Ds. C. Harinck - 2 Petrus 3 : 8 - 9

Waarom de wederkomst wacht

Gods tijd is nog niet aangebroken
Gods geduld is nog niet uitgeput
Gods doel is nog niet bereikt

2 Petrus 3 : 8 - 9

2 Petrus 3
8
Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
9
De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 90: 1
Lezen : 2 Petrus 3
Zingen : Psalm 49: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 95: 5
Zingen : Psalm 89: 19, 7

Gemeente, op oudejaarsavond zijn we gewoon om terug te kijken. De media, kranten en tijdschriften gaan ons erin voor. Zij zetten de belangrijkste gebeurtenissen van het afgelopen jaar op een rij, zodat ook wij als het ware het jaar in vogelvlucht aan ons voorbij zien gaan. Zo kijken we ook persoonlijk vanavond terug. Wat kan er veel gebeuren in een jaar! Wat kan er in een jaar veel veranderen. Dat zien we in onze wereld. Dat zien we ook in ons persoonlijk leven.

Verleden jaar had je misschien je baan nog. En nu niet meer. Verleden jaar was je misschien nog gezond. En nu ben je ziek. Verleden jaar zag de toekomst er veelbelovend uit. En nu bent u met zorgen bezet. Je was verleden jaar nog samen als man en vrouw. En nu ben je alleen. Je kinderen waren nog thuis. En nu hebben ze allen het huis verlaten. Velen zullen zeggen: ‘Wat is het alles anders geworden!’

Oudejaarsavond heeft daarom ook altijd iets pijnlijks, iets weemoedigs, iets wat ons somber maakt. We denken aan dingen die voorbij zijn en nooit meer terugkomen. En hoe ouder je wordt, des te sterker je dat begint te gevoelen. Er zijn zoveel mensen rondom je weggevallen: familieleden, vrienden, medebroeders. We kijken terug. En dikwijls vervult dan weemoed ons hart.

Maar de Heere wil dat we vooruit zullen kijken. En dat we, zo kort na de herdenking van Jezus eerste komst, zullen denken aan Zijn tweede komst, Zijn wederkomst. Dat willen dan vanavond ook doen.

Onze tekst kunt u vinden in 2 Petrus 3, de verzen 8 en 9. Daar lezen wij:

 

Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

 

In deze teksten gaat Petrus in op de vraag: Waarom de wederkomst wacht.

 

Wij letten op drie gedachten:

1. Gods tijd is nog niet aangebroken.

2. Gods geduld is nog niet uitgeput.

3. Gods doel is nog niet bereikt.

 

Ten eerste dus:

1. Gods tijd is nog niet aangebroken

Er is in het leven van Simon Petrus, sinds hij preekte op de Pinksterdag, heel wat veranderd. Hij bevindt zich nu in Rome, en hij weet, dat zijn aardse loopbaan bijna voorbij is. Hij leidt in Rome de jonge, steeds groeiende, christengemeente. En als hij denkt aan de arbeid die achter hem ligt, mag hij verwonderd zijn over de zegen die God heeft geschonken.

De landen rondom de Middellandse Zee zijn in die dertig jaar landen geworden, waar bijna in iedere stad en in ieder dorp een kleine christengemeente is. Wat in de opperzaal zo klein begonnen is, is uitgegroeid. Het is vervuld geworden wat Jesaja zei: Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een Banier der volken, zullen vragen (Jes.11:10).

Maar ook de tegenstand is toegenomen. Petrus leeft zijn laatste levensjaren in de tijd van de regering van Nero. Veel christenen zijn reeds de marteldood gestorven, een schouwspel geworden in de arena’s en opgeofferd aan de wilde dieren. Dit heeft bij de christenen de vraag opgeroepen: ‘Waar blijft de toekomst des Heeren? Waar blijft die beloofde wederkomst van Christus?’

 

Kort na Jezus’ hemelvaart was de verwachting hooggespannen. De Heere Jezus had gezegd: Waakt dan, want gij weet niet in welke ure uw Heere komen zal (Matth.24:42). Hij had gezegd: ‘Houd de kaarsen brandend. En zijt gij den mensen gelijk die op hun heer wachten (Luk.12:35,36). Toen Jezus ten hemel voer, zeiden de engelen: Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren (Hand.1:11).

De vervolging nam toe. De christenen ontmoetten smaad en hoon. Waar bleef de toekomst des Heeren? Jaar na jaar ging voorbij. Satans woeden werd erger en alles bleef bij het oude. Er gebeurde niets. Het gevolg was dat de verwachting inzakte. Het uitzien naar de Dag des Heeren verzwakte. Niets wees immers op een spoedige komst van Christus?

En rondom hen waren de spotters die zeiden: ‘Jullie hebben je maar iets wijs laten maken. Alles blijft zoals het altijd is geweest. Het leven is één grote kringloop van geboorte en van sterven. Overal waar je kijkt, zie je het! Het is opgaan, blinken en verzinken.’

De Stoïcijnen in Rome leerden, dat alles volgens bepaalde wetten verliep. Het lot was gewoon onafwendbaar. Het rad van het leven ging altijd maar verder. Daar moest je je gewoon bij neerleggen.

En dan was er ook nog de leer van de Epicureeën. Zij leerden: ‘Je leeft maar één keer. Je moet eruit halen wat eruit te halen is. Eten en drinken, vrolijk zijn, want morgen sterven wij.’

In het midden van die spotters leefden die kleine christengemeenten. Zij hoorden de spotters, waaronder waarschijnlijk ook Joden, zeggen: ‘Waar is de belofte van Zijn toekomst? Want van het begin van de schepping aan blijven de dingen zoals ze ook vandaag nog zijn.’ De gelovigen wankelden. Zij vroegen zich af: ‘Heere, waarom komt U niet? Waarom straft U de goddelozen niet? Waarom verlost U Uw vervolgde kudde niet? Waarom laat U de vijanden toe ons nog langer te verdrukken?’ Petrus onderwijst dan deze moedeloze en wankelende christenen. Hij probeert antwoord te geven op de vragen die bij hen leefden.

Het eerste wat hij zegt, is: ‘Die dag, die dag van Christus wederkomst zal zéker komen. Maar Hij komt als een dief in de nacht.’ Onverwacht zal het zijn. Zoals het ook in de dagen van Noach was. Ze verwachtten de vloed niet. Hij was er ineens.

 

Vooral op één ding wil de apostel wijzen. Hij zegt dat in vers 8: Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.

Dit zijn woorden die ontleend zijn aan Psalm 90. Daar zegt Mozes: Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwake (Ps.90:4). Wat voor ons duizend jaar is, is voor de Heere maar een dag. Het is als een nachtwake. Dat is het derde deel van een nacht, zo kort.

Kinderen, duizend jaren, dat is een lange tijd! Maar in Gods ogen zijn ze als een dag. Duizend euro. Dat is toch een heleboel geld. Maar voor een miljonair, die miljoenen bezit, betekent duizend euro niets. Zo zijn duizend jaren in de ogen van de Heere, de eeuwige God, als de dag van gisteren.

En andersom: één dag is bij de Heere als duizend jaren. Eén dag. Wat is dat kort! Het is zo voorbij. De dag opent zich en dan sluit ze zich alweer. Maar voor de Heere is het ‘als duizend jaren’. Hij schiep de wereld in zes dagen, en het licht in één ogenblik. Tijd, dagen en jaren zijn voor God anders dan voor ons. Petrus wil dat de christenen daaraan zullen denken. Hij zegt daarom met nadruk: Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden. Die ene zaak moeten jullie goed in gedachten houden. Voor God ziet de tijd er anders uit dan voor ons.

  

We moeten onze gedachten over tijd niet op God toepassen. De beperking van onze tijdrekening geldt voor God niet. God is de Eeuwige. Hij rekent niet, zoals wij, met uren, dagen, maanden, jaren en eeuwen. Voor God is er slechts een eeuwig heden. God staat boven de tijd. Hij leeft niet in onze sfeer van tijd. Hij werkt wel in de tijd en Hij regeert wel over de tijd – we lezen dat Hij Zijn Zoon zond in de volheid des tijds – maar, tijd is op Gods kalender iets anders dan op de onze.

Petrus wil eigenlijk zeggen: ‘Jullie zijn in de war geraakt doordat jullie verkeerd denken over God.’ Hij zegt als het ware: ‘Het probleem ligt niet aan Góds kant, het probleem ligt aan júllie kant. Je kunt jullie leven niet vergelijken met het leven van de eeuwige God. Jullie moeten bedenken dat één dag bij de Heere is als duizend jaren. En duizend jaren zijn bij de Heere als een dag.’

Dit is tegelijk een waarschuwing om voorzichtig te zijn en niet te proberen de dag te berekenen, waarop Jezus zal wederkomen. Sommigen dachten dit te kunnen berekenen.

Die fout begaan wij dikwijls. In de eerste eeuwen, toen de vervolgingen losbraken, hebben de christenen gedacht dat de Heere spoedig zou komen. Toen Paulus een brief schreef aan de gemeente in Thessalonica moest hij ze waarschuwen om te blijven werken. Sommigen deden hun werk niet meer. Ze dachten: ‘Morgen komt de Heere!’

In de tijd van de Reformatie, toen de brandstapels brandden, dacht men ook: ‘Nu komt de Heere spoedig!’ En in onze tijd, als de helft van de wereld in brand staat, en als we de afval zien toenemen en de opkomst van de radicale islam zien, denken we: ‘Het kan nu niet lang meer duren.’

Natuurlijk zijn wij er dichterbij dan toen Petrus deze brief schreef. We worden ook door Jezus aangespoord om te letten op de tekenen der tijden. Maar Gods klok loopt toch anders dan de onze. Ook wij moeten Petrus’ woorden niet vergeten: Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. En Jezus leerde ons: Van die dag en die ure weet niemand dan Mijn Vader alleen. God heeft nog Zijn plannen met onze wereld.

Daarop letten we in de tweede gedachte:

 

2. Gods geduld is nog niet ten einde

 

Er is nog een andere reden, waarom de wederkomst op zich laat wachten. Petrus zegt in vers 9: De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Allereerst zegt Petrus hier: ‘De Heere is niet traag, niet nalatig, in het vervullen van Zijn belofte.’ Hij vergeet niet wat Hij Zijn gemeente heeft beloofd. Gelijk enigen, staat er, dat traagheid achten.

Dit slaat waarschijnlijk op sommige christenen die het uitstel van de oordeelsdag maar moeilijk konden plaatsen. Zij zeiden: ’God maakt geen haast. Hij haast zich niet om ons te verlossen.’ Zij oordeelden zelfs: God heeft niet echt zorg en liefde voor Zijn gemeente in de verdrukking. Want de Heere vertraagt de belofte. Hij komt niet spoedig tot onze hulp.

Maar Petrus zegt: ‘Die gedachte is niet juist! De Heere is niet traag in het vervullen van Zijn beloften. Gods uitstellen van Zijn belofte dat Hij eens komen zal tot verlossing van Zijn volk, betekent niet dat de Heere geen hart heeft voor jullie, en dat Hij niet weet van jullie moeite en ellende.’

 

Maar wat is dán de oorzaak dat de belofte van de wederkomst uitgesteld wordt? Petrus zegt het in onze tekst: Maar Hij is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. De oorzaak is Gods lankmoedigheid.

Lankmoedigheid is één van Gods deugden, één van Zijn volmaaktheden. Psalm 103 vers 8 zegt: Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Lankmoedigheid, dat is geduld, verdraagzaamheid. Het heeft eigenlijk te maken met zelfbeheersing.

Onze zonden wekken Gods toorn op. Al dat vloeken en spotten, dat zondigen in de wereld, al dat onrecht, al dat bloedvergieten, al die geveinsdheid, dat gaat zomaar niet aan God voorbij. Dat wekt Zijn toorn en Zijn ongenoegen op. Maar… Hij beheerst Zich.

Hij is lankmoedig, Hij houdt Zich in. Hij stelt de straf over de wereld en over de zondaar uit. Hij heeft wel het recht om dadelijk te straffen, maar Hij doet dit niet, omdat Hij lankmoedig is. Hij stelt de straf uit. Hij verdraagt ons. Waar zou ik, en waar zou u zijn, indien God niet lankmoedig was?

 

Lankmoedigheid is geen zwakte in God, alsof Hij niet kán straffen, lankmoedigheid is juist een teken van kracht. Hij beheerst Zich, Hij houdt Zich in. Indien de Heere ons direct zou straffen als we zondigden dan was het met ons allen gedaan. We zouden niet oud worden. We leefden allang niet meer. Niemand van ons. Gods lankmoedigheid is de enige verklaring dat deze wereld nog bestaat en dat ook wij nog zijn, die we zijn. God is lankmoedig. Hij beheerst Zich.

Maar waarom doet Hij dat?

‘Wel’, zegt Petrus, ‘Hij wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.’ De apostel zegt dat God de straf uitstelt om de zondaar gelegenheid te geven tot bekering.

Die lankmoedigheid heeft dus te maken met bekering. Daarom zijn Adam en Eva niet direct gedood, nadat ze van de verboden boom aten. Daarom is Israël niet omgekomen, al murmureerden ze nog zoveel tijdens de woestijnreis. Daarom is Bethlehem niet van de kaart geveegd omdat er geen plaats was voor Jezus. Daarom heeft de aarde zich niet geopend rondom Golgotha, toen men Jezus kruisigde. Daarom zijn u en ik niet gedood op het moment, dat we zondigden. Hoe groot is Gods lankmoedigheid!

 

We moeten ook bedenken Wie lankmoedig is: God, de Almachtige! Met een wenk van Zijn ogen kan Hij ons wegdoen. Ook moeten we bedenken ten opzichte van wíe Hij lankmoedig is. God is lankmoedig over overtreders van Zijn geboden. Hij is lankmoedig over mensen die zeggen: ‘Ik wil niet doen, wat U beveelt!’ Mensen, die God durven te vloeken en te beledigen.

Hoe onbetekenend zijn wij. Wat zijn we nietige schepselen. Jesaja zegt, dat alle volken bij de Heere minder geacht zijn als een druppel aan de emmer, en als een stofje aan de weegschaal. Alle volken samen zijn dat. Hoe nietig is dan één mensenkind? We zijn minder dan een mier.

Toch vertrapt God ons niet. Hij verdraagt een zondige wereld, terwijl Hij kennis draagt van alles wat er gebeurt. Daar heeft Hij een heldere, volkomen en een altijd parate kennis van.

Hij zíet ook alles. Hij ziet al de ongerechtigheid, de zedeloosheid en de wreedheid. Hij hoort ook alles. Al dat gespot en al dat gevloek, de hoon die over Zijn Naam wordt uitgestort. En Hij ruikt ook al dat vuil, dat van de aarde omhoogstijgt.

Maar toch is Hij lankmoedig. Hij beheerst Zich. Hij stelt de straf uit. Hij geeft tijd voor bekering. Hij gaf de eerste wereld honderdtwintig jaar. Hij gaf de Kanaänitische volkeren, voordat Hij ze uitroeide, vierhonderd jaar.

 

Gemeente, hoeveel tijd heeft God u al gegeven? Hoe lang heeft Hij u reeds gedragen? Hoelang bent u al onbekeerd? Tien jaar? Twintig jaar? Veertig jaar? Misschien wel tachtig jaar?

Hoeveel heeft u gezondigd? Hoeveel nodigingen heeft u veracht, en hoeveel roepstemmen genegeerd?

Toch is de Heere lankmoedig. Hij stelt de straf uit.

Jongeren, hebben jullie daar weleens bij stil gestaan? Is het je weleens gebeurd wanneer je ’s morgens wakker werd, dat je zei: ’Heere, ik mag het licht van de nieuwe dag nog zien?’ Dat je zei: ’Heere, ik ben nog in het heden van de genade?’

Waarom doet de Heere dat toch? Waarom beheerst Hij Zich? Waarom verdraagt Hij ons? Waarom is Hij lankmoedig? De apostel antwoordt: niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Waarom is God lankmoedig over een wereld van zondaren?

Hierop willen we in onze laatste gedachte letten:

3. Gods doel is nog niet bereikt

De spotters leggen Gods lankmoedigheid verkeerd uit. Ze noemden dat: ‘traagheid’. Ze durfden zelfs te zeggen dat God ontrouw is aan Zijn belofte. Maar Petrus zegt: ‘Dat is niet zo! God heeft een andere bedoeling.’ Gods doel is: niet willende dat enigen verloren gaan.

Daarom talmt het eindoordeel. Daarom vertraagt de Heere de belofte van de wederkomst. Daarom houdt Hij Zich in en stort Hij Zijn gramschap niet uit.

 

Niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Een moeilijke tekst! Velen hebben hun hoofd daar reeds over gebroken. Het is een tekst die bijvoorbeeld veel misbruikt is om de algemene verzoening te leren. Als reactie daarop hebben anderen gezegd: ‘Die tekst heeft alleen maar betrekking op de uitverkorenen.’

We mogen Gods Woord echter niet verdraaien en iets anders laten zeggen dan het Woord van God zegt. Ik wil hierover Calvijn graag aan het woord laten. Hem kunnen we niet verdenken van een verzwijgen van de leer van de predestinatie en ook niet verdenken van de algemene verzoeningsleer. Het is daarom goed om eens naar Calvijn te luisteren.

Hij begint te zeggen: ’Zo zult u vragen: indien God niet wenst, dat enigen verloren gaan, hoe komt het dan dat zovelen verloren gaan?’

Jonge mensen, dit is een goede vraag! Het is toch ook de vraag, die jullie dikwijls stellen? Wat is dan Calvijns antwoord?

Hij zegt: ’Hier wordt niet gesproken over Gods verborgen raad, waardoor de verworpenen gesteld zijn tot toorn vanwege hun zonden, maar alleen van Zijn wil zoals in het Evangelie bekend gemaakt. Want daarin strekt God Zijn hand zonder onderscheid uit tot allen. Maar naar Zijn verborgen besluit grijpt Hij alleen diegenen vast, die verkoren zijn van de grondlegging der wereld.’ God bewijst lankmoedigheid aan de gehele wereld, maar Zijn bijzondere lankmoedigheid gaat over de mensen, die Hij heeft liefgehad van voor de grondlegging der wereld.’

Dát is nog eens evenwichtige Schriftuitleg! Dat is de dingen laten staan, zoals ze er staan, en toch zo’n tekst in verband brengen met de algemene leer van de Schrift. Dus mogen we niet verzwijgen dat Gods lankmoedigheid over de gehele wereld gaat en Hij daarin toont geen lust te hebben in de dood van de zondaar. Tegelijk mogen we niet verzwijgen dat een bijzondere lankmoedigheid over Gods uitverkorenen gaat. Dat is Calvijn. Van hem kunnen we heel veel leren, vooral dominees.

 

Petrus zegt dus: ‘God is lankmoedig, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.’ God laat inderdaad aan de wereld Zijn lankmoedigheid zien. Maar Gods lankmoedigheid heeft ook te maken met Zijn uitverkorenen. Wij denken bij Gods lankmoedigheid niet alleen aan het verdragen van een zondige wereld. God bewijst inderdaad Zijn lankmoedigheid aan de wereld. Maar die enigen waarover Petrus spreekt, zijn enigen van een bepaald aantal. Zo gebruiken wij dit woord ook. Je hebt honderd schapen en je wilt niet dat enigen van die honderd schapen verloren gaan. Calvijn betrekt deze tekst niet alleen op Gods lankmoedigheid over de wereld, maar vooral op de uitverkorenen. God is lankmoedig over de uitverkorenen, want Hij wil niet dat enigen van hen verloren gaan.

De leer van de Schrift is, dat er geen afval is van de heiligen. God wil niet dat enigen van Zijn uitverkorenen verloren zullen gaan. Als iemand die door het bloed van Christus gekocht is verloren zou gaan, wat een oneer zou dat op Christus brengen! Het getal van Gods uitverkorenen móet vol worden. God wil niet – zo mag je het zeggen – dat enigen van Zijn uitverkorenen verloren zullen gaan. God wil dat zij allen tot bekering komen. En niets kan dit tegenhouden. Níemand kan dat verhinderen – hoe verdorven de wereld ook mag worden, hoe Nero ook woedt, hoe vreselijk ook de christenen lijden – God wijkt niet af van Zijn plan. Hij vervroegt of verlaat Zijn oordeelsdag over de wereld en Zijn verlossingsdag over Zijn gemeente niet.

 

Gemeente, u moet zich eens voorstellen, dat God Zich door de vervolgingen van Nero zou laten dwingen om Zijn klok wat vooruit te zetten om zo de wederkomst eerder te laten plaatsvinden. Zouden dan al Zijn verkorenen vergaderd worden?

Nee! Er moeten zelfs nog mensen geboren worden, die tot bekering moeten worden gebracht. Daarom komt de oordeelsdag nog steeds niet. Het getal van Gods uitverkorenen is nog niet vol. Daarom zet de Heere de klok niet vooruit. Zélfs het woeden van de duivel, de vervolgingen en het zware lijden van de kerk – niets kan de tijd die God gesteld heeft, wijzigen.

Die tijd houdt verband met de redding van al de schapen van Jezus’ kudde. God vergadert eerst Zijn uitverkorenen. Daarna komt pas de laatste dag voor onze wereld. Dat is de eerste Bijbelse waarheid, die we hier aantreffen. Deze gedachte past in de uitleg van dit gedeelte van de Petrusbrief. Dat heeft Petrus willen zeggen. Daarom wacht de dag van Jezus’ wederkomst.

Maar, het is maar één kant van de tekst. Het is de kant, die behoort tot de verborgen dingen. En die verborgen dingen zijn voor de Heere. We zagen dat al bij Calvijn in zijn uitleg van onze tekst. Eerst wijst hij voor de verklaring van Petrus’ woorden, dat God niet wil dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen, op de geopenbaarde wil van God. Eerst wijst hij op wat God zegt in het Evangelie. Hij zegt daarom: ‘Hier wordt niet gesproken over Gods verborgen raad. Maar alleen van Zijn wil zoals in het Evangelie bekend gemaakt.’

Wat openbaart God ons dan in Zijn Woord? Hij openbaart, dat Hij geen lust heeft in onze dood, maar daarin dat we ons zullen bekeren en leven. Bekering is Gods lust. Dit zegt de Heere bij monde van Ezechiël: Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve (Ezech.33:11).

Maar Hij heeft toch niet alle mensen uitverkoren? Hoe kan Hij er dan tegelijk geen lust in hebben dat mensen verloren gaan? Spreekt God dan met twee monden? Is het dan niet betrouwbaar wat Hij zegt?

Nee, God spreekt niet met twee monden en het is betrouwbaar wat Hij zegt. Niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Als je naar de tekst kijkt, dan zie je wat God wil; waarin God lust heeft: namelijk dat mensen tot bekering komen. Daarin heeft God Zijn lust. Daartoe moet Zijn lankmoedigheid leiden: naar bekering. Metanoia staat hier, dat betekent: boetvaardigheid. Dit is niet alleen uiterlijke levensverandering, maar ook innerlijke droefheid. Dat wil God, dat is Zijn lust; dat zondaren met innerlijke droefheid over de zonde tot Hem wederkeren. Daarom is God lankmoedig over ons. Hij heeft lust in bekering. Niet in onze ondergang.

Dat zegt Paulus ook; Petrus verwijst in vers 15 naar diens woorden: Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? (Rom.2:4).

Wat bekeert dus een zondaar? Wat brengt een mens tot boetvaardigheid?

Niet de angst voor de hel. Die vervult met schrik en vrees. Judas was vol van angst. En Saul was vol vrees. Maar dat leidde niet tot bekering. Voor de échte bekering is meer nodig dan angst en vrees.

Wat is er dan wél voor nodig?

Droefheid! Want: De droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot de zaligheid (2Kor.7:10). Droefheid. En wanneer ontstaat die droefheid, die tot bekering brengt?

Wanneer je ziet dat God je heeft verdragen. Als je zeggen moet: ‘God had mij kunnen doden, toen ik zondigde. Toen ik Zijn roepstem verwierp. Toen ik spotte. Toen ik vloekte. Toen ik zo luid riep: ‘Ga weg van mij; ik heb geen lust aan de kennis Uwer wegen!’ Maar God heeft dat niet gedaan, Hij breidt nog steeds Zijn handen naar mij uit. En Hij zegt nog steeds geen lust te hebben in mijn dood, maar daarin Zijn lust te hebben dat ik mij bekeren zal en leven. ‘

 

Wanneer de Heilige Geest dat bij je thuisbrengt, dan verbreekt het je. Dat vervult niet alleen met vrees voor de straf, maar het brengt in je hart een hartelijke en diepe droefheid over de zonde teweeg. Gezondigd te hebben tegen die God, Die mij verdrágen heeft, Die mij nagewandeld heeft met Zijn Evangelie, en Die ook zelfs nu, na alles wat ik misdreven heb, tóch Zijn handen nog naar mij uitstrekt, en zegt geen lust in mijn dood te hebben. Dat brengt als boeteling aan Gods voeten. Dat brengt tot bekering. Tot het verlaten van de kwade weg en met hartelijke droefheid over de zonde, vergeving en verzoening zoeken in Christus.

Gods doel met het verdragen van de wereld en met het verdragen van ons, is dus: tot bekering brengen. Dat is Gods lust. Daarin verblijdt Hij Zich. Het bedroeft Hem als mensen zondigen. Maar het verblijdt Hem, wanneer ze met boetvaardigheid tot Hem wederkeren. Daarom heeft God ons het afgelopen jaar ook gedragen en verdragen. Lankmoedigheid was het! Dat moet ons tot bekering leiden.

 

Laten we dan nu samen zingen Psalm 95 vers 5 zingen:

 

Verhardt u niet; neemt Zijn genâ

Ootmoedig aan; laat Meriba,

Laat Massa u ten afschrik wezen,

Waar ‘k door uw vaders ben verzocht,

Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,

Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

 

Gemeente, in de dagen van Petrus waren er spotters. Zij zijn er ook vandaag nog. Ze zeggen: ‘Waar blijft de belofte van Zijn toekomst? Alles blijft alle eeuwen door hetzelfde. Het gaat maar eindeloos door; geboren worden en sterven.’

En toch komt onze wereld niet van los van de gedachte, dat deze aarde niet altijd zal bestaan. Als er vulkaanuitbarstingen zijn of geweldige rampen, dan komen die gedachten altijd weer boven drijven.

De grote dag komt, de dag waarop Christus als Rechter zal verschijnen met Zijn vele duizenden der engelen. Zij zullen de mensen vergaderen van de vier hoeken des aardrijks. Zij zullen de rechtvaardigen zetten aan Zijn rechterhand, en de goddelozen aan Zijn linkerhand.

Die dag komt. Dat wil Petrus zeggen. Hij zegt niet alleen dat die dag komen zal als een dief in de nacht, maar dat God bepaalt wanneer die dag zal komen.

Maar waarom wacht God zo lang?

Petrus wijst dan op Gods lankmoedigheid en zegt: De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dit traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Op de laatste avond van het jaar moeten we ons daarom verwonderen over Gods lankmoedigheid. Dat de Heere ons heeft gedragen, vérdragen. Met recht zou Hij de wereld, en ook ons, van voor Zijn aangezicht kunnen wegdoen. Hij had ons kúnnen straffen. Maar Petrus zegt: Hij is lankmoedig over ons. Hij stelt de straf uit. Hij stelt ook de dag van de wederkomst uit.

 

Niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Wij vinden dat toch maar een moeilijke tekst, en moeilijk in overeenstemming te brengen met de Goddelijke verkiezing. Want God wil toch niet dat álle mensen zalig worden? Hij heeft toch niet álle mensen uitverkoren?

Maar u moet goed lezen! Dat staat er ook niet! Er staat niet, dat God wil, dat alle mensen eens in de hemel zullen komen. En er staat ook niet, dat God alle mensen heeft uitverkoren.

Wat staat er dan wél? Wat wil God dan wél? Waarin heeft God dan wél Zijn lust?

In onze bekéring! Bekéring behaagt de Heere. En het voortgaan in het kwaad zonder bekering, mishaagt de Heere.

Van de eerste wereld lezen we, dat het God aan Zijn hart smartte, toen Hij zag hoe de mensen zich verdorven hadden. Want de Heere is niet de onbewogen Boeddha, Hij is de levende God. Hij vertoornt Zich over de zonde, maar Hij verblijdt Zich in de bekering.

Jezus zei: Alzo (zeg Ik ulieden) is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert (Luk.15:10). Blijdschap vóór de engelen. En voor Wíe staan die engelen? Voor Gód! Jezus heeft het niet over de blijdschap van engelen, maar over de blijdschap van God. Blijdschap bij God, over een zondaar die zich bekeert.

 

Toen Jezus door Samaria reisde, op weg naar Jeruzalem, en Zijn discipelen vooruit zond om in een bepaald dorp voor onderdak te zorgen, wilden de Samaritanen Hem niet ontvangen. De discipelen werden boos over de afkeer van de Samaritanen ten opzichte van de Joden. Vooral omdat zij hun goede Meester niet wilden ontvangen. Ze zeiden tegen Jezus: Heere, wilt Gij dat wij zeggen dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde? (Luk.9:54). Maar Jezus zei: Gij weet niet van hoedanigen Geest gij zijt. De Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om die te behouden (Luk.9:55).

God heeft ons behoud op het oog. Hij heeft geen lust in onze dood. Onze dóód, onze hél, is gevolg van volharden in de zonde van onbekeerlijkheid, van ongeloof. Een leven van onbekeerlijkheid en volharden in het kwaad móet wel op de hel uitlopen. Want God is ook de Heilige, Die de schuldige geenszins onschuldig zal houden. Niemand kan zeggen: ‘God is de Oorzaak van mijn verderf.’ Niemand zegt in de hel: ‘Ik ben hier vanwege de predestinatie.’ Niemand zegt daar: ‘Ik wílde wel, maar God wilde míj niet.’

 

Niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Calvijn wijst in zijn verklaring dus eerst op Gods geopenbaarde wil. Daar moeten we altijd eerst naar luisteren.

Gemeente, wij allen kunnen de zon zien. Maar nooit zie je de héle zon, altijd maar een gedeelte. Zo kennen wij slechts een deel van Gods wil; het deel dat Hij ons heeft geopenbaard. Daarnaar kunnen en moeten wij handelen. Want daarnaar zullen wij ook geoordeeld worden.

Er is natuurlijk ook een verborgen wil. Tot onze troost heeft de Heere daar iets van geopenbaard. God heeft bekend gemaakt, dat niet één van de schapen van Jezus’ kudde ooit verloren zal gaan. Wanneer Hij de oordeelsdag zou vervroegen, zou dit wel gebeuren. Daarom wacht de oordeelsdag; tot de laatste van de uitverkorenen zal zijn toegebracht. Maar wie dat zal zijn weten we niet. Wat we wel weten is: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve (Ezech.33:11).

God wacht dus met wederkomst en oordeel.

Kinderen, wacht de Heere misschien op jou, op jouw bekering?

Jonge mensen, wacht de Heere misschien op jullie?

Ouderen, wordt er misschien op u gewacht?

 

We vragen misschien: ‘Waarom verdraagt God mij?’

Het antwoord is: ‘Omdat de Heere lankmoedig is en geen lust heeft in mijn dood, maar daarin dat ik mij zal bekeren, en leven.’ Wat een zegen om daar oog voor te krijgen! Het zal je harde hart verbreken, je verlossen van harde gedachten over God, en tot bekering leiden. Maar wanneer wij Gods lankmoedigheid misbruiken om door te gaan met zondigen – God straft ons immers toch niet – dan zal in vervulling gaan, wat de Bijbel zegt: Een man die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij (Spr.29:1). Misbruikte lankmoedigheid zal als een zware molensteen om je nek hangen en je doen verzinken in de diepten van de hel.

Maar de Heere is lankmoedig. Hij strekt Zijn handen nog tot u uit. Hij verklaart geen lust in uw dood te hebben. Hij zegt, dat er bij Hem vergeving is en dat Hij Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft om zondaren zalig te maken.

Misbruik dan Gods lankmoedigheid niet! Stel uw bekering toch niet uit! Want kunnen wij de Heere zonder verschrikken ontmoeten? Kunnen we dat? Kunnen we Hem ontmoeten, als Hij vannacht zou wederkomen? Kunnen we dan met de Heidelbergse Catechismus zeggen: ‘Hij, Die wederkomt, is even Dezelfde, Die Zich voor mij in het gericht gesteld heeft en al mijn zonden heeft gedragen?’

Misschien hoopt u wel dat Christus nog lang wegblijven zal. Maar waarom hoopt u dat? Om door te kunnen gaan met te zondigen? Dan bent u in een gevaarlijke positie. Of zeg je: ‘Dan krijg ik nog de tijd, de gelegenheid, om de Heere te zoeken.’

God klopt op de deur van uw hart. Hij roept u toe: Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet (Hebr.3:15).

 

Reeds op aarde bewonderen Gods kinderen Gods lankmoedigheid, en zeggen: ‘Heere, dat U mij tóen niet gedood hebt! Toen ik kwaad deed. Toen ik spotte. Toen ik vloekte, en U de rug toekeerde.’

Maar in de hemel zullen Gods kinderen dat ten volle verstaan. Verstaan, waarom God lankmoedig over hen was. ‘Omdat Hij niet wilde, dat ik verloren zou gaan. Omdat Hij mij in Christus uitverkoren had, liefgehad heeft van voor de grondlegging der wereld, en mij daarom tot bekering heeft gebracht.’

 

Amen.

 

Psalm 89 vers 19, 7:

 

Gedenk, o Heer‘, hoe zwak ik ben hoe zwak ik ben, hoe kort van duur;

Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur;

Zou ’t mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?

Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen?

 Wie redt zijn ziel van ’t graf? Ai, help ons, als tevoren,

Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen.

 

Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer‘, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw Woord verhogen.