Ds. S. Maljaars - Handelingen 21 : 13 - 14

De apostel Paulus tot alles bereid

De aanleiding tot zijn woorden
De overgave in zijn woorden
De overbuiging na zijn woorden

Handelingen 21 : 13 - 14

Handelingen 21
13
Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus.
14
En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 131: 3 en 4
Lezen : Handelingen 21: 1-14
Zingen : Psalm 89: 7 en 20
Zingen : Psalm 62: 1 en 4
Zingen : Gebed des Heeren: 4

Gemeente,

 

Met de hulp des Heeren willen we stilstaan bij Handelingen 21 vers 13 en 14. Daar lezen we Gods Woord:

 

Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij, dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem, voor den Naam des Heeren Jezus.

En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede.

 

We zien in onze tekstwoorden: De apostel Paulus tot alles bereid.

Drie gedachten vragen onze aandacht:

 

1. De aanleiding tot zijn woorden. Die zien we in ons tekstverband.

2. De overgave in zijn woorden. Daarbij letten we op vers 13.

3. De overbuiging na zijn woorden. Die vinden we in vers 14.

 

1. De aanleiding tot zijn woorden

Gemeente, we komen Paulus hier tegen aan het einde van de derde zendingsreis. Hij is op reis naar Jeruzalem. Op dit ogenblik verblijft hij met de mensen die hem vergezellen in de havenstad Cesaréa, gelegen aan de Middellandse Zee. In die stad herinnert alles aan de bouwactiviteiten van Herodes de Grote. Deze koning heeft de stad aangelegd en verder verfraaid. De stad is ook de zetel van de Romeinse stadhouders.

 

We weten niet hoeveel mensen er zich in het gezelschap van Paulus bevinden. In ieder geval is Lukas, de schrijver van de Handelingen, erbij geweest. Dat blijkt uit de ‘wij-vorm’, waarin dit gedeelte geschreven is. Het heeft God goed gedacht om deze woorden van de apostel Paulus op te laten schrijven in Zijn Woord. De Heilige Geest heeft Lukas geïnspireerd om ook dit getuigenis uit de mond van de apostel Paulus op te tekenen: Want ik ben bereid…

Zo zien we in het boek Handelingen niet alleen de voortgang van het Koninkrijk Gods in deze wereld, maar ook de voortgang van het Koninkrijk Gods in het hart. Hier merken we iets op van de oefeningen in het genadeleven van Paulus.

 

De apostel is op dit moment zo’n tweeëntwintig jaar op de levensweg. Het jaar 35 was het jaar waarin de Heere hem stilzette op de weg naar Damaskus. Hier in Cesaréa zijn we in het jaar 57.

We komen hier een kind des Heeren tegen, beproefd en gelouterd in het genadeleven. We horen woorden uit de mond van een man die klein gemaakt is voor God. Hij is iemand die de leiding van zijn leven geheel uit handen heeft gegeven. De apostel mag nog meer dan eerst de voetstappen drukken van zijn Meester, de Heere Jezus Christus, de hoogste Profeet, de enige Hogepriester en de eeuwige Koning. Hier bemerken we wat de opwas in de genade en kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus inhoudt. Kan dit in uw leven ook opgemerkt worden, kinderen des Heeren?

 

Paulus verblijft te Cesaréa in het huis van Filippus. Van deze Filippus schrijft Lukas dat hij één van de zeven was. Dat betekent dat hij bij de groep van de eerste zeven diakenen behoorde, die in Jeruzalem tot dat ambt waren verkozen.

Diaken Filippus is niet in Jeruzalem gebleven. Deze evangelist kwam door Gods leiding in Samaria terecht. We zien hem later op de woeste weg van Jeruzalem naar Gaza, waar hij de Moorman mag onderwijzen en dopen. Vooral is Filippus werkzaam geweest in Cesaréa. Aan het eind van Handelingen 8 lezen we dat hij daar komt. In deze stad is hij gebruikt om het werk van Petrus voort te zetten. Daar in Cesaréa was een gemeente ontstaan rondom de hoofdman Cornelius. Die gemeente mag hij dienen.

Zo zien we dat de Heere Zijn knechten zendt naar de plaats die Hij voor hen bepaalt. Dan moet de ene dienaar soms plaats maken voor de ander. En dat alles tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus (Efeze 4:12).

 

Filippus heeft vier dochters die nog maagden zijn. Van deze ongehuwde dochters lezen we dat ze profeteren. Deze vrouwen waren geen ambtsdragers. Ze ontvingen wel bijzondere gaven van de Heilige Geest en hadden helder inzicht in verborgen Goddelijke zaken. Daarbij schonk de Heere hun de gaven om te vermanen, te onderwijzen, te bemoedigen en te vertroosten. Ze waren daar aanwezig tot stichting van de gemeente.

Het is een groot voorrecht als er in een gemeente zulke vrouwen mogen zijn. Die voorbeelden zijn er ook onder ons wel geweest: vrouwen die een diep inzicht mochten hebben in Gods heilswerk en daarbij de gave hadden om anderen te onderwijzen. Dat deden ze niet als ambtsdrager. Een ambt begeerden ze ook helemaal niet. Maar deze vrouwen mochten in alle eenvoud met anderen spreken over het werk en de wegen des Heeren. Wat zijn zulke vrouwen op de achtergrond tot steun voor de ambtsdragers en de gemeente. We zouden kunnen zeggen: ‘moeders in Israël’, door God geleerd en geoefend.

 

Gemeente, geloof maar dat het een goede tijd is geweest voor de apostel Paulus in Cesaréa. Hij bleef er vele dagen (vers 10). Wat heeft hij de onderlinge liefdeband mogen gevoelen. Evangelist Filippus kende Paulus nog wel uit de tijd in Jeruzalem. Toen was Saulus een vervolger van de gemeente. We weten niet of ze elkaar in de tussenliggende jaren vaker hebben ontmoet, maar nu komen ze elkaar hier tegen. Zullen ze niet verwonderd zijn geweest over Gods leiding in hun leven? Ook met de anderen mag de liefdeband ervaren worden.

Zo mogen deze kinderen Gods elkaar ontmoeten. Dit waren nu met recht broeders en zusters van elkaar. Voor deze mensen gold het dat ze verbonden waren aan de oudste Broeder, de Heere Jezus Christus. Het waren kinderen van dezelfde Vader. Ze werden geleid en onderwezen door dezelfde Geest.

Wat een rijk voorrecht bezit dit gezelschap. Groenewegen zong: ‘Zoete banden die mij binden, aan des Heeren lieve volk.’ Hebben wij een band met God en Zijn volk? Of staan we daarbuiten? O, weet het: vijanden kunnen nog vrienden worden!

Wie zijn onze vrienden? Ik vraag het ook aan ieder van jullie, jongeren: wie zijn jouw vrienden? Vrienden kunnen een goede invloed op elkaar hebben, maar je kunt elkaar ook op het verkeerde spoor brengen. Hier gaat het om vrienden in de Heere. Gelukkig, als we zo’n vriend of vriendin mogen hebben. We mogen erom vragen of de Heere dat ook in ons leven wil geven.

 

De tijd in Cesaréa is voor de apostel Paulus een rustperiode geweest. Vele jaren heeft Paulus het Evangelie verkondigd. Onvermoeibaar trok hij voort. Hier kan hij rusten. De Heere weet wat Zijn kinderen en knechten nodig hebben.

Deze rusttijd is ook een voorbereiding op de tijd die komt. Paulus staat voor een weg van lijden. Hier in de stilte van Cesaréa gaat de Heere hem voorbereiden op de school van het lijden die wacht. Hij gaat hem duidelijk maken wat zijn toekomst zal zijn.

 

Want plotseling wordt de rust verstoord. Er komt een profeet binnen. Ágabus heet hij. Deze profeet wordt door de Heere gezonden om op dit moment in deze woning te Cesaréa een boodschap te brengen.

Het ambt van profeet was in de eerste tijd na Pinksteren wel bekend. In Efeze 4 heeft de apostel Paulus het over apostelen, profeten, evangelisten en herders en leraars. Profeten waren door God gezonden ambtsdragers met de bijzondere gave van de Heilige Geest om Gods wil bekend te maken in bijzondere omstandigheden en ook zaken in de toekomst te openbaren. Zo waren ze op hun wijze dienstbaar aan de opbouw van Gods gemeente.

Ágabus is een zeer geachte profeet geweest. We lezen in Handelingen 11 dat hij heeft geprofeteerd dat er een grote hongersnood op handen was en dat deze ook is gekomen in de dagen van de keizer Claudius. Hij is een profeet die spreekt met gezag.

 

En hij kwam tot ons’ (vers 11). Ágabus die uit Judéa komt, heeft een boodschap. Het is een hele persoonlijke boodschap voor de apostel Paulus, op weg naar Jeruzalem. Ágabus komt binnen en doet iets heel bijzonders. Jongens en meisjes, je ziet het als het ware voor je ogen gebeuren: hij neemt de gordel van Paulus en bindt daarmee zijn handen en voeten. Daarmee geeft Ágabus aanschouwelijk onderwijs. De profeet zegt iets zonder woorden.

 

De profeten van het Oude Testament hebben dat ook wel gedaan. Denk aan Jesaja. Hij moest barrevoets gaan, dus op zijn blote voeten rondlopen. Dat was een getuigenis dat de Heere het volk zou vernederen en straffen. Jeremia moest eens een linnen gordel nemen en deze verbergen aan de rivier Frath. Zoals die gordel geheel verdorven werd, zou de Heere met Zijn oordelen komen omdat het volk Hem verlaten had. Al die handelingen waren veelzeggend en bevatten een prediking.

 

Deze handeling van de profeet Ágabus is ook zo’n prediking geweest. Als hij binnenkomt, zegt hij niets. Hij neemt alleen de gordel van de apostel Paulus en bindt daarmee zijn eigen handen en voeten. Wat zal het stil geworden zijn in dat huis. Wat bedoelt Gods knecht hiermee?

Hoor, Ágabus gaat spreken: ‘Dit zegt de Heilige Geest.’ De profeet heeft een boodschap van Godswege voor Paulus, die op weg is naar Jeruzalem.

Die boodschap komt voor de apostel niet onverwacht. Wat Ágabus zegt, is voor hem een bevestiging van wat hij al langer weet. We lezen in het vorige hoofdstuk dat aan Paulus van stad tot stad betuigd wordt dat hem banden en verdrukkingen aanstaande zijn.

Dit moet Ágabus met zijn boodschap nog een keer onderstrepen. Hij zegt het onomwonden: ‘De man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.’

 

Dat zal straks ook gebeuren. Dan zal Paulus gebonden worden en overgeleverd worden in de handen van de heidenen. Hem wacht gevangenschap, twee jaar lang in Cesaréa. Vervolgens zal hij nog gevangen zitten in Rome. Dat is de toekomst van de apostel Paulus. Zo geeft de Heere Zijn kind en knecht Paulus persoonlijk onderwijs aangaande de levensweg die voor hem ligt.

 

Dat doet de Heere nog wel eens in het leven van Zijn kinderen. Zij krijgen persoonlijk onderwijs door middel van de ambtsdragers, door middel van de prediking. Gepast voor dat ogenblik in die bepaalde omstandigheden. Dan mag een kind des Heeren het woord persoonlijk ontvangen tot bemoediging en vertroosting, tot nadere ontdekking en oefening in het genadeleven.

Er zijn van die bijzondere kruispunten in het leven van Gods kinderen. Zo’n kruispunt is als de Heere de zonde aanwijst en we schuldenaar worden voor God. Het is een bijzonder moment als er gewezen mag worden op een weg ter ontkoming bij God vandaan. Zo is het ook als de Middelaar in een vastlopende weg wordt geopenbaard als de Weg, de Waarheid en het Leven. Het is groot als er nadere kennis mag komen van het werk van de Heere Jezus Christus. Het is treffend als er van die verzekeringen mogen zijn van Gods genade. Ambtelijk onderwijs onder het Woord, persoonlijk voor ons hart. Kennen we er ook iets van, gemeente?

 

Soms geeft de Heere in het leven van Zijn kinderen ook persoonlijk onderwijs aangaande hun levensweg. Het gebeurt wel dat de Heere iets van de weg die Hij met Zijn kinderen zal gaan door Zijn Woord en Geest, bekendmaakt en hen erop voorbereidt.

Denk bijvoorbeeld aan de apostel Petrus bij de Zee van Tiberias. De Heere Jezus geeft hem na de ambtelijke opdracht onderwijs over zijn levensgang. Hij zegt: ‘Petrus, toen je jonger was, gordde je jezelf en wandelde je waar je wilde. Maar als je oud geworden zult zijn, zal een ander je gorden, en brengen waar je niet wilt’ (naar Johannes 21:18). Hiermee openbaart de Heere Jezus met welke dood Petrus God verheerlijken zal. Zo krijgt Petrus dus persoonlijk onderwijs aangaande zijn levensweg.

 

Dit doet de Heere hier ook in het huis van Filippus, als het gaat over de levensweg van de apostel Paulus. In de woorden van Ágabus valt licht over de toekomst van Paulus: ‘De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem binden en overleveren in de handen van de heidenen.’

Het is geen eenvoudige boodschap, die de profeet hier moet brengen. Maar het is wel de werkelijkheid aangaande Paulus’ levensloop. Het is eigenlijk een bevestiging van wat Paulus al wist.

Dan wordt hier opnieuw onderstreept, wat de apostel ooit zelf eens zei: ‘En dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods’ (Handelingen 14:22b). We lezen daar het kleine Griekse woord ‘dei’, het ‘moeten’ vanwege Gods welbehagen, het ‘moeten’ omdat God dit zo bepaalt in Zijn eeuwige raad en voorzienigheid.

‘Moeten ingaan.’ Er is geen andere weg voor de Kerk dan ingaan door vele verdrukkingen. Het was de weg van de Borg. Het is ook de weg van de Kerk. Niet in de betaling, want daarvan geldt dat Christus dat alles geheel alleen voor Zijn volk heeft gedaan. Wel in de navolging, als ze de voetstappen van deze Zaligmaker moeten drukken.

Dat is hier het persoonlijke onderwijs in het leven van de apostel Paulus. Dat zegt Ágabus eerst zonder woorden in de handeling met die gordel. Dat verklaart hij nader als hij de boodschap verduidelijkt met de woorden van de Heilige Geest.

 

‘Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem’ (vers 12). Wij: dat is het gezelschap van Paulus, waaronder Lukas. En die van die plaats waren: dat zijn de vrienden uit Cesaréa.

Zij baden. Uit de vorm van het Griekse werkwoord komt naar voren dat ze aanhoudend en bewogen hebben aangedrongen om te blijven. Ze hebben gesmeekt: ‘Paulus, blijf toch hier, blijf toch hier!’

Dit doen ze uit hartelijke liefde tot de apostel. Ze willen hem sparen voor verdrukking. Zegt Ágabus dat Paulus gebonden zal worden? Dat hun geliefde broeder overgeleverd zal worden? Dat willen ze niet! Daar hebben ze Paulus niet voor over. Daarom bidden ze dat hij niet zal opgaan naar Jeruzalem.

 

Hoewel hun tegenwerpingen begrijpelijk zijn, spreken ze hier toch geen goede woorden. Al deze mensen waren hartelijk aan Paulus verbonden. Ze wilden Gods dienaar bij zich houden en hem voor verdrukkingen sparen. Maar als de Heilige Geest zegt: ‘U moet naar Jeruzalem om daar gebonden te worden’, mogen deze mensen dat niet tegenstaan. Eigenlijk vormen ze rotsblokken op de weg van Paulus. Hij zou nog over hen struikelen en op die manier weerhouden worden om naar Jeruzalem te gaan.

 

Zien we hier niet een overeenkomst met de Meester van Paulus? De Heere Jezus Christus heeft ook een keer op zo’n kruispunt gestaan. Niet in de havenstad Cesaréa aan de Middellandse Zee, maar in de delen van Cesaréa Filippi aan de overzijde van de Jordaan. Daar begon Hij te spreken over Zijn aanstaande lijden en sterven. Hij heeft het Zijn discipelen vertoond dat Hij daarvoor moest heengaan naar Jeruzalem.

Op dat moment treedt Zijn discipel Petrus naar voren en zegt: ‘Heere, wees u genadig; dit zal U geenszins geschieden’ (Mattheüs 16:22). Maar dan schuift de Meester deze volgeling opzij en zegt: ’Ga weg achter Mij, satanas, gij zijt Mij een aanstoot. Want Ik móet naar Jeruzalem. Ik móet gaan lijden. Ik móet gaan sterven. Ik móet de prijs gaan betalen.’ Zoals Petrus in Cesaréa Filippi een aanstoot was op de lijdensweg van Jezus, vormen deze vrienden hier in Cesaréa rotsblokken op de weg in de navolging van Christus.

Gemeente, wat zal het antwoord van Paulus zijn op dit kruispunt in zijn leven?

We letten erop in de tweede gedachte:

 

2. De overgave in zijn woorden

Lees het antwoord van de apostel maar (vers 13). Lukas heeft het opgetekend uit zijn mond. En de Heilige Geest heeft hem geïnspireerd om het antwoord van Paulus op te schrijven: ‘Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de Naam des Heeren Jezus.’

‘Wat doet gij?’ ‘Vrienden, wat doet u nu toch? Wat doet u dat u weent? U maakt mijn hart week.’ Dat woord ‘week maken’ wordt alleen hier in het Nieuwe Testament gebruikt. Het betekent letterlijk: ‘in stukken breken’. ‘O, vrienden’, zegt Paulus, ‘waarom breekt u mijn hart in stukken?’

Dit wenen van de vrienden is voor de apostel een grote verzoeking geweest. De Heilige Geest zegt: ‘U moet naar Jeruzalem om te gaan lijden.’ En die vrienden zeggen: ‘U moet niet gaan. U moet hier in Cesaréa blijven.’ Dat heeft het hart van de apostel als het ware in stukken gescheurd.

 

Die tranen van zijn vrienden brengen hem in beroering en zouden hem nog van de weg afbrengen. Dat mag niet gebeuren. Daarom geeft de Heilige Geest hem zoveel kracht, dat hij mag zeggen: ‘Wat doet gij?’ Hij wijst de woorden van zijn vrienden af, met hoeveel liefdebanden hij ook aan hen verbonden is.

Paulus had ook in de haven van Cesaréa een schip kunnen kiezen en kunnen zeggen: ‘Dan ga ik nu maar terug naar Klein-Azië, of misschien kan ik op Cyprus nog wat werk doen.’ Maar door Gods genade is het anders: ‘Wat doet u, dat u weent en mijn hart week maakt? Sta mij niet in de weg. Ik ben bereid om naar Jeruzalem te gaan.’

 

Gemeente, hier mag de apostel van harte onderworpen zijn aan de wil des Heeren. Van nature is die onderwerping er in ons leven niet. Dan staat mijn wil bovenaan. Ook na ontvangen genade houden we graag zelf de teugels van ons leven in handen. Alleen als er de dadelijke bediening mag zijn uit Christus, zal een mens hartelijk buigen onder alles wat de Heere wil.

Let eens op Paulus. Ruim twintig jaar geleden werd hij neergeveld op de weg naar Damascus. Daar leerde hij voor het eerst buigen onder God. Hoor zijn gebed: ‘Wat wilt Gij dat ik doen zal?’ (Handelingen 9:6) In dat teken kwam zijn verdere leven te staan. Nu, na vele jaren, blijkt dat dit gebed verdiept is op de leerschool van Gods genade. Hier spreekt een geoefende man, die dieper buigt dan ooit tevoren. Hier staat een mens die niets is in zijn eigen oog voor God. Hier is het praktijk, wat de godvrezende oudvader en dichter Van Lodenstein eens zong:

 

Zalig, zalig, niets te wezen

In ons eigen oog voor God.

Eigen zin en lust te vrezen,

Steeds te rusten in ons lot.

Need’rig, kinderlijk en stil

Ons te voegen naar Zijn wil.

 

De Heere maakt Zijn kinderen gehoorzaam. In het uur van de wedergeboorte wordt de eigen wil gebroken en wordt iemand tot gehoorzaamheid gebracht. Maar nu moet Gods volk hoe langer hoe meer gehoorzaamheid gaan leren. Die gehoorzaamheid wordt verdiept.

Hier is sprake van hartelijke gewilligheid in het leven van de apostel. Krachtig is zijn geloofstaal. Dat heeft Paulus ook niet van zichzelf. Maar de Heilige Geest geeft deze genade op de tijd die hiervoor nodig is. Geen vijf of tien jaar van tevoren. Ook geen twee weken of drie dagen van tevoren. Hij geeft het precies op het moment, als het eropaan komt, zoals hier.

Paulus staat op een tweesprong: ‘blijf hier’ of ‘ga naar Jeruzalem’. En wat zegt de apostel dan? ‘Ik ben bereid.’ Dat woord ‘bereid’ betekent: ‘ik ben gereed, ik ben reisvaardig.’ Als ik dan naar Jeruzalem moet, dan zál ik gaan. Want de Heilige Geest heeft mij van stad tot stad betuigd, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. En Ágabus heeft een overduidelijk teken gegeven met de gordel.

Jongens en meisjes, die gordel hoorde bij de levensgang van de reizende en trekkende apostel. Een gordel was onmisbaar tijdens het reizen. Een gordel werd gebruikt om het kleed op te binden om sneller te kunnen lopen. Een gordel diende ervoor om het voedsel en de waterfles te vervoeren. Aan de gordel hing de geldbuidel. Die gordel tekent dus eigenlijk heel de levensgang van Paulus.

 

De Heere bestuurt nu de levensgang van de apostel naar de school van het lijden. Even tevoren heeft Paulus het tegen de ouderlingen van Efeze gezegd: ’Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen.’ (Handelingen 20:24)

Gemeente, dit is nu het drukken van de voetstappen van de Heere Jezus Christus. Dit is nu opwas in de genade en in de kennis van onze Heere en Zaligmaker. Het gaat bij dit kind des Heeren niet meer om hemzelf, maar alleen om God. Als de Heere maar verheerlijkt wordt, hoe het dan ook gaan zal.

 

‘Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden…’ Paulus wist, dat hij veel verdrukkingen moest lijden. Dat stond in zijn lastbrief. Tweeëntwintig jaar geleden in Damascus heeft de Heere tot Ananias gezegd: ‘Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam’ (Handelingen 9:16). Paulus was dus op lijden voorbereid. En in die tussenliggende jaren heeft hij heel wat meegemaakt. Lees het maar in 2 Korinthe 11 en in andere gedeelten van zijn brieven. Wat heeft hij een lijdensweg moeten gaan!

 

Het gaat hier nog dieper. Paulus zegt: ‘niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven.’ Nee, Paulus zegt niet dát hij zal sterven in Jeruzalem. Dat is ook niet gebeurd. Hij is pas later gestorven, in Rome, onder keizer Nero. Er ligt nog een lijdensweg ná Jeruzalem. Maar de apostel wil zeggen: ‘Als het nu zo zou zijn dat ik moet sterven in Jeruzalem, dan ben ik bereid.’ Voelen we de diepte van zijn woorden?

Hier is Paulus’ wil verslonden in Gods wil. Die uitdrukking betekent dat onze wil helemaal is overwonnen door Gods wil. Om het eenvoudig te zeggen: Dan wil je wat God wil. Dan wil je alles in de handen van de Heere overgeven. Hier wil Paulus wat God wil. Zijn wil is verslonden in Gods wil. Ook als het naar de diepte gaat van het lijden, zelfs van het sterven, mag Paulus het met God eens zijn.

‘Te Jeruzalem’, zegt hij. Daar was hij vroeger een vervolger. Maar als hij daar nu gebonden moet worden en daar zou moeten sterven, is het goed. Want wat God doet, is goed.

Door Gods genade is het leven van Paulus werkelijkheid:

 

Mijn ziel, die naar de vrede haakt,

En ’t morrend ongenoegen wraakt,

Is in mij als een kind gespeend,

En heeft zich met Uw wil vereend.

(Psalm 131 : 3, berijmd)

 

In dit verband willen we wijzen op een boek van John Flavel, een predikant uit Engeland uit de zeventiende eeuw. De titel is: ‘Het beste werk in de slechtste tijden’. Het is een verhandeling naar aanleiding van onze tekstwoorden uit Handelingen 21 vers 13: ‘Ik ben bereid’.

Flavel spreekt in dit boek over de roeping tot het lijden en de onderwerping in het lijden. Als God Zijn kinderen roept om te lijden, moeten ze zich daaraan ook onderwerpen. Ze moeten de bereidheid hebben om te lijden om Christus’ wil.

Heel ontdekkend zegt Flavel, dat dit niet bij ‘Christus’ zomervrienden’ wordt gezien. Met die zomervrienden bedoelt hij de geveinsden. Dat zijn de mensen die een schijn van godzaligheid hebben, maar de ware vreze Gods missen. Zij willen wel de genoegens van de zomer, maar keren God de rug toe als de verdrukking van de winter komt. Het zijn dus geen ware christenen.

Misschien zit er hier of thuis iemand te luisteren, die zegt: ‘Als ik dit hoor, vrees ik dat ik bij die zomervrienden van Christus hoor. Dat ik wel bij mooi weer in de zomer de Heere wil volgen, maar bij de verdrukking in de winter als eerste afval. O, als ik tot een lijdensweg word geroepen en mijn leven zou moeten geven voor de Naam en de zaak van de Heere Jezus, ben ik de eerste die Hem verloochen.’

 

Maar laat deze geschiedenis dan eens tot bemoediging zijn: Paulus krijgt deze geloofskracht niet enkele jaren vóór Cesaréa, maar hij ontvangt die genade precies op het moment wanneer het nodig is. Gods kinderen kunnen daar soms zo mee aangevallen worden. Dan zeggen ze: ‘Als nu hier in Nederland eens een vervolging uitbrak, zal ik dan staande kunnen blijven? Als ik nu eens tot een diepe lijdensweg geroepen word, hoe zal het dan met mij gaan? Dan zal ik nog als een grote huichelaar openbaar komen.’ Wat kunnen deze dingen vrees verwekken in het hart. Maar hier zien we wat de Heilige Geest vermag. Op het ogenblik dat het nodig is, krijgt Paulus de kracht om deze woorden te zeggen.

 

Wat is nu het geheim van deze overgave? Paulus zegt: ‘Voor de Naam des Heeren Jezus.’ Ter wille van Zijn Naam wil ik lijden, ja, zelfs sterven. O, wat zal die Naam daar in het huis van Filippus in Cesaréa eerbiedig uit de mond van Paulus geklonken hebben. In die Naam ligt de overgave van zijn ziel: de Naam van de Heere Jezus. Wat een liefde, wat een teerheid, wat een eerbied, wat een hoogachting!

Voor de Naam van de Heere Jezus. Hij is de Heere. Dat is de Kurios, ‘Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk heeft betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft’ (naar H.C. Zondag 1). Dat mag Paulus weten, bij God vandaan.

Nog niet zolang geleden heeft hij de brief aan de Romeinen geschreven. Daar lezen we dat de apostel mag roemen: ‘Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus’ (Romeinen 5:1). Daar schrijft Paulus: ‘Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.’ (Romeinen 14:8). Door Gods genade worden die woorden uit de Romeinenbrief hier beoefend in de praktijk van het leven.

 

Voor de Naam van de Heere Jezus. Hij is ook Jezus: Zaligmaker. ‘Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden’ (Mattheüs 1:21) Buiten Jezus is geen zaligheid. O gemeente, hier is het waar wat de apostel in diezelfde Romeinenbrief geschreven heeft: ‘Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere’ (Romeinen 8:38, 39). Dit mag Paulus zeggen vanuit zijn hart.

 

Hier staat een kind des Heeren in het huis van Filippus tussen zijn vrienden, die hem willen weerhouden: ‘Ga toch niet!’ Maar Paulus zegt: ‘Ik zal wél gaan.’ Waarom? Omdat hij in Cesaréa iets mag zien van de voetstappen van zijn Meester. In het huis van Filippus worden de voetstappen van zijn lieve Meester even zichtbaar. En als hij die voetstappen van de Borg en Zaligmaker bemerkt, is Paulus van harte bereid om Hem te volgen. Zelfs al zou dat voor hem lijden of sterven betekenen.

Daar staat die man in Cesaréa, waar alles herinnert aan de aardse caesar, de keizer. Koning Herodes heeft die stad gebouwd en verfraaid. De stadhouders zetelden er en het stadhouderlijk paleis stond er. Maar hier is een man die buigt voor Kurios Jezus, de Overste van de koningen der aarde.

Weet u wat het geheim is? We lazen het in een preek van ds. W.C. Lamain over deze tekst. Hij zegt daarin zo treffend: ‘Paulus wordt bediend uit de oceaan van de liefde van Christus.’ En gemeente, als er één druppel uit die oceaan van Christus’ liefde in het hart valt, wordt het waar: tot álles bereid.

 

Paulus weet over Wie hij spreekt, als hij hier de Naam van de Heere Jezus noemt. We kunnen oppervlakkig spreken over de Heere Jezus, zonder Hem te kennen met ons hart. Maar deze Naam is voor Paulus niet slechts een klank. Hij mag het weten: ‘Heere’, mijn Verlosser en ‘Jezus’, mijn Zaligmaker.

Gemeente, hier staat een ware christen, die bediend wordt uit de ambten van de Middelaar. Paulus mag weten dat zijn pas getekend is met het bloed van de Zaligmaker. Hij weet zich het eigendom van Hem. Hij mag ook onvoorwaardelijk gaan in het spoor van de overste Leidsman. Hij mag hier alles overgeven in de hand van zijn Meester. Wat gaat hier in het bijzonder het koninklijk ambt van Christus functioneren in zijn leven. Dan wordt Christus Koning en de christen koning-af. Dat gebeurt hier.

Christus is ook gebonden en gestorven te Jeruzalem. Daarom kan Paulus hier, op dit kruispunt in zijn leven, zeggen: ‘Ik ben bereid.’ Want deze Borg en Zaligmaker heeft alles volbracht. En hoe de weg dan ook gaat in het leven van de apostel, deze Koning weet volmaakt wat Hij doet.

Kinderen des Heeren, hoe is het in uw leven? Hier komen we een man tegen, die na ruim twintig jaar meer vastheid heeft ontvangen. Hoeveel jaar bent u al op de weg? Mogen deze zaken nu ook helderder liggen? Laten deze woorden van Paulus aansporen om te bedelen bij de Heere om meer licht en zicht.

 

Zo mag hier in het huis van Filippus te Cesaréa iets ervaren worden van de overgave van de dichter van Psalm 62. We zingen het eerste en vierde vers:

 

Mijn ziel is immers stil tot God;

Van Hem wacht ik een heilrijk lot;

Hij immers zal mijn rotssteen wezen.

Mijn heil, mijn hulp in mijn gebrek,

Mijn toevlucht en mijn hoog vertrek;

Ik zal geen grote wank’ling vrezen.

 

Doch gij, mijn ziel, het ga zo ’t wil,

Stel u gerust, zwijg Gode stil;

Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken.

Hij is mijn rots, mijn heil in nood,

Mijn hoog vertrek; Zijn macht is groot;

Ik zal noch wank’len, noch bezwijken.

 

De apostel Paulus tot alles bereid. We zagen de aanleiding tot zijn woorden: de boodschap van Ágabus en het smeken van zijn vrienden. In de tweede plaats stonden we stil bij de overgave in zijn woorden. Hij is bereid om gebonden te worden en zelfs te sterven te Jeruzalem. Nu onze derde gedachte:

 

3. De overbuiging na zijn woorden

‘En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede.’ (vers 14). Hier lezen we van de overbuiging bij de vrienden van Paulus.

Daar staat de apostel, in de kracht en de mogendheden des Heeren: ‘Ik ben bereid.’ En dan gebeurt er iets wonderlijks. Deze vrienden worden stil gemaakt. Ze bidden en smeken niet langer. Ze houden zich tevreden. Zo worden die vrienden over gebogen na de woorden van Paulus.

Paulus’ medegenoten mogen ook gaan buigen onder de wil van God, die alleen goed is. Die wil mogen ze zonder tegenspreken gehoorzaam worden. In het huis van Filippus volgt er stilte na de storm. Ja, God Zelf maakt het stil.

 

Ze hielden zich tevreden. Ze mogen ‘amen’ zeggen op de woorden van de apostel: ‘Als het dan zo is, Paulus, dat u bereid bent om naar Jeruzalem te gaan, niet alleen om gebonden te worden, maar om zelfs te sterven voor de Naam des Heeren Jezus, wie zijn wij dan om nog verder tegen te spreken? ‘Hielden wij ons tevreden.’ Ze zijn stil, zonder hem meer te bidden (kanttekening 30).

Dat is beslist geen doffe berusting geweest. Het is niet: ‘Nu ja, dan moet het maar zo gebeuren.’ Nee, hier is sprake van hartelijke onderwerping: ‘Zo is het goed, omdat God het zo wil. Dan moet voor ons de hand op de mond. Ook wij zijn hartelijk bereid.’

‘Zeggende…’ Ze zeggen er wat bij: ‘De wil des Heeren geschiede.’ Dit is nu inwinnende en overwinnende genade. Want er moet wat overwonnen worden om te zeggen: ‘Uw wil geschiede.’ Daar staat ons hart lijnrecht tegenover. Maar Christus leert het op Zijn school. ‘De wil des Heeren geschiede.’ Zo mogen de vrienden buigen, om Jezus’ wil.

 

Gemeente, wat is het geheim? Kijk eens naar de drie tekstverwijzingen onder vers 14: Mattheüs 6, Lukas 11 en Lukas 22.

In Mattheüs 6 en Lukas 11 lezen we het volmaakte gebed van de Heere Jezus, dat Hij Zijn discipelen leerde bidden: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt. (…) Uw wil geschiede.’ (Mattheüs 6:9, 10 en Lukas 11:2) Deze woorden heeft Hij Zijn discipelen voorgezegd in Galilea op de berg en later nog een keer in de kleine kring van Zijn volgelingen. Vanuit de bediening van Christus mogen deze discipelen in Cesaréa het van harte nazeggen: ‘De wil des Heeren geschiede.’

De andere tekst is uit Lukas 22. Daar gaat het over de strijd van de Heere Jezus in Gethsémané. Hoe heeft de Borg daar geworsteld voor Zijn Kerk. Het was Zijn gebed: ‘Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen; doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.’ (Lukas 22:42) Dat buigen onder Gods wil kostte Hem Zijn leven. Maar zo heeft Hij voor Gods kinderen ook de inhoud van de derde bede ‘Uw wil geschiede’ verdiend.

 

Vanuit de verdienste van Christus mogen Paulus en zijn vrienden het in het jaar 57 zeggen: ‘We zijn bereid. De wil des Heeren geschiede.’ Ze mogen berusten in ’s Heeren welbehagen. Ze mogen het overgeven, hoe de Heere het ook doet.

En het gevolg is gehoorzaamheid. Zie het vervolg in vers 15: ‘En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen op naar Jeruzalem.’ Daar is Paulus gebonden en overgebracht naar… Cesaréa!

Wat zijn Gods wegen wonderlijk. De mensen in Cesaréa hebben gesmeekt: ‘Paulus, blijf toch hier!’ Maar het is Gods wil dat Gods dienstknecht naar Jeruzalem gaat. Enige tijd later komt hij echter weer terug in Cesaréa, nu als gevangene. Hij zal daar zo’n twee jaar verblijven. En dan bewerkt de Heere het hart van de Romeinse stadhouder Felix, zodat hij Paulus enige bewegingsvrijheid gunt. De apostel mag zijn vrienden ontmoeten in het stadhouderlijk paleis. We kunnen Gods leiding niet narekenen. Zijn wegen dienen altijd tot Zijn eer en werken mee tot de zaligheid der Zijnen. Alles dient tot hun nut. ‘Heilig zijn, o God, Uw wegen, niemand spreek’ Uw hoogheid tegen!’ (Psalm 77:8, berijmd)

 

Hoe is het verder gegaan met de apostel Paulus? Omdat hij zich op de keizer beroepen heeft, wordt hij naar Rome overgebracht. Na enkele jaren is hij daar ook gestorven voor de Naam van de Heere Jezus.

Zo gaat Paulus zijn weg: Cesaréa, Jeruzalem, Cesaréa, Rome. Het is een weg door de woestijn, maar wel de weg achter zijn Borg en Zaligmaker. Hij drukt de voetstappen van zijn Meester. En daarom is de weg altijd begaanbaar.

Misschien worden ook wij wel langs onmogelijke wegen geleid. Maar als we in die diepe weg de voetstappen van de Meester mogen zien, kan het pad toch worden gegaan. Laat het ons gebed zijn: ‘Heere, mag ik willen, wat U wilt. Leer me U te volgen. Want dan alleen is het goed en gaat het goed.’

De oude dichter Datheen heeft het in het berijmde Gebed des Heeren als volgt verwoord: ‘Neem van ons weg vlees ende bloed, dat tegen Uwen wille doet.’ O gemeente, mijn vlees en bloed, mijn ellendige zondaarsbestaan, staat altijd op tegen Gods wil. Dan mag het ons gedurig gebed wel zijn: ‘Heere, neemt U dat tegenspreken van ons weg. Maak ons onderworpen aan Uw wil!’

 

‘Uw wil geschiede.’ Het is een moeilijke bede. Van onszelf hebben we die onderwerping aan Gods wil niet. Op de leerschool van de Heilige Geest wordt dit buigen geleerd. Het is de les van Zondag 49 uit de Heidelbergse Catechismus: ‘Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.’ Dit wordt alleen op Jezus’ school geleerd en verdiept.

En, geliefde gemeente, jong en oud, op deze leerschool is nog plaats.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Gebed des Heeren:4

 

Uw wil geschied’, Uw wil alleen,

Als in den hemel, hier beneên;

Uw wil is altoos wijs en goed;

’t Is majesteit, al wat Gij doet;

Dat ieder stil daarin berust’,

En Uw bevelen doe met lust.