Ds. C.J. Meeuse - 1 Thessalonicenzen 5 : 17

Een bevel tot een gedurig gebed

Wat ons dreigt af te houden van een gedurig gebed
Wat ons moet bewegen aan te houden in het gebed

1 Thessalonicenzen 5 : 17

1 Thessalonicenzen 5
17
Bidt zonder ophouden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 10
Lezen : 1 Thessalonicenzen 5
Zingen : Psalm 13: 1, 3, 5
Zingen : Psalm 27: 5
Zingen : Psalm 147: 6

Gemeente, de Heere Jezus heeft een gelijkenis verteld daartoe strekkende – zo zegt Lukas – dat men altijd bidden moet en niet vertragen (Luk.18:1). Hij heeft daarmee aangezet tot gedurig gebed. Hij sprak over een rechter, een gestreng, maar geen Godvrezend man. De Heere zegt dan: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde en geen mens ontzag. En er was een zekere weduwe in dezelve stad (Luk.18:2,3) die récht gedaan moest worden. Men behandelde deze weduwe als een zwakke, verachte vrouw, en men deed haar géén recht. Daarom zocht ze het bij de rechter. Maar deze rechter wilde geen uitspraak doen.

De vrouw evenwel bleef aanhouden. Zij liet die rechter niet met rust, maar telkens stond ze bij hem voor de deur, en zei dan: Doe mij recht! De rechter zegt tenslotte: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie, nochtans omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd breke (Luk.18:4,5).   

De Heere Jezus zegt dan: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? (Luk.18:6,7). Hij wil daarmee tot ons zeggen dat we altijd moeten bidden en niet vertragen. Hij wijst dan op de rechtvaardige God in de hemel. De onrechtvaardige rechter gaf tenslotte gehoor. Zou dan de rechtvaardige Rechter in de hemel een aanhoudende bidder niet te hulp willen komen?

 

Toch verzaken velen onder ons het gebed. Dan bedoel ik vooral het gebed in het verborgene. Het gaat dus niet om wat wij bidden noemen, maar op wat God bidden noemt. En dan moeten we zeggen: velen onder ons verzaken het gebed en het aanhoudend de hemel bestormen...

Nu hebben we onze argumenten wellicht al klaar. Misschien zegt u wel: ‘Een onbekeerde kan niet bidden,’ of: ‘het helpt me niet!’ We willen straks ingaan op de argumenten die wij zoal aanvoeren. Maar nu wil ik dit zeggen: ‘Als wij het gebed verzaken, zal dat eeuwig tegen ons getuigen in de dag van het oordeel.’ Dan zal God als Rechter zeggen: ’Je hebt Me niet gedurig gebeden! Je hebt me niet nodig gehad!’ Dan zal men God niet vóór kunnen liegen, maar dan zal Hij zeggen: ‘Het is je nooit om Mij te doen geweest. Je hebt nooit recht begeerd Mij te vrezen. Je hebt Mij nooit bij dag en bij nacht gezocht. Je hebt je eigen leven willen leven. Het bleek daaruit, dat je geen gebedsleven kende.’

‘Ja maar’, zegt u, ‘wij kúnnen toch niet bidden?’

Laat dan uw eerste gebed zijn: ‘Heere, leer mij bidden.’

 

Augustinus zegt over het bidden, en hij herhaalt het vaak: ’Geef, Heere, wat Gij beveelt, en beveel dan wat Gij wilt, dan zult U niet tevergeefs bevolen hebben.’ Dat is een recht gebed.

De Heere beveelt dus te bidden. Bidt dan: ‘Heere, geef wat Gij beveelt. Leer me bidden. Werk dat gebed toch in me, want U beveelt het Zelf.’

Zou de Heere dan niet willen schenken, wat Hij Zelf beveelt, terwijl Hij weet dat we het van onszelf niet hebben? Als God het beveelt, dan toont Hij reeds daarin de Gewillige te zijn, om te geven wat Hij beveelt. Daarom willen we nu met u stilstaan bij dit bevel van God.

U vindt dat bevel in het vijfde hoofdstuk van de brief van de apostel Paulus aan de Thessalonicenzen, daaruit het zeventiende vers, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

           

            Bidt zonder ophouden.

 

We vinden in Thessalonicenzen 5 vers 17 een bevel tot een gedurig gebed en overdenken ten eerste:

1. Wat ons dreigt af te houden van een gedurig gebed.

En ten tweede:

2. Wat ons moet bewegen aan te houden in het gebed.

 

Gemeente, er is veel meer over deze tekst te zeggen dan ik nu aan de orde ga stellen. Immers, als het bevel om te bidden van Godswege gegeven wordt, dan moet dat gebed ook een inhoud hebben. Ik ga daar nu grotendeels aan voorbij. Ook is er een gestalte, die God in het gebed wenst te zien bij de bidder; dat is nu ook niet aan de orde. Voor nu willen wij onze aandacht richten op de noodzaak van een gedurig gebed en er vooral op letten dat er veel zaken zijn die ons daar juist vanaf trekken. Maar ook hoe God beveelt dat het gebed moet geschieden. Aansporingen dus tot gebed, en te ontkrachten wat ons doet verslappen.

 

Als het nu gaat over een bidden zonder ophouden, mogen we eerst wel overdenken wat dat betekent.

Betekent het dat je als de monniken moet doen? In een rij achter elkaar lopen met een gebedenboek in de hand? En zoals die ene monnik die heel even opzag uit zijn gebedenboek, omdat een boer aan het ploegen was op het land, en daar zó van schrok dat hij terstond naar een smid ging om een ketting te laten smeden met twee banden; één om zijn enkel en één om zijn hals? Die ketting moest zo kort zijn dat hij voortaan alleen maar gebogen kon lopen en nooit meer kon opzien uit zijn gebedenboek.

Zou het de bedoeling zijn om zó de hemel te verdienen?

Nee, zeker niet. Als de apostel aanzet tot een gedurig gebed, zegt hij: Bidt zonder ophouden.

Betekent dit dat men altijd – openbaar of verborgen – in gebed moet zijn?

Nee, wat de Prediker zegt is waar: ‘Voor alles is een bestemde tijd.’

 

Er wordt in onze tekst ook niet bedoeld dat men zo lang mogelijk moet bidden. Voor alles staat een tijd. Een gebed voor de maaltijd mag niet zo lang zijn dat het voedsel koud wordt. De Prediker zegt: Het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten (Pred.8:5). Lange gebeden mag men doen in de binnenkamer, in de eenzaamheid. Hoewel in gezinsverband het ene gebed weleens langer mag zijn dan het andere. Ook als u, vaders, als priester in uw huisgezin ’s avonds uw knieën buigt.

Het is een goede gewoonte om de dag met gebed te besluiten en de noden van gezin en familie de Heere voor te leggen. Dan mag u ook bidden voor noden in de gemeente; voor zieken en stervenden. Dan mag u ook bidden voor de overheid, voor land en volk. Of heeft dat in onze huiselijke gebeden geen plaats? Dat behoeft niet alleen in de kerk te gebeuren op zondag. Dan mogen er best soms langere gebeden zijn. De wijze zal tijd en wijze weten. Ook in de eredienst is er een lang gebed; het is immers een dienst van Woord én gebed. We komen samen in het huis des gebeds.

 

De tekst betekent dus niet dat u uw gebeden zo lang mogelijk zou moeten uitstrekken. De Heere Jezus heeft het korte gebed van de tollenaar aangeprezen als Gode aangenaam: Wees mij de zondaar genadig (Luk.18:13), was alles wat hij kon stamelen.

Dus geen lange gebeden, maar de apostel wil dat er een gestadigheid, een regelmaat is in het gebedsleven, een vaste orde. Men moet zich zétten tot het gebed. Het is goed als we onze kinderen leren dat ze de dag niet mogen beginnen zonder eerst Gods aangezicht te zoeken. Dat moeten ze ordelijk doen; weten wat ze bidden. Doen we dat zelf ook? Voorgaan bij de maaltijden in het gezin, de dag afsluiten met gebed?

 

Ook is het goed gelegenheid te zoeken voor een eenzaam gebed; Gods aangezicht zoeken als een ander het niet weet, ons niet ziet en ons niet kan storen. Er moet een zekere gestadigheid, een regelmaat zijn, waarin men niet verflauwt.

De apostel bedoelt ook dat we een biddend leven moeten leiden. Dat betekent niet altijd in afzondering of in de eenzaamheid, maar dat we ‘als voor Gods aangezicht leven’, in het besef dat de Heere ons altijd ziet, met onze gedachten gedurig bij Hem.

Over degene die zo’n leven leidt zei men vroeger weleens: ‘Hij bidt meer met de pet op, dan met de pet af.’ Toen men vroeger nog wel een pet droeg, deed men deze af als men ging bidden. Maar mensen die de Heere vreesden en tijdens hun werk hun pet op hadden, stonden dan wel eens te zuchten tot God. Dat is ook een gebed, een verzuchting die de Heere hoort.

Zulke gebeden kom ik in de Bijbel ook tegen. Ik zie daar Jakob liggen op zijn sterfbed. En terwijl hij zijn zonen aanspreekt, hoor ik opeens een verzuchting tot God: Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere (Gen.49:18). Ik zie Nehemia daar voor de koning staan; hij is schenker. Hij spreekt tot de koning, maar hij spreekt tegelijk ook tot God. Terwijl hij tot de koning iets moet zeggen, verzucht zijn hart tot God (Neh.2:4). Voor Gods aangezicht leven, is ook een biddend leven leiden, waarbij men de Heere gedurig zoekt.

Wij komen nu aan ons eerste punt:

 

1. Wat ons dreigt af te houden van een gedurig gebed

 

Gemeente, er zijn mensen die niet anders doen dan argumenten aanvoeren tégen het gebed. Ik zal er een aantal opnoemen:

 

a. Soms wordt er gezegd: ‘Ik kán niet bidden!’ Dat kan nog vroom klinken ook. Gods kinderen weten wat het is niet te kunnen bidden. Maar veel mensen, die het gebruiken als argument om minder te bidden, vrezen de Heere niet.

Ze weten niet wat ze bidden en het is hun niet tot verdriet. Bent u onbekeerd en kunt u niet bidden? Wel, bidt dan of God u wil bekeren en wil leren bidden.

Het kan zijn dat we uit hoogmoed zeggen: ‘Ik kan niet bidden’, om daardoor zelfs nog vroom te lijken. Als ze dan gevraagd worden in het openbaar een gebed te doen, dan zijn zeggen sommigen al heel gauw: ‘Ik kan niet bidden’. Waarom? Omdat ze een mooi, gepolijst gebed willen leveren, waar iedereen van zal zeggen: ‘Wat een mooi gebed is dat!’ En omdat ze dat niet kúnnen, kan hun schijn-nederigheid misschien tóch nog geprezen worden. Ons hart is arglistig, ook daarin.

Durven wij in onze schamelheid openbaar te komen, als het gaat om een gebed te doen aan tafel, vaders? Durven we openbaar te komen als iemand die maar stamelend enkele woorden bij elkaar weet te zoeken om voor God iets neer te leggen? Of is het er soms een blijk van dat we maar weinig in het verborgen bidden? Als we niet gewend zijn in het verborgene met God te spreken en onze noden Hem voor te leggen, gaat het ons in het openbaar ook niet makkelijk af. Sommige mensen maken zich alleen maar zorgen over hun openbare gebeden.

Er zijn ook mensen die menen ‘goed’ te kunnen bidden, want ze kunnen de woorden erg goed bij elkaar vinden. Ze zijn thuis in de terminologie en kunnen lange zinnen maken, die goed klinken. Deze mensen maken soms veel werk van openbare gebeden, maar buigen nooit in het verborgen hun knieën. Ze weten niet wat het is om écht te bidden, en om écht  te zuchten. De Heere ziet evenwel het hart dat echt bidt. Hij troost het hart, dat schreiend tot hem vlucht.

Gemeente, ‘ik kan niet bidden’ mag dus geen argument zijn om het gebed na te laten, want de Heere gebiedt het. Nooit zal men een gebod om te bidden van Godswege ongestraft naast zich neer kunnen leggen.

 

b. Iemand anders zegt misschien: ‘Ik kan mijn hart er niet in mee krijgen, en dan is mijn bidden maar huichelachtig.’

Is het u tot verdriet, als dat uw ervaring is? Weet dan dat dit ook het verdriet is van degenen die niet zonder gebed kúnnen leven. O, zij kunnen er zoveel smart over hebben dat ze hun hart er niet goed bij kunnen krijgen. Het kan hen zo aanvliegen en daarom zoeken ze zo vaak de afzondering. Zij bereiden zich wel voor op het gebed. Men behoort zich voor te bereiden, al te zuchten eer men bidt, om indrukken van Wie God is, en van wie wij zijn. Bidden om indrukken van Gods majesteit en heiligheid, opdat we niet profaan zijn in ons gebed.

‘Ik kan er mijn hart niet bij krijgen…’ Gods kinderen stemmen daarmee mee in en zeggen: ‘O, dat is mijn strijd zo dikwijls; ik moet nogal eens zuchten om een zucht en bidden om een gebed, opdat de Heere me oprecht maakt.’

Anderen zeggen: ‘Ja maar, ik heb geen behoefte aan het gebed en wat is het voor de Heere nu waard als je behoefteloos bidt? Waarom zou ik in de eenzaamheid bidden, terwijl ik helemaal geen noden gevoel en geen zorgen heb. Ik zou eigenlijk niet weten wat ik moet bidden. Ik bid wel als ik behoefte heb.’

Dit kan heel gevaarlijk zijn. Weet u waarom?

Omdat we door onze doodstaat onze behoeften niet kénnen. Begin dan maar te bidden: ‘Heere, leert U mij mijn noden eens zien. Leert U mij eens, waarom ik U gedurig moet bidden. Leert U mij eens, wat ik van mijzelf niet heb en wat ik toch zou moeten hebben.’ Vraag maar om Godskennis en zelfkennis, om licht over uw leven om uw noden te leren kennen.

 

c. Weer een ander zegt: ‘Ik heb zoveel afdwalende gedachten tijdens mijn gebed. Ik vouw mijn handen en dan kan ik vaak mijn gedachten niet eens richten op wat ik zou moeten bidden. Ach, zelfs tijdens het gebed in de kerk zwerven mijn gedachten overal heen.’

Als die afzwervende gedachten ons zo veroordelen, dan is het nodig om onszelf te oefenen. Abraham zou ons dan ten voorbeeld moeten zijn: hij liet de ezels en de dienstknechten onderaan de berg. Zo moeten ook wij trachten ons oprecht af te zonderen tot het gebed, en vragen of de Heere onze gedachten gevangenneemt. Als Hij Zelf beslag op ons legt, dan mogen we met Jakob de afgoden begraven, alvorens we ons zetten tot het gebed. Dat deed hij vóór hij naar Bethel ging. Hij liet alles wat God niet behaagde vér achter zich, om zich af te zonderen tot het gebed.

 

d. Mogelijk zegt iemand: ‘Ik ben bang dat ik zondig door mijn bidden. Het kan wel een goed werk schijnen, maar ik vrees dat ieder gebed uiteindelijk maar blinkende zonde is.’

Het is niet te hopen dat we dit op een huichelachtige manier zeggen, om zo van het gebed af te komen. Maar als u er werkelijk bevreesd voor bent, dan weet ik dat u daardoor niet zult verflauwen in het gebed. Hoewel het u tot smart is dat u zelfs in uw gebed zoveel kunt zondigen. Denk slechts aan de zonde tegen het derde gebod: Gij zult de Naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken (Ex.20:7). Beseffen we tot Wie we spreken? Hebben we indrukken van Zijn Goddelijke majesteit en van onze onreinheid? Bewandelen we de enige gebaande weg in het gebed? De verse en levende weg, gebaand door de Heere Jezus Christus en door Zijn bloed? O, we mogen ons wel verfoeien en beseffen dat er verzoening nodig is, zelfs voor onze heiligste verrichtingen. Maar wie in nood is, zal het gebed niet kunnen nalaten.

Gemeente, de priesters zondigden bij hun allerheiligste verrichtingen. Ook in de ambtelijke bediening is geen gebed volmaakt. Dan is het nooit zo dat op de huisbezoeken een gebed van een ouderling, van een diaken, of van een predikant smetteloos is.

Als het goed is, is dat een grote smart. Er is verzoening nodig, ook over de heiligste verrichtingen. Daarom moesten op de Grote Verzoendag twee offers gebracht worden: één voor de ambtelijke dienst; voor de heilige verrichtingen, die met zonden besmet waren, en één voor het volk.

De zonden in ons bidden mogen ons nooit afhouden van het gebed! Het moet ons doen bidden: ‘Heere, vergeef ook mijn zonden en mijn afdwalingen in mijn bidden.’ Ja, daarom moeten onze gebeden neergelegd worden op het werk van de Heere Jezus Christus, en besluiten we ze met: ‘om Jezus wil.’

Het reukwerk in het Oude Testament was de Heere slechts aangenaam als het gelegd werd op de vurige kolen van het brandofferaltaar. Het offer, dat op die vurige kolen gelegd werd, zag op de verdiensten van de Heere Jezus. Alleen zó kon het gebed God behagen. Nadab en Abihu wilden het met hun eigen vuur doen, maar ze vonden de dood!

 

e. Wellicht zegt u: ‘Ach, ik geloof dat de Heere mij niet wil horen.’

Verflauwt u dáárom in uw gebed? Dat is een strik van de duivel. Hij probeert u wijs te maken dat u teveel gezondigd hebt en de Heere u daarom niet wil horen.

Dit argument komen we soms tegen in de gesprekken met sommigen, die in de strikken van de duivel zitten. Hij fluistert: ‘Je zonden zijn te groot. Of: ze zijn te erg! Je hebt te zwaar gezondigd. Je hebt bepaalde dingen gedaan waarvoor geen vergeving mogelijk is.’ Het liefste maakt de duivel een ziel wijs de zonde tegen de Heilige Geest bedreven te hebben. ‘Je gebeden helpen allemaal niet meer,’ liegt dan die leugengeest.

Is het uw smart, wat u tegen God hebt misdreven? Ga er dan mee naar de Heere. Wie er smart en berouw over heeft die hoeft niet bevreesd te zijn, dat het de zonde tegen de Heilige Geest was. Daarover voelt men nooit smart. En door die aanvechting moet je je zeker niet af laten houden van het gebed, maar het moet temeer aanzetten tot gebed om met Psalm 25 voor God te belijden: ‘Heere, ik heb tegen U, zwaar en menigmaal misdreven.’

 

f. Het kan zijn, dat iemand zegt; ‘Ik heb tegen beter weten in gezondigd. Tegen waarschuwingen in. Daarom vrees ik dat mijn gebed door de Heere niet verhoord zal worden.’

Er zijn er meer geweest die dit deden. Denkt u dat David niet wist dat hij een zonde beging met Bathséba? Denkt u, dat hij niet wist dat hij Uria niet mocht laten doden? Hij deed het toch! Dat zijn verschrikkelijke en zware zonden! Maar dat is David ook aan de weet gekomen! Evenwel was er vergeving voor mogelijk. Geloof daarom de vorst der duisternis, de vader der leugens, niet!

 

g. ‘Ja maar’, zegt u misschien, ‘ik leef nog in de zonde. Er zijn zonden die mij zó in hun greep hebben, dat mijn gebed de Heere niet aangenaam kan zijn. Hij zal mij zeker niet verhoren.’

U hebt gelijk! Als u in een bepaalde zonde leeft en wenst te blijven leven, dan is uw gebed een stank in Gods neusgaten. Dan zal de Heere uw gebed inderdaad niet willen horen. Salomo zegt: Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn (Spr.28:9). Maar als u probeert ermee te breken, bidt dan: ‘Heere, verlos mij van deze zonde, waaraan ik zo vast zit, waarmee ik niet kan breken. Ik voel geen kracht in me tegen deze zonde.’ Dat heeft vaak betrekking op een boezemzonde, een hele persoonlijke zonde, waar iemand aan vastgehecht zit.

Blijft u verknocht aan deze zonde en gaat u door op deze weg, dan bewandelt u de weg des doods. U verzoekt God, ja, u vraagt Hem om het oordeel. Uw gebed wordt afgesneden en de Heere zal niet overkomen. Jesaja zegt: Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort (Jes.59:2). Maar weet toch dat het Gode aangenaam is als u met die vreselijke zonde tot Hem gaat en zegt: ‘Heere, verlos me ervan, geef me kracht om ertegen te strijden.’ Dan zult u toch begeren te breken met dat kwaad. Valt u dan toch weer terug, God weet dan wat uw begeerte is.

Maar als het dan voor de dérde keer gebeurt?

‘Dan zal de Heere niet meer horen,’ zegt de duivel.

Dat is niet waar, gemeente!

Maar als het nu eens voor de vijfde keer gebeurt? Ach, misschien wel voor de vijftiende keer?

Weet u wat de Heere Jezus zei?

Zeventig maal zevenmaal moet men zijn broeder vergeven!

Zou Hij het niet weten? Hij, Wiens genade zo groot is, weet een zondaar – die zo vele malen in dezelfde zonde gevallen is – op te richten en te herstellen. Want Hij weet immers of het ons oprecht om Hem te doen is, en om onze boezemzonden te doden en eronder te krijgen.

Wat is dus het krachtigste wapen tegen uw boezemzonde?

Dat is het gebed! Verslap daarom niet in de gebeden, maar zoek te meer Gods aangezicht.

 

h. De duivel heeft veel strikken om iemand van het gebed af te houden. ‘Als ik niet uitverkoren ben, helpt bidden toch niets. En ben ik wél uitverkoren, dan zal God mij op Zijn tijd wel bekeren.’

Gemeente, één van de listen van de duivel is de kostelijkste waarheden te verdraaien tot verderf van zondaren. Dat doet hij graag met de leer van de uitverkiezing. Hij wil het liefste dat wij mensen er alleen maar verkeerd mee werken. Als die leer recht verstaan en gebruikt wordt, dan is dat een doorn in zijn oog. Want zij geeft Gods kinderen veel te veel troost.

U mag dus niet redeneren vanuit de uitverkiezing. Wie zal u bekend maken of u een verkorene bent?

Dat kan alleen de Heere doen. Wanneer en hoe?

Als u uw roeping hebt ervaren. Als het Woord Gods kracht doet tot bekering en u geleid wordt op de weg der zaligheid. De apostel zegt: Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken (2Petr.1:10). Er staat dus niet: verkiezing en roeping. De verkiezing wordt nooit eerst gekend.

Wilt u graag weten of u een verkorene bent?

Wel, begeer dan van God een krachtdadige roeping en een wedergeboorte; een vernieuwing van hart en leven. In die weg kan God op Zijn tijd en wijze u verzekeren, en u tonen dat Hij u krachtdadig riep omdat u van eeuwigheid verkoren bent.

 

i. De duivel heeft nog meer listen. Hij wil graag dat u geen tijd neemt voor het gebed. Of er is misschien geen gelegenheid voor afzondering; sommige mensen voegen zich daar maar al te graag naar.

Er kunnen inderdaad omstandigheden zijn, waarin het werkelijk moeilijk is. Je moet maar zó klein behuisd zijn, dat je geen plekje kunt vinden, waar je alleen bent. Of je moet maar in een bejaardentehuis wonen waar je geen plaatsje meer hebt in de eenzaamheid.

De duivel kan ermee spelen, maar laat hem de slimste niet zijn! Wie echt tot de Heere wil zuchten, kan dat ook doen waar anderen bij zijn, want de Heere ziet het hart en Hij hoort uw verzuchtingen.

Als de begeerte er is, zullen er toch ook wegen geopend worden om u af te kunnen zonderen voor het gebed. Gelegenheden zijn er vaak te over. We hebben deze rustdag gekregen als een dag van afzondering voor het gebed. Bent u al in de eenzaamheid geweest?

Het kan ook zo zijn, dat als ons hart gevoelig gesteld is, en er een overtuiging is onder de prediking, dat er dan misschien iemand, als u de kerk verlaat, uw aandacht weet af te leiden, waardoor het zaad van het Woord wordt weggepikt. Of er is misschien iemand die u, als u ernstig gesteld bent en zich wilt afzonderen tot het gebed, u wil meetronen naar een of andere plaats van ijdelheid, of tot een bezigheid die verstrooiing geeft. Er zijn mensen die ons willen brengen tot dingen die God niet behagen. Paulus zegt niet voor niets van de duivel dat ‘zijn listen hem niet onbekend zijn’. Het is te hopen, dat we in de gaten hebben dat de duivel geen behagen schept in een gedurig bidden.

 

j. Een ander voorwendsel om het gebed na te laten is te denken dat de Heere ons niet hoort. Misschien bidt u al zoveel jaren. Misschien weet u nog van de tijd, waarin u ernstig werd en u afzonderde. U zocht de eenzaamheid, maar vond geen verhoring.

U zegt: ‘Ik zie er niets van dat God mij hoort! De hemel is als van koper en de aarde als van ijzer. Ik denk dat ik er maar mee stop. Ik denk dat ik maar niet meer bid.’

De duivel lacht dan en hij denkt: ‘dat heb ik gewonnen!’

Waar was het God dan om te doen? Waarom hield de Heere Zich zo stil? De Heere beproeft degenen die Hem zoeken, of het ons waarlijk om Hem te doen is. Juist in de weg van het gebed kan er zoveel zijn wat wij mee willen brengen om God aangenaam te zijn. Er kan zoveel zijn dat ons bidden verontreinigt, zodat de Heere ons wil oefenen, en ons nog niet verhoort.

Hij heeft een Syro-Fenicische vrouw wel teruggestoten, en gezegd: ‘Het brood is voor de kinderen en niet voor de honden.’ Die vrouw werd door de Heere Jezus op de proef gesteld, terwijl ze toch Zijn genade niet kon missen. Maar het geloof laat niet los; het kán niet loslaten. Ze heeft gebeden om een kruimeltje van de tafel en ze heeft overvloed ontvangen. Zie, hoe de Heere haar beproefde. Maar des te heerlijker kwam haar geloof openbaar.

Zo is het nog! Als de Heere u beproeft in de weg van het gebed, en u nog niet verhoort; als u in die weg temeer uw zonden moet leren kennen, uzelf moet leren verfoeien en minder op uw gebed kunt vertrouwen, dan kan het zijn dat de Heere straks des te heerlijker het licht in uw leven wil doen opgaan. Daarom, kom, houd toch aan, grijp toch moed! Zing met de dichter van Psalm 27 vers 7:

 

Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed!

Hij is getrouw, de Bron van alle goed!

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

wacht dan, ja, wacht, verlaat u op den Heer’.

 

En Jesaja zegt: Maar dien den Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen (Jes.40:31). Welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten (Jes.30:18).

 

k. Als u helemaal niet bidt en geen gebedsleven kent, wílt u dan eigenlijk wel bidden? Onderzoek dat eens! Is het niet zo dat de dienst des Heeren in feite voor u slechts vermoeiend is? Dat u in de kerk zit omdat uw plicht het vereist, maar liefst zo min mogelijk. Twee of drie keer is veel te veel op een biddag, vindt u niet?

Voor iemand, voor wie de dienst des Heeren vermoeiend is, is het al gauw te lang of te veel. Ik denk nu niet aan degenen die het niet verwerken kunnen door ouderdom; dat is een andere zaak; het gaat om uw behoefte. Maar voor iemand, voor wie de dienst des Heeren vermoeiend is, is een gebed al gauw te veel. Dan is een stuk Bijbellezen aan tafel al gauw te lang. Dan wordt er al snel te veel gebeden. Dan is er al snel te veel godsdienst. Als de dienst des Heeren ons niet trekt en ons geen lust is, dan is het al te snel een last.

Dat kon de oorzaak weleens zijn, waarom sommigen zo weinig bidden; zo weinig in de eenzaamheid Gods aangezicht zoeken. Misschien wel helemaal niet. De lust is er niet. De wíl is er niet. Ze hebben God niet nodig!

Gray zegt in een preek over het nalaten van het gebed dat de oorzaken daarvan tweeërlei zijn. Hij zegt: ‘Dat is in de eerste plaats: afgoderij, en in de tweede plaats: godloochening.’ Misschien vindt u het wel harde woorden, maar het zijn ware woorden. Afgoderij. Dan vertrouwt de mens op andere dingen; dan heeft hij God niet nodig. Hij kan het zelf wel, hetzij met behulp van mensen of instrumenten. Hij vertrouwt op álles, behalve op God. En dan heeft men geen biddend leven.

De andere zaak is godloochening, zegt Gray. Men doet alsof er geen God bestaat. Een mens denkt God als het ware weg. Men stelt zich niet voor het aangezicht van een alwetend God. In feite is men niet blij met het voortdurend besef dat God alles ziet, Hij kent mij, Hij weet wat in mijn hart leeft, Hij weet wat ik doe.

O, gemeente, afgoderij en Godloochening zijn twee zaken die ons weghouden uit de binnenkamer. Dat geldt voor profane, ongodsdienstige, wereldse christenen die aan de rand van de kerk leven, maar evenzo voor Gods kinderen. Het geldt voor ons állen en het zou ons moeten smarten. Dat we zoveel denken te kunnen zonder de Heere en dat we Hem niet voortdurend in alles nodig hebben. Dat doet ons de binnenkamer mijden. Dan hebben we er geen indrukken van dat de alwetende God alle dingen ziet, alle dingen regeert, alle dingen ons ten beste kan besturen. Dat we dat niet geloven, dat we dat niet vertrouwen, dat we dat telkens weer vergeten, doet ons de binnenkamer mijden en ontlopen.

Hugo Binning zegt in één van zijn preken: ‘O, wat al Godloochening, zelfs bij de allerheiligsten!’ En daarom is er niemand, die hier niet schuldig staat! Maar we hebben soms onze argumenten al klaar. En de duivel lacht. Want hij is de grote vijand van het gebed. Hij wil niet dat de mensen in het verborgene Gods aangezicht zoeken. En daarom, als u de duivel en zijn listen wilt ontvlieden, als u tegen die boze tegenstander van God en Zijn werk begeert te strijden, zoek dan vanaf vandaag toch voortdurend uw binnenkamer, en vraag de Heere maar om wat u bidden moet. O, daar zijn veel noden die God door Zijn Geest indachtig wil maken.

Kom, we gaan over de plicht tot het gebed het vijfde vers uit de zevenentwintigste psalm zingen:

                                                                                                                                             

Mijn hart zegt mij, o, Heer’, van Uwentwegen:

‘Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht’;

Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen

Alleen bij U, o Bron van troost en licht!

Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer’!

Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer;

Gij waart mijn Hulp in al mijn zielsverdriet;

O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

 

Onze tweede gedachte:

                                                          

2. Wat ons moet bewegen aan te houden in het gebed

 

Gemeente, er zijn naast de zaken die wij u noemden als verhindering, veel andere zaken, die aansporingen mogen zijn tot het gebed.

 

a. Allereerst: Het is de duivel die ons ervan wil weerhouden. Laat dat een aansporing zijn die vijand van God en van Zijn werk te bestrijden. Je moet altijd het tegenovergestelde doen van wat de duivel wil.

 

b. In Gods Woord vinden wij talrijke aansporingen en zelfs bevelen om te bidden. God wil geven wat Hij beveelt. Hij zegt: En roep Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren (Ps.50:15).

In onze tekst zegt God door Zijn knecht: Bidt zonder ophouden. Het is een bevel van God. In de gelijkenis, waarmee we zijn begonnen, heeft de Heere Jezus erop gewezen, dat men altijd bidden moet en niet vertragen. Er staan veel van zulke bevelen in Gods Woord. De tijd ontbreekt ons om ze alle na te gaan.

 

c. Ik denk ook aan die bevelen, waarbij ook een belofte gevoegd is. Als de Heere zegt: Bidt, en gij zult ontvangen (Joh.16:24), of: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden (Matth.6:7,8; Luk.11:9). De Heere Jezus zegt ook dat wat we het meest nodig hebben, de levenwekkende werking van de Heilige Geest is; Hij leert bidden. Hij zegt: ‘Als een kind om brood bidt, dan zal zijn vader hem toch geen steen geven? Bidt een kind om vis of om een ei; hij zal toch geen slang of een schorpioen geven?’ En Hij zegt dan verder: Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel temeer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die hem bidden? (Luk.11:13).

 

d. Weet ook dat de Heilige Geest in de weg van het gebed wil komen. Gods Geest werkt middellijk door de verkondiging van het Woord. Dan werkt de dominee niet. Mensen bekeren is geen mensenwerk. Ook het leiden en het oefenen van mensen niet. Dat is een werk van de Heilige Geest. Hij gebruikt het Woord Gods in de mond van Zijn kinderen en knechten, zó dat de eer aan God toekomt. Ook als een zondaar Gods aangezicht zoekt, dan is het in de weg van de middelen. Als hij schreit over zijn dodigheid en met smart bezet is vanwege zijn zonden, en misschien wel moet zeggen: ’Er is niets dan dorheid in mijn hart! Was ik maar méér bewogen en had ik maar méér overtuiging van zonden. Maar het is er in het geheel niet!’ Buig dan temeer uw knieën, bidt dan temeer om die Geest, Die de overtuigingen kan werken.

De Heilige Geest wil ook in de weg van het gebed, ja, ook in de weg van de dankzegging komen, en door Zijn onuitsprekelijke verzuchtingen een biddend leven verwekken.

 

e. Veel mensen gebruiken hun armoede en gemis als argument om zich te onthouden van het gebed. Maar dit moet ons juist aanzetten tot het gebed!

Als iemand in armoede leeft en gebrek heeft en een plaats weet waar overvloed is, zal hij dan niet alles doen om op die plaats in zijn armoede te voorzien? Zou hij dan daar juist niet zoeken zijn nood vervuld te krijgen?

Zo moeten ook het gemis aan geestelijk leven, aan gevoelige indrukken, aan overtuigingen, aan indrukken Wie God is en aan mijn doemwaardigheid, mij uitdrijven tot de Heere. O, laat u dat juist aanzetten tot het gebed.

Uw dodelijke armoede staat God niet in de weg. Dat heeft de duivel u misschien uw leven lang al proberen wijs te maken. Maar hij is een leugenaar van den beginne, want Maria zegt: ’Hongerigen worden met goederen vervuld. Rijken worden ledig weggezonden.’ Hoe wonderlijk zijn Gods werken!

Gray zegt van het gebed ook nog: ‘Het is een handeldrijven van de ziel tussen ledigheid en volheid.’ Dit is ook de bevinding van Gods kinderen. Hun ledigheid, hun armoede, hun gemis, doet hen uitgaan tot Hem, bij Wie een volheid is en Die alles om niet weg wil schenken, tot roem van Zijn genade.

 

f. Het mag ook een aansporing tot het gebed zijn dat de Heere in die weg Zijn kinderen prachtige gaven geeft. Ik denk aan de heiligmaking. Die wordt in de weg van het gebed bevorderd. Doding van boezemzonden, wordt in de weg van het gebed verkregen.

De heiliging van het leven, herstel van het beeld Gods in de zondaar, dat geschiedt in de gemeenzame omgang met God, in de weg van het gebed. O, als de Heere geeft dat ze het aangezicht van de Zoon Zijner liefde mogen aanschouwen, worden ze van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd, als door des Heeren Geest.

In de tere omgang met God worden Gods kinderen vernieuwd. Dan kan het zijn dat ze, net als toen Mozes van de berg afkwam, een glans op hun gelaat hebben, als ze in de gemeenschap met de Heere hebben verkeerd.

 

g. Ook het verlangen om Gods nabijheid in Christus te ervaren drijft uit tot het gebed. Er is bij Gods kind een begeerte naar een blik van Hem, naar een kus van Zijn mond, naar een blik uit Zijn ogen, naar een blijk van Zijn liefde. Dat wordt gezocht in de weg van het gebed. In die weg geeft God hen licht, liefde, Godsvrucht; schenkt Hij ze alles, wat ze van zichzelf niet hebben.

Waar liefde is onder de mensen, liefde tussen een jongen en een meisje, daar zullen ze elkaar regelmatig willen zien. Een man en vrouw die een goed huwelijk hebben, zullen eronder lijden als weken voorbij zouden gaan zonder elkaar te ontmoeten. Dat is in het geestelijke huwelijk niet anders. O, daar is de begeerte om het aangezicht van de Heere in Christus te aanschouwen. Daarom wordt in Gods Woord de weg van het gebed zowel voor Gods kinderen alsook voor allen aangeprezen.

Die weg is gebaand door de Heere Jezus Christus en Hij wil dat ze ieder aangewezen wordt. Nee, niet iedereen zoekt die weg! Niet iedereen bewandelt die weg op de rechte wijze. Er zijn er, die zich blijven afkeren van het gebed en zich verharden. De Heere geve dat ú dat niet bent. Hij geve dat het niemand onder ons zal zijn, want we hebben u er niet voor over! Maar we weten dat er altijd mensen zullen zijn, die de enige Weg ter zaligheid verachten. Want die enige Weg is Christus.

De enige Weg om tot God te gaan met al onze noden, is die verse en levende weg, waarvan de apostel Paulus schrijft in zijn Brief aan de Hebreeën: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebr.4:16). De apostel noemt die weg in Hebreeën 10 een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees. Hij bedoelt dan die enige goede weg, om met al onze noden en zorgen in het gebed tot God te gaan. Die weg heeft Christus gebaand.

Paulus noemt het een ‘verse weg’. In de grondtekst staat een woord, dat eigenlijk op het bloed slaat. Dat betekent dat dit bloed nooit opdroogt, dat het niet geronnen is. Het heet ook ‘een levende weg’. Het grondwoord betekent eigenlijk: levenwekkend, levenschenkend.

Zo wordt het ervaren door hen die deze Weg leren kennen. Ach, het is niet hún verdienste; het is hun gemis, hun gebrek, hun armoede, die hen ertoe bracht, door de overtuiging van de Heilige Geest, om tot die enige Weg de toevlucht te nemen. Er waren misschien tijden dat ze voor een gesloten hemelpoort schenen te moeten wachten; dat ze de hemel als van koper ervoeren; dat ze misschien een loden last van zonden en ongerechtigheid op zich voelden drukken. Maar wat een wonder om dan te mogen leren, dat er nochtans een Deur is; dat er nochtans een Weg is; een verse en een levende weg voor zulke ellendigen, om Gods aangezicht te zoeken.

 

Gemeente, er is geen verhevener bezigheid dan het gebed. Er is geen godzaliger bezigheid op aarde dan op deze leerschool oefeningen te mogen ontvangen. Kom, zouden we die middellijke weg dan verachten?

Nee, we kunnen onszelf er niet in oefenen; we kunnen onszelf op die plaats niet brengen of op die weg leiden. Bidt er daarom om. Niemand van Gods kinderen heeft het ooit gekund! Daarom moet u – zoals David, of als Daniël, die driemaal ’s daags de Heere zochten – op vaste tijden Gods aangezicht zoeken. We lezen zelfs van hen, dat ze ’s nachts opstonden om de Heere te loven, omdat ze wisten dat God psalmen gaf in de nacht.

Anna is een voorbeeld voor ons allen. Ze ‘week niet uit de tempel’ staat er in Lukas 2 ‘met vasten en bidden’. Zij was een vrouw met een biddend leven. Een vrouw met een gezegend leven. Zo’n leven mocht de Heere ons schenken door Zijn genade. Daarom vermaant de apostel Petrus ons in dit laatste der dagen inzonderheid door te zeggen: En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden (1Petr.4:7).

 

Amen.

 

Psalm 147 vers 6:

 

De Heer’ betoont Zijn welbehagen

Aan hen, die need’rig naar Hem vragen,

Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,

En door Zijn hand zich laten leiden;

Die, hoe het ook moog’ tegenlopen,

Gestadig op Zijn goedheid hopen.

O Salem, roem den Heer’ der heren;

Wil uwen God, o, Sion, eren.