Ds. C. Harinck - 2 Petrus 3 : 13

De verwachting van Gods kinderen

De inhoud van die verwachting
De grond van die verwachting

2 Petrus 3 : 13

2 Petrus 3
13
Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 39: 5
Lezen : 2 Petrus 3: 8-13
Lezen : Openbaring 21: 1-14
Zingen : Psalm 84: 4, 5, 6
Zingen : Psalm 16: 6
Zingen : Psalm 73: 12

Gemeente, het is een goede en christelijke gewoonte om op Nieuwjaarsmorgen als gemeente samen te komen. Wij staan immers aan het begin van het nieuwe jaar. Hoe kijken we daarnaar?

Sommigen misschien vol zorgen, anderen met hoge verwachtingen. Maar de grote vraag is: verwachten wij het van de Heere en van Zijn Koninkrijk? Daarop willen wij vanmorgen de aandacht vestigen.

Onze tekst kunt u vinden in 2 Petrus 3 vers 13. Wij lezen daar:

 

Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

 

Het gaat in deze woorden over: De verwachting van Gods kinderen.

 

We letten op:

1. De inhoud van die verwachting.

2. De grond van die verwachting.

 

1. De inhoud van die verwachting

 

Gemeente, voor ons ligt de tweede brief van Petrus. Het is toch wel wonderlijk dat wij Petrus daarin kunnen horen spreken. Het is de laatste brief die de apostel heeft geschreven.

Wat is de inhoud van die laatste boodschap van Petrus?

Zijn laatste boodschap is eigenlijk dat deze wereld zal vergaan. Dat kunnen we ons bijna niet voorstellen. Onze wereld met zijn vruchtbare akkers, zijn hoge bergen, z’n diepe zeeën en geweldige oceanen, met de wereldsteden en prachtige bouwwerken, waar miljoenen mensen wonen, de wolkenhemel en oneindige sterrenhemel… Maar tóch schrijft Petrus: Dewijl dan deze dingen alle vergaan. Ze zullen allen ophouden te bestaan. Hoe is dat toch mogelijk?

Petrus schrijft er in zijn brief enkele dingen over en we zien duidelijk dat God hem dit door Zijn Geest heeft getoond. Er zal een dag komen, een grote dag, de allergrootste dag, de dag van Christus’ wederkomst. Dat zal een dag zijn, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan. De wolkenhemel en de sterrenhemel zullen met een geweldig geluid verdwijnen. We lezen dat ook in Openbaring 20, waar staat: En ik zag een groten witten troon, en Dengene Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlood, en geen plaats is voor die gevonden.

 

Petrus zegt verder dat de elementen branden zullen en vergaan. De hemellichamen zullen brandend aan hun eind komen. En, zegt hij: De aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden. Die machtige gebouwen, die bruggen en kunstwerken; zij zullen versmelten. Vanwege de intense hitte zullen al die werken, al die bouwwerken, die de mensen gebouwd hebben, vloeibaar worden. Dat zal allemaal gebeuren op die grote Dag des Heeren, waarvan de profeet Maleachi reeds zei: En de toekomstige dag zal hen in vlam zetten (Mal.4:1). Alles zal in vlam worden gezet, maar toch niet worden vernietigd. Het zal een reinigend vuur zijn. Elk spoor van de zonde zal weggebrand worden.

Het zal evenwel geen vernietiging van de schepping zijn, maar een wedergeboorte, een vernieuwing, een reiniging, een zuivering. Petrus trekt de vergelijking met de eerste wereld. Zoals die eerste wereld als het ware door water van het zondevuil gereinigd is, zo zal de nieuwe wereld gereinigd worden door vuur. De nadruk ligt er dan ook op, dat de werken, de bouwwerken van de mensen, niet Gods oorspronkelijke schepping, zullen vergaan. Van alle pracht en grootheid van de mens zal niets overblijven.

Die dag Gods zal een ontzettende dag zijn. Petrus zegt: de hemelen, door vuur onstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen zullen brandende versmelten! Die kracht van het vuur komt vooral naar voren in de boodschap van Petrus.

Er schuilen in onze schepping ontzaggelijke krachten. Ook in de aarde; denk maar aan het vloeibare magma, binnen in de aarde. Als er vulkanische uitbarstingen zijn, zien we daar iets van. Een uitbarsting in Nieuw-Zeeland had tot gevolg dat brokstukken zelfs in China neervielen. Wat een macht en kracht kan dat magma in de aarde ontwikkelen! Er heerst een geweldig vuur binnen in onze aarde.

 

De elementen, dat zijn de hemellichamen, zullen branden en vergaan. Zover wij nu weten, zijn het eigenlijk bollen van brandend gas. Bollen waarin zich als het ware een nucleaire kracht heeft samengebald. Al die dingen zullen vergaan, al die hemellichamen, zullen brandend vergaan, en ook de aarde zal met vuur verbrand worden. God Zelf zal dit bewerken.

Maar waarom is dat nu de laatste boodschap van Petrus? Waarom heeft hij het nu over déze dingen? Wat wil Petrus ons laten zien?

Hij wil ons laten zien dat er van deze wereld, waar wij zo aan hangen, en van onze werken die wij hier tot stand brengen, niets zal overblijven. De apostel wil vooral duidelijk maken dat de goddelozen ten diepste niets hebben om naar uit te zien. Hen wacht alleen een totale verwoesting. Alles wat ze opgebouwd hebben, zal verwoest worden. En zelf zullen ze geworpen worden in de poel, die brandt van vuur en sulfer. Tegenover dit alles wil Petrus vooral de hoop en verwachting van de gelovigen laten zien.

 

Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

Maar wij… Wie zijn dat?

Dat zijn dezelfde geadresseerden, die Petrus aan het begin van zijn brief noemt. Hij beschrijft ze daar als mensen die een even dierbaar geloof met ons verkregen hebben (2Petr.1:1).

Gemeente, ziet u wel dat de apostelen niet mijlenver boven de gelovigen stonden? Ze zeiden van de gelovigen, dat ze ‘een even dierbaar geloof met hen verkregen hadden’. Petrus zegt verder dat zij ontvloden zijn – ontkomen zijn – aan het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid (2Petr.1:4). Deze twee dingen verbindt hij met de gelovigen. Het zijn twee merktekenen van de kinderen van God. Zij zijn een even dierbaar geloof deelachtig met de apostelen en alle anderen die in Christus Jezus geloven. Zij zijn net als Abraham uitgegaan uit deze wereld. Petrus zegt dat zij ontvloden het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid. Het verderf in de wereld; dat is wat mensen ten verderve voert. En wat is dat? De begeerlijkheid, zegt Petrus, de begeerte naar geld, roem, macht en vleselijk genot.

Gods kinderen zijn dit ontvloden. Déze mensen heeft Petrus op het oog, als hij zegt: maar wij… Met ons is het anders, zegt Petrus. En waarom is het anders? Omdat onze verwachting anders is.

 

Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.

Verwachten. Dat doen wij allen aan het begin van het nieuwe jaar.

Alle mensen hebben verwachting. Een zieke hoopt op beterschap, een werkloze hoopt een baan te vinden, een zakenman hoopt op betere resultaten in het nieuwe jaar. Jonge mensen hopen op het behalen van een diploma, of ze zien uit naar de dag van hun huwelijk. Gehuwden zien uit naar de kinderzegen en een zegen in hun gezinnen.

Alle mensen hebben verwachting. Het is echter meestal een verwachting, die niet gericht is op een nieuwe aarde, maar op deze aarde, op de dingen waarvan Petrus zegt: deze dingen alle zullen vergaan.

Maar wij – de gelovigen – verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. De gelovigen verwachten geen vernietiging, maar vernieuwing. God heeft voor vernieuwing en niet voor vernietiging gekozen. Na de val in zonde, zou het toch rechtvaardig zijn geweest, wanneer God voor vernietiging had gekozen. Maar God koos voor vernieuwing. Hoewel Petrus over het vergaan van alle dingen spreekt en over de elementen die zullen verbranden, is er tóch toekomst, toekomst voor de aarde die wij bewonen en de hemel die ons overdekt.

De gelovigen hebben verwachting. Zij verwachten, naar Gods belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Want deze aarde, en de hemel die ons omringt, is oud. En wat oud is, is nabij de verdwijning, schrijft Paulus in de Hebreeënbrief. Het is als het ware een aflopende zaak; het loopt ten einde met onze huidige wereld.

De wereld is aan de ijdelheid onderworpen, zegt de Bijbel. De wereld kreunt als het ware onder een zware last en is in barensnood. Zij zucht onder de gevolgen van de zonde van de mens. Want overal, waar de mens zijn voetstappen heeft gezet, heeft hij deze wereld verontreinigd. Ontsierd met zijn bouwwerken soms, of dood en verderf gezaaid. Daarom zegt Petrus dat deze wereld aan het reinigende vuur zal worden overgegeven.

Dreigende en ontzettende dingen zegt Petrus. We lezen in vers 12: Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten!

Maar dan volgt: Maar wij… Wij, die een even dierbaar geloof verkregen hebben als de apostelen; wij, die het verderf der wereld zijn ontvlucht… Wij verwachten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.

 

Het woordje ‘nieuw’ staat op de voorgrond. De aarde en de wereld worden dus niet vernietigd, maar vernieuwd, herboren. Jezus sprak over de wedergeboorte van de wereld: Uit de barensweeën van de eindtijd, uit de loutering door het vuur, de loutering van het laatste gericht, zullen nieuwe hemelen en een nieuwe aarde voortkomen.

Nieuw is vooral het merkteken. Alles zal vernieuwd zijn, herboren zijn. De zonden en de smartelijke gevolgen van de zonde, zullen zijn verdwenen. De grote Nieuwjaarsmorgen zal dan aanbreken! De dood zal niet meer zijn, er zullen geen graven meer gedolven worden, geen Kaïn zal zijn broer meer haten en doden, geen rampen zullen de wereld meer teisteren, geen leeuwen zullen verscheuren, geen doornen en distels de landman hinderen, geen droogte die de oogst verwoest zal er meer zijn. Er zal een nieuw paradijs zijn; een aarde die God geschikt zal maken als een heerlijke en vreugdevolle woonplaats voor de verloste kinderen Gods. Zie – zegt de Heere – Ik maak alle dingen nieuw (Openb.21:5). Dat zal nog eens een echte nieuwjaarsmorgen zijn!

 

Waarom schept God geen andere wereld, geen andere aarde? Waarom vernietigt Hij deze aarde niet en de hemel die ons omringt? Want de aarde is toch niet rein in Zijn ogen, en de hemel ook niet? Die hebben wij toch verontreinigd met onze zonden en met ons vele bloedvergieten? Waarom wordt de aarde gelouterd door vuur, vernieuwd en wedergeboren?

Het antwoord is Christus, Die kan zeggen: Ik ben de Opstanding en het Leven. Christus is niet alleen de Opstanding en het Leven van gevallen mensen, maar ook van een door de zonde in stukken gevallen schepping. De kribbe van Jezus heeft hier immers gestaan; Zijn bloed heeft deze aarde doordrenkt; hier heeft Hij in een graf gelegen en van hier is Hij opgevaren ten hemel. Christus’ verlossing betreft niet alleen de zaligheid van de zielen van de gelovigen, maar Christus’ verlossing heeft ook betrekking op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Wat voor aarde en wat voor wolken- en sterrenhemel zal dat zijn? Hoe zullen die eruitzien?

We mogen ons niet verliezen in allerlei beschouwingen. We moeten hier eigenlijk alle menselijke gedachten wantrouwen. Hoe het zal zijn heeft geen oog gezien en geen oor gehoord en het is in geen mensenhart opgeklommen. God wil ons van één ding doordringen, namelijk: álles zal nieuw zijn.

En als we dan toch iets willen weten over hoe die nieuwe aarde eruit zal zien, moeten we letten op wat Petrus erover zegt in onze tekst: In dewelke gerechtigheid zal wonen. Geréchtigheid zal er wonen. En wonen betekent: resideren, verblijven, blijvend aanwezig zijn.

 

Gerechtigheid. Dat is alles wat overeenstemt met Gods goede geboden. Wat recht is, wat goed is, zuiver en eerlijk, schoon en welluidend is. Gerechtigheid. We lezen daarover in Jesaja een wonderlijke profetie. Jesaja ziet alles bedekt met gerechtigheid. Hij zegt: Het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven. En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid (Jes.32:16,17).

Zo zal de beloofde wereld eruitzien. Een wereld waarop je overal gerechtigheid zult ontmoeten. Gerechtigheid zal overal verblijven en overal wonen. Op de toppen van de bergen, in de dalen, overal waar je kijkt. Gerechtigheid. Alles zal recht en waar zijn, zuiver en eerlijk, rein en schoon.

Dat is wel heel anders dan onze wereld. Want hoe ziet die eruit?

Zij is het tegenovergestelde! Onze wereld is vol ongerechtigheid; overal waar je gaat, vind je dat. Waar je ook komt is er óngerechtigheid; wat niet recht is, wat niet zuiver is, wat niet welluidend is, wat niet schoon is, wat niet overeenkomt met Gods geboden. Het is alles ongerechtigheid, goddeloosheid, zedeloosheid, wreedheid, onrecht en gruwel. We kunnen tot geen andere conclusie komen dan dat onze wereld gekenmerkt wordt door ongerechtigheid, niet door gerechtigheid.

Maar de nieuwe wereld wordt gekenmerkt door gerechtigheid. Wij verwachten, naar Zijn beloften, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelken gerechtigheid wonen zal. We letten daarop in onze tweede gedachte:

 

2. De grond van die verwachting

 

Een christen verwacht dus een wereld die vol is van gerechtigheid, waarin alles recht, zuiver, eerlijk en schoon zal zijn. Een wereld zonder ziekte en dood, zonder oorlog en bloedvergieten, zonder gebrek en hongersnood, zonder rampen en ellende. En vooral een wereld zonder ongerechtigheid.

Maar op welke grond verwachten wij die wereld? Is het geen utopie? Is het eigenlijk geen droom – weliswaar een mooie droom – maar zal het ooit werkelijkheid worden? Op welke grond verwachten wij deze nieuwe wereld?

In de tijd van de Verlichting verwachtte men een wereld, die steeds beter zou worden. De nazaten van de Verlichting, zoals: Humanisten, Socialisten, Communisten, of hoe je ze ook maar noemen wilt, zij verwachten allen dat de wereld in de toekomst steeds beter zal worden. Men zei in de vorige eeuw: ‘Het bijgeloof en de onwetendheid zal verdwijnen. Onderwijs en ontwikkeling zullen de mensheid op een hoger peil brengen.’ Na het bouwen van het Vredespaleis zei men: ‘Oorlogen zullen worden uitgebannen. Een hogere beschaving zal de volkeren leren om geen oorlog meer te voeren. Men zal ook geen misdaden meer plegen, en mensen zullen de vruchten van de aarde eerlijk gaan verdelen. We zullen de rampen de baas worden. We bouwen een prachtige wereld, een wereld van vrede.’

Maar ja, deze dromen zijn allemaal wel een utopie gebleken. Het is een fiasco geworden. Na twee wereldoorlogen, na Auschwitz, na Afghanistan, na Irak, na de burgeroorlogen in Libië, Egypte en Syrië, Somalië, Centraal Afrika, na de genocide in Kongo, na I.S en Nine Eleven, na verschillende ontzettende rampen; tsunami’s en aardbevingen, weten we dat het denken aan een nieuw wereld een droom is. De verwachting van een steeds beter wordende wereld is ijdel gebleken.

Humanisten hebben nog steeds hoge verwachtingen. In radiospotjes vertellen zij ons, dat zij ook geloven. Dan klinkt: ‘Ik gelóóf… Ik geloof in ménsen.’ Wat een blindheid! Kijk toch eens wat mensen ervan terecht brengen! Zal er echt een betere wereld komen?

Petrus leert ons dat alles zal uitlopen op een catastrofe. Hij zegt in het zevende vers: Maar de hemelen die nu zijn, en de aarde worden ten vure bewaard tegen de dag des oordeels en der verderving der goddeloze mensen. En om met Augustinus te spreken: hij zegt in zijn prachtige werk ‘De Stad Gods’ dat de stad die mensen bouwen zal vergaan. Het grote Babel dat wij bouwen, zal verbrand worden.

 

Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Het echte paradijs komt. Maar niet door de inspanning van mensen. God zal die wereld schénken. Het is een wereld waarin men volgens de profeet Jesaja de oorlog niet meer zal leren. Waar men nergens leed zal doen op de ganse berg van Gods heiligheid. Waar God bij Zijn volk zal wonen en de volken geleid zullen worden naar de rivier van het water des levens. Waar mensen van de Boom des Levens zullen eten en aan zullen zitten aan het Bruiloftsmaal van de Zoon van God, van Christus, en met Abraham, Izak en Jakob gemeenschap zullen hebben. Een wereld waarin gerechtigheid zal wonen, waarin alles recht, eerlijk, zuiver, goed en rein zal zijn.

Maar die wereld komt er niet door onze inspanningen en niet door de inspanning van de Verenigde Naties. Die wereld komt er krachtens Gods belofte. Naar Zíjn belofte, zegt Petrus verwachten wij haar. God heeft het beloofd! Daarop rust de hoop van de Christen; op Gods belofte. Dat is de grond van de verwachting.

Waar heeft de Heere dat dan beloofd?

Als je je Bijbel kent, dan weet je het. In Jesaja 65 staat: Want zie, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden. En in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws (Jes.65:17,18). In Jesaja 66 lezen we vervolgens: Want gelijk als de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de Heere (Jes.66:22). En Openbaring 21 zegt: En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer (Openb.21:1).

Naar Zijn belofte. Heerlijke beloften heeft God in de Bijbel nagelaten; zij spreken over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Ze staan in de Bijbel opdat Gods kinderen zich daarmee zullen troosten. Opdat ze in vervolging en leed zich daaraan zullen optrekken. Opdat ze daarnaar zullen uitzien en die nieuwe wereld zullen verwachten. Gods beloften verwekken hoop, zij wekken verwachting en brengen troost.

 

Maar wij verwachten... Dit is een kenmerk. Er wordt hier zomaar een kenmerk van de ware Christen genoemd. Verwachten. De gelovige verwacht een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In een wereld vol ongerechtigheid ziet hij uit naar die andere wereld.

Jezus zei in de zaligsprekingen: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Matth.5:6). Deze zaligspreking wordt bijna altijd verkeerd uitgelegd; als zou het een hongeren en dorsten naar de op het kruis verworven gerechtigheid van Jezus zijn. Maar dat is de bedoeling van die woorden niet! Zalig zijn die hongeren en dorsten betekent: diep verlangen naar die nieuwe wereld waarop de gerechtigheid zal wonen en alles weer gerechtigheid zal zijn.

Gemeente, dit is een merkteken van de kinderen Gods. Het is een bijzonder merkteken. Van onszelf hebben we een betrekking op de óngerechtigheid; vanuit ons boze bestaan is er alleen een hang naar de óngerechtigheid. Maar vanuit het nieuwe bestaan is er een hang naar de gérechtigheid; een diep verlangen, een honger en een dorst naar de volkomen bevrijding van alle zonden. Het gaat in die zaligspreking van Jezus over mensen die de gerechtigheid liefhebben, die gebukt gaan onder de zonde en haar gevolgen, die daar nooit vrij van kunnen komen, en God nooit zo kunnen dienen en liefhebben als Hij waardig is. Dat is hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

 

Maar wíj verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Dit is een verlangen dat door de belofte wordt verwekt, geschraagd en ondersteund. Het is dan ook een verlangen, dat eens vervuld zal worden. Want het rust op Gods belofte, op God Die niet liegen kan. Er komen nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid zal wonen. Waar alle gevolgen van de zonden verdwenen zullen zijn. Een ‘Rijk van vrede’ wordt het genoemd. Zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren (Jes.2:4).

Martin Luther King zei: ’I have a dream.’ Maar Gods kinderen hebben een droom die werkelijkheid zal worden. Zij verwachten naar Gods belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid zal wonen. En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan en de zee was niet meer (Openb.21:1).

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin geen vervloeking meer tegen iemand zijn zal. Waar God alle tranen van de ogen zal afwissen. Waarin de troon van God en van het Lam zal zijn en Zijn dienstknechten Hem zullen dienen.

 

Toch blijven we nog met vragen zitten. Hoe zal dat leven op die nieuwe wereld zijn?

Veel daarvan is nog voor ons verborgen en we kunnen er slechts over spreken voor zover er iets aan ons is geopenbaard. Veel vragen kunnen wij niet beantwoorden. Zullen er dieren en planten, bloemen, bergen en dalen, rivieren en zeeën zijn?

Het antwoord is: ‘Ja.’ Want de Schrift spreekt over ‘de rivier des levens’ en over ‘bomen aan de oever van die rivier’. Over ‘de Boom des Levens’. Over ‘eten en drinken tijdens de bruiloft van het Lam.’ Er is geen reden, zeggen we met de goede Schriftuitleggers, om ál die dingen symbolisch op te vatten.

Romeinen 8 zegt ons dat ook het schepsel zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis. Niet alleen de kinderen Gods zullen vrijgemaakt worden, maar ook de schepping zelf. Ook het planten- en dierenrijk zal bevrijd worden van de gevolgen der zonde. Kortom, we weten uit de Bijbel dat de nieuwe schepping een plaats van ongekende schoonheid zal zijn, een volmaakte aarde, heerlijker nog dan de eerste schepping. Een aarde die vol zal zijn van de kennis des Heeren.

 

De hele Schrift spreekt over de nieuwe hemel en over de nieuwe aarde als over een plaats van grote schoonheid: Jesaja, Ezechiël, en vooral het boek Openbaring. De heilige stad zal eruitzien als een bruid die versierd is voor haar bruidegom. De straten zullen van goud zijn. Paarlen poorten zullen er zijn. De zon zal er niet nodig zijn. God en het Lam verlichten die stad. Allemaal symbolen van schoonheid en heerlijkheid. En de volken die daarin zullen zijn, zullen in het licht van Gods aanschijn wandelen.

De naam van die stad is… Heeft die stad dan een naam? Openbaringen 3 vers 12 zegt: En Ik zal op hem schrijven de Naam van Míjn God en de Naam van de stad van Mijn God. Hoe luidt dan deze naam?

De laatste hoofdstukken van de profetieën van Ezechiël gaan over het nieuwe Jeruzalem. De profetie eindigt met: En dit zal de naam van de stad zijn: de Heere is aldaar. Dat zal het toppunt zijn van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde: de Heere is aldaar. Dát zal al het verlangen van Gods kinderen vervullen. Want dát is hun grootste wens, namelijk altijd bij de Heere zijn. Ze hebben al vroeg in hun bekering gezegd: Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel (Ps.27:4). Het verlangen naar een wereld van ongestoorde gemeenschap met God zal dan volkomen vervuld worden. Zij zullen er met God leven. Er zal geen wolk meer komen tussen God en hun ziel, geen zondige gedachte zal meer in hen oprijzen. Er zal een ongestoorde gemeenschap met de Drie-enige God zijn. Ze zullen God kennen, zoals Hij hen nu kent. En zij zullen het Lam aanbidden, dat hen Gode heeft gekocht met Zijn bloed.

 

Laten we nu eerst samen het zesde vers van psalm 16 zingen:

 

Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend,

Waarvan, in druk, ’t vooruitzicht mij verheugde;

Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,

Schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde;

De lieflijkheên van ’t zalig hemelleven

Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.   

 

Wij verwachten, zegt Petrus. Wat verwachten wij? Wat verwachten wij voor dit nieuwe jaar. En Is er nog verwachting? Wat is er te verwachten als je ziek bent? Of oud bent? Of gehandicapt? Of eenzaam? Zonder werk? Als er problemen zijn in je gezin of in je huwelijk?

Wat is er nog te verwachten? Te verwachten van onze wereld? Is het gevaar van een nieuwe financiële crisis afgewend? En de dreiging van een nucleaire oorlog? Er zijn landen, die in staat zijn om kernwapens te produceren en ze te gebruiken. Denk slechts aan Noord-Korea. En wat zal er verder gebeuren in Syrië, en in het gehele Midden-Oosten?

Maar het meest ontmoedigende is misschien: wat is er te verwachten van een verdeelde en een verzwakte kerk? Wat is er te verwachten van een kerk, die de waarheid van Gods Woord heeft verlaten? En wat is er te verwachten van een kerk, die zich er wel op beroemt de ‘oude waarheid’ te bezitten, maar de kracht van die ‘oude waarheid’ mist? Waar moeten wij het van verwachten?

Gemeente, tóch is er verwachting!

In Gods beloften!

Ja, gelukkig, jonge mensen, jullie mogen nog verwachting hebben!

En wat mag je dan verwachten? Waarmee moet je dan je verwachting reguleren?

Je mag zover en zoveel verwachten, als God in Zijn Woord belooft. Zo ver als Gods beloften gaan, zover mag je verwachting gaan. Let er dan op dat Petrus allereerst zegt: Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.

Naar Zijn belofte. Op de beloften van mensen – de beloften van de wereldleiders – kun je niet bouwen! Maar op Gods beloften wel! Daarvan kun je zeker van zijn. Daarvan mag je verwachting hebben.

Wat belooft God?

God belooft dat ieder – wie hij ook is, wat hij ook heeft gedaan – dat een iegelijk die in Christus gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven zal hebben (Joh.3:15). Wat een gezegende belofte! God belooft: Bidt, en u zal gegeven worden, zoekt, en je zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Matth.7:7). God belooft: Ken Mij in al uw wegen, en Ik zal uw paden recht maken (Spr.3:6). Daarmee kun je het nieuwe jaar in. Tenminste: wanneer je Gods beloften de grond maakt van je verwachting.

 

Volk des Heeren, God belooft Zijn Gemeente: Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20). Hij belooft degenen die Hem vrezen: Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen (Jes.43:2).

Kinderen, de Heere belooft ook: Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr.8:17). En ouders, wat uw kinderen betreft, zegt Hij: Mijn Naam zal voortgeplant worden van kind tot kind, en van geslacht tot geslacht. Met deze beloften, Gods beloften, kunnen we de toekomst in!

Maar dan blijft er toch nog een vraag liggen. Wat doen we met Gods beloften? Gaan we met de beloften terug naar de Belover? Laat je ze God zien, en zeg je: ‘Heere, dit hebt U gezegd en dit staat in mijn Bijbel?’

Van koning David lezen we toen hij die belofte hoorde uit de mond van Nathan, dat hij antwoordde: DoeHeeregelijk als Gij gesproken hebt (2Sam.7:25).

 

In een verwarde, verscheurde en wrede wereld, waar graven worden gedolven en bloed wordt vergoten, zegt de christen: Wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Maar daar hoort wel een vernieuwd mens bij. Bij die wedergeboren hemel en aarde hoort een wedergeboren mens.

We willen allemaal graag naar de hemel. Maar wilt u van de zonde verlost worden? We willen allemaal graag de zaligheid beërven. Maar willen we ook zalig leven? Is er bij ons een gebukt gaan onder het kwaad van de zonde en een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid?

Onze wereld is gedoemd te vergaan. Petrus zegt: Maar de hemelen die nu zijn en de aarde worden ten vure bewaard tot de dag des toorns. Daarom zeiden de vromen: ‘De wereld móet vergaan, eer ze vergaat.’ Deze wereld moet voor je vergaan, eer ze echt vergaat. Deze wereld moet zijn glans verliezen en die andere moet gaan glanzen.

Calvijn schrijft dat we van nature geneigd zijn tot een beestachtige liefde tot deze wereld. Hij zegt echter vervolgens: ’Als God ons van dit kwaad wil genezen, onderwijst Hij ons door allerlei ellenden.’ Kijk zo eens op je kruisen en tegenspoeden. Het zijn Gods medicijnen om onze beestachtige liefde tot deze wereld te doden.

De bekende Thomas Boston zegt: ‘Steeds wanneer ik mij een veilig nest bouwde, legde God er een handvol doornen in.’ Zoiets te ervaren is niet prettig, maar wel nuttig en onmisbaar. Want zo leer je: Hierbeneden, hier is het niet! Zo word je genezen van die ‘beestachtige liefde’ tot deze wereld en leer je hongeren en dorsten naar die nieuwe wereld. We krijgen dan een andere wereld in het oog. Een wereld waarin gerechtigheid zal wonen.

Toen McCheyne preekte dat God mensen vernieuwt en verlost van de slavernij van de zonde, vroeg een drankverslaafde aan hem: ‘Maar hoe kan ik van mijn verslaving verlost worden?’ McCheyne zei toen: ‘Dan moet je smaak veranderd worden!’ De beste genezing is inderdaad dat je smaak veranderd wordt!

Onze smaak moet veranderd! Er moet een innerlijke vernieuwing plaatsvinden. De liefde Gods moet in ons hart worden uitgestort. We moeten ons eigen ongeluk en het geluk van Gods kinderen ontdekken. Dan krijg je een nieuwe smaak. Dan ben je bedorven voor de wereld en zeg je met Mozes, de smaadheid van Christus grotere rijkdom te achten dan de schatten van Egypte.

 

Gods kinderen hebben toekomst. Zij zijn op reis naar een nieuwe hemel en naar een nieuwe aarde. Ze hebben verwachting. Die verwachting is al héél oud. Want je leest in de Hebreeënbrief over de patriarchen dat ze in tabernakelen woonden en de Stad verwachtten, die fundamenten heeft, Welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.

De wereld heeft geen verwachting. De wereld heeft niets om naar uit te zien. Voor de wereld is deze aarde alles. Maar Gods kinderen verwachten; zij verwachten, naar Gods belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal.

In Schotland heeft de bekende Robert Bruce gewerkt. Hij lag op zijn ziekbed, zijn sterfbed. Kort voor zijn heengaan vroeg men hem hoe het met hem gesteld was. Hij antwoordde: ’Ik ben nieuwsgierig. Zéér nieuwsgierig!’

Gemeente, zijn wij dat ook?

 

Amen. 

 

Psalm 73 vers 12:

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God, mijn Heil, mijn Toeverlaat;

En mij, hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid.