Ds. H. Paul - Hebreeën 11 : 8 - 10

Abrahams geloofsleven

Gehoorzaam aan Gods bevel
Een vreemdeling in het land Kanaän
Een erfgenaam van een blijvende stad

Hebree├źn 11 : 8 - 10

Hebreeën 11
8
Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.
9
Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die medeerfgenamen waren derzelfde belofte.
10
Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 71: 1, 2
Lezen : Hebreeën 11: 1-16
Zingen : Psalm 105: 4, 6, 7
Zingen : Psalm 119: 10
Zingen : Psalm 17: 8

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in het gedeelte van het Woord van God, u voorgelezen uit Hebreeën 11, en daarvan de verzen 8 tot en met 10:

                                                                                               

Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest om uit te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende waar hij komen zou. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelve belofte. Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.

 

Onze tekst spreekt ons van: Abrahams geloofsleven.

 

Hij is daarin:

1. Gehoorzaam aan Gods bevel

2. Een vreemdeling in het land Kanaän

3. Een erfgenaam van een blijvende stad

 

1. Gehoorzaam aan Gods bevel

 

Onze tekst, gemeente, is uit de rij van de geloofsgetuigen. Ze worden ook wel ‘geloofshelden’ genoemd. Maar helden waren het niet van zichzelf. Ze mochten door genade getuigen van de hoop die in hen was. In hun leven bleek wat het geloof vermag. Niet wat zíj konden, maar wat Góds kracht in hen uitwerkte, en zij door het geloof mochten verrichten.

Ondanks beproevingen en ondanks alles wat zij meemaakten, hielden ze vast aan het Woord van God en hadden een uitzicht op een heerlijke toekomst, door de Heere hun bereid.

 

Dit Woord wordt de Hebreeën, christenen uit de Joden, voorgehouden tot hun bemoediging. Ze hadden veel te verduren, veel lijden moesten ze ondergaan. Hun geloof was nog maar zwak. Ze dreigden af te vallen van het geloof. En tot hun bemoediging en versterking van het geloof wordt hun voorgehouden dat dit nu het leven van Gods Kerk op aarde is: In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33).

Het waren ook maar mensen, niet anders en beter dan zij. Maar in het leven van deze geloofsgetuigen blonk Gods werk. En zo werd het tot een voorbeeld voorgehouden voor de kerk aller tijden, om te mogen leven door het geloof, in afhankelijkheid, in aanhankelijkheid, dichtbij de Heere. Ze hebben dus de aardse loopbaan zo mogen lopen. Ze hadden daarbij een kompas dat de richting aangaf, het Woord van God, en de beloften die Hij hun gegeven had.

Het was als bij Mozes. Ze hielden vast als ziende de Onzienlijke. Dus zagen ze niet op de omstandigheden, op wat voor ogen was, op wat hen dreigde te overkomen. Maar het Woord van God en de God van het Woord was hun houvast. Dat wordt de Hebreeën voorgehouden, opdat zij dat leven zouden navolgen.

 

En zo worden verschillende geloofsgetuigen als voorbeeld aangehaald: Abel, Henoch, Noach. Dat waren de geloofsgetuigen van de oude wereld, voor de zondvloed.

Abraham is de eerste van na de zondvloed. Hij is de vader der gelovigen, een geloofsgetuige, in wiens leven bleek wat Gods genade vermag. Zijn leven werd gekenmerkt door zijn uitzien naar God, het gehoorzamen aan God en het verwachten van Zijn trouw. Daarin is hij niet beschaamd geworden, al ging het door diepe beproevingswegen heen. Al leek het bij tijden dat het beloofde goed niet zou worden verkregen. Maar de Heere toonde die God te zijn Die op Zijn woord terugkomt en waarmaakt wat Hij beloofd heeft.

 

Abraham leefde op de aarde die na de zondvloed, als gezuiverd van het oude, een nieuwe wereld behoorde te zijn. Maar die wereld geeft blijk niets geleerd te hebben van het verleden. Men heeft geweten hoe het was voor de zondvloed, wat het leven kenmerkte van hen die toen leefden, wat de gevolgen waren, maar ze hebben er niets van geleerd.

De vraag is, gemeente, of wíj leren van de geschiedenis. Men zegt wel eens: Als je de les van de geschiedenis niet ter harte neemt, dan moet je hem overdoen.

 

Welnu, ook in die wereld na de zondvloed vermeerdert zich de zonde en wordt de afgodendienst weer aangehouden. Zal dan Gods werk mislukken? Zal dan ook het Vrouwenzaad verslonden worden door het slangenzaad? We zullen zien dat de Heere voor Zijn werk in staat, dat Hij de Getrouwe is. Hij maakt een nieuw begin.

Zoals Hij dat bij de zondvloed gedaan heeft in het leven van Noach en zijn gezin, zo maakt de Heere ook nu een nieuw begin. Dan vraagt Hij naar ménsen. Dat gaat van Gód uit. Dat zien we dus in het Ur der Chaldeeën, waar de Heere Abraham bezoekt. Daar stelt Hij hem apart en geeft hem opdracht Ur der Chaldeeën te verlaten en naar het land te gaan dat de Heere hem wijzen zal.

We zien dat God de Eerste is en de Getrouwe blijft. Want ook in het huis waar Abraham geboren is, het huis van Terah, werden afgoden gediend. Daar dreigde ook dat geslacht van Sem, waarop toch die rijke belofte rustte van de beloofde Zaligmaker, onder te gaan in afgodendienst. Er was daar nog wel wat van de dienst van de Heere. Dat lezen we later bij Laban en Rebekka. Maar de terafim, kleine afgodsbeelden, waren er aanwezig. Dus een bewijs dat deze afgodendienst in het huis van Terah al aanwezig was. Het was een menggodsdienst. Aan de ene kant was er de dienst van God. Maar aan de andere kant konden ze er afgoderij bij hebben, waardoor de zuivere dienst van de Heere werd verduisterd. Het heilige zaad, het nageslacht van Sem, dreigt weg te zinken in ongeloof en afgodsdienst. Nog even en het slangenzaad schijnt te hebben overwonnen.

 

Maar de Heere grijpt in, soeverein en krachtig. Hij is de almachtige God. Hij zoekt Abraham op. Als de Heere Abraham ontmoet, dan verandert er wat. Hij maakt Zich bekend aan Abraham, maar maakt ook Abraham bekend met zichzélf, met zijn leven, met zijn afgoderij en zonden. Hij maakt Zichzelf onmisbaar en wijst hem de weg die de Heere wil dat Hij gaan zal. Een weg waardoor hij Ur der Chaldeeën moet gaan verlaten. Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal (Gen. 12:1).

Krachtig wordt Abraham geroepen uit de afgoderij. Hij moet daar weg uit dat Ur, uit dat Mesopotamië, waar hij mede dreigt onder te gaan in afgoderij en zondedienst. Jozua zegt er later van: Over gene zijde der rivier hebben uw vaders vanouds gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde der rivier en deed hem wandelen door het ganse land Kanaän (Joz. 24:2-3).

 

De Heere maakt een nieuw begin. Dat geeft uitzicht. Ondanks dat wij mensen ons niet staande kunnen houden, er allerwege een dreigende afval is, staat de Heere voor Zijn werk in. Laat er maar om gebeden worden dat Hij ingrijpt in harten en levens van mensen. Ook van jongeren die van God en Zijn dienst dreigen af te vallen. Maar de Heere kan krachtig terugroepen en Zichzelf aan hen bekendmaken.

Die ontmoeting werkt wat uit. Hij spreekt door Zijn Woord, dat Hij krachtig maakt door de bediening van Zijn Heilige Geest. Dan werkt dat wat uit: wedergeboorte en vernieuwing van het hart. Dan schenkt Hij het geloof, en het geloof is werkzaam door de liefde tot God en Zijn dienst. Daardoor is er een krachtige omkeer, want er is geen ding onmogelijk bij God.

 

Aan de andere kant moeten we zien dat het geen kleine zaak is waar Abraham toe geroepen wordt. Hij moet het land verlaten waarin hij woonde. En de liefde tot zijn land, zegt Vondel, is ieder aangeboren. Hij moet zijn maagschap verlaten, dat wil zeggen het stamverband. Men leefde vroeger in stamverbanden, waarin veiligheid voor het individu was en een leven met elkaar. Men leefde dus niet als aparte personen, los van elkaar, maar in stamverbanden die heel hecht zijn. En zelfs zijns vaders huis. Hij komt alleen te staan.

Dat is geen eenvoudige zaak, zeker niet in die tijd. Maar als de Heere dan met ons is, wie zal tegen ons zijn? Dat is het wat Abraham het deed uithouden. Hij heeft de ondersteuning en hulp van de Heere ontvangen om de weg te gaan die de Heere wilde.

We moeten dus wel oog hebben voor de zwaarte van de opdracht die God hem geeft. Aan de andere kant, er staat meer tegenover. Wát hij moet missen, dat kán hij met Gods hulp ook missen. En wat hij kríjgt, is onvergelijkbaar meer. Hij heeft God aan zijn kant, en leeft in de gemeenschap met en in de gunst van de Heere.

En daarom, jongens en meisjes, misschien zijn er wel die zeggen, net als Augustinus: ‘Heere, bekeer me, maar nu nog niet. Ik wil eerst nog mijn eigen leven leiden. Want ja, anders moet ik dat afstaan en mag ik dat niet meer doen. Dan kan ik daar niet meer naar toe. Ik wil natuurlijk wel zalig worden, maar nu nog niet.’

Gemeente, dat is een dwaalweg. In de eerste plaats weten we niet of we nog lang zullen leven. In de tweede plaats, er staat zó oneindig veel meer tegenover die wereld waarin je leeft, de zonde die je dient, de banden die je binden. Als je de Heere mag kennen, Hem mag liefhebben en vrezen, in Zijn gunst mag delen en mag zeggen: ‘Deze God is ook mijn God’, bezit je oneindig veel meer. Want dan heb je alles, net als Jakob, die alles had.

Er is een leegte in ons hart die toch niet vervuld kan worden met de dingen van de wereld, maar alleen met de Heere Zelf. ‘Ons hart blijft onrustig in ons, tot het rust vindt in u, o God’, zegt Augustinus.

Jongens en meisjes, geloof je dat ook? Je hart blijft onrustig. Je grijpt naar dit en naar dat. Je zoekt daar je vermaak, je ontspanning in. En toch blijft je hart maar onrustig. Je kunt je geweten wel het zwijgen opleggen, maar het blijft toch altijd onrustig, totdat… het de rust mag kennen in de Heere, onze God. Als je die God tot je deel mag hebben, dan kun je missen wat je moet afstaan. Dan ontvang je een blíjvend goed, dat ook werkelijk vrede en uitzicht geeft, hoop en verwachting.

 

Dat mag Abraham ook hebben. De Heere gaf hem gehoorzaamheid. Waar de Heere Abraham ontmoet heeft, hem het ware geloof schenkt, geeft Hij ook gehoorzaamheid. Dat zie je bij Saulus van Tarsen. Hij vraagt: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:6) Dat is er onverbrekelijk mee verbonden. Bekeerd zijn en dan eigen wegen willen gaan, sluiten elkaar uit. Rechtvaardiging en heiliging horen bij elkaar. Als iemand zegt dat hij een kind van God is, en alles kan er mee door, is dat een slecht teken. Dat is geen teken van levende gemeenschap met Christus. Want Hij is de Levensbron. En hoe dichter we bij Hem leven, hoe meer we úit Hem leven. Des te meer verlangen we ook te doen wat de Heere in Zijn Woord ons voorhoudt.

 

Dat is de rijke vrucht van de opzoekende liefde van God in Abrahams leven in Ur der Chaldeeën. Dat brengt een breuk teweeg en bepaalt zijn verdere leven. Hij kán niet meer terug, hij wíl ook niet meer terug. Toen hij dit heeft ondervonden, lag zijn keus vast.

Men zei vroeger: ‘Dan is de brug opgehaald.’ Niet dat je een heilig mens wordt in jezelf, zeker niet. Je wordt een steeds groter zondaar. Maar de keus ligt er toch om de Heere te vrezen en Hem lief te hebben. En als er gevraagd wordt: ‘Wie heeft lust de Heere te vrezen?’, dan mag je echt zeggen: ‘Ja Heere, dát weet U, dat is nu mijn lust. Ik breng er niets van terecht in mezelf, maar dat is toch de keus van mijn leven.’

 

En zo is Abraham uitgegaan uit Ur der Chaldeeën. We lezen dat Terah, zijn vader, ook uit Ur wegging naar Mesopotamië. Misschien deed hij dat om meer weiden te vinden voor zijn vee. We zien dat het natuurlijke en het geestelijke wel eens met elkaar verbonden zijn. Dat de Heere het geestelijke doet ervaren in het natuurlijke leven. Want Terah gaat ook weg uit Ur der Chaldeeën, met Nahor, zijn zoon. Een andere zoon, Haran, de vader van Lot, was al overleden. Maar Nahor gaat mee en ook Lot. Ook Abraham en Sara gaan mee. En zo verblijven ze dus enige tijd in Haran. Daar sterft Terah. Dan gaat Abraham alleen verder. Nahor blijft achter, die blijft daar wonen.

Zo is het uitgaan van Abraham in twee fasen gegaan. Maar ten slotte komt hij toch alleen te staan. Want hij gaat verder naar het land Kanaän. Dáár wil de Heere hem hebben. Dat is het land dat de Heere hem wijzen zal. En dan gaat ook Lot mee. Misschien was Lot ook wel verbónden aan zijn oom Abraham. Want ja, Lot heeft wel dwaze en zondige dingen gedaan, maar was toch een man die God vreesde. Dat lezen we later bij Petrus, dat hij zijn rechtvaardige ziel gekweld heeft in Sodom. Hij is zwak geweest ten opzichte van allerlei verleidingen, maar hij is toch meegegaan.

Maar in het land Kanaän is de scheiding volledig geworden. Want daar ging Lot bij Abraham vandaan. Hij sloeg zijn tenten op in de buurt van Sodom, een aantrekkelijke omgeving met prachtige weiden.

 

Zo komt Abraham alleen te staan. Maar juist als hij alleen staat, spreekt de Heere tot hem. Hij bouwt telkens een altaar. Want dat is de sterkte van Abraham geweest, dat hij leefde bij de altaren die hij oprichtte. Daar bracht hij zijn offeranden en riep hij de Heere aan. Hij had Hem nodig en ontving telkens nieuwe kracht. Ook van Abraham gold: ‘Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort.’ Zo heeft Abraham als een bidder geleefd en bouwde hij overal altaren.

 

Wat is dat een genade, gemeente, als je alleen komt te staan, juist vanwege je overtuiging, als je geen aansluiting vindt bij degenen die je lief zijn, je de eenzaamste mens op de wereld bent, en je houdt Gód over. Dan houd je toch alles over. Dan is er gebed voor de ander, maar is de sterkte in de Heere. Daar staat Abraham dus alleen. Hier geldt het wat de Heere zegt: Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig (Matth. 10:37). Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden (Matth. 16:25).

 

Abraham wordt uitgeleid uit Ur der Chaldeeën, uit het land waarin hij afgoden diende. Hij is een voorbeeld van het verlaten van de wereld, dat als het goed is ook op ons van toepassing is. We behoren hopelijk allemaal tot een gezin en tot een gemeente waar het Woord gezag heeft. Maar ten diepste hebben we allemaal een uitleiding nodig uit de wereld. De wereld die ons omringt met haar zonden en haar verleidingen. Om daaruit geleid te worden, waarin wij ons zo thuis voelen. De wereld van onze eigen zonden. Waar misschien wel plaats is voor het Woord, maar ook veel voor andere dingen. Daaruit moeten we worden uitgeleid.

Dat geldt ook jullie, jongens en meisjes. Toen jullie gedoopt zijn is het doopformulier gelezen, en dan wordt ons voorgehouden en geleerd om de wereld te verzaken, om in een nieuw, godzalig leven te wandelen, als vrucht van wedergeboorte. Dus de doop roept ons op om de wereld te verzaken. Dat brengt de doop zelf niet mee, maar de doop is een teken en zegel van dat verbond waarvan de ware bondelingen dat kenmerk dragen. Die hebben dat kenmerk dat ze de wereld willen verzaken om in een nieuw, godzalig leven te wandelen. Dus dat ‘Ga uit!’ geldt ten diepst elk onzer. Je blijft in deze wereld, je blijft in je eigen maatschappelijke, kerkelijke omstandigheden, maar het is toch een nieuwe werkelijkheid waarin je treedt in de weg van wedergeboorte en van een waar geloof. Dus we moeten niet denken: Ja, Abraham moest uit die goddeloze wereld, wij hebben gelukkig een hele andere leefomgeving.

Maar persoonlijk hebben we het allemaal nodig, de wereld te verzaken en in een nieuw, godzalig leven te wandelen. Een nieuw leven waarin de Heere de hoogste plaats inneemt. Waar het om God, om Zijn gemeenschap en Zijn genade te doen is.

 

Abraham werd geroepen tot bijzonder grote dingen. Maar ten diepste is de uitgang uit Ur een beeld van het uitgaan uit de wereld waarin we leven van onszelf. Opdat we ook in een nieuw leven mogen wandelen. En dat geldt niet voor de tóekomst alleen, nee, nú. Indien gij Zijn stem dan héden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk Woord. Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Abraham kreeg een belofte mee: En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen en uw naam groot maken; en wees een zegen. En Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden (Gen. 12:2-3).

De Heere Zelf zou voor hem uittrekken en een vurige muur rondom hem zijn. Hij zou bij de Heere geborgen zijn. Zo kon hij Ur der Chaldeeën en straks ook Haran verlaten. Calvijn zegt ervan: ‘Dat is een bijzonder bewijs van geloof, te verlaten de dingen die wij in handen hebben om dingen te gaan zoeken die nog ver van ons zijn en ons onbekend zijn.’

Abraham had ook dingen in handen, waarin hij lééfde. Gods beloften waren Abraham genoeg. Hij werd innerlijk overreed en gedrongen om in gehoorzaamheid aan de Heere Zijn Woord te eerbiedigen. En dan zal hij niet beschaamd uitkomen. Want de Heere zal tonen van hem te weten, hem te gedenken, hem voor Zijn rekening te willen nemen. En dan wordt op deze wijze ook Abraham een vreemdeling in het land. In onze tweede gedachte staan we daarbij stil.

 

2. Een vreemdeling in het land Kanaän

 

Hij wordt vreemdeling in het land Kanaän. Hij komt daar met zijn vrouw en met Lot. Maar hij heeft niets in dat land waar hij van kan zeggen: ‘Dat is van mij.’ Geen huis, geen stuk land. Hij was een inwoner.

Daar staat een woord dat ook vertaald kan worden met ‘bijwoner’. Bijwoners zijn mensen die dus geen burgerrechten hebben, geen eigendom of bezitters van land zijn. Het was ook in die tijd een hachelijke zaak. Want je leefde niet meer in de bescherming van je stamverband en van het volk waartoe je behoorde. Het was een totaal vreemd land waarin je geen rechten kon laten gelden. Maar hij was er door het gelóóf. Daarom is het mogelijk. Dan is alles ondergeschikt aan datgene wat Gód beloofd heeft en heeft toegezegd. Dan komt er wel veel tegenop, maar de Heere houdt Zijn Woord.

 

Zijn leven werd ook gekenmerkt door het feit dat hij in tenten woonde. En een tent, dat weet u, is makkelijk op te zetten en makkelijk af te breken. Een tent is altijd een bewijs van een zeer beperkt verblijf. Dat was nu de wijze van wonen van Abraham in Kanaän. Dat is een kenmerk van zijn vreemdelingschap. We lezen later van Lot dat hij zijn tent opsloeg bíj Sodom. Maar spoedig ging hij ín Sodom wonen. In de stád. En dat heeft Abraham niet gedaan. Abraham is vreemdeling gebleven.

Het bewijs van zijn vreemdelingschap was dat hij in tenten woonde. Hij was als een nomade die doortrekt van de ene plaats naar de andere. De Kanaänieten woonden in steden. Dat waren hún steden, hún vastigheden, daar voelden ze zich veilig. En we weten het, er is niets van overgebleven. Al die vastigheden die ze in deze wereld hadden zijn hun ontnomen. Ze zijn daar van uitgeroeid, zoals we weten uit de geschiedenis van Sodom en Gomorra. Maar de tent van Abraham is het symbool van zijn nomade zijn, van zijn bijwoner zijn. Het is een tent waar Gods bescherming over was en waarin hij veilig was.

 

Abraham heeft zo steeds voorttrekkend in het land Kanaän, daar verbleven als een vreemdeling. Ja, hij wordt er ook nog in beproefd. Want straks komt er honger in het land en dan raakt hij zelfs buiten de grenzen van Kanaän. Abraham zegt als het ware: ‘Wat blijft er waar, Heere, van wat U beloofd hebt? Nu ga ik het verlaten vanwege de honger.’

We weten niet of dat in Gods gunst geweest is. Het blijkt in ieder geval een donkere tijd geweest te zijn in het leven van Abraham. Hij dacht zijn leven te redden door te zeggen dat hij een broer van Sara was. Hij kwam als een leugenaar openbaar. Ten overstaan van de heidenen kwam hij als een leugenaar openbaar. Daar heeft Hij de Naam van de Heere niet in verheerlijkt. Hij wordt straks het land uitgezet als een ongewenste asielzoeker.

En toch, gemeente, de Heere bleef getrouw. De Heere heeft niet gezegd: ‘Nu ben je je eigen weg gegaan, nu moet je het voortaan zelf maar weten.’ Nee, de Heere blijft getrouw. Dat is de onbegrijpelijke trouw van God, dat Hij ondanks wie de Zijnen zijn en blijven, Hij hen toch zal gedenken. En Zijn beloften blijven waar, ondanks alles. Abraham is er als een schuldenaar uit gekomen.

 

We lezen van Jeremia, dat hij zegt: Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen de Heere onze God gezondigd (Jer. 3:25). Dat heeft ook Abraham moeten belijden. En toch, de Heere bleef getrouw. Want de Heere zag hem aan in het werk van Zijn Zoon. Die heeft volmaakte gehoorzaamheid betracht. Er is er maar Eén geweest Die altijd zonder enige bedenking de wil van Zijn Vader heeft betracht. Die geworsteld heeft in Gethsémané en gebeden: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Die nooit Zichzelf gezocht heeft.

Om Zijn verdienste heeft ook Abraham ondervonden dat God niet doet naar de zonde, en naar de ongerechtigheid niet vergeldt. Een wonder! Dan moet je van jezelf wálgen, maar de Heere blijft getrouw.

De Heere komt op Zijn werk terug. En Abraham mag als vreemdeling verkeren in het land Kanaän. Hij keert niet terug naar het Ur der Chaldeeën. De brug is opgehaald.

 

En hij krijgt ook gezelschap. Gods Kerk is nooit alleen. Dat denken ze wel. Ook Elia dacht dat hij alleen was, maar de Heere had er nog zevenduizend die hun knieën niet hadden gebogen voor Baäl en met hun mond hem niet hadden gekust. Hij krijgt gezelschap uit zijn nageslacht, krachtens verbondsrelatie. Dat is rijk! Hij heeft vijfenzeventig jaar met Izak, zijn zoon, mogen verkeren, en zelfs nog vijftien jaar met Jakob, zijn kleinzoon.

Abraham was 100 jaar toen Izak geboren is, en rekent u maar uit, hij was 160 dus toen Jakob geboren werd. Hij is 175 jaar geworden. Vijftien jaar heeft hij nog met Jakob geleefd en heeft hij wellicht ook gezien: in die jongen is de vreze Gods. Reeds jong was er in het leven van Jakob een keus voor de Heere en Zijn dienst.

Wat een zegen is dat, als je in je nageslacht mag zien wat Gods genade vermag! Hij heeft in tenten gewoond met Izak en met Jakob.

Ja, maar er was ook een Ismaël, er was ook een Ezau! Die heeft hij óók meegemaakt. Hij heeft gezien dat vrijmachtige genade noodzakelijk is, als de Heere in het nageslacht werkt. Hij heeft verdriet gehad, maar hij heeft zich ook verwonderd over de genade van God. Ongetwijfeld is hij ook een bidder geweest, een bidder voor het nageslacht, dat ze tot God bekeerd zouden worden. We zien, gemeente, genade is vrij. Maar de Heere heeft wel toegezegd dat Hij de God der geslachten is en dat Hij Zijn Naam daarin wil voortplanten van kind tot kind en van geslacht tot geslacht.

 

Zo hebben Abraham, en ook later dus Izak en Jakob, als vreemdeling gewoond in het land van Kanaän. Ze hebben allen in tenten gewoond, maar hebben elk hun eigen weg gehad. Abrahams wegen waren anders dan van Izak. En Jakob heeft weer andere, diepere wegen moeten meemaken. Al deze dingen zijn tegen mij (Gen. 42:36), roept hij uit.

Wel hetzelfde vreemdelingschap, maar Gods wegen waren zeer onderscheiden. We lezen niet van Izak dat hij bijzondere kruisen gehad heeft. Wel dat zijn verlangen, dat Ezau de eerstgeboortezegen zou krijgen, niet vervuld is. Maar van veel kruisen lezen we niet. Wel heeft hij in het begin geworsteld in het gebed om de kinderzegen. De wegen waren dus onderscheiden. Maar het gemeenschappelijke was het vreemdeling zijn op deze aarde.

Ze hebben gemeenschappelijk beleefd wat we nu samen zingen uit Psalm 119, en daarvan het tiende vers:

 

Ik ben, o Heer’, een vreemd’ling hier beneên;

Laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken,

Daar mijne ziel, omringd door duisterheên,

Zo dikwijls van verlangen is bezweken,

Om U te zien ter hoge vierschaar treên,

Tot straf van hen die snood zijn afgeweken.

 

3. Een erfgenaam van een blijvende stad

 

In de derde plaats zien we dat Abraham erfgenaam was van een blijvende stad. Want we lezen in vers 10: Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.

‘Want’ is een redengevend woord. Want hij verwachtte… Dat hield hem staande, dat gaf hem uitzicht te midden van alles wat hij ondervond, ook als vreemdeling daar in het land Kanaän. Hij had een toekomstverwachting waarin hij niet beschaamd is. Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft.

Het doet denken aan wat Paulus zegt: Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid; dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig (2 Kor. 4:17-18).

Hij liet zich niet verblinden door dat wat voor ogen was. Hij aanmerkte ze niet, gaf er niet de aandacht aan die het eigenlijk wilde hebben. Maar hij zag op de toekomst en aanmerkte de dingen die men niet ziet, die eeuwig zijn.

 

Gemeente, kunt u dat ook zeggen? Jongens en meisjes, kenmerkt dat ook jullie leven: We aanmerken niet de dingen die men ziet? De dingen die men ziet, die ik dagelijks doe, waarmee ik me bezighoud, wat zich aan me opdringt, daar geef ik niet de aandacht aan die ik geef aan de eeuwige zaken; de dingen die men niet ziet. Want die dingen zijn reëel, die zijn werkelijk. Er is niets zekerder dan de waarheid van het Woord.

Laat je niet meevoeren door het ongeloof dat de dingen allemaal relativeert. Nee, zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth. 6:33).

 

Want hij verwachtte… Er was een levende geloofsverwachting. Dat was niet: ‘Laat ik het maar hopen; ik heb misschien ook een hóópje dat het ooit…’

Nee, hij verwáchtte. Dat is een sterk woord. Dat was gegrond in het geloof. Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet (Hebr. 11:1). Het voorwerp van die verwachting ligt vast. De verwachting kan aan bestrijding onderhevig zijn, maar wat verwacht wordt is op zichzelf zeker.

En dat gold in het leven van Abraham voor zeker. Natuurlijk, hij zal ook zijn zwakke tijden gehad hebben. Calvijn zegt ergens: ‘Waar het vuur van het geloof is, is ook de rook van de twijfel.’ Maar Abrahams leven wordt er toch door gekenmerkt; hij is de vader van de gelovigen. Hij leefde door het geloof en verwachtte wat de Heere zou geven wat Hij beloofde.

Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Hij had houvast aan het Woord: ‘En in uw zaad zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.’ Hij wist van de komst van de Zaligmaker. Naar Diens dag zag hij uit, verlangde hem te zien en heeft hem gezien en is verblijd geweest. Door het geloof wist hij dat de komst van de Zaligmaker uit zijn nageslacht zou zijn. En op grond van Diens werk was hij zeker van een toekomst, door God hem bereid, een eeuwige stad.

 

Een stad was oudtijds een beeld van veiligheid. Dat is tegenwoordig niet meer zo. Toen de Rechabieten bang waren voor de troepen van de koning Nebukadnezar gingen ze hun heil zoeken in Jeruzalem, in een ommuurde stad. Op het vlakke veld waren ze anders een prooi van de vijand. Zij zochten hun heil in de stad Jeruzalem. Daar was het veilig.

Welnu, die stad die bereid is, is een veilige stad. Daar komt de vijand niet in. Daar zal hij geen enkel leed kunnen aanbrengen. In het paradijs hadden we vastigheid. We hebben deze veiligheid verlaten. We hebben satan geloofd die ons een vastigheid aanbood, maar ons bedrogen heeft. En sindsdien zoekt een mens veiligheid, geborgenheid. Maar hij vindt het nergens dan bij de Heere alleen.

Niemand is zeker wat hem in de toekomst zal overkomen. We leven in een maatschappij die gekenmerkt wordt door onzekerheden, bijzonder in onze tijd. Allerlei vastigheden vallen en kantelen. Maar er is maar één vastigheid, één toekomstverwachting waarin we nooit beschaamd zullen worden, een toekomst die de Heere bereidt.

 

Abraham verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Die vind je buiten de Heere niet. Er is geen garantie voor veiligheid buiten de Heere. Dat kun je wel denken. Sommige mensen hebben in hun goede werken, in hun kerklidmaatschap hun veiligheid gevonden; misschien wel dikke muren gebouwd van eigen werken. Maar die vallen om. Als Gods Geest ons aan onszelf ontdekt, wordt in de ziel de vreze gewekt. Dan voelen we wat eisen Gods heiligheid doet. Dan wordt al onze deugd een wegwerpelijk kleed. Dan is het totaal waardeloos om daarmee voor God te kunnen bestaan.

Maar wanneer we die veiligheid bij de Heere in Christus mogen vinden, in die Schuilplaats van de Allerhoogste mogen ingaan, dan is er veiligheid.

 

Die Deur is geopend, gemeente. Vandaag nog wordt u verkondigd dat er bij de Heere een Schuilplaats is waar zondaren terecht kunnen om behouden te worden. Als alle aardse zekerheden ons ontvallen – en die ontvallen ons! – dan is er toch een toekomst die niemand ons kan ontnemen. In Christus is een veilige Schuilplaats. Voor Hem was geen schuilplaats. Maar zo heeft Hij die verworven, en daarom is er bij God een Schuilplaats waarin veiligheid is. Daar worden we toe genodigd om daar in te gaan. Bid de Heere om te ontvangen wat daarvoor nodig is.

 

Die stad heeft fundamenten die blijven. Daar liggen Gods eeuwige raad en Zijn eeuwige liefde aan ten grondslag. Daar ligt het verbond der genade aan ten grondslag dat van geen wankelen weet. Dat zijn vastigheden. Tegenover alle onvastigheden en onveiligheden in deze wereld staat een vastigheid en een veiligheid bij God. Die stad heeft fundamenten die nooit omgestoten worden.

Satan heeft het wel geprobeerd en is er nog mee bezig. Maar niemand kan die stad van haar fundamenten beroven, noch die fundamenten aantasten. Die stad heeft blijvende fundamenten, want die heeft God gemaakt.

 

Welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Een ‘kunstenaar’ zouden we in onze dagen ‘architect’ noemen, die de stad ontworpen heeft. Naar Zijn gemaakt bestek zal het verrijzen. Een architect kan wel eens iets tekenen waarvan een bouwer zegt: ‘Maar dat kan niet, dat is niet stevig genoeg of technisch niet haalbaar.’ Dan moet het ontwerp bijgewerkt worden. Maar God is de Architect én de Bouwer, Die weet wat gebouwd kan worden en zal worden, en waartoe het dient, tot eer van Zijn Naam en tot zaligheid van zondaren.

Er is behoud en zaligheid bij God. Dat is in die stad gegarandeerd. Hij is dus de Ontwerper, de Architect. Hij is ook de Bouwheer; de Aannemer, zouden we in onze dagen zeggen. Degene Die de stad bouwt. Al het aardse is onvolmaakt en onvolkomen. Maar wat de Heere bouwt houdt eeuwig stand. Hij weet wat erop afkomt. De stad is berekend op de grootste weerstand en houdt stand in eeuwigheid. En ook Zijn Woord zal geen duimbreed wijken. En die stad is nog toegankelijk.

Er zijn poorten in die stad. Gods Woord spreekt van een Noorderpoort en een Zuiderpoort. Er kunnen onderscheiden wegen zijn waardoor de Heere de Zijnen leidt. Paulus is niet eender geleid als Lydia; de stokbewaarder niet als Timotheüs. Maar ze zijn allemaal als boetvaardige zondaren door het geloof erin gegaan. Tenslotte is er maar één Weg: Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh. 14:6), zegt Christus. En Hij nodigt. Wat weerhoudt ons dan om daar in te gaan? Onze onwil.

 

Hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Want de levende Kerk op aarde heeft de toekomst dat ze die stad zullen gaan bewonen. Ze ontvangen het ware geloof. En Owen zegt: ‘Het geloof is een vluchten van een boetvaardig zondaar tot Gods barmhartigheid in Christus.’

En door het geloof gaan zijn ze ingegaan, een schare die niemand tellen kan.

 

Maar hoe weet ik dat ook ik in die stad zal ingaan? Dat zouden we allemaal wel graag willen, om eenmaal zalig te worden. Maar om in die stad te kunnen ingaan moeten we onderdanen zijn van de Koning van de stad, moet de Koning van de stad gekend worden. Dan worden we onderdaan en toekomstige inwoner, als we onderdaan zijn van Hem, Die de Koning van de stad is.

En zo mag ook Abraham zich onderdaan weten van die Koning. Hij is daarmee verzekerd van een toekomst die de Heere hem heeft bereid.

 

En het kennen van die Koning, dat geeft ook heimwee. Dat brengt heimwee met zich mee. We lezen in Openbaring 22: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! (vers 17) Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus (vers 20). ‘Ja, kom, Heere Jezus! Opdat wij met U in die stad zullen ingaan.’

Zij die heimwee hebben komen thuis, is een bekende uitdrukking. Hebt u ook heimwee? Niet dat u de uwen zat bent. Nee, u bent de zonde zat. Zij die de zonde zat zijn, krijgen een heimwee naar die stad. En het gaat niet om de hemel te krijgen. Wat zou de hemel zijn zonder Jezus? Maar het gaat erom dat het hart uitgaat naar die Koning bij Wie al wat aan Hem is begeerlijk is. Om daar straks ook voor altijd bij Hem te mogen zijn.

 

Gemeente, wij zoeken onze vastigheid op deze aarde. Maar alles wankelt en kantelt. Maar die vastigheid bij de Heere houdt eeuwig stand. En waar de vreemdelingen op aarde naar uitzien, dat is om eenmaal Thuis te mogen komen, eenmaal bij de Heere te zijn. De straten van goud en de poorten van paarlen, zeker, ze trekken. Maar zeker de Koning Zelf. Er wordt uitgezien naar de dag van Zijn wederkomst. We lezen in het laatste gedeelte van antwoord 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: ‘Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere.’

Ruim 450 jaar geleden is deze geloofsbelijdenis opgesteld door Guido de Brès. Die heeft dus dat artikel opgesteld: ‘Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen.’ Dat was praktijk in zijn leven. Hij schreef: ‘Hier is de plaats van onze woning niet. Ze is in de hemel. Het is hier de plaats van onze vreemdelingschap. Laten we daarom sterk verlangen naar ons ware vaderland, de hemel, en bovenal om te worden ontvangen in het huis van onze hemelse Vader en daar onze Broeder, Hoofd en Zaligmaker Jezus Christus te zien. Om daar het hoogwaardige gezelschap van de patriarchen, profeten en apostelen te zien, en zoveel duizenden martelaren tot wier gezelschap ik ingezameld hoop te worden wanneer ik de loopbaan van de dienst van mijn Meester zal hebben volbracht.’

Dat was het uitzien van Guido de Brès. Hier op aarde is ons vaderland niet. Maar het Vaderland is daarboven. Dat zegt Guido de Brès vlak voor het eind van zijn leven, met een heimwee vervuld.

Woorden, gemeente, waard om overdacht te worden. Leg daar uw eigen leven eens naast. Kom eens tot bezinning. Ga niet over tot de orde van de dag. Misschien denkt u of jij: ‘Ik hoop nog lange tijd te mogen leven.’ Dat zou een voorrecht zijn. Maar hier wordt het ware leven genoemd.

Het ware leven, lieven en loven, is daar waar men Jezus ziet.

En die genade is vandaag nog te verkrijgen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 17:8

 

Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!)

Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,

U in gerechtigheid aanschouwen,

Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.