Ds. H. Paul - 1 Korinthe 2 : 12

Een Goddelijke zegen

Wat deze zegen inhoudt
Waartoe deze zegen is gegeven

1 Korinthe 2 : 12

1 Korinthe 2
12
Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 92: 3, 7
Lezen : 1 Korinthe 2
Zingen : Psalm 72: 7, 9, 10
Zingen : Psalm 71: 10, 11
Zingen : Psalm 145: 4

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in het Schriftgedeelte dat aan ons is voorgelezen, 1 Korinthe 2 vers 12:

 

Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn.

 

De tekst spreekt ons van: Een Goddelijke zegen.

 

We letten daarbij op twee gedachten:

1. Wat deze zegen inhoudt (de Geest Die uit God is)

2. Waartoe deze zegen is gegeven (opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn)

 

1. Wat deze zegen inhoudt

 

De tekst is uit de eerste brief van Paulus aan de gemeente van Korinthe, waar hij anderhalf jaar heeft mogen werken. Aan de ene kant heeft Paulus veel tegenstand ondervonden, maar aan de andere kant heeft hij ook veel zegen mogen ontvangen. De Heere had een geopende deur gegeven. De Heere had veel volk in deze stad.

Nu schrijft hij, in verband met bepaalde ontwikkelingen in deze gemeente, haar een brief. Eerst deze brief en later een tweede brief. Mogelijk is er ook nog een derde brief geweest.

 

Deze eerste brief aan de gemeente van Korinthe heeft het doel om bepaalde misstanden recht te zetten, die na zijn vertrek ontstaan waren. Maar de brief bevat ook gelijktijdig een verantwoording van wat Paulus in de gemeente heeft gesproken.

Paulus geeft als het ware een terugblik op de tijd die hij in de gemeente van Korinthe doorbracht en op het Woord dat hij daar heeft gebracht. Hij blikt terug op de inhoud van de boodschap, op de wijze waarop hij de boodschap heeft verkondigd en met welk oogmerk hij de boodschap heeft gebracht.

Paulus zegt: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd (vers 2).

In deze tekst, die vaak wordt gebruikt als een predikant zich verbindt aan een gemeente, lijkt het alsof Paulus nog het voornemen heeft om de boodschap te brengen. Dat is niet zo. Het moet zó gelezen worden: Toen ik tot u als gemeente kwam, had ik geen ander voornemen dan te spreken over Jezus Christus en Dien gekruisigd. Het gaat dus over de tijd die achter hem ligt. Want het volgende vers zegt ons: En ik was bij ulieden in zwakheid en in vreze en in veel beving (vers 3).

 

Zo geeft hij hier een terugblik op de tijd dat hij in Korinthe was en op de boodschap die hij heeft gebracht. Paulus zegt dan dat hij geen boodschap heeft gebracht van menselijke wijsheid. Hij zegt ook dat hij niet zichzelf gezocht heeft, in de manier waarop hij de boodschap heeft gebracht. Hij heeft niet gesproken met de kunstgrepen van de menselijke wijsheid, zoals de filosofen deden, om mensen achter zich aan te krijgen en te beïnvloeden.

Hij sprak niet in beweeglijke woorden van de menselijke wijsheid. Beweeglijke woorden zijn eigenlijk woorden die de mensen meeslepen. Die de mensen bewegen om achter hen aan te komen en voor zich te winnen.

Niets van dat alles was zijn oogmerk. Het ging niet om hem, het ging hem om de gemeente. Het ging om hun behoud, om hun zaligheid. Hij was slechts het instrument. Hij was zich bewust van zijn zwakheid en van zijn onbekwaamheid.

Maar hij was ook doordrongen van de ernst van de boodschap die hij bracht. Het ging op een eeuwigheid aan. Dat is het gevoelen van de apostel Paulus waarmee hij het onderwijs bracht in de gemeente. Niet voor zichzelf, om een invloedrijk persoon te zijn of mensen achter zich aan te krijgen. Dat was hem allemaal vreemd.

Hij was bewogen met de liefde van Christus. Hij gebruikte zijn geringe talenten om de mensen de waarheid te vertellen, om de wijsheid Gods over te brengen, dat er bij God zaligheid is voor zondaren.

 

Gemeente, als het goed is, is dat nóg de instelling van de dienaar van het Woord. Het gaat niet om de dienaar, het gaat om het behoud, om de zaligheid van de hoorders. Wij zijn allemaal mensen op weg naar de eeuwigheid. Wij moeten voor God verschijnen. Het gaat er dus niet om, om een mooi verhaal te vertellen, maar om het behoud van zielen, dat het gehoorde Woord ook vruchten afwerpt die eeuwigheidswaarde hebben. Zo heeft de apostel Paulus dat Woord gebracht.

Hij heeft ook gezegd wat de inhoud was van het Woord, dat er alleen in Christus Jezus zaligheid te verkrijgen is. Hij heeft zich niets anders voorgenomen te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. In het derde hoofdstuk lezen we: Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus (1 Kor. 3:11).

 

Kon hij dat dan zelf bewerken? Was hij in staat om met zijn bewogenheid mensen te brengen aan de voeten van Christus? Paulus is ervan overtuigd: dat lag niet in zijn vermogen. Dat deed de Heere Zelf. De Heere gebruikt de prediking als middel om zondaren te behouden. Dat doet de Heere door de bediening van de Heilige Geest.

 

Zo komt Paulus in dit Schriftgedeelte op het werk van de Heilige Geest. Die Geest doet geweldige dingen verstaan waarin de menselijke wijsheid niet kan doordringen. Want, gemeente, geen mens kan uit zichzelf bedenken dat er zaligheid is voor zondaren.

Jongens en meisjes, misschien hoor je wel eens mensen die zeggen dat eigenlijk alle godsdiensten eender zijn. Het is allemaal dezelfde God. Of je nu behoort tot de islam, of christen bent, reformatorisch of rooms-katholiek, het maakt allemaal niet veel uit, het gaat allemaal om dezelfde God. Denk erom, dat is niet waar, het is een leugen.

Er is geen godsdienst dan de christelijke godsdienst, die is naar het Woord, waar er op gewezen wordt dat er uit genade zaligheid is, om Christus’ wil. Dat God door God verlost en dat God Zelf, door Zijn Geest, die verlossing bekendmaakt en schenkt.

De christelijke godsdienst is de enige godsdienst waar dat wordt geleerd. Alleen daar ligt ons behoud en alleen daar ligt de zaligheid. God kan alleen door God gekend worden en God alleen kan Zichzelf openbaren, de waarheid leren verstaan en de zaligheid doen kennen. Dat kan nooit uit de mens zelf opkomen.

De apostel Paulus zegt het in vers 14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. De natuurlijke mens wil zeggen: zoals de mens van zichzelf is, zonder de verlichting van de Heilige Geest. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes zijn.

Daar ligt de scheiding. Wat van de mens is bedenkt altijd wat tot eer van de mens is. Het bedenkt altijd waar van de mens uit de weg naar God gebaand wordt. Wat ik moet doen, wat ik moet laten, wat ik geef en wat God geeft.

Maar de ware leer, waardoor je alleen kan behouden worden en waardoor je alleen kan zalig worden, is de leer die uit Gods hart voortkomt, door de Geest gekend wordt en bekendgemaakt wordt, in de prediking geopenbaard wordt en toegepast door de kracht van de Heilige Geest. Daardoor alleen wordt de kennis tot de zaligheid verkregen.

 

Dus de Heilige Geest is werkzaam. Hij past toe wat Christus verdiend heeft en maakt bekend waardoor Hij de zaligheid in Christus openbaart. Dat kan alleen de Heilige Geest.

Paulus gebruikt daarbij een beeld. Hij zegt in vers 11: Want wie van de mensen weet hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.

Wat er in uw gedachten leeft, wat er in uw hart leeft, dat kan een ander mens niet weten. Je kunt soms, als je een kind ziet, denken: Wat zal er in dat kleine hoofdje omgaan? Maar weten doen we het niet. We kunnen niet weten wat mensen allemaal denken. Dat is maar goed ook! Anders zou het leven niet te leven zijn. Als iedereen alles van een ander wist, als iedereen wist wat in de harten en gedachten van anderen leeft, dan zou het leven niet bestaanbaar zijn.

Maar de mens zelf weet het van zichzelf wel. De geest van de mens, die in hem woont, weet wel wat hij denkt en wat hij beoogt. Hij alleen weet dat.

 

Zo, zegt Paulus, weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. De Heilige Geest weet alleen bij God vandaan, omdat Hij ook God is, wat in het hart van God beraamd is tot zaligheid. Dat het zalig worden van mensen uit Gods hart voortkomt. Dat het gestalte heeft gekregen in het zenden van Zijn Zoon, als blijk van de eeuwige liefde Gods. Dat kan nooit bedacht worden vanuit de mens. Dat kan alleen geopenbaard worden door de Heilige Geest.

Daarom zegt Paulus dat niemand weet hetgeen Gods is dan de Geest Gods. Die Geest Gods is voor ons nodig. Die Geest is onmisbaar in ons leven, om onderwijs te ontvangen. Jongens en meisjes, om een nieuw hart te krijgen hebben we de Heilige Geest nodig, Die bij God vandaan komt, Die weet wat tot zaligheid nodig is en toepast wat de Heere Jezus heeft verdiend.

 

Paulus mag weten dat hij de Heilige Geest heeft ontvangen. Want hij zegt het in onze tekst: Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest Die uit God is.

Hij zegt: Wij hebben de Heilige Geest ontvangen. Die woont niet bij ons van nature, zoals wij mensen zijn. Wij brengen Hem niet mee bij onze geboorte. Dat kan wel, want Johannes de Doper was al voor zijn geboorte met de Heilige Geest vervuld. Maar dat is een uitzondering. De natuurlijke mens, zoals hij van zichzelf is, mist de inwoning van de Heilige Geest. Paulus mag zeggen: Wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest Die uit God is.

 

Het gaat hier dus over een tegenstelling. Een tegenstelling tussen de geest der wereld en de Geest Die uit God is. De geest der wereld is een gave die de mens ontvangen heeft als redelijk schepsel. Ieder mens heeft die gave dus ontvangen. Echter, die geest staat onder invloed en gezag van de boze. Dat is een aangrijpende werkelijkheid. Bij ons, die gaven ontvingen boven de redeloze schepselen, is die gave door de zonden verdorven. Het is nu de geest der wereld die in ons allen woont.

Als Paulus hier zegt dat we die niet hebben ontvangen, dan moeten we niet denken dat we die niet hebben, maar dat moet u zien in de tegenstelling met de Heilige Geest. Die Geest is niet uit de geest der wereld, want de geest der wereld is onder de macht van de zonde gekomen. Maar de Heilige Geest is de Geest uit God. De geest der wereld die in ons werkt, laat de dingen zoeken van deze wereld.

 

Gemeente, de geest der wereld maakt ons afkering van het Woord en doet ons zoeken de dingen van deze tijd. Dat kan zijn de zonde van de eigengerechtigheid, van de eigen vroomheid. Dan kan de geest der wereld ons bij de Heere vandaan zoeken te trekken.

De geest der wereld manifesteert zich allerwege en regeert als een macht en kracht en dreigt de gemeente te overspoelen. De geest der wereld maakt wereldgelijkvormig en doet zoeken de dingen van deze wereld, van deze tijd. Die geest tracht de indrukken van het Woord weg te nemen. Die geest is een tegenstander van God en van Zijn Woord en van de invloeden die van de Heilige Geest uitgaan.

Dat kan ook op een vrome wijze, door te proberen de wet te onderhouden om op die manier met God in een rechte verhouding te komen. De geest der wereld kan ook op een verschrikkelijke wijze onze goddeloosheid openbaren. Wat lezen we in onze tijd toch veel over gruwelijke, doorbrekende zonden. Wat zijn er een machten en krachten van haat en vijandschap die zich openbaren. Denk maar aan het vele terroristische geweld.

 

Maar wij hebben ontvangen de Geest Die uit God is, de Heilige Geest, Die Christus verheerlijkt. Paulus zegt dat we Die hebben ontvangen. Die heeft dus ieder ontvangen die een kind van God is, die wederom geboren is. Die heeft de inwoning van de Heilige Geest. De apostel zegt: En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader (Gal. 4:6).

Aan de gemeente die te Rome is schrijft de apostel: Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in de Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe (Rom. 8:9).

 

Gemeente, het gaat er om dat de Heilige Geest in ons woont. De geest der wereld heeft macht in ons aller leven. Maar die wordt onttroond, van kracht beroofd. Die wordt tegengestaan door de overheersende kracht van de Geest van God. Waar de Heere herschept en vernieuwt, waar Hij Zijn wonderen werkt, daar wordt de geest der wereld ten onder gehouden.

Die geest der wereld kan wel weer eens zijn kracht uitoefenen als Gods kind in de zonde valt, door de geest van het ongeloof. Maar dan is het toch altijd weer de Heilige Geest Die Zijn oppergezag bevestigt en in het hart woont en werkt. Dus de Heilige Geest woont in het hart, zo zegt de apostel. Hij heeft de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten.

 

Ons hart is in Gods Woord het centrum van ons willen en het centrum van ons handelen. Als de Heilige Geest ons hart inneemt en vernieuwt, dan komt de vrucht openbaar in ons leven. Hij verlicht het verstand en vernieuwt de wil en laat onze wandel zijn in de vreze Gods. Dat is het werk van de inwoning van de Heilige Geest. De Heilige Geest wordt genoemd de Geest van Christus, de Geest Zijns Zoons. De Geest is de bruidswerver voor de Bruidegom. De Geest maakt mensen bereid om hun hart aan Hem te geven.

Kun je dat weten? Kunnen we weten of de Heilige Geest in ons woont? Ja, dat kunnen we weten. Dat kan, als het goed is, ook aan de buitenzijde te zien zijn in handel en wandel. Waar de vreze Gods in ons leven openbaar komt, is dat ook door anderen te zien, maar ook door onszelf. Paulus zegt het: Zij hebben de Geest uit God ontvangen. Die hebben we gekregen. Hij weet het dus.

In de brief aan de Romeinen schrijft hij dat wanneer iemand de Geest van Christus niet heeft, die heeft Christus niet. Die is geen kind van God en daardoor ook geen onderdaan van Christus. Het kan dus wel geweten worden.

Het kan geweten worden uit de werking van de Geest. Want de Geest is werkzaam waar Hij ontvangen wordt en woont. De Heilige Geest zit niet stil, maar oefent Zijn invloed uit. Dat komt tot uiting in wat ondervonden, gekend, doorleefd en ervaren wordt.

 

De Heere Jezus zegt in Johannes 16 vers 8: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde. Dat heeft dus alleszins te maken met de inwoning van de Heilige Geest, dat wij zondaar worden voor God. Dat is geen vrucht van inzicht, van verstandelijke kennis.

Waar de Heilige Geest u zondaar maakt voor God, beleeft u dat in uw relatie met de Heere, die wezenlijk beleefd wordt. Dat wordt niet maar aan de kant van uw leven beseft, maar dat wordt centraal in uw leven. Dan krijgt het een centrale plaats in uw leven dat u met God in rekening staat en een zondaar bent voor God.

U gaat zien dat u verantwoording moet afleggen. Dan trekt uw leven als het ware aan u voorbij en gaat u zien dat u leeft buiten God en tegen God. Al hebt u het er nog zo netjes afgebracht, al bent u iemand waar iedereen respect voor heeft, dan is het toch de persoonlijke beleving van wie u bent voor God, altijd een beleving van het zondaar zijn voor God en overtreden te hebben tegen een goeddoend God.

 

Dat is beleving. Dat noemen we ontdekking. Ontdekking aan uw zonden. Dat is ook een doorleving. De Heere zal maken dat zij een walging aan zichzelf hebben. Maar die doorleving brengt aan de voeten van de Heere. Het is als bij iemand die ziek is en voelt dat het helemaal niet goed gaat. Hij gaat naar de dokter. Hij zegt niet tegen iedereen dat hij ziek is, maar hij gaat in de eerste plaats zoeken om genezing te krijgen. Hij doorleeft dat hij ziek is, dat hij van alles mankeert en gaat naar de dokter om genezing.

 

Dat is immers de weg. Zo is het nu ook in het geestelijke. Er ontstaat een droefheid naar God. Dat brengt u op uw knieën bij de Heere en doet u uw zonden belijden en bij de Heere genade inroepen. De Heere is vrij in de mate waarin dat doorleefd wordt. Het kan ook met meer beleving van de goedertierenheid Gods gepaard gaan, waarin beseft wordt tegen een volmaakt heilig en goeddoend God te hebben gezondigd.

Maar het is toch allemaal het werk van de Heilige Geest om naar de Heere uit te drijven. Hij brengt u af van uzelf en leidt u heen tot God in Christus. Omdat ook de trekking van het hart uitgaat naar de gemeenschap met God. Want u beleeft God te moeten missen en u kunt Hem niet missen. U voelt zich ongelukkig en u voelt zich als zonder God in de wereld. De Heere is vrij in de weg die Hij houdt met de zondaar, maar die vraag moet in het leven worden gekend.

 

Die vraag moet ook gekend worden bij de avondmaalganger. We zijn samen in een uur van voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Het formulier om het Heilig Avondmaal te houden wijst ons er ook op. Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelf zijn zonden en vervloeking. Dat zijn niet mis te verstane woorden die we maar kunnen overslaan. Niet voor niets staat dat ook in het avondmaalsformulier. Het is noodzakelijk om te beseffen een zondaar voor God te zijn, dat we tegen de Heere hebben gezondigd.

Maar er is meer; het drijft ook uit tot de Heere. Het avondmaalsformulier zegt dat ieder zijn hart onderzoeke of hij ook deze gewisse belofte Gods gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn.

Veel avondmaalgangers worstelen met de vraag of zij dat weten, of zij dat kennen. Weet ik dat mijn zonden vergeven zijn? Wist ik het maar!

Luister goed en lees goed wat er staat. Er staat niet dat gij deze belofte van God gewis gelooft, dat u het met alle zekerheid van het geloof weet. Nee, de belófte is gewis!

Ieder die als zondaar tot God in Christus nadert, die heeft al deel aan hetgeen in Christus Jezus is. Want hij gelooft dat in Hem is wat hij nodig heeft. Net als de bloedvloeiende vrouw. Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden (Mark. 5:28). Dat was geloof. De Heere Jezus noemt dat geloof.

Dus een zondaar gaat met zijn zonde en met zijn schuld uit naar de Heere om vergeving te ontvangen die bij de Heere te verkrijgen is. Al is het met een zwak geloof, zoals bij velen in de woestijn die opzagen naar de koperen slang. Ze zagen van verre op die slang. En het geschiedde als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan en hij bleef levend (Num. 21:9). Zo gaat het ook in het geestelijke.

En zie, een melaatse kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen (Matth. 8:2).

 

Een catechisant stelde eens een vraag. Daar ben je als predikant natuurlijk heel blij mee, als een catechisant een vraag stelt waaruit blijkt dat hij of zij betrokken is op de dienst van de Heere. De vraag was: ‘Als iemand zijn zonde belijdt, beseft en erkent en dat aan de Heere bekend maakt, krijg je dan ook antwoord?’ Mijn antwoord was dat je dan inderdaad antwoord krijgt. Wie oprecht zijn zonden belijdt, zal antwoord krijgen.

Comrie zegt het zo: ‘Dan bindt de Heere de belofte van het Evangelie met zoveel kracht op het hart, dat je het mag geloven.’ Dan moet je het wel geloven. Dan is het niet meer te ontkennen.

U krijgt antwoord. In de beleving van schuld ontvangt u een antwoord. Dat is niet een stem uit de hemel, maar de Heere geeft antwoord bij het lezen en horen van het Woord van God. Dan wil de Heere ons doen horen dat er bij Hem voor u en voor jou vergeving is.

 

Vaak wordt dat ook direct weer bestreden en van alle kanten aangevochten, maar de Heere geeft wel antwoord. Als dat niet zo zou zijn, dan zou u en dan zou jij ook nooit kunnen geloven dat er bij de Heere Jezus vergeving te verkrijgen is. Dat kan alleen omdat de Heere dat heeft bekendgemaakt, dat de Heilige Geest dat heeft meegedeeld. Dan heeft die mens de wijsheid Gods leren verstaan, dat er bij de Heere vergeving is en vervulling is te verkrijgen.

Dan is het niet zo dat we alleen kennis krijgen aan het stuk van de ellende, maar dan is er ook de kennis van de verlossing en van de dankbaarheid. En mag dan vanuit de doorleving van het wonder, dat de Heere aan zo één wil gedenken, de liefde opbloeien om voortaan tot de eer van God te mogen leven en naar Zijn wil te vragen.

Dat is immers, zoals het formulier ons dat voorhoudt, op grond van Gods Woord en zoals de catechismus daarop wijst, de drie stukken die niet onbekend kunnen en mogen zijn in het leven van ieder die de Heere vreest.

 

We hebben ontvangen de Geest Die uit God is. Dat is het werk van de Heilige Geest. Het oogmerk daarvan is, dat is onze tweede gedachte, dat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn.

 

Zingen we nu eerst Psalm 71, de verzen 10 en 11:

 

Mijn hart zal steeds op U vertrouwen;

Mijn mond vindt, tot Uw lof,

Gedurig ruimer stof,

En zal Uw recht en heil ontvouwen;

Schoon ik de reeks dier schatten

Kan tellen noch bevatten.

 

Ik zal blijmoedig henentreden,

In ’s Heeren mogendheid.

Mijn hart is uitgebreid,

O Heer’, om Uw gerechtigheden,

Ja, die alleen, te prijzen

Op aangename wijzen.

 

2. Waartoe deze zegen is gegeven

 

Onze tweede gedachte is dus waartoe deze zegen is gegeven. Dat is: Opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn. Het oogmerk, het doel, is dus om wetenschap te schenken, kennis te geven. Dat betreft niet alleen de verstandelijke kennis, maar geheiligde kennis, geloofskennis, ervaringskennis en bevindelijke kennis. Die kennis wordt gewerkt door de Heilige Geest en doet ons kennen de dingen die ons van God geschonken zijn.

We mogen de kennis dus nooit veronachtzamen. Geloven is weten en vertrouwen. Een zeker weten en een vast vertrouwen. Het gaat dus niet buiten de kennis om. Maar het is geen kennis die vanuit ons denken, vanuit ons verstand te verkrijgen is. Het is openbaringskennis.

God geeft er kennis van door de Heilige Geest, door middel van het Woord, door de prediking van het Woord en ook door de sacramenten. Het sacrament van het Heilig Avondmaal is ook gegeven tot versterking van het geloof. Het wordt ontvangen tot meerdere kennis en een sterker vertrouwen.

 

Waar richt die kennis zich dan op? Is dat op het feit dat het nu beter met mij gaat en dat ik nu een vrome man of vrouw ben geworden? Nee, de kennis gaat over de zaken die ons van God geschonken zijn. De kanttekenaren zeggen hier terecht: ‘Dat is Christus en Zijn weldaden.’

Het gaat om een geloofskennis van Wie Hij is en wat Hij verworven heeft. Het gaat om het dieper ingeleid worden in de kennis van Christus en kennis van Hem te ontvangen in al de schatten van de zaligheid die in Hem te vinden zijn. De schatten in Zijn namen, Jezus en Christus. In Zijn ambten van Profeet, Priester en Koning. In het bijzonder ook in het Heilig Avondmaal, bedenken welke vruchten het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus meebrengt en wat daarmee geschonken is, tot versterking van het geloof.

 

Die schatten zijn geschonken. Die worden niet nog geschonken. Bij de wedergeboorte, door het geloof, wanneer we in Christus worden ingelijfd, bezitten we de gehele Christus, met alles wat Hij verworven heeft. Maar het gaat er om daarin ingeleid te worden en die kennis te mogen ontvangen.

Ter verduidelijking, een voorbeeld: Als er een kindje wordt geboren, is dat kind lid van het gezin en wettelijk erfgenaam van de ouders, dooplid van de gemeente en inwoner van ons land. Maar wat weet dat kind er van? Wat beseft dat kind er van? Dat moet allemaal tot ontwikkeling komen. De kennis moet verkregen worden in de weg van opvoeding en onderwijs. Later zal het zich meer bewust zijn, wat het met zich meebrengt om tot dat gezin, tot de gemeente en tot het Nederlandse volk te behoren. Een jongen of meisje van 18 jaar weet er natuurlijk veel meer van dan dat kindje in de wieg.

Zo is het nu ook geestelijk. Wie in Christus is ingelijfd, heeft ontvangen wat tot de zaligheid nodig is. Daar kan niets meer bij komen. Het gaat er om dat die geloofskennis beoefend wordt, dat we in die waarheid worden ingeleid, dat die gaven door het geloof worden ontvangen en dat dieper wordt verstaan wat in Christus Jezus is.

 

Het avondmaalsformulier gaat ons daarin voor: ‘Maar aldus zullen wij Zijner daarbij gedenken.’ Gedenken dat Hij van de Vader in de wereld gezonden is en ons vlees en bloed heeft aangenomen. Dat is al heel wat, om dat te weten.

Zondag 14 van de Heidelberger Catechismus wijst er ook op, als gevraagd wordt wat nuttigheid verkregen wordt door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus. In het antwoord lezen we: ‘Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.’

Het avondmaalsformulier wijst op een aantal facetten, waarvan het noodzakelijk is dat die gekend worden. ‘Waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zou ontbinden; daarna ontelbare smaadheden geleden heeft, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden; onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden.’ Dat moet worden verstaan. Althans, de oprechte verlangt er naar om daarin ingeleid te worden.

 

Als u iets ziet van Zijn heerlijkheid, dan schittert alles mee. Elk facet heeft een waarheid, elk heeft een rijkdom, elk heeft een volheid. De schatten die in Christus Jezus zijn, zijn het waard om nagespeurd te worden, om daarin ingeleid te worden en te beseffen wat het inhoudt. De oprechte verlangt er naar om het met geloofswetenschap te ontvangen. En de Heere maakt daar plaats voor.

Dan is het niet: Ik neem Jezus aan en God is mijn Vader, om daarna weer voort te huppelen. Zo is het niet. Het gaat in de weg van plaats maken voor en toebereiden tot. Dan wordt de noodzaak van de waarheid verstaan en de kracht ervan ondervonden. Dan wordt het onmisbaar wat in Hem is.

Nu gaat het er om dat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn. Ze zijn wel toegerekend, maar blijven zo vaak bedekt.

Ds. G.H. Kersten zegt in één van zijn preken: ‘Er blijven zoveel schatten van het genadeverbond ongebruikt liggen, omdat er zo weinig geloofskennis is.’

 

Het gaat er om dat te weten, maar ook daarbij te leven. Want, gemeente, als er een kind is geboren, is de geboorte geen doel op zichzelf. Het kind is geboren om straks te kunnen opgroeien, lid van de maatschappij te worden en daar een plaats in te nemen. De geboorte is het middel om tot het leven te komen, maar geen doel op zichzelf, maar wel noodzakelijk.

Zo is het ook geestelijk. Wedergeboorte is noodzakelijk. Niemand kan zalig worden zonder wedergeboorte. Zonder wedergeboorte zullen we het Koninkrijk Gods niet zien. Maar de wedergeboorte wordt geschonken om te leven uit Christus en om te weten wat in Christus Jezus is. Want weten doet leven en gemeenschap beoefenen.

Hem door het geloof te kennen, doet ook leven met Hem. Dat geeft de ware troost, beide in leven en in sterven het eigendom te zijn, naar ziel en lichaam, van Jezus Christus.

 

Gemeente, het gaat er niet om alleen gefixeerd te zijn op de vraag of ik wel of niet ben wedergeboren. Dat is wel heel belangrijk, maar daar kunnen we niet bij blijven staan. U kunt toch bij de geboorte niet blijven staan? Zo ook niet bij de wedergeboorte. Het gaat erom te leven met Christus en de volheid die er in Hem is door het geloof te verstaan en daarbij te leven.

 

Al de schatten die er in Hem zijn, moeten bekendgemaakt worden, om de rijkdom ervan te mogen verstaan. Dat Hij Profeet is om te onderwijzen, dat Hij als Priester tussentreedt, om die zaligheid te kennen, om daarin ingeleid te worden en de heerlijkheid daarvan te mogen kennen. Om Hem als onze Koning te mogen verheerlijken en onderdaan van Zijn rijk te mogen zijn.

Dat Hij de enige Weg tot God is en wij om Christus’ wil tot kinderen Gods zijn aangenomen. Al die schatten en die rijkdom moeten bekendgemaakt worden. Die moeten geweten worden.

Dat moeten heeft niet de betekenis dat daarin de zaligheid gelegen is. De zaligheid is daarin gelegen dat we wederomgeboren zijn. Maar de troost in ons leven is wel afhankelijk van de kennis die we ontvangen van de Heere Jezus Christus.

 

De rechte avondmaalganger verlangt toch om met bewustheid deel te hebben aan Christus. De tekenen van brood en wijn, die hij mag ontvangen, wijzen heen en leiden naar Zijn gebroken lichaam en Zijn vergoten bloed. Er is een verlangen om de werkelijkheid van de tekenen te verstaan en gemeenschap te hebben aan Christus’ bloed. Om vergeving van de zonden met bewustheid te mogen ontvangen. Dat betekent niet leven met de weldaden, maar dat betekent leven met Christus.

Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh. 16:14). Met die woorden van de Heere Jezus Christus mag ook, in het geloof, werkzaamheid zijn. En wie geen heerlijkheid ziet in de Heere Jezus, die kan geen avondmaalganger zijn.

 

Gemeente, het gaat er niet om of we het een keer benauwd gehad hebben en dat het toen gelukkig is overgegaan, maar waar brengt het ons. Leert het ons te leven met Christus? Dat is het doel van de Heilige Geest. Daarheen werkt de Heilige Geest. Die zal Mij verheerlijken! Hij zal het uit het Mijne nemen. En wat in Hem is, uit de volheid van Christus, te nemen en erin te doen delen. Calvijn gebruikt hier de uitdrukking ‘over te storten’. Dat nu geeft de troost beide in leven en sterven, in Wie Hij is en wat in Hem te vinden is. Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem (Hoogl. 5:16).

 

Daarom kan het niet anders dan, waar de inwoning van de Heilige Geest is ontvangen, er werkzaamheden zijn met Christus. Er is dan een verlangen om in de waarheid dieper te worden ingeleid. Om daarin, door Gods Geest geleid, te mogen doordringen tot de kennis en meerdere kennis van Christus. Hier is echter die kennis altijd nog onvolmaakt en ten dele. Maar in de hemel zal die werkelijkheid zodanig zijn dat gezegd moet worden dat de helft ons niet is aangezegd. Maar het moet in beginsel wel worden gekend.

 

Gemeente, als we dat nu nog missen, wanneer we die heerlijkheid van Christus niet kennen en de boetvaardigheid en het berouw over de zonde missen, ga dan niet aan het Avondmaal. Neem dan geen plaats in aan de tafel, want u ontvangt daar dan helemaal niets. Waar geen geloof is, wordt dat ook niet versterkt. Het gaat niet om het gevoel, het gaat om het geloof. Dat gaat wel gepaard met gevoel, maar er is helaas veel gevoel zonder geloof. Strek dan uw hand niet uit naar het deel van de kinderen. Het gevaar is groot dat u dan steeds harder, steeds ongevoeliger wordt. Dat is een ernstige waarschuwing, die we ter harte mogen en moeten nemen.

 

Maar zoek het te verkrijgen! Het wordt u verkondigd en aangeboden. Het Evangelie sluit niemand uit. Al sluit het Heilig Avondmaal u uit, het Evangelie niet. De boodschap van genade sluit u niet uit. Er is zaligheid in Christus Jezus, al bent u bijna 100 jaar.

Ook kinderen zijn niet te jong om tot God bekeerd te worden. Kinderen mogen niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal, maar zij kunnen wel ontvangen wat tot de zaligheid dient, de Christus, de Heilige Geest.

David zegt dat de Geest hem vanaf de geboorte, in zijn jeugdjaren, heeft geleid. Hij was al jong een kind van God. Dus er is niemand die kan zeggen dat hij of zij te jong is en er is niemand die kan zeggen te oud te zijn. Er is ook niemands hart te hard. We kunnen allemaal nog het goed ontvangen dat wezenlijke vrede en dat wezenlijke zaligheid geeft. Maar, strek uw hand niet uit tot het deel van de kinderen dat u niet toekomt.

 

Aan de andere kant, als u er geen vreemde van bent, al kan het in nevelen gehuld zijn, als u mag zeggen: ‘Ja Heere, daar weet u toch van. Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb (Joh. 21:17)’, dan is er plaats aan de dis des verbonds, om daar te betuigen Wie de hoogste plaats in uw leven ontvangen heeft.

Maar wie u liefhebt, die verlangt u ook te leren kennen en meer te leren kennen. Zo is het nu ook in het Heilig Avondmaal. Dan ontvangt u ook de werkzaamheid om er meer van te krijgen. Dat is nu waar onze tekst op wijst. Dat doet de Heilige Geest. Dat doet de Heilige Geest ook graag, om die waarheid bekend te maken, Christus te verheerlijken in het hart van de Zijnen. Te doen leven uit de schatten die in Christus zijn.

Dat betekent wel arm worden, steeds armer worden in uzelf. Maar dan wordt Hij een allesvervullend God, bij Wie de trouw en vrede gevonden wordt en waardoor blijdschap gekend die de wereld niet kent, maar een voorsmaak is van de eeuwige zaligheid.

 

Amen.

 

 

 

 

 

 

Slotzang: Psalm 145:4

 

Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer;

Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, Heer’,

En roemen van Uw koninkrijk, Uw macht,

Uw heerlijkheid en Goddelijke kracht;

Om, waar zich ’t hart ooit voelt in leerzucht blaken,

Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,

En d’ eer Uws rijks, zo groot, zo hoogverheven,

Voor aller oor, den hoogsten roem te geven.