‘Ik ken Hem niet.’ En God zegt in Zijn Woord dat wie Hem niet kent, geen leven heeft. Die is dood in zonden en misdaden. Dat geldt ook voor degenen die niet aan het Avondmaal gaan en zeggen: ‘Nee hoor, daar kom ik niet.’ Want, geliefden, het Heilig Avondmaal heeft iets te zeggen, hoor. U komt er niet zonder schade onder vandaan. Het is een aanspraak aan u: hier niet aan het Avondmaal, dat is daar niet aan de maaltijd van de Bruiloft des Lams. Onthoud dat goed! Als u dan zo sterft, bent u verloren, voor eeuwig verloren!

Ik spreek nu niet over de kinderen, die nog geen belijdenis des geloofs gedaan hebben. Zij worden nog niet geroepen om tot het Avondmaal des Heeren te komen. Ik hoop en ik bid dat er toch kinderen onder ons zijn met een nieuw hart, die lust hebben de Heere te vrezen. Die zal dit niet treffen, wat ik nu zeg.

Maar wat ik gesproken heb, dat is tot degenen die belijdenis des geloofs gedaan hebben en die hier aan de tafel behoren te komen. Hoort u dat goed? Prent u dat in uw ziel? God zegt: ‘Hier behoor je te komen.’ Maar dan wel, zoals God het van je eist. En – dat is de andere kant – zoals God het ook geven wil: namelijk, met een verbroken hart en met een verslagen geest. Dat is het offer, dat je hier voor Gods aangezicht mag brengen. Dat is geen schuldoffer. Dat is geen zondoffer. Dat is ook geen betaling, maar wel het toegangsbewijs – mag ik het zo eens zeggen – om deel te hebben aan het Avondmaal van onze Heere Jezus Christus. In je leven zie je iets van je strafwaardigheid en van je verlorenheid. Je ziet je onwaardigheid: Heere, ik ben het niet waardig.

 

Een gebroken hart, wie vraagt er nou naar? Geliefden, God vraagt er naar. Want het is Zijn eigen werk. Dat is bij God aangenaam. Het is dierbaar, meer dan goud en zilver. Een gebroken geest en een verslagen hart, dat offer is bij God aangenaam. Dat zult Gij, o God, niet verachten, staat er in de tekst.

Niet verachten! Dat is niet alleen maar negatief: Niet verachten. Maar ook positief: Dat zal Ik ontvangen. Dat is Mij aangenaam. Daar heb Ik op gewacht. Zulken wil Ik dienen. Ik zal in het midden zijn en Ik zal u Mijn brood geven als voedsel voor uw ziel. En ik zal u Mijn bloed geven als een afwassing van al uw zonden, opdat u weer voluit kind van God mag zijn.

Dat is de positieve zijde. Tot versterking van ons geloof. Om opnieuw te mogen weten: Hij is de Heere. Hem zal ik aanhangen. Hem zal ik liefhebben. Hem zal ik dienen. Achter Hem zal ik aankomen. Hij is mijn Herder, en ik ben een schaap van Zijn kudde. Zalig, zalig, zo in de gemeenschap met Jezus Christus Hem door het geloof te mogen zien als het Lam, Dat geslacht is voor de zonden der wereld en ook voor mijn zonden.

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
Omdat Gij ’t hebt gedaan.

 

Kom, wat bent u van plan in deze week van voorbereiding te doen? Hoe staat u er tegenover? Mag ik u raden wat u moet doen? Mag ik het u raden in de Naam van mijn God? Ga in uw binnenkamer! Laat het niet van u afglijden. U hebt het al lang genoeg van u af laten glijden. U bent al 30 jaar, u bent al 40 jaar, u bent al 60 jaar. En u hebt altijd uw rug naar God toegekeerd. Het is nu de tijd, de welaangename tijd. Ga in de binnenkamer. Sluit de deur achter u toe. En belijd het voor God: ‘Heere, ik heb U nog altijd verloochend. Ik heb wel belijdenis des geloofs gedaan, maar ik heb nooit geloofd. Ik ben in Uw ogen altijd een huichelaar geweest, een onoprechte, een mens die mee wil doen, maar niet mee kan doen.’

Luister dan, wat de tekst zegt. En laat bij de gang naar het Avondmaal uw hart vervuld zijn met de gedachten van deze dichter: ‘Heere, ik ben het niet waardig en ik heb het niet verdiend. Mijn hart is onrein. En mijn leven is ontrouw. Alles getuigt tegen mij.’ Belijd dat voor uw God. Belijd het op uw knieën. Belijd het, keer op keer. Laat u niet afwijzen door de duivel, noch door uw eigen hart, door allerlei vonden te zoeken tegen God en tegen uw eigen ziel. Maar maak een gelovig gebruik van het Woord des Heeren, want er staat: Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen (Spr. 28:13). Ja, God roept goddelozen en mensen die er buiten staan, die ver van God zijn. Mensen met een stenen hart, die steeds harder geworden zijn en die verre zijn van de gerechtigheid, die roept God tot Zich, want Hij zegt: ‘Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, daar is Mijn Kind, Mijn Enige, Die Ik liefheb. De Zoon van Mijn liefde. Wat denkt u van Hem?’

En dan zegt Jezus: Al wat Mij de vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37). Het gebroken riet, dat verbreekt Hij niet. En de rokende vlaswiek, die blust Hij niet uit. U weet toch wat dat betekent? Een gekrookt riet is eigenlijk nergens nuttig voor, je kunt het nergens voor gebruiken. En een rokende vlaswiek, die geeft geen licht meer, want die is vuil!

Nu degenen, die zich zo voor God kennen en zeggen: ‘Heere, ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Ik kan U niets toebrengen, waarop U mij wedervergelding zou doen. Ik ben een zondaar van binnen en van buiten. Maar genade, o God, genade, hoor mijn gebed’ – ik zeg u in de Naam van God: Voor zulke mensen is Christus in de wereld gekomen. Als dit de gestalte van uw hart is, dan zult u hongeren en dorsten naar die gerechtigheid.

 

Welnu, Christus heeft hen genodigd die hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid. Dan nodigt Hij, dan roept Hij u waarlijk. Laat deze nodiging de komende dagen uw begeerte opwekken om uw schreden te richten naar de avondmaalstafel. Dan zult u het ervaren: het is goed om God lief te hebben, om met een verbroken hart aan Zijn voeten neer te vallen en Hem mijn zondig hart te brengen. Want daarin heeft God lust. Dat is het offer dat God aangenaam is. Daarin wordt God verheerlijkt. Een gebroken geest en een gebroken en verslagen hart, zult Gij, o God, niet verachten!

Amen.

 

Slotzang: Psalm 103:5

 

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;

Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt;

Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;

Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,

Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.