Ds. J. Baaijens - Maleachi 4 : 2

Een dringend adventsappél

Op wie dat appél gedaan wordt
Op Wie dat appél wijst
Waartoe dit appél gedaan wordt

Maleachi 4 : 2

Maleachi 4
2
Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103:8
Lezen : Maleachi 3 en 4:1 en 2
Zingen : Psalm 119: 11, 15
Zingen : Psalm 103: 2
Zingen : Psalm 43: 5

Geliefde gemeente,

 

Met de dichter van Psalm 119 zongen wij: ’Gij scheldt en straft vervloekte hovaardij, gewend zo wijd van Uw geboôn te dwalen.’ Het is snood bedrog, want in zulk een weg kan er geen zegen, ook geen leven, verwacht worden. Maar aan de andere zijde heeft de dichter ook gezongen: ‘Uw rechten, die zo heilig zijn en goed, steld’ ik mij voor; die wil ik need’rig eren.’

O, in plaats van hovaardij - hoogmoed - vinden wij daar de nederigheid van de vreze des Heeren, waardoor de weg der waarheid voor de voet gekozen wordt.

 

Tweeërlei mensen zien we in deze psalm. Bij de eersten horen wij állen van nature: hoogmoedig, ver van God afdwalend – de één verder dan de ander – maar toch állen. Zulk een scheiding, dat het nooit meer door ons in orde te brengen is. Maar aan de andere zijde zijn er, die nederig komen aan de voeten van de Heere, als arme, schuldige en onwaardige zondaren, die het zelf bedorven hebben en het nooit meer goed kunnen maken.

Die gaan tot Hém roepen, Die in Zijn Woord ons dé Weg wijst, waardoor wij de welverdiende straf kunnen ontgaan en wederom tot genade kunnen komen.

Nu, daar wilden wij u bij bepalen: bij zulk een weg, in deze Adventstijd. Onze tekstwoorden vindt u in het u gelezen Schriftgedeelte, Maleachi 4:2:

 

Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen als mestkalveren.

 

Tot ons komt deze morgen: Een dringend Adventsappél.

 

1. Op wie dat appél – dat beroep – gedaan wordt.

2. Op Wie dat appél – dat beroep – wijst.

3. Waartoe dit appél gedaan wordt.

 

Dus een dringend adventsappél, als een klop, een beroep op ons geweten, tot ons eeuwig welzijn.

Op wie dat gedaan wordt: dat zijn u en jullie en ik.

Van Wie dat spreekt, of: op Wie dat wijst. Dat is, Die ons genoemd wordt in onze tekst: de Zon der gerechtigheid.

Waartoe? Er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.

1.      Op wie dat appél gedaan wordt

O, dat we luisteren mogen naar ’s Heeren bode. Want de naam Maleachi betekent: ’Mijn engel’ of ‘Mijn bode.’ Hij is de laatste van de profeten uit het Oude Testament. Hij heeft tot de teruggekeerden uit Babel – de wedergebrachten door Gods goede hand – mogen profeteren.

Eerst Haggaï en Zacharia. Zij hebben gesproken tot het volk dat eerst moedeloos was, omdat ze zoveel tegenstand ontvingen vanwege de tempelbouw, die door de volken rondom verhinderd werd. Hun handen werden slap. Ze gingen maar aan hun eigen woningen bouwen en hun eigen zaken verzorgen. Des Heeren huis werd woest gelaten.

Maar dan heeft de Heere door deze profeten de geest van het volk opgewekt. En ze zijn begonnen en hebben in korte tijd dat huis gebouwd.

 

Maar daarna is er weer zo’n achteruitgang gekomen. We zijn bij Maleachi, zo’n honderd jaar verder. Als we dan lezen wat Maleachi – als de mond des Heeren – tot het volk moest zeggen, och, dan mogen we wel schrikken! Want hij moet een aanklacht uitbrengen tegen het volk. Wat hebben ze toch Gods weg verlaten en Zijn dienst ontheiligd.

Wat hebben ze Hem verachtelijk gemaakt – bijzonder het huis van Levi, de priesters en de Levieten – in het komen met de offeranden voor het aangezicht des Heeren. Want de Heere wil in alles geheiligd worden.

Dat is in het bijzonder zo, wanneer het gaat om degenen die voor Zijn aangezicht leven; die Hij heeft afgezonderd. Dat was oudtijds Israël. De Heere had een verbond gemaakt met de vaderen, in bloed bevestigd. Hij had Zich ook Vaderlijk gedragen, van het begin af. En zij? Zij hebben niet anders gedaan dan Hem moeite gemaakt met hun zonden, Hem getergd. Een heilig volk wilde de Heere hebben, waarin Zijn Naam groot gemaakt werd, maar zij gingen die Naam ontheiligen.

 

In plaats van het reine, het volmaakte offerdier – dat wil zeggen, waar geen gebrek aan was – brachten ze het kreupele, het blinde, waar God zéér van gruwde en wat Hij verboden had. Het beste hielden ze voor zichzelf; het overschot kreeg de Heere. Terwijl ze zo Zijn verbond ontheiligden en verbraken, waren ze onder andere ook nog eens bezig om het verbond tussen man en vrouw te ontheiligen.

Ze lieten hun vrouwen in de steek en trouwden met heidense vrouwen, wat de Heere verboden had. De zonde tegen de Heere heeft altijd als gevolg dat er ook zonde is onder elkaar. Toen onze eerste ouders afvielen van God, keerden ze zich ook tegen elkaar, en hun kinderen ook. Dat zien we door heel de wereldgeschiedenis heen.

En nu is er dat woord van Maleachi, waarin hij hun ’s Heeren heilig ongenoegen predikt; dat liefdeloze beantwoorden van Zijn liefde en Zijn Vaderlijke goedheid.

Dat is ook een aanklacht tegen de kerk van alle tijden, wanneer wij dezelfde weg gaan en dus leven voor de tijd. We leven voor onszelf, en de Heere krijgt het overschot. Waarom?

 

Omdat Hij het hárt niet heeft. Daar vraagt de Heere altijd naar: het hart. Wanneer iemand het hart van een ander mag hebben, dan heeft hij óók de trouw. Dat geldt in de verhouding tot de Heere en dat is ook zo in de verhouding tot elkaar en onder elkaar. Maar de Heere heeft wáárlijk lief. Zijn liefde bewijst trouw, ondanks alle ontrouw van Zijn kerk door heel de geschiedenis heen. ’t Is trouw, al wat Hij ooit beval. (Ps. 111 : 5, berijmd).

 

Is die liefde Gods in onze harten? Wat geeft die vraag een onderzoek voor ons, want we mogen ook op zo’n bevoorrechte plaats leven, als oudtijds het verkoren volk van Israël. Och, is er van die liefde in onze harten? Van die verbondenheid aan de Heere?

Bij het volk Israël was er enerzijds het volk, dat Hem verachtelijk maakte, zoals Hofni en Pinehas. Zij ontheiligden de dienst des Heeren en maakten dat het volk overtrad. Zo ging het ook weer in Maleachi’s dagen.

Anderzijds was er ook het volk, dat er maar op uit was om voor zichzelf te leven. Dat is allemaal hoogmoed. De Heere keert Zich echter tégen de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Daar speurt Zijn oog naar. Want als er iets van het leven uit God in onze harten mag zijn, dan is er geen verachting van de Heere. Nee, dan gaan we de werkelijkheid zien.

Daartoe is nu ook Maleachi’s prediking. Om onze ogen voor de werkelijkheid te openen. In zijn dagen, in onze dagen. Want de Heere wil laten zien, hoe de werkelijkheid is. En als nu de liefde uit God ontbreekt, o, dan is er ook maar een leven naar óns goeddunken. Dan worden we het nooit eens met God. Nee, er was maar een tegenspreken van Maleachi’s volksgenoten. ‘Gij vermoeit Mij met uw woorden’, moet de Heere zeggen.

 

Dat was ook zo bij Achaz. Als de Heere tot Achaz zegt: ’Ik zal verlossing geven’, dan zegt Achaz: ‘Ik hoef Uw hulp niet; ik zoek het bij de Assyriërs!’ ‘Doch gij vermoeit Mij … ‘ ‘Gij maakt mijn God moede’, zegt Jesaja. En zo ook bij Maleachi. Nu niet, omdat ze het bij vreemde volken en afgoden zochten, maar omdat zij het zochten in hun uiterlijke vormendienst, die eigenlijk alleen maar een belediging was van de hoge en getrouwe God in Zijn Vaderlijke zorg.

Als wij zó zouden leven voor onze ouders, zoals Israël daar leefde voor de Heere, dan zouden onze ouders geen genoegen aan ons beleven. Altijd maar tegenspreken; het is nooit goed. Zo ook: het was niet goed wat de Heere deed. Nee, want Hij moest die heidenen straffen… En, Hij keerde Zich tegen Zijn volk…

Dat kan ook in onze gezinnen weleens zijn, dat de kinderen denken dat anderen het beter hebben dan zij. Onze ouders zijn te streng! Maar onze ouders willen ons bewaren voor het kwade, en ons het goede pad wijzen. En zo wil de Heere, in Zijn Vaderlijke zorg, vanuit Zijn eeuwige liefde, ons aftrekken van de zonde en ons het goede pad wijzen.

Als er altijd maar weer een tegenspreken komt en een toch maar doorgaan in de eigen weg; zou je daar dan niet moe van worden? Jazeker, onuitsprekelijk moe…

 

En zo richt Maleachi dat appél op zijn volk, opdat ze tot inkeer zullen komen; opdat zij luisteren zullen. Daarom houdt de Heere niet op! Daarom wordt de eeuwen door, altijd weer, die prediking gebracht; daarom houdt de Heere niet op om een beroep te doen op ons geweten. Om ons er op te wijzen: ‘Wie bent u toch tegenover Mij, Die het goede met u voorheeft?’ En als de vraag gesteld wordt op wie dat beroep, dat appél, gedaan wordt, dan gaat het ook over ons tweede punt.

2.      Degene, op Wie dat appél wijst

In hoofdstuk 3 hebt u horen lezen: Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; zie, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen.’ Want vanouds heeft de Heere dat toch beloofd, dat er een Verlosser tot Sion komen zou, om de ongerechtigheden af te wenden van Jakob?

Maar als we nu geen smart hebben van onze ongerechtigheden, dan zijn we er ook niet mee werkzaam dat die van ons weggenomen zullen worden. Want we houden eraan vast; aan ons leven tegen God en buiten God en voor onszelf. Die ongerechtigheden, die zonden zijn een zoete bete onder de tong!

Maar die zonden verachten wel Degene die de Heere beloofd had, de Verlosser. O, als Hij komen zou, zou Hij de heidenen tuchtigen met een ijzeren roede, en Zijn volk een ereplaats geven. Dat heeft de Heere beloofd, maar wel in een rechte weg!

 

Want asl het volk vasthield aan de zonden, had de Heere er door de mond van Zijn heilige profeten altijd weer op gewezen dat Hij het oordeel over hen brengen zou. In plaats van de zegen, de vloek! ‘Met een vloek zijt gij vervloekt’, moest Maleachi zeggen. Alleen in een rechte weg kan de Engel des verbonds ten zegen zijn.

O, deze benaming ‘Engel des verbonds’ wijst ons terug naar Exodus 23 vers 20 tot en met 23. De Engel des verbonds, Die in de wolk- en vuurkolom was, was het Die hen uit-gered en uitgeleid had uit Egypte, door de Rode Zee. Hij ging hen voor in de woestijn, hen dekkend tegen de hitte van de dag en verlichtend in het duister van de nacht. Hij was in de wolk- en vuurkolom, Diezelfde Engel des verbonds, Die God beloofd had, door Welke God ál Zijn werk doet. Zoals Johannes in zijn Evangelie zegt: Door Welke Hij alles gemaakt heeft – in de schepping – door Welke Hij alles onderhoudt; door Welke Hij spreekt. Het Woord, dat eeuwige Woord, Dat bij God is, Die was in de wolkkolom.

En dan zegt de Heere door Mozes tot dat volk: Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem (Ex. 23:21). Is dat niet gebleken in de woestijn? Altijd maar weer murmureren. Het was nooit goed, zoals de Heere het deed. Maar de Heere deed niet anders dan goed. Hij liet brood van de hemel regenen en Hij gaf water uit de steenrots. Hij dekte onder Zijn vleugelen. Nooit goed! En zo was het nu ook weer in Maleachi’s dagen.

 

Och, de mens verandert niet, tenzij het Woord Gods hem verandert. Dát brengt alleen maar die vernieuwing voort. Daardoor worden wij van ongehoorzamen tot gehoorzamen. Het woord door Mozes gesproken, het woord door de profeten gesproken, bleef niet zonder vrucht. Het woord, dat gesproken zou worden door de Engel des verbonds, toen Hij op de aarde gekomen was; het woord dat door Zijn apostelen en dienaren gesproken is; dat woord keert nooit ledig weer.

Velen van het volk zijn neergeslagen in de woestijn; zij zijn door ongehoorzaamheid niet ingegaan. Maar er is tóch een volk dat Kanaän mocht beërven. Terwijl de ouders weigerden, mochten de kinderen ingaan. O, de Heere blijft toch trouw aan Zijn verbond, dat Hij nooit schenden zal. ‘Wat uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.’ (Ps. 89 vers 14, berijmd) En dat geldt nóg!

 

Nee, de Heere verandert niet. Want Ik, de Heere, word niet veranderd – we hebben het horen lezen – daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd (Mal. 3:6).

Maar wanneer Hij dan komen zal, dzee Engel des verbonds, de Heilige, aan Wie alles is toebetrouwd, in Wiens handen het al van eeuwigheid gelegd is, o, dan mogen we wel vrezen!

We leven naar het Kerstfeest toe. We leven in een tijd, waarin er van Kerst een feest wordt gemaakt. Maar het is een feest waar allerlei dingen bij gehaald worden, die totaal niets met Kerst te maken hebben. Wie heeft er nog een indruk van wat Kerst nu inhoudt? Dat God Zijn Zoon zendt in deze wereld. Dat wil zeggen: die God, Die heilig en rechtvaardig en alwetend is. Nee, Hij komt maar niet in een voor Hem onbekende wereld. Hij komt niet in een onbekende kerk. Hij kijkt niet tegen ons aan, zoals wij tegen elkaar aankijken. Maar Hij komt met Zijn alziende ogen.

Er staat van de Heere Jezus geschreven: ‘Hij wist wat binnen in de mens was.’ (naar Joh. 2 : 25b) En zo is het nóg.

 

Maar nu komt Hij om te reinigen, want die dienst was zo gruwelijk verontreinigd in Maleachi’s dagen. Er was niets te zien van de heerlijkheid Gods in het leven van dat volk. Maar nu zal de Heere komen. Hij zal komen schiften. Johannes de Doper zegt: ‘Met een wan in Zijn hand.’ Het kaf wordt weggeblazen, de tarwe blijft over.

Maar Maleachi heeft het gezegd: Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep des vollers (Mal. 3 : 2b). O, daar moet al dat vuil en die onreinheid weg en daar blijft alleen het zuivere, het blinkende, het goede goud over.

 

Dat is het werk van de Engel des verbonds; dat is het werk waartoe Christus gekomen is en wat we straks met Kerst mogen gedenken. Hij komt om scheiding te brengen, om te schiften op de aarde, opdat ’s Heeren Naam verheerlijkt zal worden in het blinken van Zijn werk in Zijn kerk. Maar ook in de ten onderbrenging van al Gods vijanden en de verachters van Zijn Naam.

Wat een heilige ernst spreekt uit het woord van Maleachi. En dat geldt ook voor vandaag. Voor u, voor jullie, en voor mij. Wie zijn wíj nu? Zoeken we de onreinheid nog vast te houden in het vuil van onze zonden? Ons oude leven, dat zo verdorven is voor God? Of is er overgave in het hart om in Zijn handen te mogen komen? Om geformeerd te worden tot Zijn eer en lof? Daar gaat het om! En daartoe moet Maleachi nu bestraffen. De tegensprekers moet de mond gestopt worden.

 

Maar er is toch ook een volk, waar Maleachi van spreekt in het derde hoofdstuk: Alsdan spreken, die den Heere vrezen, een iegelijk tot zijn naaste: De Heere merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen die den Heere vrezen, en voor degenen die aan Zijn Naam gedenken (Mal. 3:16).

Dat is een heel ander geluid. Een volk dat het gaat inleven; dat tot zichzelf gebracht is door Gods Woord, door Maleachi gesproken. Ze zeggen: ‘De Heere merkt erop. Ik ben onder het oog van een alwetend God.’ Dat is een volk dat oog gekregen heeft voor de heiligheid en gerechtigheid van God. Ja, dat moet Zijn Naam gedenken. En de Naam van God is ook Zijn Wezen, Wie God werkelijk is. Zijn Naam gedenken is ook gedenken aan het rechtvaardige werk van die God, waarmee Hij al Zijn deugden wil doen schitteren in het leven van Zijn kerk.

 

Misschien hebt u die uitdrukking weleens gehoord en ook weleens gebruikt: ‘We hebben met een alwetend God te doen.’ Maar ook: ‘We hebben met God te doen gekregen.’ Er is een volk, dat wérkelijk met God te doen krijgt. We kunnen het wel zéggen. Dan zeggen we: ’Ieder mens krijgt met God te doen in het leven, en zéker in het sterven.’ Dan moeten we rekenschap afleggen en dat zegt Maleachi ook: ‘We krijgen met God te doen.’

 

Maar nu, ín dit leven zal het er om gaan dat God wáár voor me wordt. Want wanneer we in ons sterven voor het eerst met God te doen krijgen, is het voor eeuwig te laat! Maar als God wáár voor me wordt, dan word ik wáár voor God. Niet omgekeerd. Het begint niet met de mens, maar het begint vanuit God.

Vanuit Zijn Woord. Dat Woord, dat zo overredend wordt. Dat Woord, dat zo’n kracht krijgt in je leven; daar kun je niet meer van loskomen. Dan word je een ongelukkig mens. Dan word je een onrustig mens. Dan is de rust je opgezegd:

 

Rust, noch vrede wordt gevonden,

Om mijn zonden,

In mijn beend’ren, dag of nacht. (Ps. 38 : 3b berijmd)

 

Want weet u: het is één van tweeën., en daar wijst Maleachi op: óf de zonde moet weggedaan worden óf de zondaar zal weggedaan worden. Één van tweeën. En als de zonde in ons leven niet is weggedaan, zullen wij voor eeuwig door God weggedaan worden.

En nu komt de Zoon van God, de Zaligmaker, om de zonden te dragen en te boeten. Vanuit de eeuwige liefde Gods, vanuit de Vaderlijke zorg, waarvan Johannes in het derde hoofdstuk spreekt, dat God Zijn Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij leven zouden door Hem. Die liefde Gods, die trouw aan Zijn verbond.

Hij wil de zonde wegdoen. Hij wil weer een volk hebben dat Hem bedoelt. Een volk dat voor Hem leeft, heilig en onberispelijk in de liefde.

 

Zo arbeidde Maleachi toen en zo arbeidt de Heere door alle eeuwen heen.

Ook nu, onder u, gemeente, arbeidt de Heere om de zonde weg te doen. Maar als we nu toch aan de zonde blijven vasthouden en altijd maar weer tegenspreken, dan hebben we lust aan de zonde; en niet aan God.

O, en dan aan het eind: ‘Daar is een gedenkboek voor Gods aangezicht.’ Dat zeggen degenen, die de Heere vrezen. Daar wijzen ze elkaar op: ‘Houd daar toch rekening mee; wees toch bang om te zondigen, want er komt éénmaal vergelding.‘

Dat zeggen degenen die de Heere vrézen, die aan Zijn Naam gedenken. Die altijd God voor ogen hebben. Och, er kan weleens een tijd zijn dat het minder is, maar toch…

Ja, God voor ogen te hebben. Gods kinderen vrezen om te zondigen, omdat het een zondigen tegen Gód is, Die ze in Zijn deugden en in Zijn heiligheid en rechtvaardigheid hebben leren kennen; maar ook in Zijn liefde, in Zijn genade en in Zijn barmhartigheid!

 

Och, wat wordt het toch smartelijk als we het gaan inleven tegen een goeddoend God gezondigd te hebben, Die nooit anders gedaan heeft dan het goede voor ons te zoeken. En wij gaan daar maar tegenin en gaan maar door. Dan zeggen we: ‘Ja maar, als we nu naar die heidenen kijken; als ik nu naar die goddelozen kijk, dan is mijn leven toch nog wel nétjes?’ Jazeker! Maar is het nu heilig? Is er in mijn leven nu een bedoeling om God te verheerlijken? Heb ik Hem nu nódig tot doding van de zonden? Niet alleen om de takken een beetje af te kappen, maar dat het nu van binnen veranderd wordt. Dat ik nu eens helemaal God mag dienen en verheerlijken, waar het hart zo naar gaat verlangen; om voor de Heere te leven vanuit de liefde.

 

Dát wordt de smart en dát bindt aan de hemel. Dan gaan we leren, dat we met al ons werk maar niet vorderen, maar wel achteruit gaan. Dan gaan we meer en meer inleven hoe heilig God is, en hoe ellendig, zondig, schuldig en verdorven ik ben, tot in de wortel van mijn bestaan. O, wat krijgen we God dan toch nodig.

Wat krijgen we de Zaligmaker nodig, Die de zonden wilde dragen en voor Zijn kinderen wilde boeten. ‘Geef mij Jezus, of ik sterf! Want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf!’ Het blijkt altijd weer dat die ene Naam, die onder de hemel gegeven is, toch zo dierbaar wordt. Daar ligt nu álles in!

 

En nu reizen we naar de eeuwigheid. De zonde móet worden weggedaan. Want de heiligheid Gods is als een vuur dat alle onreinheid wégbrandt. Dan moeten de zonden weg uit mijn leven, óf ik moet weg uit Gods ogen.

Gemeente, we hebben nu gehoord op wie dat appél gedaan werd, maar ook: op Wie het appél wijst. En dan nu ten derde: waartoe dat appél gedaan wordt. Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 103, en daarvan het tweede vers:

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ’t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.

 

3.      Waartoe dat appél gedaan wordt

Dat appél wordt gedaan opdat wij tot Hem zullen komen naar Wie gewezen wordt. Daarin wordt God verheerlijkt. O, de Heere heeft deze Engel des verbonds Zélf verwekt. Hij heeft Hem Zélf geroepen en gezonden en Hem alles toevertrouwd. Hij is Jezus, Die voor de verheerlijking van Zijn Naam zal zorgen. Hij zal zorgen voor de toebrenging van Zijn Kerk door verzoening te doen voor ál hun zonden. Hij zal Zijn Geest verwerven tot vernieuwing en om hen terug te brengen bij God, zodat zij zullen leven voor Zijn aangezicht.

Ulieden daarentegen…’ Dat is het verschil met de hoogmoedigen. ‘Al wie goddeloosheid doet’ zal voor God niet kunnen bestaan. Ze zullen een stoppel worden, en de toekomstige dag – als het oordeel komt – zal hen in vlam zetten. Er blijft níets van over: zij worden verteerd, voor eeuwig verteerd. Maar ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest. Och, dat zijn zij, die laag voor God leerden bukken. Zij werden bedroefd naar God over hun zonden en konden Hem niet meer missen. Zij kregen een afkeer van zichzelf, een mishagen: ‘O, wie ben ik toch?’ En zij verlangen er zo naar om nu voor de Heere te gaan leven, enkel voor de Heere. Maar daarvoor moeten ze nu alles krijgen, want ze hebben niets meer van zichzelf om dat teweeg te brengen.

Ulieden daarentegen die Mijn Naam vréést - die zo buigt voor Mij - die zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.’ De Zon der gerechtigheid. De Zon, Die komt van Boven. De Zon, Die licht brengt in de duisternis. De Zon, Die koestering brengt na de koude van de nacht. Deze Zon is tot heling en tot genezing. Dat ziet u toch ook in de natuur, als de zon opgaat, na het donkerste van de nacht?

Wat kan het in het leven van Gods kind donker zijn, ook als hun zonden hun voor ogen zweven. Dan gaan ze inleven dat ze geheel melaats zijn en dat er niets goeds meer is in hun vlees. Ze zouden moeten omkomen in hun duisternis, maar als als de Heere er Zelf over opstaat en er licht komt in die duisternis, dan komt het licht van hoop.

 

Hoopt op den Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zál verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot. (Ps. 130 :4a berijmd)

 

Dan komt er licht dat de duisternis verdrijft; en er komt steeds maar méér licht. Want die Zon gaat door, totdat Zij op haar hoogtepunt is. En naarmate deze Zon nu klimt, ook in het leven van de Kerk, moeten de schaduwen gaan wijken, de schaduwen des doods. Dan komt de koestering van deze Zon. Die komt daar, waar eerst nog de kilte was van de duisternis.

Gemeente, u ziet het in de natuur. Een vuilnishoop waarop de zon gaat schijnen, gaat stinken en ontbinden. Maar als planten verplant zijn, hebben ze niet alleen het water van de hemel nodig, maar ook de koestering van de zon; ja, dan gaan die planten groeien en bloeien. Dát is het verschil. Zo zal de zonde – dat vuil voor God – en die zondaar worden verteerd. Dat gaat verdwijnen. Maar alle plant die de hemelse Vader geplant heeft, och, die mag in de koestering van de Zon der gerechtigheid gaan groeien en bloeien.

 

Genezing onder Zijn vleugelen. Gemeente, in de natuur zien we dat alle planten zich buigen naar het licht en naar de koestering van de zon. En zo is het óók in het geestelijke. O, als Hij gepredikt wordt in al de heerlijkheid van Zijn zaligmakende bediening, als Hij ontdekt wordt voor het oog van een schuldig mens, wat wordt Hij dan toch lief en begeerlijk! Wat strekken de zielen zich dan naar Hem uit!

O, Hem te kennen, uit Hem bediend te worden, en te mogen ontvangen van Zijn genade! Wat is dát nodig, maar wat is het ook goed! Die overgave van het hart, om nu door Hem genezen te worden van al de dodelijke kwalen, van al de onreinheid. Wat is het groot verzoening in Christus’ dierbare bloed te ontvangen en levenskracht en genade te mogen krijgen.

 

Zij zullen uitgaan, en toenemen als mestkalveren.’ Dat ziet u in het voorjaar, als die mestkalveren in de wei komen. Dan springen ze. ’t Zijn gezonde beesten – er is werk aan gedaan – en dan springen en huppelen ze. Zo is het nu ook in het leven van Gods Kerk, als voorbeeld om geestelijke zaken aan te duiden.

We lezen van David, toen hij de Ark des Heeren opbracht naar Jeruzalem, dat hij huppelde achter de ark met eenvoudige dienstmaagden en dienstknechten; daar was hij niet te hoog voor. Zijn vrouw Michal verachtte hem. Maar David zegt: Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden (2 Samuël 6:22). Ik zal me nog geringer aanstellen. Die God, Die mij verkoren heeft boven uw vader en mij gesteld heeft over Zijn volk, daar zal ik me nog geringer voor aanstellen. En met de dienstmaagden, over wie je verachtelijk gesproken hebt, met hen zal ik de Heere groot maken.’ Huppelen van zielenvreugd voor het aangezicht des Heeren!

 

Och, zijn er hier ook zulke mensen, die daar niet vreemd van zijn? Van die diepe droefheid, van dat verlangen naar God? Zij moeten zichzelf veroordelen, en zijn met alles van henzelf in de dood terecht gekomen. Maar ze zijn door de genade van de Heere Jezus Christus ook zo liefelijk ontdekt onder de prediking van het Woord.

Zij mogen bij Hem schuilen onder Zijn vleugelen en het leven aan hun ziel verkrijgen. O, dan verheugen ze zich in de Heere en huppelen weleens van zielenvreugd. Dat is een blijdschap, die alleen God geven kan, dat is Zijn werk. Want óns werk – ook na ontvangen genade – dat uit óns vlees voortkomt, dat bedroeft elke keer weer.

Maar we verachteren in de genade als we altijd maar rekening houden met ons vlees. Wat wordt het dan toch weer benauwd, en wat kan het dan arm worden! Dan gaat er geen geur vanuit, o nee! ‘Hoogmoed stinkt’, zeggen we in de wereld. Dat is voor God niet begeerlijk, en onder de mensen ook niet.

 

Maar de geur van de liefde, de geur van de vreze Gods, de geur van het vlieden van de zonde en het uitstralen van de genade Gods, dát geeft een toenemen in het leven van Gods Kerk. Hoe méér de zonde onder de voet komt, hoe méér de strijd tegen de innerlijke verdorvenheden wordt gevoerd.

O, wat is er dan een verlangen om nu eens van alles verlost te worden. Om af te leggen een lichaam der zonden en des doods, om eeuwig heilig voor de Heere te mogen leven!

En daar zult ge wederom zien – zegt Maleachi – het grote verschil tussen degene die God dient en die Hem niet dient. Zie maar in Maleachi 3:18. Dat zien we hier in de wereld al, en dat wordt in de kerk ook bij tijden waargenomen. Maar éénmaal, als Christus komt op de wolken, zal het grote onderscheid gezien worden. Dan zullen allen die zich tegen Hem stellen, verbranden als een stoppel, omdat de heiligheid Gods hen verteert. Maar aan de andere zijde – o, als er de koestering van Zijn liefde mag zijn, dan wil Hij de mens volmaakt voor Hem stellen. Enerzijds zal er wening en knersing der tanden zijn, maar anderzijds zal ook dit waar zijn:

 

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht, dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen. (Ps. 68 : 2)

 

Er zijn tweeërlei mensen – zij zijn allen uit Adam voortgekomen, maar… welk een onderscheid wordt er zichtbaar door de kracht van het Woord van God! Hier, in deze wereld, mag het reeds bij tijden en ogenblikken duidelijk gezien en gehoord worden. Maar eenmaal, ja, dan zal het voor allen duidelijk zijn.

Geliefden, waar zullen wij dan bij zijn? Bij de verachters van God, door wat wij over ons hebben ingeroepen, omdat we niet af wilden van onze zonden? Of bij degenen, die de Heere vrezen en zo’n smartelijke strijd tegen de zonden gevoerd hebben? Mag u behoren bij heen die belijden dat de Heere het zo waardig is – al was er geen hemel tot beloning en geen hel tot straf – om eeuwig voor Hem te leven? Zij zullen hun wens eenmaal mogen verkrijgen. Dan maakt de Heere alles vol in het leven van Zijn Kerk.

 

Neemt u deze boodschap eens mee naar huis, want we gaan naar Kerst! Hij komt. Gods Zoon komt nóg in de harten van mensen. Want daarvoor heeft de Vader Hem in de wereld gezonden en Zijn werk laten doen, opdat Hij plaats zal krijgen in harten die – naar God bedroefd over de zonde – verlangen naar Zijn gemeenschap. In de harten van hen die begeren weer heilig voor Hem te leven.

Daartoe komt Hij nóg in harten; daarin arbeidt Hij met Zijn Woord. Maar Hij komt ook straks terug op de wolken des hemels, en niemand weet wanneer. Nee, dat kan nog een korte tijd duren, maar het kan ook nog wat langer uitblijven. Maar… als ik ga sterven, valt de beslissing. En, gemeente, we hebben het in het achterliggende jaar gehoord dat velen de weg van alle vlees zijn gegaan.

Dat waren niet alleen oude mensen, maar ook mensen in de kracht en in de jeugd van het leven. O, wat komt het er toch op aan dat het in orde komt tussen God en mijn ziel. En daartoe arbeidt de Heere nog steeds.

 

‘Ik heb u liefgehad.’ De Heere heeft u afgezonderd van de wereld, zoals Israël door het teken des verbonds. Ook wij en onze kinderen; het teken van de Doop moet immers ook bediend worden aan de kleine kinderen van de gemeente. Wat een Vaderlijke zorg heeft de Heere betoond in het waken, in het geven. En… hebben wij nu dat Vaderhart al leren zoeken? Of trappen wij op dat Hart? Gaan we toch maar door?

Overweeg het eens tussen God en uw ziel, in het buigen van uw knieën. Want nu is het nog de wel aangename tijd, nu is het nog de dag van zaligheid. Christus wordt nóg gepredikt in al de heerlijkheid van Zijn Persoon en van Zijn bediening. Het wordt u aan het hart gelegd met liefde en aandrang. De Heere zendt nóg Zijn boden. O, neem het eens mee naar huis. Schud het niet van u af. Leef er niet aan voorbij.

Jongens, meisjes, ouderen, buig toch je knieën en smeek de Heere om die genade, waar Maleachi op wijst. Opdat Hij verheerlijkt worde en het u ter zaligheid mag zijn.

 

En volk des Heeren, wat een wonder dat u niet dóór kon gaan op de weg van de zonde! O, als het aan u gelegen had, was u ook doorgegaan. Nu heeft de Heere Zijn Woord willen zegenen en u met Hem willen verbinden. Moet het u niet met diepe verwondering vervullen dat de vreze des Heeren in uw hart mocht komen? Zoek dan toch voor de Heere te leven.

Want daar gaat iets van uit; en dan worden ook anderen daarnaartoe getrokken. Dan mag u navolgers Gods zijn als geliefde kinderen. O, dan kunnen anderen wel jaloers worden, opdat door uw godzalige wandel ook zij voor Christus gewonnen worden.

 

Wat liggen er veel voorbeelden in de voorgeslachten! O, de Heere geve dan maar om aan Hem verbonden te zijn. Hij geve u om alles van Hem te begeren, zodat u het ook ontvangen mag. Opdat zó Zijn Naam verheerlijkt en Zijn Kerk gebouwd mag worden.

Amen.

Slotpsalm Psalm 43:5

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen?

Wat zijt g’ onrustig in uw lot?

Berust in ’s Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen,

Uw hoop herleev’, naar Zijn gebod;

Mijn Redder is mijn God.